ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.092
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-06-19
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
14 oktober 2018, 19 december 2006, 6 januari 1989, 6 juli 2016, Constitution
Samenvatting
de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 2692, § 1, en 2791 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en de artikelen 664 en 671 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van Beroep te Bergen.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.092
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 19 juni 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.092
Arrest- Rolnummer:
92/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-06-30
Raadplegingen:
153 - laatst gezien 2025-12-15 14:17
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 2692, § 1, en 2791 van
het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en 664 en 671
van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het bureau voor rechtsbijstand
van het Hof van Beroep te Bergen. Gerechtelijk recht - Burgerlijke rechtspleging
- Uitgaven en kosten - Griffierechten - Rolrecht - Vrijstelling - Rechtsbijstand
- Voorwaarden
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 92/2025
van 19 juni 2025
Rolnummers : 8280 en 8281
In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 2692, § 1, en 2791 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en de artikelen 664 en 671 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van Beroep te Bergen.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit rechter Thierry Giet, waarnemend voorzitter, rechter Joséphine Moerman, waarnemend voorzitster, en de rechters Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Emmanuelle Bribosia en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter Thierry Giet,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
a. Bij beschikking van 9 juli 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 juli 2024, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schenden de artikelen 2692, § 1, en 2791 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en de artikelen 664 en 671 van het Gerechtelijk Wetboek, al dan niet in samenhang gelezen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij een persoon die is veroordeeld tot betaling van het rolrecht, terwijl hij voldeed aan de voorwaarden inzake rechtsbijstand, niet de mogelijkheid bieden om, na die veroordeling, te verzoeken om het voordeel van de rechtsbijstand teneinde die kosten te bestrijden ? ».
b. Bij beschikking van 9 juli 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 juli 2024, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schenden de artikelen 2692, § 1, en 2791 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en de artikelen 664 en 671 van het Gerechtelijk Wetboek, al dan niet in samenhang gelezen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij een persoon die is veroordeeld tot betaling van het rolrecht, terwijl hij voldeed aan de voorwaarden inzake
2
rechtsbijstand, niet de mogelijkheid bieden om, na die veroordeling, te verzoeken om het voordeel van de rechtsbijstand teneinde die kosten te bestrijden ? ».
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8280 en 8281 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.
De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled en mr. Baptiste Appaerts, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend.
Bij beschikking van 30 april 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen.
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen
Op 10 november 2023 verkrijgt een dame van het bevoegde bureau voor juridische bijstand de aanwijzing van een advocate teneinde bij de familierechtbank een verzoek aanhangig te maken om de echtscheiding met onderlinge toestemming uit te spreken. Op 15 november 2023 wordt voor haar echtgenoot dezelfde advocate aangewezen met hetzelfde doel. Bij vonnis van 13 mei 2024 spreekt de familierechtbank te Doornik die echtscheiding uit. Bij dezelfde beslissing worden elk van de gewezen echtgenoten veroordeeld tot betaling aan de Staat van een bedrag van 82,50 euro, zijnde de helft van het rolrecht dat verschuldigd is met toepassing van artikel 2691, eerste lid, 2°, en artikel 2692, § 1, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (hierna : het Wetboek der griffierechten).
Op 21 mei 2024 dient de voormelde advocate bij het bureau voor rechtsbijstand te Doornik twee verzoekschriften in om ten voordele van beide gewezen echtgenoten de vrijstelling van betaling van hun respectieve deel in het rolrecht te verkrijgen. Bij twee beschikkingen van 31 mei 2024 weigert dat bureau die verzoeken in te willigen, omdat uit artikel 671, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat het verzoek om rechtsbijstand had moeten worden ingediend vooraleer de vordering tot echtscheiding werd ingesteld.
Het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van Beroep te Bergen, waarbij tegen die twee weigeringen hogere beroepen zijn ingesteld, oordeelt in beide zaken dat, rekening houdend met artikel 2692, § 1, derde lid, van het Wetboek der griffierechten en met het arrest van het Hof nr. 6/2022 van 20 januari 2022
(
ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.006
), het verzoek om rechtsbijstand niet noodzakelijkerwijs moest worden ingediend vóór het opstarten van de echtscheidingsprocedure. Het leidt uit dat arrest ook af dat de familierechtbank de rechtsbijstand had kunnen verlenen aan de echtgenoten die de echtscheiding aanvragen, aangezien hun advocate was aangewezen door het bureau voor juridische bijstand. Bij de vaststelling dat die rechtbank niet in die zin uitspraak heeft gedaan, beslist het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van Beroep te Bergen in beide zaken om ambtshalve dezelfde hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen.
3
III. In rechte
-A-
A.1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vragen ontkennend dienen te worden beantwoord.
A.2. Hij merkt vooreerst op dat de grondwettigheid van de artikelen 2692, § 1, en 2791 van het Wetboek der griffierechten niet hoeft te worden onderzocht om die vragen te beantwoorden, aangezien die bepalingen niet de temporele voorwaarden van een verzoek om rechtsbijstand bepalen.
A.3. De Ministerraad onderzoekt vervolgens het uit artikel 671 van het Gerechtelijk Wetboek voortvloeiende verschil in behandeling tussen, enerzijds, de persoon die het voordeel van de rechtsbijstand aanvraagt vooraleer hij tot de betaling van het rolrecht is veroordeeld en, anderzijds, de persoon die een dergelijk verzoek formuleert nadat hij tot de betaling van die belasting is veroordeeld.
Hij voert aan dat dat verschil in behandeling op een objectief criterium van onderscheid berust, dat pertinent is om de in het voormelde arrest van het Hof nr. 6/2022 aangehaalde redenen.
Hij zet ook uiteen dat het verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen heeft, gelet op de eenvoudige wijze waarop een verzoek om rechtsbijstand kan worden ingediend vóór de inleiding van de zaak of tijdens het onderzoek ervan, op de verplichting voor de door een bureau voor juridische bijstand aangewezen advocaat om zijn cliënt op de hoogte te brengen van zijn recht op rechtsbijstand, en op de bevoegdheid die ingevolge het voormelde arrest nr. 6/2022 aan de rechter bij wie een geding aanhangig is gemaakt, zou toekomen om het voordeel van de rechtsbijstand ambtshalve aan een partij toe te kennen wanneer hij vaststelt dat die laatste recht erop heeft.
De Ministerraad voegt eraan toe dat de procedurele voorwaarden voor de toekenning van de rechtsbijstand geenszins het recht op toegang tot de rechter schenden.
A.4. De Ministerraad merkt ten slotte op dat een vaststelling van ongrondwettigheid tot gevolg zou hebben dat de wetgevende macht ertoe wordt verplicht de procedure voor de toekenning van rechtsbijstand grondig te hervormen en dat het stelsel van juridische bijstand en de regels met betrekking tot het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding opnieuw in het geding worden gebracht, terwijl de moeilijkheden die tot de prejudiciële vragen hebben geleid, zo niet uit de onvoorzichtigheid van de rechtzoekende, minstens voortvloeien uit het feit dat de advocaat zijn beroeps- en deontologische verplichtingen niet naleeft.
-B-
Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan
B.1. Het « rolrecht » is een belasting die wordt geregeld in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (hierna : het Wetboek der griffierechten).
Het gaat om een « griffierecht » dat met name wordt geheven wanneer een zaak op de algemene rol van een gewoon rechtscollege wordt ingeschreven. Het bedrag van het rolrecht dat in beginsel verschuldigd is wanneer een zaak bij de rechtbank van eerste aanleg wordt ingeschreven, bedraagt 165 euro (artikel 268, eerste lid, 1°, en 2691, eerste lid, 2°, van het Wetboek der griffierechten).
4
B.2.1. Artikel 2692, § 1, van het Wetboek der griffierechten, zoals vervangen bij artikel 3
van de wet van 14 oktober 2018 « tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen » (hierna : de wet van 14 oktober 2018), bepaalt :
« De rechter veroordeelt in zijn eindbeslissing de partij of de partijen die het recht verschuldigd zijn tot de betaling ervan of tot betaling van hun deel erin. Tegen de beslissing van de rechter kan geen rechtsmiddel worden aangewend.
Het recht is volledig verschuldigd door de partij die de zaak op de rol heeft doen stellen, behalve indien :
1° de verweerder in het ongelijk wordt gesteld, in welk geval het recht volledig verschuldigd is door de verweerder;
2° de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, in welk geval het recht ten dele door de eiser en ten dele door de verweerder verschuldigd is, volgens de beslissing van de rechter.
Het recht wordt opeisbaar op de datum van de veroordeling ».
B.2.2. Artikel 2791 van het Wetboek der griffierechten bepaalt, sinds de wijziging ervan bij artikel 6 van de wet van 14 oktober 2018 :
« Zijn vrijgesteld van het rolrecht :
1° De inschrijving van zaken waarvan de vonnissen en arresten, krachtens artikelen 161
en 162 vrijstelling genieten van het recht of van de formaliteit der registratie.
Het recht is echter verschuldigd voor de onder artikel 162, 13°, bedoelde procedures;
2° De inschrijving van een zaak door de griffier van het gerecht waarnaar de zaak verwezen werd overeenkomstig de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken of ingevolge een rechterlijke beslissing van onttrekking;
3° de inschrijving van zaken die worden gebracht voor de arbeidsgerechten;
4° de inschrijving van zaken die ingeleid worden in het kader van het boek XX van het Wetboek van economisch recht ».
B.2.3. Met toepassing van de voormelde bepalingen is elk van de echtgenoten die van een familierechtbank, als onderafdeling van de rechtbank van eerste aanleg, op hun gezamenlijk
5
verzoekschrift, de uitspraak van hun echtscheiding met onderlinge toestemming verkrijgen, in beginsel een rolrecht van 82,50 euro verschuldigd.
B.3.1. Artikel 664, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 66
van de wet van 19 december 2006 « tot omvorming van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen tot het Wetboek diverse rechten en taksen, tot opheffing van het Wetboek der zegelrechten en houdende verscheidene andere wetswijzigingen » en bij artikel 15 van de wet van 6 juli 2016 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand », bepaalt :
« Rechtsbijstand bestaat erin degenen die niet over de nodige bestaansmiddelen beschikken om de kosten van rechtspleging, zelfs van een buitengerechtelijke rechtspleging, te bestrijden, geheel of ten dele te ontslaan van de betaling van de diverse rechten, registratie-, griffie- en uitgifterechten en van de andere kosten welke deze rechtspleging medebrengt. […] ».
B.3.2. Rechtsbijstand kan worden verleend voor alle handelingen betreffende vorderingen die voor een rechter van de rechterlijke orde moeten worden gebracht of er aanhangig zijn (artikel 665, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek).
Artikel 671, eerste lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :
« Rechtsbijstand wordt alleen verleend voor de proceshandelingen die moeten worden verricht en voor de gewone afschriften van of de uittreksels uit de stukken die moeten worden voorgebracht vóór de rechter voor wie het geschil aanhangig is of wordt gemaakt, de betekening van de eindbeslissing daaronder begrepen ».
B.3.3. Uit de artikelen 665, 1°, en 671, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat de vrijstelling van de betaling van een rolrecht dat opeisbaar zal worden gemaakt bij een door de familierechtbank met toepassing van artikel 2692, § 1, van het Wetboek der griffierechten genomen beslissing, enkel aan de eiser kan worden verleend vooraleer hij een zaak bij de betrokken rechtbank van eerste aanleg aanhangig maakt of tijdens de procedure voor die rechtbank (zie GwH, arrest nr. 6/2022, 20 januari 2022,
ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.006
, B.7.3, tweede alinea), maar niet erna.
Die vrijstelling moet worden aangevraagd bij het bureau voor rechtsbijstand van die rechtbank van eerste aanleg (artikel 670, eerste lid, in samenhang gelezen met de artikelen 76,
6
§ 1, en 86 van het Gerechtelijk Wetboek). Artikel 673 van het Gerechtelijk Wetboek stelt de voorzitter van de rechtbank en, gedurende het geding, de rechter voor wie de zaak aanhangig is, evenwel in staat om, in spoedeisende gevallen en in alle zaken, op een zelfs mondeling verzoek, rechtsbijstand te verlenen voor de handelingen die zij bepalen.
B.4. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de artikelen 2692, § 1, en 2791 van het Wetboek der griffierechten en de artikelen 664 en 671, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zoals gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepalingen een verschil in behandeling doen ontstaan tussen twee categorieën van gewezen echtgenoten, die worden bijgestaan door een door het bureau voor juridische bijstand aangewezen advocaat en ten aanzien van wie de familierechtbank hun echtscheiding met onderlinge toestemming heeft uitgesproken: enerzijds, de gewezen echtgenoten die het voordeel van de rechtsbijstand hebben aangevraagd alvorens hun zaak op de rol van de rechtbank te laten inschrijven of tijdens de procedure voor die rechtbank en, anderzijds, de gewezen echtgenoten die een dergelijk verzoek pas na de uitspraak van de rechtbank formuleren.
Enkel de eerstgenoemden kunnen worden vrijgesteld van de betaling van het rolrecht dat door het echtscheidingsvonnis opeisbaar is geworden.
B.5. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.6. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit of een geding wordt ingeleid of hangende is dan wel bij een definitieve beslissing werd beslecht.
7
B.7. Zoals is vermeld in B.3.1, wordt rechtsbijstand verleend aan degenen die niet beschikken over de nodige bestaansmiddelen om de kosten van de rechtspleging te betalen.
Zoals is vermeld in B.3.3, staat het aan het bureau voor rechtsbijstand of, in spoedeisende gevallen, aan de bevoegde rechter, om te onderzoeken of de verzoeker al dan niet voldoet aan de voorwaarden inzake rechtsbijstand en, in het bijzonder, of hij kan aantonen dat zijn bestaansmiddelen ontoereikend zijn. Die laatstgenoemden kunnen, indien nodig, alle nuttige informatie opvragen (artikel 676 van het Gerechtelijk Wetboek). De beslissing van het bureau voor juridische bijstand waarbij aan de verzoeker gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand wordt verleend, vormt evenwel gedurende een jaar het bewijs van de ontoereikende bestaansmiddelen voor de toekenning van rechtsbijstand (artikel 667 van het Gerechtelijk Wetboek).
In het licht hiervan is het coherent dat een dergelijk onderzoek dient te gebeuren vooraleer de rechter zijn eindbeslissing neemt, waarin hij de omslag van de proceskosten, die niet alleen de rolrechten omvatten, maar ook andere kosten, over de partijen dient te bepalen (artikel 1017
en artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek) en waarbij hij dient te weten of zij al dan niet rechtsbijstand genieten. Zodra de rechter zijn eindbeslissing heeft genomen, is de zaak voor hem niet langer aanhangig en kan ze dat evenmin nog worden, zodat hij bijgevolg ook niet langer bevoegd is om over de kosten uitspraak te doen. Toelaten dat een partij nog na de eindbeslissing van de rechter om de vrijstelling van de betaling van het rolrecht kan verzoeken, zou bijgevolg afbreuk doen aan het gezag van gewijsde van een rechterlijke uitspraak.
Het in B.6 vermelde criterium van onderscheid is derhalve pertinent.
B.8. Het Hof dient nog te onderzoeken of het verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen heeft.
Overeenkomstig artikel 675 van het Gerechtelijk Wetboek kan een verzoek om rechtsbijstand mondeling of schriftelijk worden gedaan en is het aan geen andere formaliteiten onderworpen. Aldus wordt van de betrokkene geen bijzondere inspanning vereist om een dergelijk verzoek in te dienen. Zoals is vermeld in B.3.3, moet een verzoek om rechtsbijstand bovendien niet noodzakelijk vóór het opstarten van de procedure worden ingediend, maar kan het dat ook tijdens de procedure.
8
Voorts vormt, zoals is vermeld in B.7, de beslissing van het bureau voor juridische bijstand waarbij aan de verzoeker gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand wordt verleend, gedurende een jaar het bewijs van de ontoereikende bestaansmiddelen.
Ten slotte heeft het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 6/2022 geoordeeld dat de rechter de mogelijkheid moet hebben om aan de betrokkene het voordeel van rechtsbijstand te verlenen voor de betaling van het rolrecht, zelfs zonder een verzoek vanwege die laatste, wanneer de rechter weet dat de betrokkene aan de voorwaarden inzake rechtsbijstand voldoet en dat het niet nodig is daartoe een aanvullend onderzoek te verrichten. Uit dat arrest volgt evenwel niet dat een verzoek tot rechtsbijstand moet kunnen worden ingediend nadat de rechter zijn definitieve beslissing heeft gewezen.
Uit het voorgaande volgt dat de in het geding zijnde bepalingen geen onevenredige gevolgen hebben.
B.9. De in het geding zijnde bepalingen zijn bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
9
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
De artikelen 2692, § 1, en 2791 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en de artikelen 664 en 671 van het Gerechtelijk Wetboek schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 juni 2025.
De griffier, De wnd. voorzitter,
Frank Meersschaut Thierry Giet
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.092
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.006
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==