Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.093

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-06-19 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

arbeidsrecht bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

20 juli 1991, 25 november 1991, 26 mei 2002, 27 juni 1969, 28 december 1944

Samenvatting

de prejudiciële vraag betreffende artikel 15 van de wet van 6 februari 2003 « houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Gent.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.093 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.093 Arrest- Rolnummer: 93/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-06-30 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2025-12-15 14:18 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 15 van de wet van 6 februari 2003 « houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Gent. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Werkloosheid - Werkloosheidsuitkeringen - Overheidsdienst - Statutaire personeelsleden - Vrijwillig ontslag - Militairen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 93/2025 van 19 juni 2025 Rolnummer : 8365 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 15 van de wet van 6 februari 2003 « houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Danny Pieters, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 13 november 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 november 2024, heeft de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 15 van de wet van 6 februari 2003 betreffende het vrijwillig ontslag vergezeld van een geïndividualiseerd beroepsomschakelingsprogramma ten behoeve van bepaalde militairen en houdende sociale bepalingen [lees : houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven], de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een verschil in behandeling creëert tussen : - enerzijds de militairen die om enige reden naar het burgerleven zijn teruggekeerd, zoals bepaald in artikel 14 van dezelfde wet, die, in toepassing van dit artikel 15, onverminderd de rechten waarop zij zich eventueel kunnen beroepen krachtens een gunstiger regeling van sociale zekerheid, voor de duur van hun prestaties wel worden beschouwd zonder onderbreking onderworpen geweest te zijn aan de bepalingen van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid alsook de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, met inbegrip van de sector uitkeringen, en aan de 2 bepalingen betreffende de moederschapsverzekering indien zij overeenkomstig de ter zake geldende regels, nl. : 1° binnen 30 kalenderdagen na hun terugkeer naar het burgerleven; a) de hoedanigheid verkregen hebben van aan voornoemde wet onderworpen werknemer, van mijnwerker of van zeeman ter koopvaardij; b) of bij de subregionale tewerkstellingsdienst als werkzoekende ingeschreven zijn; 2° of het bewijs leveren dat zij gedurende dezelfde termijn ongeschikt zijn om arbeid te verrichten in de zin van de reglementering inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, of zich bevinden in een periode van moederschapsverlof overeenkomstig titel V van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, waardoor deze categorie van personen, in toepassing van artikel 8, 4° van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, waarbij de bepalingen van hoofdstuk II van deze wet niet van toepassing zijn op de leden van de Krijgsmacht, wanneer zij zelf een einde stellen aan hun arbeidsverhouding, wel degelijk in aanmerking kunnen komen om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen - anderzijds de (andere) statutaire personeelsleden van de overheidssector (en dus niet deel uitmakend van de Krijgsmacht), waarvoor artikel 9 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen van toepassing is en zodoende inhoudt dat, onverminderd de rechten waarop zij zich eventueel kunnen beroepen krachtens een gunstiger regeling van sociale zekerheid, voor de duur van hun prestaties tijdens de bij artikel 10, § 1, 1°, bedoelde periode, zonder onderbreking onderworpen aan de bepalingen van de voormelde wet van 27.6.1969, met betrekking tot de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid, tot de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, met inbegrip van de sector uitkeringen en aan de bepalingen betreffende de moederschapsverzekering indien zij overeenkomstig de ter zake geldende regels : b) binnen dertig dagen na het beëindigen van hun arbeidsverhouding : - de hoedanigheid verkregen hebben van werknemer onderworpen aan voornoemde wet, van mijnwerker of van zeeman ter koopvaardij; - of bij de subregionale tewerkstellingsdienst als werkzoekende ingeschreven zijn, b) of het bewijs leveren dat zij gedurende dezelfde termijn ongeschikt zijn tot het verrichten van arbeid in de zin van