Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.098

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-06-26 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

bestuursrecht grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

15 april 1977, 29 juni 1984, 6 januari 1989, Constitution, GRONDWET

Samenvatting

de vordering tot schorsing van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur », ingesteld door de vzw « Centre d’accueil et d’information jeunesse de Bruxelles » en anderen.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.098 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.098 Arrest- Rolnummer: 98/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-07-07 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2025-12-15 14:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van de vordering tot schorsing Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vordering tot schorsing van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur », ingesteld door de vzw « Centre d'accueil et d'information jeunesse de Bruxelles » en anderen. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Secundair onderwijs - Technisch of beroepsonderwijs - Toegang tot een zevende jaar - Beperking Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 98/2025 van 26 juni 2025 Rolnummer : 8459 In zake : de vordering tot schorsing van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur », ingesteld door de vzw « Centre d’accueil et d’information jeunesse de Bruxelles » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 april 2025 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 april 2025, is een vordering tot schorsing van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 januari 2025) ingesteld door de vzw « Centre d’accueil et d’information jeunesse de Bruxelles », de vzw « Oproep voor een democratische school », de vzw « Ligue des Droits de l’Enfant » en de vzw « RedFox », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Loïca Lambert, mr. Annelies Nachtergaele en mr. Leïla Lahssaini, advocates bij de balie te Brussel. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde decreetsbepalingen. Bij beschikking van 22 april 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 21 mei 2025, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd 2 hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 15 mei 2025 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden, alsook, via mail, op het mailadres griffie@const-court.be. De Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jérôme Sohier en mr. Aude Valizadeh, advocaten bij de balie te Brussel, heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 21 mei 2025 : - zijn verschenen : . mr. Hind Riad, advocate bij de balie te Brussel, loco mr. Loïca Lambert, mr. Annelies Nachtergaele en mr. Leïla Lahssaini, voor de verzoekende partijen; . mr. Jérôme Sohier, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1. De verzoekende partijen menen dat zij beschikken over het vereiste belang om de schorsing en de vernietiging te vorderen van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur » (hierna : het programmadecreet van 11 december 2024), aangezien dat programmadecreet, voor een aantal jongeren van wie zij de belangen behartigen, de toegang tot bepaalde studiejaren in het kwalificatieonderwijs beperkt. A.2. De Franse Gemeenschapsregering doet gelden dat de bestreden bepalingen de toegang tot een zevende jaar van het technisch kwalificatieonderwijs en van het beroepsonderwijs hervormen. Dat zevende jaar, dat is gesitueerd na de derde graad, valt evenwel buiten de leerplicht en wordt in beginsel enkel gevolgd door meerderjarige leerlingen. Verenigingen wier statutair doel bestaat in het behartigen van de belangen van leerplichtige jongeren of minderjarigen, beschikken bijgevolg niet over het vereiste belang. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.3.1. De verzoekende partijen doen gelden dat het programmadecreet van 11 december 2024 geen enkele overgangsmaatregel bevat, zodat het volledig uitwerking zal hebben vanaf het begin van het schooljaar 2025-2026. 3 Aan honderden leerlingen zal dan het recht worden ontzegd om zich in te schrijven in het zevende jaar van het technisch kwalificatieonderwijs en in het zevende jaar van het beroepsonderwijs, zonder dat zij hun schooltraject dienovereenkomstig hebben kunnen oriënteren. Dat verlies van een schooljaar en de onderbreking van hun schooltraject, bij gebrek aan een andere gelijkwaardige opleiding, vormt noodzakelijkerwijs een risico van een ernstig nadeel dat niet kan worden hersteld door de vernietiging van de bestreden bepalingen, die zou plaatsvinden na het begin van het schooljaar. De verzoekende partijen beklemtonen bovendien dat de schoolinrichtingen en hun personeel ook worden geconfronteerd met een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het aantal leerlingen die geldig waren ingeschreven tijdens het schooljaar 2024-2025 en die het recht op toegang tot een zevende jaar hebben verloren, zal vanaf het schooljaar 2025-2026 immers worden afgetrokken van de telling van de leerlingen die de financiële en personele middelen van de schoolinrichtingen bepaalt. A.3.2. De Franse Gemeenschapsregering zet uiteen dat de verzoekende partijen tot de laatste dag van de termijn hebben gewacht om hun verzoekschrift tot schorsing in te dienen, waaruit kan worden afgeleid dat de hoogdringendheid waarop zij zich beroepen, niet is aangetoond. Bovendien beklemtoont de Franse Gemeenschapsregering dat de vier verzoekende partijen rechtspersonen zijn die een collectief belang verdedigen. Dergelijke verenigingen mogen niet worden verward met de natuurlijke personen wier belangen zij verdedigen. Aangezien zij zich niet beroepen op een eigen risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, is het nadeel dat de bestreden bepalingen hun zouden berokkenen, louter een moreel nadeel en kan het niet als moeilijk te herstellen worden aangemerkt. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1. De vordering tot schorsing en het beroep tot vernietiging zijn gericht tegen het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur » (hierna : het programmadecreet van 11 december 2024). De verzoekende partijen formuleren in het bijzonder grieven tegen de artikelen 16, 17, 18, 19 en 67 van het programmadecreet van 11 december 2024. B.2. Hoofdstuk 1 van het programmadecreet van 11 december 2024 bevat diverse bepalingen betreffende onderwijs. De bestreden artikelen 16, 17, 18 en 19 van hetzelfde programmadecreet vormen afdeling 6 (« Bepalingen tot wijziging van de toegang tot het zevende jaar van het gewoon secundair onderwijs ») van dat hoofdstuk 1. B.3. Artikel 17 van het programmadecreet van 11 december 2024 wijzigt artikel 17, § 1, van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 « betreffende de organisatie van het secundair 4 onderwijs » (hierna : het koninklijk besluit van 29 juni 1984) teneinde « de toegang tot het zevende jaar van het technisch secundair onderwijs en beroepssecundair onderwijs te beperken tot de leerlingen die geen houder zijn van het CESS en/of, in voorkomend geval, van een kwalificatiegetuigschrift » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2024-2025, nr. 34/1, p. 23). B.4. Bij artikel 18 van het programmadecreet van 11 december 2024 worden de paragrafen 5, 6 en 7 van artikel 56bis van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 opgeheven, die de minister of diens afgevaardigde ertoe machtigden, na het advies van de algemene inspectiedienst te hebben ingewonnen, de toegang tot een zevende jaar in het technisch of beroepsonderwijs toe te staan voor leerlingen die in beginsel geen toegang ertoe hadden omdat zij reeds houder waren van een bekwaamheidsbewijs secundair onderwijs. B.5. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 15 april 1977 « tot vaststelling van de regelen en de voorwaarden voor de berekening van het aantal betrekkingen in sommige ambten van het opvoedend hulppersoneel en van het administratief personeel van de inrichtingen voor secundair onderwijs », dat is gewijzigd bij het bestreden artikel 16 van het programmadecreet van 11 december 2024, stelt de wijze vast waarop het aantal leerlingen wordt vastgelegd dat de berekening of de subsidiëring van betrekkingen in sommige ambten van het opvoedend hulppersoneel en van het administratief personeel van de inrichtingen voor secundair onderwijs bepaalt. Sedert de wijziging ervan bij artikel 16 van het programmadecreet van 11 december 2024 luidt die bepaling : « Worden afgetrokken van de telling van 15 januari 2025, de leerlingen die zijn ingeschreven in 2024-2025, maar die niet langer als regelmatig ingeschreven zouden worden beschouwd in het kader van de maatregel die is opgenomen in artikel 17, § 1, van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs, indien die van kracht was geweest sinds het begin van het schooljaar 2024-2025 » (zesde lid). Die bepaling voorziet dus vanaf het schooljaar 2025-2026 erin dat de leerlingen die in het zevende jaar van het technisch of beroepssecundair onderwijs zijn ingeschreven, uit de telling worden gehaald, terwijl die reeds houder zijn van een bekwaamheidsbewijs secundair 5 onderwijs, hetgeen voor bepaalde inrichtingen voor secundair onderwijs een vermindering van het aantal betrekkingen in sommige ambten van het opvoedend hulppersoneel en van het administratief personeel kan inhouden. B.6. Artikel 19 van het programmadecreet van 11 december 2024 wijzigt artikel 22 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 29 juli 1992 « houdende organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan » (hierna : het decreet van 29 juli 1992), door een paragraaf 6 eraan toe te voegen, die bepaalt : « Leerlingen die ingeschreven zijn in 2024-2025, maar die niet meer beschouwd zouden worden als regelmatig ingeschreven krachtens de maatregel ingevoegd in artikel 17, § 1, van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs, indien deze maatregel van kracht was geweest vanaf het begin van het schooljaar 2024-2025, worden afgetrokken van de telling van 15 januari 2025 ». Artikel 22 van het decreet van 29 juli 1992 stelt de wijze vast waarop het aantal leerlingen wordt vastgelegd dat de berekening van het totaalaantal lestijden-leraren binnen de inrichtingen bepaalt. Die bepaling voorziet dus vanaf het schooljaar 2025-2026 erin dat de leerlingen die in het zevende jaar van het technisch of beroepssecundair onderwijs zijn ingeschreven, uit de telling worden gehaald, terwijl zij reeds houder zijn van een bekwaamheidsbewijs secundair onderwijs, hetgeen een aantal inrichtingen voor secundair onderwijs kan blootstellen aan een vermindering van het aantal beschikbare lestijden-leraren. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.7.1. Aangezien geen enkel middel wordt geformuleerd tegen de artikelen 1 tot 15 en 20 tot 66 van het decreet van 11 december 2024, is het beroep niet ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen die bepalingen. B.7.2. Voor het overige blijkt uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, niet dat het beroep tot vernietiging – noch dus de vordering tot schorsing – onontvankelijk moet worden geacht. 6 Ten aanzien van de voorwaarden voor de schorsing B.8. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee voorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd, moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. B.9.1. Wat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, moet de schorsing van een wetsbepaling door het Hof kunnen voorkomen dat voor de verzoekende partij door de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm een ernstig nadeel zou ontstaan dat bij een eventuele vernietiging van die norm niet of nog moeilijk zou kunnen worden hersteld. B.9.2. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepaling waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst en de moeilijk te herstellen aard ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepaling aantonen. B.10. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen voor tal van leerlingen van wie zij de belangen behartigen, leiden tot het verlies van de mogelijkheid om 7 zich in te schrijven in het zevende jaar van het beroepsonderwijs of van het technisch kwalificatieonderwijs, en dus tot het verlies van een schooljaar. Bovendien zouden de bestreden bepalingen de schoolinrichtingen eveneens blootstellen aan een aanzienlijk verlies van menselijke en financiële middelen, aangezien de leerlingen die in 2024-2025 zijn ingeschreven maar die krachtens de bestreden bepalingen niet meer als regelmatig ingeschreven zouden worden beschouwd, niet meer in aanmerking zouden worden genomen bij de berekening van hun middelen. Ten slotte zouden de bestreden bepalingen de loopbaan kunnen onderbreken van leerkrachten die, wegens de vermindering van de menselijke en financiële middelen van de inrichtingen, hun aantal werkuren zouden zien afnemen. B.11. Om het ernstig en moeilijk te herstellen karakter van het nadeel te beoordelen, mag een vereniging zonder winstoogmerk die beginselen verdedigt of een collectief belang beschermt, niet worden verward met de natuurlijke personen die in hun persoonlijke situatie worden geraakt en op wie die beginselen of dat belang betrekking hebben. B.12. De aangevoerde nadelen die de betrokken studenten zouden kunnen lijden, treffen de verzoekende partijen niet persoonlijk. Het aangevoerde nadeel dat de verzoekende partijen zelf zouden kunnen lijden, betreft een louter moreel nadeel dat voortvloeit uit de aanneming en toepassing van wetsbepalingen die raken aan de collectieve belangen die zij behartigen. Een dergelijk nadeel is niet moeilijk te herstellen, aangezien het bij de vernietiging van de bestreden bepalingen zou verdwijnen. B.13. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent. Aangezien een van de voorwaarden om tot schorsing te kunnen besluiten niet is vervuld, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. 8 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 26 juni 2025. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.098 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot