ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.089
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-06-19
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
bestuursrecht
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
17 april 1835, 6 januari 1989, Constitution, GRONDWET, Gerechtelijk Wetboek
Samenvatting
de prejudiciële vraag over de artikelen 54 en 59 van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.089
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 19 juni 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.089
Arrest- Rolnummer:
89/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-06-30
Raadplegingen:
144 - laatst gezien 2025-12-15 14:16
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Geen schending (artikel 59, § 2, van het Vlaamse decreet van 24 februari
2017)
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de prejudiciële vraag over de artikelen 54 en 59 van het Vlaamse decreet
van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut
», gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling
Brugge. Administratief recht - Onteigening voor het algemeen nut - Vlaams
Gewest - Onteigeningsbesluit - Vonnis betreffende de definitieve onteigeningsvergoeding
- Hoger beroep - Termijnregeling
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 89/2025
van 19 juni 2025
Rolnummer : 8209
In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 54 en 59 van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit rechter Joséphine Moerman, waarnemend voorzitster, rechter Thierry Giet, waarnemend voorzitter, en de rechters Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter Joséphine Moerman,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 24 april 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 mei 2024, heeft de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schenden artikel 54 en artikel 59 van het Decreet van 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 april 2017) samen gelezen, de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet inzoverre het enerzijds de categorie van personen geconfronteerd met een vonnis over de wettigheid van de onteigeningsbeslissing gelijk behandelt als anderzijds de categorie van personen geconfronteerd met een vonnis over de onteigeningsvergoeding van de onteigening, en het dus personen in onderscheiden situaties op identieke wijze regelt? ».
Memories zijn ingediend door :
- de nv « Novus », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Stijn Verbist en mr. Gaël Bedert, advocaten bij de balie van Antwerpen;
2
- de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Patrick van der Straten, advocaat bij de balie van Antwerpen.
De nv « Novus » heeft ook een memorie van antwoord ingediend.
Bij beschikking van 30 april 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen.
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
Bij Vlaams ministerieel besluit van 27 januari 2011 werd het bijzonder plan van aanleg « Groenestraat »
(hierna : het BPA) van de gemeente Zedelgem goedgekeurd. Dat BPA omvatte een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan. Bij datzelfde ministerieel besluit werd, de noodzaak van de onteigening voor het algemeen belang erkennende, eveneens een machtiging tot onteigening van de in het onteigeningsplan aangewezen onroerende goederen verleend aan de gemeente Zedelgem en aan de West-Vlaamse Intercommunale (hierna : de WVI), eerste geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege. Na de voormelde onteigeningsmachtiging heeft de WVI zonder succes pogingen ondernomen om de volledige eigendom van de gronden in der minne, dan wel gerechtelijk te verwerven.
De nv « Novus », appellante voor het verwijzende rechtscollege, had intussen op 5 juli 2012, nadat het BPA
werd vastgesteld, evenwel een onverdeeld aandeel gekocht in de percelen die onder het BPA vallen en was dus mede-eigenaar van de door de WVI geviseerde percelen.
Bij ontstentenis van een minnelijke verwerving van de aangewezen onroerende goederen in 2018 werd een nieuwe gerechtelijke onteigeningsprocedure ingesteld.
Op 6 en 7 juni 2019 werd, onder meer ten aanzien van de nv « Novus », een gerechtelijke onteigeningsprocedure ingesteld door de WVI voor de Vrederechter van het kanton Torhout. De onteigening wordt bij vonnis van 3 december 2019 wettig bevonden door de Vrederechter. Dat vonnis werd, nadat door de onteigenden hoger beroep werd ingesteld tegen het wettig bevinden van de onteigening, op 28 oktober 2020
bevestigd door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, die de zaak verwees naar de Vrederechter van het kanton Torhout voor de vaststelling van de definitieve onteigeningsvergoeding.