de reglementering inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, of in een periode van moederschapsverlof overeenkomstig titel IV bis van de wet van 9.8.1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering die enkel in aanmerking kunnen komen om toegelaten te worden tot werkloosheidsuitkeringen, 3 waardoor deze categorie van personen, in toepassing van artikel 7, § 1 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, enkel kunnen genieten van de toepassing van artikel 9 van dezelfde wet, wanneer het statutaire personeelslid onder het personele toepassingsgebied valt, nl. elke persoon wiens arbeidsverhouding in een overheidsdienst of in elke andere publiekrechtelijke instelling een einde neemt omdat zij eenzijdig wordt verbroken door de overheid of omdat de benoemingsakte wordt vernietigd, ingetrokken, opgeheven of niet hernieuwd en die uit hoofde van die arbeidsverhouding niet onderworpen is aan de bepalingen van de wet van 27.6.1969 tot herziening van de besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die betrekking hebben op de regeling inzake arbeidsvoorzieningen en werkloosheid en op de sector uitkeringen van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, en ingevolge hiervan wanneer zij zelf een einde stellen aan hun arbeidsverhouding, niet onmiddellijk in aanmerking kunnen komen om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 30 april 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Robin Franckaert was van 11 oktober 2004 tot 1 augustus 2022 tewerkgesteld bij de politiezone Antwerpen. Nadat die tewerkstelling op zijn initiatief was beëindigd, ging hij onmiddellijk aan de slag bij een private vennootschap. Die vennootschap verbrak evenwel de arbeidsovereenkomst op 31 oktober 2022 omdat niet was voldaan aan de functievereisten. Van 1 tot en met 7 november 2022 werd er een opzeggingsvergoeding betaald. Vanaf 8 november 2022 vroeg Robin Franckaert werkloosheidsuitkeringen aan. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna : de RVA) besliste op 16 februari 2023 om het recht op werkloosheidsuitkeringen niet toe te kennen bij gebrek aan voldoende bewezen arbeidsdagen in de 33 maanden vóór de aanvraag. In zijn beslissing wees de RVA erop dat de tewerkstelling als statutair ambtenaar bij de politiezone Antwerpen niet in aanmerking komt voor regularisatie en dus niet meetelt in de berekening van het aantal arbeidsdagen aangezien Robin Franckaert het werk vrijwillig en op eigen initiatief heeft verlaten. Robin Franckaert heeft op 1 maart 2023 tegen die beslissing van de RVA beroep aangetekend bij de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Gent. Na de debatten te hebben heropend om het standpunt van Robin Franckaert te vernemen met betrekking tot het stellen van een prejudiciële vraag, heeft de Arbeidsrechtbank te Gent, afdeling Gent de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag gesteld aan het Hof. 4 III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad is in hoofdorde van oordeel dat de prejudiciële vraag niet dan wel ontkennend moet worden beantwoord. Hij doet allereerst gelden dat de militairen niet vergelijkbaar zijn met de andere statutaire personeelsleden. Militairen zijn door de federale wetgever, die daartoe bevoegd is krachtens artikel 182 van de Grondwet, immers onderworpen aan een bijzonder statuut vanwege de bijzondere finaliteit van de Krijgsmacht. Militairen hebben een bijzondere opdracht, namelijk het vrijwaren van het bestaan en de vitale belangen van de Staat, die vereist dat zij aan bepaalde beperkingen en verplichtingen worden onderworpen. Er moet namelijk worden verzekerd dat het leger, dat zijn opdrachten vaak in moeilijke omstandigheden moet vervullen, steeds operationeel en paraat is. Voor de overige statutaire personeelsleden van de overheid geldt dat niet. Overigens blijkt de niet-vergelijkbaarheid ook reeds uit de Grondwet zelf aangezien die verschillende bepalingen bevat die specifiek betrekking hebben op de militairen. Vervolgens wijst de Ministerraad erop dat de in het geding zijnde maatregelen geen vergelijkbaar doel nastreven. Het verzekeren van de werkloosheidsrechten in geval van onvrijwillige beëindiging van de tewerkstelling beoogt het risico op armoede te ondervangen, terwijl het verzekeren van dezelfde rechten in geval van vrijwillig ontslag uit het militair ambt past binnen de modernisering van het militair ambt, de invoering van de loopbaan van beperkte duur en het aantrekkelijker maken van de beroepsomschakeling. Bovendien is het risico op vrijwillig ontslag bij een militair groter dan bij een ander statutair personeelslid door de hoge vereisten die fysiek, mentaal en emotioneel aan de militair worden opgelegd, en door de risico’s waaraan zij worden blootgesteld. Minstens dient volgens de Ministerraad te worden vastgesteld dat het verschil in behandeling tussen militairen en andere statutaire personeelsleden op een objectief criterium berust, namelijk het al dan niet behoren tot de Krijgsmacht, en redelijk verantwoord is. Rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever beschikt om het statuut van de militairen te bepalen en met de specificiteit van het militair statuut, mocht de wetgever de militairen in geval van vrijwillige beëindiging van de tewerkstelling gunstiger behandelen dan de andere statutaire personeelsleden door hun werkloosheidsrechten eveneens in dat geval te verzekeren. Die maatregel ten gunste van de militairen is pertinent gebleken in het kader van de modernisering van het militair statuut en de nood om jongeren aan te trekken, en is een tegenhanger van het feit dat er voor militairen geen recht op ontslag is. A.2. In ondergeschikte orde, indien het Hof een schending van het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie zou vaststellen, wijst de Ministerraad erop dat de regeling die geldt voor de militairen, in geen geval kan worden uitgebreid naar de andere statutaire personeelsleden van de overheid. Dat zou afbreuk doen aan de eigenheid van de statutaire tewerkstelling, aanleiding geven tot rechtsonzekerheid en een grote budgettaire impact hebben. De Ministerraad verzoekt het Hof om in dat geval de gevolgen te handhaven tot de wetgever een nieuwe regeling heeft kunnen uitwerken. -B- B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het recht op werkloosheidsuitkeringen voor statutaire personeelsleden van de overheidssector in geval van vrijwillig ontslag. B.2.1. Om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen moet de voltijdse werknemer een wachttijd hebben doorlopen van een bepaald aantal arbeidsdagen, 5 afhankelijk van zijn leeftijd (artikel 30, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 « houdende de werkloosheidsreglementering », hierna : het koninklijk besluit van 25 november 1991). Als arbeidsprestaties worden in aanmerking genomen de normale werkelijke arbeid en de meerprestaties zonder inhaalrust verricht in een onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, vallend beroep of onderneming (artikel 37, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit). B.2.2. De statutaire personeelsleden van de overheidssector verrichten geen arbeidsprestaties in een onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, vallend beroep of onderneming. Zij worden dus in beginsel niet toegelaten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen. B.3.1. Met de wet van 20 juli 1991 « houdende sociale en diverse bepalingen » (hierna : de wet van 20 juli 1991) heeft de wetgever in een uitzondering voorzien. Meer bepaald hoofdstuk II van titel I van die wet betreft de « Toepassing van de verzekering tegen werkloosheid, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering op sommige personeelsleden van de overheidssector en van het vrij gesubsidieerd onderwijs ». B.3.2. Dat hoofdstuk is krachtens artikel 7, § 1, van de wet van 20 juli 1991 met name van toepassing op : « elke persoon : - wiens arbeidsverhouding in een overheidsdienst of in elke andere publiekrechtelijke instelling een einde neemt omdat zij eenzijdig wordt verbroken door de overheid of omdat de benoemingsakte wordt vernietigd, ingetrokken, opgeheven of niet hernieuwd, - en die uit hoofde van die arbeidsverhouding niet onderworpen is aan de bepalingen van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die betrekking hebben op de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid en op de sector uitkeringen van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit ». Krachtens artikel 8, 4°, van dezelfde wet is het voormelde hoofdstuk evenwel niet van toepassing op de leden van de Krijgsmacht. 6 B.3.3. Artikel 9 van de wet van 20 juli 1991, dat deel uitmaakt van het voormelde hoofdstuk, bepaalt vervolgens : « Onverminderd de rechten waarop zij zich eventueel kunnen beroepen krachtens een gunstiger regeling van sociale zekerheid, worden de bij artikel 7 bedoelde personen, zodra hun arbeidsverhouding is beëindigd, voor de duur van hun prestaties tijdens de bij artikel 10, § 1, 1°, bedoelde periode, zonder onderbreking onderworpen aan de bepalingen van de voormelde wet van 27 juni 1969, met betrekking tot de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid, tot de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, met inbegrip van de sector uitkeringen en aan de bepalingen betreffende de moederschapsverzekering indien zij overeenkomstig de ter zake geldende regels : a) binnen dertig dagen na het beëindigen van hun arbeidsverhouding : - de hoedanigheid verkregen hebben van werknemer onderworpen aan voornoemde wet, van mijnwerker of van zeeman ter koopvaardij; - of bij de subregionale tewerkstellingsdienst als werkzoekende ingeschreven zijn, b) of het bewijs leveren dat zij gedurende dezelfde termijn ongeschikt zijn tot het verrichten van arbeid in de zin van de reglementering inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, of in een periode van moederschapsverlof overeenkomstig titel IVbis van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering ». B.3.4. Die regeling wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « Met hoofdstuk II van titel I van het ontwerp wordt beoogd een regeling te treffen ten behoeve van statutaire ambtenaren wier dienstverband wordt beëindigd door een eenzijdige handeling van de bevoegde (hiërarchische of toeziende) overheid of vernietigd door de toeziende overheid of door een administratief rechtscollege. Die regeling past in het kader van de ‘ strijd tegen de armoede ’ die de Regering heeft opgenomen in haar doelstellingen. Vastbenoemde ambtenaren zijn niet ingeschakeld in het algemeen stelsel van de sociale zekerheid, dat inzonderheid voorziet in werkloosheidsuitkeringen en in tegemoetkomingen bij ziekte en invaliditeit. Wanneer die ambtenaren om welke reden ook worden ontslagen vooraleer zij pensioengerechtigd zijn, vallen zij samen met hun gezinsleden zonder inkomen. Hun enige uitweg blijft dan een beroep te doen op steun van het O.C.M.W. Een dergelijke toestand is in een moderne welvaartsstaat onaanvaardbaar. Daarom stelt de Regering thans voor, door middel van een juridische fictie, deze ambtenaren wier dienstverband werd verbroken of vernietigd, in te schakelen in de algemene regeling inzake sociale zekerheid. Aldus zullen zij en hun gezin kunnen rekenen op eventuele werkloosheidsuitkeringen en op uitkeringen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering » (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1374/2, p. 8; Kamer, 1990-1991, nr. 1695/6, pp. 4-5). 7 B.4.1. Met de wet van 6 februari 2003 « houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven » (hierna : de wet van 6 februari 2003) voorziet de wetgever in een afzonderlijke uitzondering voor de militairen. B.4.2. De artikelen 14, eerste lid, en 15 van de wet van 6 februari 2003, die de tegenhanger zijn van de artikelen 7, § 1, en 9 van de wet van 20 juli 1991, bepalen : « Art. 14. De bepalingen van de artikelen 14 tot 18 zijn van toepassing op elke militair die om enige reden naar het burgerleven is teruggekeerd en die door zijn statuut niet onderworpen is aan de bepalingen van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die betrekking hebben op de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid en op de sector uitkeringen van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit ». « Art. 15. Onverminderd de rechten waarop zij zich eventueel kunnen beroepen krachtens een gunstiger regeling van sociale zekerheid, worden de bij artikel 14 bedoelde militairen, voor de duur van hun prestaties, beschouwd zonder onderbreking onderworpen geweest te zijn aan de bepalingen van voormelde wet van 27 juni 1969, met betrekking tot de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid alsook de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, met inbegrip van de sector uitkeringen, en aan de bepalingen betreffende de moederschapsverzekering indien zij overeenkomstig de ter zake geldende regels : 1° binnen dertig kalenderdagen na hun terugkeer naar het burgerleven; a) de hoedanigheid verkregen hebben van aan voornoemde wet onderworpen werknemer, van mijnwerker of van zeeman ter koopvaardij; b) of bij de subregionale tewerkstellingsdienst als werkzoekende ingeschreven zijn; 2° of het bewijs leveren dat zij gedurende dezelfde termijn ongeschikt zijn om arbeid te verrichten in de zin van de reglementering inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, of zich bevinden in een periode van moederschapverlof overeenkomstig titel V van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 ». B.4.3. Die specifieke bepalingen voor de militairen die naar het burgerleven zijn teruggekeerd, worden in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « Gezien de specificiteit van het militair statuut en de onverenigbaarheid van een aantal bepalingen uit de wet van 20 juli 1991 met dit statuut, was het verkieslijker en eenvoudiger in een ‘ militaire versie ’ van hoofdstuk II van de wet van 20 juli 1991 te voorzien in plaats van die wet aan te passen » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1984/001, p. 9). 8 B.4.4. De wet van 6 februari 2003 voorziet, wat de toegang tot het recht op werkloosheidsuitkeringen betreft, aldus in een uitzonderingsregeling voor de militairen die zelf gebaseerd is op maar ruimer is dan de uitzondering die voor de andere statutaire personeelsleden van de overheidssector bestaat op het beginsel dat statutaire personeelsleden van de overheidssector niet toegelaten zijn tot het recht op werkloosheidsuitkeringen. B.5. Het verwijzende rechtscollege wenst te vernemen of artikel 15 van de wet van 6 februari 2003, in samenhang gelezen met artikel 14 van dezelfde wet, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de militairen die naar het burgerleven terugkeren, ongeacht de reden daarvoor, op grond van hun prestaties als militair in aanmerking kunnen komen om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen, terwijl andere statutaire personeelsleden van de overheidssector krachtens artikel 9 van de wet van 20 juli 1991, in samenhang gelezen met artikel 7, § 1, van dezelfde wet, maar in aanmerking kunnen komen om op grond van hun prestaties als statutair personeelslid toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen indien de arbeidsverhouding eenzijdig wordt verbroken door de overheid of indien de benoemingsakte wordt vernietigd, ingetrokken, opgeheven of niet hernieuwd, en dus niet wanneer zij zelf een einde maken aan de arbeidsverhouding. B.6.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.2. In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de bevoegde wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid om de maatregelen te bepalen die moeten worden genomen om de door hem vastgestelde doelstellingen te bereiken. 9 B.7. De twee in B.5 vermelde categorieën van personen zijn vergelijkbaar ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In beide gevallen gaat het om statutaire personeelsleden van de overheidssector van wie de arbeidsverhouding een einde heeft genomen. De omstandigheid dat militairen aan een bijzonder statuut zijn onderworpen, volstaat niet om tot de niet-vergelijkbaarheid te besluiten. Zo niet zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie worden uitgehold. B.8. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit of het statutair personeelslid van de overheidssector al dan niet een militair was. B.9. Uit de in B.4.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever wegens de specificiteit van het militair statuut hoofdstuk II van titel I van de wet van 20 juli 1991 niet van toepassing heeft willen maken op de militairen die terugkeren naar het burgerleven. Hij heeft daarentegen ervoor gekozen om voor hen een specifieke, meer gunstige regeling in te voegen. Met die regeling beoogde de wetgever een eenvormig sociaal statuut dat een merkelijke verbetering vormt ten opzichte van het « residuair stelsel » (ibid.). Meer algemeen kadert het in « een beleid dat erin bestaat de herstructureringen, ter modernisering van het leger, te voorzien van de nodige begeleidende sociale maatregelen » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-1984/002, p. 3). Die doelstellingen zijn legitiem. B.10.1. Ten aanzien van die doelstellingen is het redelijk verantwoord dat militairen in geval van vrijwillig ontslag gunstiger worden behandeld dan andere statutaire personeelsleden van de overheidssector wat betreft het in aanmerking komen om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen. Militairen zijn in vergelijking met andere statutaire personeelsleden van de overheidssector aan bijzondere verplichtingen en beperkingen onderworpen die ertoe strekken de Krijgsmacht te allen tijde operationeel te houden zodat zij op doeltreffende wijze aan – zelfs plotselinge – militaire operaties kan deelnemen. De wetgever vermocht daartegenover voordelen te plaatsen die het beroep van militair aantrekkelijker maken, zoals te dezen het wegnemen van een hinderpaal voor het vrijwillig terugkeren naar het burgerleven. 10 B.10.2. Voor de statutaire personeelsleden van de overheidssector die geen militair zijn, heeft de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen. Zij kunnen krachtens de artikelen 7 en 9 van de wet van 20 juli 1991 behoudens in geval van vrijwillig ontslag in aanmerking komen om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen, wat overeenstemt met het algemeen uitgangspunt van de werkloosheidsuitkeringen (artikel 44 van koninklijk besluit van 25 november 1991). Daarnaast zijn zij in geval van vrijwillig ontslag niet uitgesloten van het recht op maatschappelijke integratie zoals bepaald in de wet van 26 mei 2002 « betreffende het recht op maatschappelijke integratie ». B.11. Artikel 15 van de wet van 6 februari 2003, in samenhang gelezen met artikel 14 van dezelfde wet, is bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 15 van de wet van 6 februari 2003 « houdende sociale bepalingen voor militairen die terugkeren naar het burgerleven », in samenhang gelezen met artikel 14 van dezelfde wet, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 juni 2025. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.093 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot