Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.096

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-06-26 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

bestuursrecht grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

1 juni 2021, 19 december 1974, 19 juni 2022, 19 juni 2022, 30 juni 1994

Samenvatting

de prejudiciële vraag betreffende artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 juni 2022 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG », gesteld door de Raad van State.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.096 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.096 Arrest- Rolnummer: 96/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-07-07 Raadplegingen: 1457 - laatst gezien 2025-12-15 14:20 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Terugzending van de zaak naar het verwijzende rechtscollege Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 juni 2022, gesteld door de Raad van State. Economisch recht - Auteursrechten en naburige rechten - Uitvoerende kunstenaars die in het kader van een statuut zijn aangeworven - Overdracht van naburige rechten langs reglementaire weg Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 96/2025 van 26 juni 2025 Rolnummer : 8076 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 juni 2022 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 257.202 van 31 augustus 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 september 2023, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht, aldus geïnterpreteerd dat het toelaat van artikel XI.203, tweede lid, van hetzelfde Wetboek af te wijken, door de naburige rechten van de in het kader van een statuut aangeworven uitvoerende kunstenaars langs reglementaire weg over te dragen, zonder individuele of collectieve overeenkomst, artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het die uitvoerende kunstenaars het recht ontzegt om met de overdracht van hun rechten en met de nadere regels van die overdracht in te stemmen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - J.B., P.L. en A.H., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Suzanne Capiau, advocate bij de balie te Brussel; 2 - het Nationaal Orkest van België, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Dominique Lagasse en mr. Mireille Buydens, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Ariane Joachimowicz en mr. Ronald Fonteyn, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 29 mei 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist : - dat de zaak nog niet in gereedheid kon worden verklaard, - de uitspraak aan te houden in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de in de zaak C-575/23 gestelde prejudiciële vragen. Bij beschikking van 26 maart 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist : - dat de zaak in staat van wijzen was, - de partijen uit te nodigen om, in een aanvullende memorie bij aangetekende brief die uiterlijk op 19 mei 2025 ter post wordt ingediend, waarvan zij binnen dezelfde termijn een afschrift uitwisselen, alsook, via mail, op het mailadres griffie@const-court.be, hun standpunt uiteen te zetten over de weerslag van het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 maart 2025 op de voorliggende prejudiciële vraag, - dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en - dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zouden worden gesloten op 19 mei 2025 en de zaak in beraad zou worden genomen. Aanvullende memories zijn ingediend door : - J.B., P.L. en A.H.; - de Ministerraad. Ingevolge het verzoek van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 22 april 2025 de dag van de terechtzitting bepaald op 21 mei 2025. Op de openbare terechtzitting van 21 mei 2025 : - zijn verschenen : . mr. Suzanne Capiau, voor J.B., P.L. en A.H.; . mr. Séverine Perin, advocate bij de balie te Brussel, loco mr. Dominique Lagasse en mr. Mireille Buydens, voor het Nationaal Orkest van België; 3 . mr. Ariane Joachimowicz en mr. Ronald Fonteyn, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De exploitatie en de vergoeding van de overdracht van de naburige rechten die de muzikanten van het Nationaal Orkest van België (hierna : het NOB) genieten, maken sinds 2016 het voorwerp uit van een geschil : de vakorganisaties van de muzikanten en het NOB raken het niet eens over de vergoeding verbonden aan de volledige overdracht van de naburige rechten van de muzikanten. Ondanks talrijke onderhandelingen blijft de onenigheid gedurende meerdere jaren bestaan. Het sociaal overleg loopt in 2021 uit op een protocol van niet-akkoord tussen het NOB en de vakorganisaties. Het NOB gaat, terwijl de onderhandelingen nog steeds lopende zijn, over tot de verspreiding van meerdere opnames van prestaties. Als reactie hierop stellen de muzikanten tegen het NOB vorderingen in rechte in die ertoe strekken een einde te maken aan die verspreidingen. In die context, en ondanks het gebrek aan het akkoord van de vakorganisaties van de muzikanten over de voorwaarden verbonden aan de overdracht van de naburige rechten, neemt de Ministerraad, op verzoek van de raad van bestuur en de intendant van het NOB, het koninklijk besluit van 1 juni 2021 « houdende naburige rechten van het artistiek personeel van het Nationaal Orkest van België » (hierna : het koninklijk besluit van 1 juni 2021) aan. Artikel 2 van dat koninklijk besluit bepaalt dat de naburige rechten verbonden aan de prestaties van de muzikanten van het NOB die zijn aangeworven in het kader van een administratiefrechtelijk statuut of in het kader van een arbeidsovereenkomst, met uitzondering van de muziekdirectoren en de solisten, worden overgedragen aan het NOB indien die prestaties worden uitgevoerd in het kader van hun opdracht in dienst van het NOB. Als tegenprestatie ontvangen die muzikanten een jaarlijkse forfaitaire toelage van 600 euro (artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 1 juni 2021) en verschillende toelagen waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van de andere bepalingen van hetzelfde koninklijk besluit. Drie statutaire muzikanten van het NOB stellen op 26 juli 2021 voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in tegen het koninklijk besluit van 1 juni 2021. De verzoekende partijen voor de Raad van State betwisten in essentie dat het koninklijk besluit van 1 juni 2021 de collectieve overdracht van de naburige rechten van de muzikanten van het NOB zou kunnen organiseren. Volgens hen moet de overdracht plaatsvinden hetzij in het kader van individuele overeenkomsten met toepassing van artikel XI.203, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, hetzij op een collectieve en algemene wijze in het kader van een « collectieve overeenkomst » in de zin van artikel XI.205, § 4, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, hetgeen te dezen niet het geval is. De Belgische Staat, verwerende partij, doet voor de Raad van State gelden dat artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht voorziet in een specifieke regeling voor de uitvoerende kunstenaars die zijn aangeworven in het kader van een statuut of een arbeidsovereenkomst, waarbij, in afwijking van artikel XI.203, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, de naburige vermogensrechten langs reglementaire weg kunnen worden overgedragen aan de werkgever indien uitdrukkelijk in die overdracht is voorzien en indien de prestatie waarop de rechten betrekking hebben binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst of het statuut valt. De verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege verzoeken vervolgens in ondergeschikte orde de Raad van State om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof over de grondwettigheid van artikel XI.205, § 4, 4 van het Wetboek van economisch recht, in de interpretatie dat het een van artikel XI.203 van hetzelfde Wetboek afwijkende regeling bevat. Zowel de verwerende partij als het NOB, tussenkomende partij voor het verwijzende rechtscollege, betwisten dat een dergelijke prejudiciële vraag dient te worden gesteld. Bij zijn arrest nr. 257.202 van 31 augustus 2023 ( ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.202 ), verbeterd bij het arrest nr. 257.é van 5 september 2023 (ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.é), beslist de Raad van State om de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen, na de door de verzoekende partijen voorgestelde vraag te hebben geherformuleerd. Bij hetzelfde arrest beslist de Raad van State eveneens om twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. III. In rechte -A– Ten gronde A.1.1. De verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege zetten uiteen dat de naburige rechten van de uitvoerende kunstenaars intellectuele eigendomsrechten zijn en dus individuele en exclusieve rechten zijn die onder meer worden beschermd door de bepalingen van Belgisch en Europees recht ter waarborging van het eigendomsrecht. Zij zetten uiteen dat die naburige rechten worden geregeld door het Wetboek van economisch recht, en meer bepaald de artikelen XI.203 tot XI.219 ervan. A.1.2. Volgens de verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege vormt artikel XI.203 van het Wetboek van economisch recht de grondslag voor het algemeen beginsel volgens hetwelk de naburige rechten roerende rechten zijn die overgaan bij erfopvolging en vatbaar zijn voor overdracht volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, en in het bijzonder met inachtneming van het beginsel van de contractuele vrijheid, dat alleen wordt beperkt door de wet of door een hogere norm dan de wet. De overdracht van de naburige rechten wordt dus geregeld door het gemeenrechtelijk contractrecht, behoudens toepassing van beschermende algemene regels zoals artikel XI.205 van het Wetboek van economisch recht. A.1.3. Zij zijn van mening dat artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht de beschermende regels van artikel XI.205, § 3, van hetzelfde Wetboek mildert ten gunste van de werkgever van de in het kader van een statuut aangeworven uitvoerende kunstenaar, maar als zodanig niet afwijkt van het algemeen beginsel van artikel XI.203, tweede lid, van hetzelfde Wetboek. Dat milderen van de beschermende regels houdt met name in dat de werkgever niet verplicht is om de prestatie te exploiteren, dat de naburige rechten kunnen worden overgedragen voor nog onbekende exploitatievormen, dat de vermogensrechten betreffende toekomstige prestaties kunnen worden overgedragen zonder tijdsbeperking en zonder de overdracht te beperken tot bepaalde genres van prestaties en dat collectieve overeenkomsten de strekking en de nadere regels van de overdracht kunnen bepalen. A.1.4. Volgens de verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege blijkt uit de combinatie van die bepalingen dat, hoewel de strekking en de nadere regels van de overdracht van naburige vermogensrechten die de in het kader van een statuut aangeworven uitvoerende kunstenaars genieten, kunnen worden bepaald door collectieve overeenkomsten (artikel XI.205, § 4, vierde lid, van het Wetboek van economisch recht), het beginsel van de overdracht zelf, krachtens artikel XI.203 van het Wetboek van economisch recht, blijft beheerst door de regels van het Burgerlijk Wetboek, met inachtneming van de contractuele vrijheid. Hieruit volgt dat het beginsel van de overdracht het voorwerp moet uitmaken van een overeenkomst tussen de overdragende kunstenaar en de overnemende werkgever. Die analyse wordt bevestigd, a contrario, door het wettelijk vermoeden van overdracht ten gunste van de producent of de werkgever waarin met name de artikelen XI.206, XI.296 of XI.187 van het Wetboek van economisch recht voorzien. A.1.5. Uit die elementen vloeit voort dat, door artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht zo te interpreteren dat het afwijkt van het algemeen beginsel van artikel XI.203, de in het kader van een statuut aangeworven uitvoerende kunstenaars hun intellectueel eigendomsrecht wordt ontzegd zonder dat er een reden van algemeen belang voorhanden is die een dergelijke onteigening kan verantwoorden, hetgeen in strijd is met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het 5 Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege dient de prejudiciële vraag dus bevestigend te worden beantwoord. A.2.1. De Ministerraad herinnert eraan dat het onderzoek van het Hof moet worden beperkt tot de in de prejudiciële vraag beoogde bepalingen in de versie ervan die van toepassing was op het ogenblik dat de voor het verwijzende rechtscollege bestreden handeling werd aangenomen, namelijk vóór de wijzigingen bij de wet van 19 juni 2022 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG ». A.2.2. De Ministerraad is van mening dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, in zoverre zij berust op een kennelijk verkeerde interpretatie van artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht. Hij zet uiteen dat die bepaling de in het kader van een statuut aangeworven uitvoerende kunstenaars kennelijk niet de mogelijkheid ontzegt om in te stemmen met de overdracht van hun rechten en de nadere regels van die overdracht, aangezien die mogelijkheid is onderworpen aan twee voorwaarden : er moet uitdrukkelijk in de overdracht van de rechten worden voorzien en de prestatie moet binnen het toepassingsgebied van het statuut vallen. Die overdracht kan dus enkel plaatsvinden overeenkomstig het statuut, waarmee de ambtenaren worden geacht te hebben ingestemd toen ze in dienst zijn getreden. De Ministerraad doet overigens gelden dat de beweerde ongrondwettigheid, gesteld dat zij zelfs vaststaat, zou voortvloeien uit het statuut en niet uit artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht. A.2.3. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat voor recht moet worden gezegd dat artikel XI.205, § 4, zoals geïnterpreteerd door het verwijzende rechtscollege, artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt, in zoverre het geen enkele verstoring van het eigendomsrecht van ambtenaren met zich meebrengt. Artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht ontneemt immers als zodanig de statutaire ambtenaren hun naburige rechten niet en vormt dus geen formele of daadwerkelijke onteigening van hun rechten. A.2.4. Zelfs gesteld dat artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht het eigendomsrecht van de statutaire ambtenaren verstoort, dan nog zou moeten worden vastgesteld dat die verstoring wettelijk, noodzakelijk en evenredig is met het nagestreefde doel. De Ministerraad is van mening dat de vermeende verstoring bij wet is bepaald en in duidelijke en precieze bewoordingen is geformuleerd. Zij streeft het legitieme doel na dat erin bestaat de exploitatie door het Nationaal Orkest van België (hierna : het NOB), overeenkomstig de aan het NOB toevertrouwde opdracht van openbare dienst, van de door de statutaire ambtenaren in het kader van hun statuut verrichte prestaties te verzekeren. De vermeende verstoring is tot slot evenredig, aangezien zij is beperkt tot de prestaties die binnen het toepassingsgebied van het statuut vallen en daarvoor in een vergoeding is voorzien. Volgens de Ministerraad bestaan er overigens geen andere maatregelen die het eigendomsrecht van de statutaire ambtenaren in mindere mate aantasten en die tevens geschikt zijn om het legitieme doel van de wetgever te verwezenlijken. De Ministerraad is overigens van mening dat het eenzijdige karakter van de overdracht van de naburige rechten inherent is aan het statuut zelf van de ambtenaren. Doordat de ambtenaar heeft aanvaard in het kader van een statuut te worden aangeworven, wordt hij geacht het eenzijdige karakter ervan te hebben aanvaard. A.3.1. Het NOB, tussenkomende partij voor het verwijzende rechtscollege, is van mening dat artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht wel degelijk een afwijking vormt van de in artikel XI.203, tweede lid, van hetzelfde Wetboek vervatte algemene bepaling, volgens welke de naburige rechten worden overgedragen overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het de overdracht van die rechten langs statutaire weg toelaat. Die overweging vindt steun in de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 juni 1994 « betreffende het auteursrecht en de naburige rechten », waaruit artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht is overgenomen. A.3.2. Het NOB voert in hoofdorde aan dat artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht het eigendomsrecht van de statutaire muzikanten niet verstoort. Die bepaling bevat immers zelf geen eigendomsberoving of -beperking voor de statutaire muzikanten; zij voorziet enkel in de mogelijkheid om de overdracht van de naburige rechten langs reglementaire weg te organiseren. De eventuele verstoring van het genot van de eigendom van de uitvoerende kunstenaars is gelegen in een onderscheiden rechtshandeling, namelijk te dezen het statuut van de statutaire muzikanten van het NOB. 6 A.3.3. In ondergeschikte orde is het NOB van mening dat artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht, gesteld dat het een verstoring vormt van het genot van de eigendom van de statutaire muzikanten, artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt, omdat de eventuele verstoring beantwoordt aan de vereisten van wettigheid, legitimiteit en evenredigheid die voortvloeien uit de bepalingen waarvan het Hof de naleving verzekert. Op dat punt is de door het NOB uiteengezette argumentatie gelijkaardig aan de door de Ministerraad in A.2.4 uiteengezette argumentatie. A.4.1. De verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege betwisten dat de vergoeding van de overdracht van de naburige vermogensrechten die de statutaire uitvoerende kunstenaars genieten, onder het geldelijk statuut van de laatstgenoemden valt. Een overdracht van naburige rechten langs reglementaire weg komt neer op een gedwongen eigendomsoverdracht en dus op een eigendomsberoving die verboden is bij artikel 16 van de Grondwet en bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De norm die die overdracht regelt, namelijk artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht, is niet voldoende toegankelijk (er heeft nog nooit een reglementaire overdracht van naburige rechten plaatsgevonden bij het NOB), nauwkeurig en voorzienbaar (in zoverre die norm de overdracht niet beperkt tot de opdracht van openbaar belang van de begunstigde van die overdracht). Hieruit vloeit in elk geval voort dat artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht, door de reglementaire overdracht van naburige rechten van de statutaire uitvoerende kunstenaars mogelijk te maken, niet evenredig is met het nagestreefde doel. A.4.2. Zij merken eveneens op dat artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht geenszins voorziet in het beginsel van een vergoeding als tegenprestatie voor de reglementaire overdracht van naburige rechten die dat artikel toestaat. Die norm voorziet bijgevolg in geen enkele billijke schadeloosstelling voorafgaand aan de eigendomsberoving, terwijl artikel 16 van de Grondwet dat vereist. De aan de statutaire muzikanten van het NOB toegekende vergoeding vloeit voort uit een koninklijk besluit en niet uit een wetskrachtige norm, hetgeen het wettigheidsvereiste schendt. A.4.3. De verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege betwisten tot slot dat de eenzijdige overdracht langs reglementaire weg van de naburige rechten de enige manier zou zijn om het door de wetgever nagestreefde doel te verwezenlijken. De wet van 19 december 1974 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel » voorziet immers in de mogelijkheid om een onderhandeling te beëindigen met een eenparig akkoord van alle vakbondsafvaardigingen. Het is dus mogelijk om een collectieve overeenkomst van de ambtenaren te verkrijgen, via hun vakbondsafgevaardigden, met de reglementaire overdracht van de rechten, die bijgevolg met hun toestemming zou plaatsvinden. Ten aanzien van de weerslag, op de prejudiciële vraag, van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 maart 2025 in zake NOB e.a. A.5.1. De verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege doen gelden dat de prejudiciële vraag op geldige wijze aanhangig blijft bij het Hof. Zij zijn van mening dat het arrest van het Hof van Justitie van 6 maart 2025 in zake NOB e.a. (C-575/23, ECLI:EU:C:2025:141 ) vereist dat de overdracht van de naburige vermogensrechten van de in het kader van een administratiefrechtelijk statuut aangeworven uitvoerende kunstenaars het voorwerp uitmaakt van een voorafgaande toestemming van die laatsten. De in het geding zijnde bepaling kan bijgevolg niet zo worden geïnterpreteerd dat zij een reglementaire overdracht van de naburige rechten van de uitvoerende kunstenaars toestaat zonder hun voorafgaande en schriftelijke toestemming. A.5.2. De Ministerraad zet in hoofdorde uiteen dat het voormelde arrest van het Hof van Justitie zijn standpunt niet beïnvloedt. Hij doet in ondergeschikte orde gelden dat de in het geding zijnde bepaling niet meer kan worden geïnterpreteerd zoals in de prejudiciële vraag wordt voorgesteld, zodat de Raad van State dient te worden ondervraagd over het nut van de prejudiciële vraag om het voor hem hangende geschil te beslechten. In meer ondergeschikte orde merkt de Ministerraad op dat het voormelde arrest van het Hof van Justitie zich niet verzet tegen een nationale regeling waarbij de in het geding zijnde rechten langs reglementaire weg kunnen worden overgedragen, voor zover de voorafgaande toestemming van de betrokkenen is verkregen, zodat de in het geding zijnde bepaling, aldus geïnterpreteerd dat zij de overdracht van de naburige rechten van de uitvoerende kunstenaars langs reglementaire weg toestaat, met hun individuele of collectieve instemming, artikel 16 van de 7 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.1. De artikelen XI.203 tot XI.219 van het Wetboek van economisch recht maken deel uit van hoofdstuk 3 (« Naburige rechten ») van titel 5 (« Auteursrecht en naburige rechten ») van boek XI (« Intellectuele eigendom en bedrijfsgeheimen ») van het Wetboek van economisch recht. Die bepalingen leggen de regeling vast die op de naburige rechten van toepassing is. B.1.2. Artikel XI.203 van het Wetboek van economisch recht, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 28 van de wet van 19 juni 2022 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG » (hierna : de wet van 19 juni 2022), bevat een « algemene bepaling » die van toepassing is op alle naburige rechten. Het bepaalt : « De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan het auteursrecht. Geen van deze bepalingen mag op zodanige wijze worden uitgelegd dat zij de uitoefening van het auteursrecht beperkt. De in dit hoofdstuk erkende naburige rechten zijn roerende rechten die overgaan bij erfopvolging en vatbaar zijn voor gehele of gedeeltelijke overdracht, overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Ze kunnen onder meer worden vervreemd of in een gewone of exclusieve licentie worden ondergebracht ». B.2. Artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht maakt deel uit van afdeling 2 (« Bepalingen betreffende de uitvoerende kunstenaars ») van het voormelde hoofdstuk 3 van titel 5 van boek XI van het Wetboek van economisch recht. Zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 29 van de wet van 19 juni 2022, bepaalde artikel XI.205 van het Wetboek van economisch recht : 8 « § 1. Alleen de uitvoerende kunstenaar heeft het recht om zijn prestatie te reproduceren of de reproductie ervan toe te staan, op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk. Dat recht omvat onder meer het exclusieve recht om de verhuring of de uitlening ervan toe te staan. Alleen hij heeft het recht om zijn prestatie volgens om het even welk procédé, met inbegrip van de beschikbaarstelling voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, aan het publiek mede te delen. De rechten van de uitvoerende kunstenaar omvatten onder meer het exclusieve distributierecht dat slechts wordt uitgeput in geval van een eerste verkoop of eerste andere eigendomsoverdracht door de uitvoerende kunstenaar van de reproductie van zijn prestatie in de Europese Unie of met diens toestemming. Ook variété- en circusartiesten worden als uitvoerende kunstenaars beschouwd. Aanvullende kunstenaars die volgens de beroepsgebruiken als dusdanig zijn erkend, worden niet als uitvoerende kunstenaars beschouwd. § 2. Tenzij het tegendeel is bewezen, wordt eenieder als uitvoerend kunstenaar aangemerkt wiens naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is als dusdanig op de prestatie, op een reproductie van de prestatie, of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld. § 3. Ten aanzien van de uitvoerende kunstenaar worden alle contracten schriftelijk bewezen. De contractuele bedingen met betrekking tot de rechten van de uitvoerende kunstenaar en de exploitatiewijzen ervan moeten restrictief worden geïnterpreteerd. De overdracht van het voorwerp waarin een vastlegging van de prestatie is geïncorporeerd, leidt niet tot het recht om de prestatie te exploiteren. De verkrijger van het recht moet de prestatie overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken exploiteren. De overdracht van de rechten betreffende nog onbekende exploitatievormen is nietig, niettegenstaande enige daarmee strijdige bepaling. De overdracht van de vermogensrechten betreffende toekomstige prestaties geldt slechts voor een beperkte tijd en voor zover het genre van de prestaties waarop de overdracht betrekking heeft, bepaald is. § 4. Wanneer een uitvoerend kunstenaar een prestatie levert ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst of een statuut, kunnen de vermogensrechten worden overgedragen aan de werkgever voor zover uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien en voor zover de prestatie binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst of het statuut valt. Wanneer een uitvoerend kunstenaar een prestatie levert ter uitvoering van een bestelling, kunnen de vermogensrechten worden overgedragen aan degene die de bestelling heeft geplaatst 9 voor zover deze laatste een activiteit uitoefent in de niet-culturele sector of in de reclamewereld, voor zover de prestatie bestemd is voor die activiteit en uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien. In die gevallen is paragraaf 3, derde tot vijfde lid, niet van toepassing. De strekking van die overdracht en de wijze waarop ze plaatsvindt, kunnen bij collectieve overeenkomst worden bepaald ». Ten aanzien van de prejudiciële vraag B.3. In de prejudiciële vraag wordt aan het Hof gevraagd of artikel XI.205, § 4, van het Wetboek van economisch recht, aldus geïnterpreteerd dat het toelaat om van artikel XI.203, tweede lid, van hetzelfde Wetboek af te wijken, bestaanbaar is met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het die in het kader van een statuut aangeworven uitvoerende kunstenaars het recht ontzegt om met de overdracht (en met de nadere regels van die overdracht) van hun naburige vermogensrechten in te stemmen, indien die overdracht plaatsvindt langs reglementaire weg, zonder individuele of collectieve overeenkomst. B.4.1. Bij zijn arrest nr. 257.202 van 31 augustus 2023 ( ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.202 ), verbeterd bij het arrest nr. 257.é van 5 september 2023 (ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.é), heeft het verwijzende rechtscollege eveneens twee prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. B.4.2. Bij zijn arrest van 6 maart 2025 in zake NOB e.a. (C-575/23, ECLI:EU:C:2025:141 ) heeft het Hof van Justitie de eerste prejudiciële vraag in die zin beantwoord dat artikel 2, b), en artikel 3, lid 2, a), van de richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 « betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij », en artikel 3, lid 1, b), artikel 7, lid 1, artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 1, a), van de richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 « betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom », zo moeten worden geïnterpreteerd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarbij de naburige rechten van onder een 10 administratiefrechtelijk statuut aangeworven uitvoerende kunstenaars voor de prestaties die zij in het kader van hun opdracht in dienst van die werkgever verrichten, zonder hun voorafgaande toestemming bij regelgeving worden overgedragen om door die werkgever te worden geëxploiteerd. B.5. Rekening houdend met het voorgaande, is er aanleiding om de zaak terug te zenden naar het verwijzende rechtscollege, opdat het in het licht van dat nieuwe gegeven oordeelt of de prejudiciële vraag nog een antwoord behoeft. 11 Om die redenen, het Hof zendt de zaak terug naar het verwijzende rechtscollege. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 26 juni 2025. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.096 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.202 ECLI:EU:C:2025:141 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot