Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.086

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-06-12 🌐 FR Arrest vernietigd

Rechtsgebied

fiscaal_recht

Geciteerde wetgeving

22 december 2023, 24 december 1993, 27 juni 1969, 28 december 1944, 28 november 1969

Samenvatting

het beroep tot vernietiging van de artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023 (invoeging en inwerkingtreding van artikel 27513 van het WIB 1992), ingesteld door de vzw « Federgon ».

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.086 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.086 Arrest- Rolnummer: 86/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-06-23 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2025-12-15 14:14 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023 (invoeging en inwerkingtreding van artikel 27513 van het WIB 1992), ingesteld door de vzw « Federgon ». Fiscaal recht - Bedrijfsvoorheffing - Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing - Fruit- en groenteteelt - Gelegenheidsarbeiders - Staatssteun Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 86/2025 van 12 juni 2025 Rolnummer : 8212 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023 (invoeging en inwerkingtreding van artikel 27513 van het WIB 1992), ingesteld door de vzw « Federgon ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 mei 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 mei 2024, heeft de vzw « Federgon », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Stijn Van Lancker, advocaat bij de balie te Gent, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023 (invoeging en inwerkingtreding van artikel 27513 van het WIB 1992), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2023. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Ann Lauwens en Selim Dedeli, adviseurs bij de FOD Financiën, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 26 februari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist : - dat de zaak nog niet in gereedheid kon worden gebracht, 2 - de partijen uit te nodigen om, in een aanvullende memorie bij aangetekende brief die uiterlijk op 21 maart 2025 ter post wordt ingediend, waarvan zij binnen dezelfde termijn een afschrift uitwisselen, alsook, via mail, op het mailadres griffie@const-court.be, hun standpunt mee te delen over de mogelijke impact van artikel 31bis, § 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 « tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders » op het bestreden artikel 17 van de programmawet van 22 december 2023, wat de toepassing van de verordening (EU) 2023/2831 betreft. Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partij; - de Ministerraad. Bij beschikking van 30 april 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1. De verzoekende partij, de vzw « Federgon », vordert de vernietiging van de artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023. Bij die artikelen wordt de tijdelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, die geldt voor werkgevers die onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf vallen en die in bepaalde subsectoren van de tuinbouw, zijnde de fruitteelt of de groenteteelt (paritair comité 145.05 en 145.06), gelegenheidsarbeiders tewerkstellen, permanent gemaakt en wordt de inwerkingtreding op 1 januari 2024 vastgesteld. De bestreden regeling geldt alleen voor de werkgevers in de land- en tuinbouw ter compensatie van de verhoging van het minimumloon van de gelegenheidsarbeiders en geldt niet voor de uitzendbureaus-werkgevers die gelegenheidsarbeiders tewerkstellen bij gebruikers in de land- en tuinbouwsector, terwijl de tijdelijke regeling in de wet van 8 november 2023 « houdende maatregelen tot ondersteuning van de gelegenheidsarbeiders in de land- en tuinbouw », volgens de verzoekende partij, wel van toepassing was op de uitzendbureaus-werkgevers die gelegenheidsarbeiders tewerkstelden bij gebruikers in de land- en tuinbouwsector. A.2.1. Als eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 « betreffende uitzendarbeid » (hierna : de richtlijn 2008/104/EG). De grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie vereisen dat allen die zich in eenzelfde toestand bevinden op gelijke wijze worden behandeld. Volgens de verzoekende partij is er geen enkele reden om de beide sectoren, zijnde de 3 uitzendsector en de land- en tuinbouwsector, niet gelijk te behandelen, vooral omdat rekening moet worden gehouden met de richtlijn 2008/104/EG, die tot doel heeft de bescherming van de uitzendkrachten te garanderen en de kwaliteit van de uitzendarbeid te verbeteren door de naleving van het beginsel van de gelijke behandeling ten aanzien van de uitzendkrachten te waarborgen, en de uitzendbureaus als werkgever te erkennen. De essentiële arbeidsvoorwaarden van de uitzendkrachten moeten voor de duur van hun opdracht bij hun gebruiker ten minste dezelfde zijn als de arbeidsvoorwaarden die voor hen zouden gelden indien zij rechtstreeks door de gebruiker voor dezelfde functie in dienst waren genomen. Uitzendarbeid beantwoordt niet alleen aan de behoeften aan flexibiliteit van de ondernemingen, maar ook aan de behoeften van de werknemers om werk en privéleven te combineren. Aldus draagt het bij tot het scheppen van banen en tot de deelname aan en de inpassing op de arbeidsmarkt. A.2.2.1. Ten aanzien van het eerste middel voert de Ministerraad aan dat het middel deels onontvankelijk is, omdat de verzoekende partij nalaat uiteen te zetten op welke manier artikel 23 van de Grondwet zou worden geschonden door de bestreden artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023. A.2.2.2. Ten gronde voert de Ministerraad aan dat het verschil in behandeling tussen de uitzendbureaus die uitzendkrachten in dienst nemen om hen ter beschikking te stellen van gebruikers in de fruit- en groenteteelt met het oog op het verrichten van gelegenheidsarbeid, enerzijds, en de reguliere werkgevers in de fruit- of groenteteelt die rechtstreeks gelegenheidsarbeiders in dienst nemen, anderzijds, berust op een objectief criterium, een legitiem doel nastreeft en proportioneel is. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de tewerkstellingsvorm. Bovendien streeft het verschil in behandeling een legitiem doel na, namelijk het verzekeren van het « flexizekerheidsevenwicht » binnen de fruit- of groenteteelt en de naleving van de bewijsregels die gelden voor de toepassing van de vrijstelling op de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing. De wetgever dient een werkbaar evenwicht te bewerkstelligen tussen de werkgeversbehoefte aan arbeidsflexibiliteit aan de ene kant en de werkzekerheid voor de werknemers aan de andere kant. De richtlijn 2008/104/EG laat toe dat, in het belang van de uitzendkrachten, op nationaal niveau beperkingen worden opgelegd aan de inzet van uitzendarbeid. In aansluiting op het standpunt van de sociale partners heeft de wetgever ervoor gekozen om in de vrijstelling enkel te voorzien voor de gelegenheidsarbeider die is tewerkgesteld door een reguliere werkgever in de fruit- of groenteteelt, en niet voor de gelegenheidsarbeider die is tewerkgesteld door een uitzendbureau. Het doortrekken van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor uitzend-gelegenheidsarbeiders zou niet alleen een verruimde combinatie van flexibiliteit langs werkgeverszijde impliceren maar ook een verruimde combinatie van twee onzekere statuten langs werknemerszijde. De combinatie van twee flexisystemen is niet wenselijk vanwege het onzekere statuut van de gelegenheidsarbeider, waardoor het verschil in behandeling pertinent en proportioneel is om het bestaande « flexizekerheidsevenwicht » binnen de fruit- en groenteteelt ook in de toekomst te verzekeren. Tevens dient de wetgever erop toe te zien dat de voorwaarden voor de vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing correct worden nageleefd. Het kan niet de bedoeling zijn dat de wetgever een vrijstelling invoert voor de uitzendbureaus maar dat naderhand systematisch de bedrijfsvoorheffing alsnog moet worden geheven omdat de uitzendbureaus niet kunnen voldoen aan het bewijs van de gestelde voorwaarden. A.2.3.1. Wat betreft de gedeeltelijke onontvankelijkheid van het eerste middel, voert de verzoekende partij aan dat de exceptie moet worden verworpen. Wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van artikel 23 van de Grondwet, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in artikel 23 van de Grondwet zijn opgenomen. De sociale grondrechten en arbeidsvoorwaarden van atypische werknemers of werknemers in een precaire arbeidssituatie worden door de richtlijn 2008/104/EG doeltreffend beschermd. A.2.3.2. Ten gronde oordeelt de verzoekende partij dat de Ministerraad niet betwist dat de aangevoerde categorieën van personen vergelijkbaar zijn. Het systeem van de uitzendarbeid laat, volgens de verzoekende partij, op geen enkele manier extra flexibiliteit toe. Het uitzendbureau dient immers dezelfde spelregels te volgen en ook het systeem van de dagcontracten te hanteren. Het argument van de « flexizekerheid » als legitiem doel is niet aan de orde, omdat de artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023 het optrekken van het loon van de gelegenheidsarbeiders en de ongelijke behandeling in de land- en tuinbouwsector als doelstelling nastreven. Ten aanzien van de uitzendarbeid kan er geen sprake zijn van te veel flexibiliteit, aangezien uitzendarbeid wordt gekenmerkt door zijn flexibiliteit, vooral wat betreft de organisatie van de uitzendarbeid. Het doortrekken van de vrijstelling van doorstorting heeft 4 geen enkele impact op de flexibele organisatie van het systeem van de uitzendarbeid. Bovendien moet nog worden opgemerkt dat er steeds een motief moet zijn om uitzendarbeid te gebruiken, zoals een tijdelijke vermeerdering van werk. Het argument van « flexizekerheidsevenwicht » moet, volgens de verzoekende partij, worden doorprikt. Het is niet zo dat uitzendarbeid een extra laag flexibiliteit vormt boven op het reeds flexibel systeem van de gelegenheidsarbeid. Beide systemen zijn even flexibel en aangezien uitzendarbeid een schriftelijke arbeidsovereenkomst vereist, is het zelfs iets minder flexibel. Daarnaast voert de verzoekende partij aan dat de vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing binnen de sector van de gelegenheidsarbeid eenvoudig te berekenen is en te controleren door de fiscale administratie. Zowel in DIMONA als in DmfA worden het paritair comité en het ondernemingsnummer van de gebruiker meegegeven. De vrijstelling zou zeer makkelijk rechtstreeks kunnen worden toegekend aan de gebruikers, waardoor de fiscale administratie zeker zou kunnen zijn van de correcte toepassing ervan. Wat betreft de schending van artikel 23 van de Grondwet, wordt dit door de verzoekende partij in haar memorie van antwoord uiteengezet. Wat betreft de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de richtlijn 2008/104/EG, voert de verzoekende partij nog aan dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in een arrest van 15 december 2022 (C-311/21, ECLI:EU:C:2022:983 ) heeft geoordeeld dat artikel 5, lid 3, van de richtlijn 2008/104/EG vereist dat in concreto wordt beoordeeld of de verplichting om de algemene bescherming van uitzendkrachten in acht te nemen, is nagekomen. Daartoe moeten de essentiële arbeidsvoorwaarden die gelden voor werknemers die rechtstreeks door de gebruiker in dienst zijn genomen, worden vergeleken met de arbeidsvoorwaarden die gelden voor uitzendkrachten. A.2.4.1. Met verwijzing naar de arresten nrs. 46/2024 ( ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.046 ) en 103/2024 ( ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.103 ) voert de Ministerraad aan dat de uiteenzetting van de middelen in het aanvankelijke verzoekschrift moet zijn opgenomen; een uiteenzetting in de memorie van antwoord is niet tijdig. A.2.4.2. Voor zover het Hof toch zou ingaan op de aangevoerde schending van artikel 23 van de Grondwet, voert de Ministerraad aan dat het recht op vrije keuze van beroepsarbeid, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en het recht op een billijke verloning, rechten zijn die uitsluitend toekomen aan de werknemers. De bestreden bepalingen van de programmawet van 22 december 2023 raken niet aan de arbeidsvoorwaarden of aan de verloning van de werknemer. Tevens wordt niet geraakt aan het recht op tewerkstellingskansen en het recht op een vrije keuze van werk voor de werknemer. Wat betreft de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel, oordeelt de Ministerraad dat de verhoogde loonkost door het uitzendbureau kan worden afgewenteld op de feitelijke gebruiker die de diensten, verstrekt door het uitzendbureau, moet vergoeden. A.3.1. Als tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan, door de bestreden artikelen van de programmawet van 22 december 2023, van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet. De bestreden artikelen maken een willekeurig onderscheid tussen de werkgevers in de land- en tuinbouwsector die gebruikmaken van gelegenheidsarbeiders, enerzijds, en de werkgevers die middels een uitzendbureau gelegenheidsarbeiders aanwerven om hen tewerk te stellen als gelegenheidsarbeiders in de land- en tuinbouwsector, anderzijds. Echter, alle belastingplichtigen die zich in dezelfde situatie bevinden, moeten op dezelfde wijze worden belast. A.3.2. De Ministerraad voert aan dat het aan de fiscale wetgever toekomt om de aanslagvoet van de belasting en het toepassingsgebied van de belastingtarieven te bepalen en dat hij over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt. De wetgever wilde, enerzijds, het « flexizekerheidsevenwicht » waarborgen binnen de fruit- en groenteteelt en, anderzijds, verzekeren dat de bewijsregels die gelden voor de toepassing van de vrijstelling op de storting van de bedrijfsvoorheffing konden worden nageleefd. Die beleidskeuzes zijn, gelet op hetgeen is vermeld aangaande het eerste middel, niet kennelijk onredelijk. A.4.1. Als laatste middel voert de verzoekende partij de schending aan, door de bestreden artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023, van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, omdat het toekennen van een fiscaal voordeel aan een specifieke economische sector kan worden beschouwd als staatssteun die moet worden aangemeld bij de Europese Commissie. 5 De wetgever heeft de artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023 niet aangemeld bij de Europese Commissie; er wordt daarvoor geen verantwoording gegeven en het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State wordt genegeerd. De sector van de uitzendbureaus wordt in zijn activiteiten van tewerkstelling van uitzendkrachten als gelegenheidsarbeiders in de land- en tuinbouwsector beperkt en benadeeld door een vorm van ongeoorloofde staatssteun. A.4.2.1. Ten aanzien van het derde middel voert de Ministerraad aan dat het middel deels onontvankelijk is, omdat de verzoekende partij opnieuw nalaat uiteen te zetten op welke manier artikel 23 van de Grondwet zou worden geschonden door de bestreden artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023. A.4.2.2. Ten gronde voert de Ministerraad aan dat de vrijstelling op de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing geen staatssteun is omdat aan de derde en vierde voorwaarde van de staatssteundefinitie niet is voldaan. Omdat de vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing in de fruit- en groenteteelt niet kan worden beschouwd als staatssteun, kan de verzoekende partij niet aanvoeren dat ze in haar activiteiten van tewerkstelling van uitzendkrachten als gelegenheidsarbeiders in de land- en tuinbouwsector beperkt en benadeeld is door een vorm van ongeoorloofde staatssteun. A.4.3.1. De verzoekende partij voert aan dat het derde middel voldoende duidelijk en nauwkeurig is uiteengezet teneinde het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging te waarborgen. De Ministerraad heeft zijn verweer ten gronde kunnen voeren, zodat het derde middel ontvankelijk is. A.4.3.2. Ten gronde herhaalt de verzoekende partij hetgeen ze in haar verzoekschrift heeft vermeld. A.4.4.1. Bij beschikking van 26 februari 2025 heeft het Hof de partijen uitgenodigd om, in een aanvullende memorie, hun standpunt mee te delen over de mogelijke impact van artikel 31bis, § 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 « tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders » (hierna : het koninklijk besluit van 28 november 1969) op het bestreden artikel 17 van de programmawet van 22 december 2023, wat betreft de toepassing van de verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 « betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de- minimissteun » (hierna : de verordening (EU) 2023/2831). A.4.4.2. In haar aanvullende memorie laat de verzoekende partij vooreerst gelden dat de verordening (EU) 2023/2831 niet van toepassing is op de sectoren van de landbouw en de visserij en dat het voormeld koninklijk besluit van 28 november 1969 aan de verordening (EU) 2023/2831 geen afbreuk kan doen. In ondergeschikte orde voert de verzoekende partij aan dat, in de veronderstelling dat de verordening (EU) 2023/2831 wel van toepassing is, de bestreden maatregelen niet voldoen aan de voorwaarden om vrijgesteld te worden van aanmelding bij de Europese Commissie. A.4.4.3. In zijn aanvullende memorie merkt de Ministerraad op dat in de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 22 december 2023 niet wordt verwezen naar artikel 31bis, § 3, van het voormelde koninklijk besluit van 28 november 1969. Omdat er geen sectorale steun wordt toegekend en de bestreden bepalingen enkel beogen ook aan de seizoenarbeiders de verhoging van het gemiddelde minimummaandinkomen toe te kennen, is de in artikel 31bis, § 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 bepaalde de- minimisregelgeving niet van toepassing. A.5.1. Indien het Hof zou oordelen dat het verzoekschrift gegrond is, vraagt de Ministerraad de handhaving van de gevolgen van de artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023. Belastingplichtigen die thans de vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing toepassen, zullen bij een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen worden geconfronteerd met een naheffing ten belope van 1,23 euro per uur vermenigvuldigd met het totaal aantal uren die zijn gepresteerd in de gelegenheidsarbeid. Bovendien zal de vernietiging met terugwerkende kracht leiden tot administratieve moeilijkheden gelet op de herberekening van de uiteindelijk verschuldigde belasting. A.5.2. De verzoekende partij wenst te benadrukken dat in casu de handhaving van de gevolgen van de bestreden bepalingen niet aan de orde is, daar in dat geval een willekeurige, ongelijke situatie ten koste van de werkgevers in de uitzendsector in stand zou worden gehouden. 6 -B- B.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023, die afdeling 4 (« Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ter compensatie van de verhoging van het minimumloon voor de gelegenheidsarbeiders in de fruit- en groenteteelt ») vormen van titel 2 (« Financiën »), hoofdstuk 3 (« Wijzigingen betreffende de inkomstenbelastingen »). B.2.1. De parlementaire voorbereiding van de programmawet van 22 december 2023 vermeldt : « De wet van 8 november 2023 houdende maatregelen tot ondersteuning van de gelegenheidsarbeiders in de land- en tuinbouw heeft een tijdelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ingevoerd. De regering stelt voor om deze maatregel, net als de andere maatregelen die werkgevers compenseren voor de verhoging van het minimumloon, permanent te maken » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3697/001, p. 13). De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ter compensatie van de verhoging van het minimumloon voor de gelegenheidsarbeiders in de fruit- en groenteteelt, met toepassing van de programmawet van 22 december 2023, geldt voor : « [...] de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf en zich in hoofdzaak bezighouden met fruitteelt of groenteteelt » (artikel 27513, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992)). B.2.2. De wet van 8 november 2023 « houdende maatregelen tot ondersteuning van de gelegenheidsarbeiders in de land- en tuinbouw » (hierna : de wet van 8 november 2023) was bedoeld om de bijkomende kosten voor de werkgevers, die het gevolg waren van het optrekken van het minimumloon voor gelegenheidsarbeiders in de land- en tuinbouw naar het loon dat geldt voor « de eerste categorie van vaste arbeid voor alle productiesectoren van de tuinbouw en voor de landbouw », tijdelijk te compenseren door het invoeren van een nieuwe maatregel inzake de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3568/001, p. 3). 7 De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ter compensatie van de verhoging van het minimumloon voor de gelegenheidsarbeiders in de fruit- en groenteteelt, met toepassing van de wet van 8 november 2023, gold voor : « [...] de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf en zich in hoofdzaak bezighouden met fruitteelt of groenteteelt » (artikel 4 van de wet van 8 november 2023). B.2.3. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, was de vrijstelling in de wet van 8 november 2023 niet van toepassing op de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor de uitzendarbeid indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf en zich in hoofdzaak bezighoudt met fruit- en groenteteelt. B.3. De bestreden artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023 bepalen : « Art. 17. In titel VI, hoofdstuk I, afdeling IV, onderafdeling 3, van [het WIB 1992], wordt een artikel 27513 ingevoegd, luidende : ‘ Art. 27513 § 1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf en zich in hoofdzaak bezighouden met fruitteelt of groenteteelt. § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder : 1° fruitteelt : de teelt van hard fruit, zacht fruit en steenvruchten met inbegrip van de druiventeelt; 2° groenteteelt : de teelt van groenten in open lucht of onder glas, met uitzondering van de teelt van paddenstoelen en truffels; 3° gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt : gelegenheidsarbeider als bedoeld in artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die is tewerkgesteld door een in artikel 4 bedoelde werkgever; 4° uur gepresteerd als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt : een uur dat effectief wordt gepresteerd als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt evenals een uur dat met een effectief gepresteerd uur als gelegenheidsarbeider wordt gelijkgesteld en waarvoor het normale loon verschuldigd is door de werkgever. § 3. De in paragraaf 1 bedoelde werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen voor vanaf 1 januari 2024 geleverde prestaties als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt 8 en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een deel van de bedrijfsvoorheffing die zij verschuldigd zijn op de bezoldigingen van de betrokken gelegenheidsarbeiders in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de bedrijfsvoorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. De niet te storten bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 1,23 euro per uur vermenigvuldigd met het totaal aantal uren die zijn gepresteerd als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt en waarvoor voor het eerst bezoldigingen worden betaald of toegekend. § 4. De in paragraaf 3 bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt toegepast op de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de bezoldigingen van alle gelegenheidsarbeiders in de fruit- of groenteteelt die door de betrokken werkgever worden tewerkgesteld, na toepassing van de in de artikelen 2751, 2755, 2758 tot 27510 en 27512 bedoelde vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing. De in paragraaf 3 bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast op de bedrijfsvoorheffing die aanvullend bovenop de bedrijfsvoorheffing die reglementair minimaal verschuldigd is, wordt ingehouden. § 5. Het in paragraaf 3, tweede lid, vermelde bedrag is gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex als bedoeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ′s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, voor de maand september 2023. Op 1 januari van elk jaar wordt dat bedrag aangepast door het te vermenigvuldigen met het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september 2023. Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond tot de hogere of lagere eurocent naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt. § 6. De Koning bepaalt de nadere regels voor de aanvraag van de toepassing van dit artikel en de manier waarop het bewijs wordt geleverd dat aan de voorwaarden voor de toepassing van dit artikel is voldaan. ’. Art. 18. Artikel 17 is van toepassing op de uren die vanaf 1 januari 2024 als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt worden gepresteerd ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.4.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het eerste en het derde middel, wat betreft de verwijzing naar artikel 23 van de Grondwet. De verzoekende partij laat na uiteen te zetten in welk opzicht de bestreden artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023 in strijd zouden zijn met dat artikel van de Grondwet. 9 De verzoekende partij laat eveneens na uiteen te zetten, in het tweede middel, in welk opzicht de bestreden artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023 in strijd zouden zijn met artikel 170 van de Grondwet. B.4.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.4.3. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die referentienormen waarvan in het verzoekschrift wordt uiteengezet in welk opzicht ze zouden zijn geschonden. Het eerste en derde middel is onontvankelijk wat betreft de aangevoerde schending van artikel 23 van de Grondwet. Het tweede middel is onontvankelijk wat betreft de aangevoerde schending van artikel 170 van de Grondwet. Ten gronde Wat de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft, in samenhang gelezen met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (derde middel) B.5. Als derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), omdat het fiscaal voordeel staatssteun zou zijn die moet worden aangemeld bij de Europese Commissie. De sector van de uitzendbureaus zou in zijn activiteiten van tewerkstelling van uitzendkrachten als gelegenheidsarbeiders in de land- en tuinbouwsector worden beperkt en benadeeld door een vorm van ongeoorloofde staatssteun. 10 B.6.1. Artikel 107, lid 1, van het VWEU bepaalt : « Behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt ». Artikel 108, lid 3, van het VWEU bepaalt : « De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 107 onverenigbaar is met de interne markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid ». B.6.2. In de voormelde artikelen 107 en 108 van het VWEU worden de regels uiteengezet die moeten worden gevolgd bij het toekennen van staatssteun. De inachtneming van die regels waarborgt dat geen enkele staatssteun de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties. In zijn onderzoek naar de verenigbaarheid van de bestreden bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet kan het Hof bijgevolg ertoe worden gebracht na te gaan of op discriminerende wijze afbreuk wordt gedaan aan die waarborg. Hoewel de kwestie van de verenigbaarheid van steun met de interne markt valt onder een eigen opdracht die aan de Europese Commissie is toegewezen, onder het toezicht van het Gerecht en het Hof van Justitie, zodat het Hof niet bevoegd is om daarvan kennis te nemen, geldt dat niet voor de vraag of de bestreden bepaling strijdig moet worden geacht met artikel 108, lid 3, van het VWEU om reden dat zij de uitvoering vormt van staatssteun die niet vooraf is aangemeld bij de Europese Commissie (zie in dat verband HvJ, 18 juli 2013, C-6/12, P Oy, ECLI:EU:C:2013:525 , punt 38). B.6.3. Het Hof dient na te gaan of de bij de artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023 ingevoerde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing als staatssteun moet worden aangemerkt en of, indien dat het geval is, die bij de Commissie moest worden aangemeld alvorens tot uitvoering te worden gebracht. 11 B.7.1. Artikel 107, lid 1, van het VWEU verbiedt, in beginsel, staatssteun die wordt toegekend aan ondernemingen of producties en die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalst of dreigt te vervalsen, voor zover die steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. B.7.2. Opdat een maatregel als staatssteun kan worden gekwalificeerd, moeten vier cumulatieve voorwaarden zijn vervuld namelijk : « Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of die met staatsmiddelen is bekostigd. Ten tweede moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Ten derde moet de maatregel de begunstigde een selectief voordeel verschaffen. Ten vierde moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen » (HvJ, 13 maart 2025, C-746/23 en C-747/23, Cividale SpA e.a., ECLI:EU:C:2025:171 , punt 33; 10 juni 2010, C-140/09, Fallimento Traghetti del Mediterraneo SpA, ECLI:EU:C:2010:335 , punt 31). In dat verband heeft, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, « het begrip ‘ steun ’ een algemenere strekking dan het begrip ‘ subsidie ’, daar het niet alleen positieve prestaties zoals de subsidies zelf omvat, maar ook overheidsmaatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor - zonder subsidies in de strikte zin van het woord te zijn - van dezelfde aard zijn en identieke gevolgen hebben » (HvJ, 4 juni 2015, C-5/14, Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH t. Hauptzollamt Osnabrück, ECLI:EU:C:2015:354 , punt 71). B.7.3. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt eveneens dat « artikel 107, lid 1, VWEU [...] steunmaatregelen [verbiedt] die ‘ bepaalde ondernemingen of bepaalde producties ’ begunstigen, dat wil zeggen selectieve steunmaatregelen » en dat « wat de beoordeling van de selectiviteitsvoorwaarde betreft, [...] uit vaste rechtspraak [blijkt] dat ingevolge artikel 107, lid 1, VWEU moet worden vastgesteld of een nationale maatregel binnen het kader van een welbepaalde rechtsregeling bepaalde ondernemingen of bepaalde producties kan begunstigen ten opzichte van andere die zich, gelet op de doelstelling van de betrokken regeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden » (HvJ, 4 juni 2015, C-5/14, voormeld, punten 73-74). 