Bij vonnis van 2 november 2022 werd de definitieve onteigeningsvergoeding vastgelegd. Dat vonnis van de Vrederechter werd op 3 november 2022 ter kennis gebracht per gerechtsbrief. Op 4 november 2022 werd de kennisgeving ontvangen op het adres van de raadsman van de nv « Novus », waar zij woonstkeuze had gedaan.
Op 23 januari 2023 werd door de nv « Novus » tegen het voormelde vonnis via een ter griffie neergelegd verzoekschrift hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.
Voor het verwijzende rechtscollege is discussie gerezen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Volgens het verwijzende rechtscollege was de neerlegging van het verzoekschrift tot hoger beroep op 23 januari 2023 niet tijdig omdat op dat moment de beroepstermijn van één maand na de kennisgeving bij gerechtsbrief, zoals bepaald in artikel 59 van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen
3
nut » (hierna : het decreet van 24 februari 2017) juncto artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek, reeds was verstreken.
De nv « Novus » stelt de grondwettigheid van artikel 59 van het decreet van 24 februari 2017 ter discussie omdat het een ongerechtvaardigd korte beroepstermijn zou instellen ten aanzien van vonnissen waarbij de definitieve onteigeningsvergoeding wordt vastgesteld. Zij verzoekt het verwijzende rechtscollege ter zake een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen.
Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat het decreet van 24 februari 2017 voorziet in eenzelfde beroepstermijn, te rekenen vanaf de kennisgeving ervan, tegen vonnissen over, enerzijds, de wettigheid van een onteigening (artikel 54) en, anderzijds, de definitieve onteigeningsvergoeding (artikel 59), terwijl het volgens het verwijzende rechtscollege om twee verschillende situaties gaat. Dat brengt het verwijzende rechtscollege ertoe de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen.
III. In rechte
-A-
A.1. De appellante voor het verwijzende rechtscollege betoogt dat de in de prejudiciële vaag aangehaalde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. Zij is van oordeel dat er een objectief verschil bestaat tussen de twee categorieën van personen, vermeld in de artikelen 54 en 59 van het decreet van 24 februari 2017.
De rechtzoekende onteigende die een vonnis aangaande de wettigheid van de onteigening wenst aan te vechten, verkeert in rechtsonzekerheid zolang de wettigheid van de onteigening in het geding is, terwijl de onteigende die in beroep wenst te gaan tegen een vonnis met betrekking tot de definitieve onteigeningsvergoeding reeds zekerheid heeft over het eigendomsstatuut en ook reeds schadeloos is gesteld waardoor hij niet langer in rechtsonzekerheid verkeert.
A.2. De appellante voor het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat het gebrek aan een criterium van onderscheid, zijnde telkens dezelfde beroepstermijn waarbij de kennisgeving per gerechtsbrief als aanvangspunt voor die termijn geldt, ingaat tegen de ratio legis van een verkorte beroepstermijn tegen vonnissen over de wettigheid van een onteigening, gelet op de noodzaak van een spoedige zekerheid over die wettigheid, terwijl diezelfde ratio legis inzake een korte beroepstermijn niet voorhanden is ten aanzien van vonnissen over de onteigeningsvergoeding. De appellante voor het verwijzende rechtscollege verwijst hiervoor ten eerste naar de wet van 17 april 1835 « op de onteigening ten algemene nutte », waar wel een onderscheid wordt gemaakt tussen die twee categorieën van personen met betrekking tot de aanvang van de beroepstermijn. Daarnaast verwijst zij naar het arrest nr. 76/2013 van het Hof van 30 mei 2013 (
ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.076
) om het onderscheid met betrekking tot de termijn en de aanvang ervan tussen die twee categorieën van personen te staven. Ten slotte merkt zij nog op dat in de conceptnota van de Vlaamse Regering bij het decreet van 24 februari 2017 enkel gewag wordt gemaakt van de nood aan een snellere beslissing betreffende de wettigheid van de onteigening, en dat voor het overige de verkorte termijn slechts zeer summier wordt besproken in de parlementaire voorbereiding.
Zij besluit dat het criterium van eenzelfde beroepstermijn slechts effectief is bij een van de twee categorieën van personen.
A.3. Ten slotte is de appellante voor het verwijzende rechtscollege van oordeel dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Bij de beslissing over de definitieve onteigeningsvergoeding is er reeds duidelijkheid over de wettigheid van de onteigening. Daar het bevorderen van de rechtszekerheid in verband met de wettigheid van de onteigening door sneller duidelijkheid te verschaffen over die wettigheid, reeds is bereikt met artikel 54 van het decreet van 24 februari 2017, is de maatregel waarbij ook van het vonnis met betrekking tot de definitieve onteigeningsvergoeding per gerechtsbrief kennis wordt gegeven, waarbij die kennisgeving als aanvangspunt van de beroepstermijn geldt, niet noodzakelijk en niet adequaat. Dit zorgt niet voor een verhoogde rechtszekerheid, maar wel voor een beperking van het recht op toegang tot de rechter.
4
A.4.1. De Vlaamse Regering is in hoofdorde van oordeel dat de voorgelegde prejudiciële vraag feitelijke grondslag mist omdat de gemeenrechtelijke termijn van 30 dagen, waarnaar wordt verwezen, geldt voor alle burgerlijke en handelszaken, behoudens die waarvoor om bijzondere redenen in expliciete uitzonderingen is voorzien. Er is bijgevolg geen sprake van een verkorte beroepstermijn waarnaar het verwijzende rechtscollege in zijn motivering verwijst. Het verwijzende rechtscollege legt de artikelen 54 en 59 van het decreet van 24 februari 2017, waarin de termijn van hoger beroep is bepaald, aan het Hof voor zonder dat de vraag betrekking heeft op het aanvangspunt zelf van de beroepstermijn. Zij stelt dat het verwijzende rechtscollege met zijn prejudiciële vraag dus enkel de identieke duur van de beroepstermijn beoogt. Bijgevolg mag het Hof uitsluitend de bestaanbaarheid van de beroepstermijn zelf en niet de aanvang van de beroepstermijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet onderzoeken. In zoverre in werkelijkheid het aanvangspunt van de beroepstermijn met als gevolg een verkorte beroepstermijn ten aanzien van vonnissen inzake de onteigeningsvergoeding zou worden voorgelegd, moet de vraag volgens haar ontkennend worden beantwoord bij gebrek aan feitelijke grondslag.
A.4.2. De appellante voor het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat het duidelijk is dat het verwijzende rechtscollege met de verkorte beroepstermijn bedoelde dat die termijn inging vanaf de kennisgeving per gerechtsbrief en niet dat er sprake was van een kortere termijn dan de gemeenrechtelijke beroepstermijn van één maand. Zij houdt staande dat het verwijzende rechtscollege wenst te vernemen of het feit dat zowel in artikel 54
als in artikel 59 van het decreet van 24 februari 2017 de termijn reeds ingaat vanaf de kennisgeving van het vonnis per gerechtsbrief en niet na de betekening een schending uitmaakt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
A.5. In ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van oordeel dat de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen zich niet in een verschillende, maar wel in een identieke situatie bevinden. Er wordt niet op duidelijke en ondubbelzinnige wijze uiteengezet welke categorieën van personen van elkaar verschillen. Er is slechts één categorie van personen, namelijk de personen die worden geconfronteerd met een onteigeningsprocedure en waarvoor de beroepstermijn van één maand geldt. Dit blijkt uit het doel van de artikelen 54 en 59 van het decreet van 24 februari 2017. Dat doel is het verschaffen van rechtszekerheid door het verkrijgen van duidelijkheid inzake het al dan niet laten berusten van een procespartij in een vonnis dat in eerste aanleg is gewezen in het kader van een onteigeningsprocedure. Zij stelt dat het relevante criterium om te oordelen of het gaat om categorieën van personen in identieke of verschillende situaties niet het voorwerp van het in eerste aanleg gewezen vonnis is, maar of er een vonnis in eerste aanleg gewezen is waartegen de gemeenrechtelijke beroepstermijn openstond.
A.6. In meest ondergeschikte orde voert de Vlaamse Regering aan dat zelfs indien het Hof zou aannemen dat er onderscheiden categorieën van personen bestaan en dat die zich in verschillende situaties bevinden, de gelijke behandeling redelijk verantwoord is. Zij stelt dat het doel van de in geding zijnde bepalingen gericht is op de goede rechtsbedeling en het weren van risico’s van rechtsonzekerheid. Er is volgens haar slechts sprake van discriminatie indien de gelijkheid in behandeling gepaard gaat met een onevenredige beperking van een recht op toegang tot de rechter.
Zij stelt allereerst dat dit recht kan worden onderworpen aan voorwaarden inzake de ontvankelijkheid. Ten tweede brengen de in het geding zijnde bepalingen geen onevenredige gevolgen met zich mee voor rechtzoekenden die een hoger beroep zouden willen instellen. Het feit dat de decreetgever tijdens de parlementaire voorbereiding hier geen bijzondere verantwoording heeft verstrekt, volstaat niet om de in het geding zijnde bepalingen als een onevenredige maatregel te beschouwen. Daarnaast stelt zij dat het gegeven dat de termijn aanvangt bij de kennisgeving per gerechtsbrief, gekend moet worden geacht bij de belanghebbenden en hun raadslieden. Die termijn is niet buitensporig, moeilijk of onmogelijk, zeker als er keuze van woonst wordt gedaan bij de raadslieden.
Zij besluit dat de termijnregeling past in het kader van de doelstelling van de decreetgever om een eenvormige, snelle en efficiënte voortgang van de procedure en de beslechting van het geschil te verkrijgen, en dat er aldus een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen het aangewende middel en het beoogde doel.
5
-B-
B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 54 en 59 van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut » (hierna : het decreet van 24 februari 2017).
B.2.1. Artikel 54 van het decreet van 24 februari 2017 bepaalt :
« § 1. Tegen het vonnis waarin de vrederechter met toepassing van artikel 50, § 1, uitspraak doet over de wettigheid van het definitieve onteigeningsbesluit, kan enkel in volgende gevallen hoger beroep worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg :
1° als de vrederechter de onteigening onwettig acht en weigert : door de onteigenende instantie;
2° als de vrederechter de onteigening wettig acht en toelaat : door elke partij die de wettigheid heeft betwist.
§ 2. Het hoger beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen de termijn bepaald in artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek, te rekenen vanaf de kennisgeving bedoeld in artikel 50, § 1, tweede lid.
§ 3. Hoger beroep schorst de uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis ».
Artikel 59 van hetzelfde decreet bepaalt :
« § 1. Tegen het vonnis waarin de vrederechter met toepassing van artikel 58, § 1, uitspraak doet over de definitieve onteigeningsvergoeding, kan hoger beroep worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg.
§ 2. Het hoger beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen de termijn bepaald in artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek, te rekenen vanaf de kennisgeving bedoeld in artikel 58, § 1, tweede lid.
§ 3. Hoger beroep schorst de uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis ».
Voormelde artikelen regelen in het bijzonder het hoger beroep tegen vonnissen van de vrederechter inzake, enerzijds, de wettigheid van de onteigening en, anderzijds, de definitieve onteigeningsvergoeding.
B.2.2. Die bepalingen maken deel uit van een overkoepelende onteigeningsprocedure voor alle onteigeningen in het Vlaamse Gewest, vastgesteld in het decreet van 24 februari 2017. De
6
in dat decreet bepaalde gerechtelijke onteigeningsprocedure betreft in wezen een gefaseerde, voortgezette procedure waarbij eerst de betwistingen inzake de wettigheid van de onteigening finaal worden beslecht alvorens de vrederechter zich vermag uit te spreken over de definitieve onteigeningsvergoeding en er in hoger beroep betwistingen over die vergoeding kunnen worden gevoerd.
Die eerste gerechtelijke fase, met inbegrip van het hoger beroep, heeft louter betrekking op de wettigheid van de onteigening en aldus op de eigendomsoverdracht zelf, terwijl de tweede gerechtelijke fase, eveneens met inbegrip van het hoger beroep, betrekking heeft op de omvang van de schadeloosstelling voor die eigendomsoverdracht.
B.2.3. Het centrale doel van het decreet van 24 februari 2017 bestaat onder meer erin de procedures te vereenvoudigen en te versnellen en de rechtszekerheid voor alle betrokkenen te verhogen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 991/1, p. 5). In het bijzonder beoogde de decreetgever een snellere beslissing te verkrijgen over de wettigheid van de onteigening (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 991/3, p. 4).
B.3. Uit de feiten in het bodemgeschil en de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege van het Hof in wezen wenst te vernemen of artikel 59, § 2, van het decreet van 24 februari 2017 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat die bepaling de categorie van personen die wordt geconfronteerd met een vonnis inzake de definitieve onteigeningsvergoeding onderwerpt aan een termijnregeling voor het instellen van een hoger beroep die identiek is aan de in artikel 54, § 2, van hetzelfde decreet bepaalde termijnregeling voor het instellen van een hoger beroep waaraan de categorie van personen die wordt geconfronteerd met een vonnis met betrekking tot de wettigheid van de onteigening, is onderworpen.
Het Hof beperkt aldus zijn onderzoek van de prejudiciële vraag tot die vergelijking.
B.4. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk
7
verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.5. De categorie van personen die wordt geconfronteerd met een vonnis met betrekking tot de wettigheid van de onteigening (de eerste gerechtelijke fase) en de categorie van personen die wordt geconfronteerd met een vonnis betreffende de definitieve onteigeningsvergoeding (de tweede gerechtelijke fase) bevinden zich ten aanzien van de in B.2.3 vermelde doelstelling niet in dermate verschillende situaties dat de decreetgever ze niet op identieke wijze mocht behandelen. Beide categorieën bevinden zich immers in gerechtelijke fases die deel uitmaken van eenzelfde, voortgezette onteigeningsprocedure ter uitvoering van de in artikel 16 van de Grondwet bepaalde onteigeningsvoorwaarden die als waarborgen tegen het optreden van de overheid onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.
B.6. De in het geding zijnde termijnregeling strekt ertoe de periode van onzekerheid over de omvang van de definitieve onteigeningsvergoeding tot een minimum te beperken. Zij laat immers niet toe dat een procespartij zonder enige tijdslimiet het vonnis inzake de definitieve onteigeningsvergoeding in het gedrang kan brengen. Door het aanwenden van het hoger beroep tegen dat vonnis te koppelen aan een termijn, past de in het geding zijnde bepaling in de in B.2.3 vermelde doelstelling van de decreetgever om de procedures te versnellen en de rechtszekerheid te verhogen. De decreetgever vermocht in het licht van de in B.2.3 vermelde doelstelling, mede gelet op het voortgezette karakter van de gerechtelijke onteigeningsprocedure, redelijkerwijs te oordelen dat de termijnregeling voor het hoger beroep tegen vonnissen inzake de definitieve onteigeningsvergoeding niet diende te verschillen van de termijnregeling die is bepaald voor het hoger beroep tegen vonnissen inzake de wettigheid van de onteigening. Het is immers in het belang van alle bij de onteigeningsprocedure betrokken partijen dat er niet alleen over de door de vrederechter vastgestelde (on)wettigheid van de onteigening, maar ook over de door die rechter vastgestelde omvang van de
8
onteigeningsvergoeding niet te lang rechtsonzekerheid bestaat door de mogelijkheid om daartegen een hoger beroep in te stellen.
B.7. Het Hof dient evenwel nog na te gaan of de in het geding zijnde termijnregeling geen onevenredige gevolgen voor de rechtzoekende met zich meebrengt.
B.8.1. De beroepstermijn van 30 dagen is op zichzelf niet van dien aard dat hij het de partijen in de onteigeningsprocedure onmogelijk of overdreven moeilijk maakt om binnen die korte periode niet alleen af te wegen of een hoger beroep moet worden ingesteld, maar ook om hun grieven tegen het vonnis dat de definitieve onteigeningsvergoeding vaststelt, te kunnen formuleren. Aangezien de vaststelling van de definitieve onteigeningsvergoeding door de vrederechter steeds gebeurt na een adviserend onderzoek van een door die rechter aangestelde deskundige, die een verslag opstelt ten aanzien waarvan de partijen, al dan niet bijgestaan door een technisch raadsman, opmerkingen kunnen formuleren (artikel 51, § 1, eerste lid, 4°, van het decreet van 24 februari 2017), en aangezien de partijen na het definitief worden van het voormelde verslag ook nog conclusies kunnen neerleggen (artikel 57, vierde lid, van hetzelfde decreet), hebben de rechtzoekenden in de loop van de gerechtelijke onteigeningsprocedure immers reeds de mogelijkheid gehad om zich te informeren, te laten bijstaan en hun standpunt en grieven met betrekking tot de omvang van de definitieve onteigeningsvergoeding uiteen te zetten.
B.8.2. Het aanvangspunt van de in het geding zijnde beroepstermijn is op zichzelf overigens ook niet van dien aard dat het de aanwending van het rechtsmiddel buitensporig moeilijk of onmogelijk zou maken. Het feit dat aan de geadresseerde van een kennisgeving per gerechtsbrief, indien zij noch aan de persoon, noch aan de woonplaats overeenkomstig de artikelen 33 tot 35 en 39 van het Gerechtelijk Wetboek kan geschieden, niet onmiddellijk een kopie van het vonnis wordt bezorgd, brengt geen onevenredige gevolgen teweeg. De kennisgeving door de griffie via gerechtsbrief biedt overeenkomstig artikel 46 van het Gerechtelijk Wetboek aan de geadresseerde ervan in beginsel afdoende waarborgen om op korte termijn en zonder onoverkomelijke inspanningen kennis te nemen van het vonnis dat hem wordt toegezonden, indien het hem niet persoonlijk is overhandigd. Er moet te dezen eveneens in aanmerking worden genomen dat naast de kennisgeving aan de partijen bij gerechtsbrief, artikel 58, § 1, tweede lid, van het decreet van 24 februari 2017 ook erin voorziet dat, in
9
voorkomend geval, de advocaat van een partij in de onteigeningsprocedure een kennisgeving van het vonnis ontvangt per gewone brief.
Van de partijen in de onteigeningsprocedure, a fortiori van hun advocaten, mag bovendien worden verwacht dat zij de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen en, mede rekening houdende met de ordetermijnen en de pleegvormen voor de rechtspleging naar aanleiding van de vaststelling van de definitieve onteigeningsvergoeding, de voortgang van de lopende onteigeningsprocedure met de vereiste nauwgezetheid opvolgen.
B.8.3. Het feit dat de beroepstermijn slechts 30 dagen betreft en dat die termijn een aanvang neemt vanaf de kennisgeving van het vonnis per gerechtsbrief door de griffie, heeft derhalve geen onevenredige gevolgen voor de toegang tot de rechter en de rechten van verdediging.
B.8.4. Artikel 59, § 2, van het decreet van 24 februari 2017 is bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
10
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 59, § 2, van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 juni 2025.
De griffier, De wnd. voorzitster,
Frank Meersschaut Joséphine Moerman
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.089
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.076
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==