12 B.7.4. Nog volgens het Hof van Justitie is « het begrip ‘ voordeel ’, dat inherent is aan de kwalificatie van een maatregel als staatssteun, een objectief begrip [...], onafhankelijk van de motieven van de vaststellers van de desbetreffende maatregel. Zo hebben de aard van de met de staatsmaatregelen nagestreefde doelen en de rechtvaardiging ervan geen gevolgen voor de kwalificatie ervan als staatssteun. Artikel 107, lid 1, VWEU maakt immers geen onderscheid naar de redenen of doeleinden van de maatregelen van de staten, maar ziet op hun gevolgen » (HvJ, grote kamer, 25 januari 2022, C-638/19 P, Europese Commissie t. European Food SA e.a., ECLI:EU:C:2022:50 , punt 122). B.8.1. De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor « werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf en zich in hoofdzaak bezighouden met fruitteelt of groenteteelt » is bedoeld als compensatie voor de verhoging van het minimumloon voor de gelegenheidsarbeiders in die sectoren. B.8.2. In haar advies over het voorontwerp dat tot de wet van 8 november 2023 heeft geleid, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State opgemerkt : « Het toekennen van een fiscaal voordeel, zelfs van tijdelijke aard, aan een specifieke economische sector kan worden beschouwd als staatssteun, zodat de ontworpen regeling wel degelijk moet worden aangemeld bij de Europese Commissie. Krachtens artikel 108, lid 3, VWEU dient de Europese Commissie immers van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte te worden gebracht. De argumentatie van de gemachtigde dat ermee wordt voorzien in een gelijkwaardig systeem voor de hele land- en tuinbouwsector, doet niets af aan die vaststelling » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3568/001, p. 26). Een gelijkaardige opmerking heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State gemaakt naar aanleiding van de programmawet van 22 december 2023 (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3697/001, p. 296). B.8.3. De memorie van toelichting van de wet van 8 november 2023 vermeldt in antwoord op dat advies : « De regering is, anders dan de Raad van State, van oordeel dat de voorgestelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing niet als staatssteun kan worden beschouwd en dus niet moet worden aangemeld aan de Europese Commissie. De voorgestelde maatregel ten voordele van de seizoenarbeid in de land- en tuinbouw heft eigenlijk een ongelijke behandeling ten nadele van de land- en tuinbouw op. Met ingang van 1 april 2022 is er immers in het kader van 13 het interprofessioneel akkoord en in overleg met de federale regering, overeengekomen om het GMMI te verhogen bovenop de indexering. Er werd ook een compensatiemaatregel doorgevoerd om de meerkost voor de werkgevers uit de private sector te compenseren. Vanaf 1 april 2022 werd een zeer lage lonen component toegevoegd aan de structurele vermindering. Die compensatie is een algemene maatregel die geldt voor de ganse private sector en dus niet aangemeld werd aan de Europese Commissie. Seizoen- en gelegenheidsarbeid valt echter niet onder de structurele vermindering zodat de compensatie via de zeer lage lonencomponent niet mogelijk is voor de verhoging van deze lage lonen. Door het akkoord van de sociale partners uit de land- en tuinbouw van 22 december 2022 en de voorgestelde ondersteuning voor gelegenheidsarbeid in land- en tuinbouw, komt er een gelijkwaardige behandeling voor de volledige private sector. De regering is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een voordeel voor één specifieke sector » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3568/001, pp. 6-7). B.9.1. De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor de gelegenheidsarbeid in de land- en tuinbouwsector is van toepassing op « werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf en zich in hoofdzaak bezighouden met fruitteelt of groenteteelt » en die gebruikmaken van gelegenheidsarbeiders, en niet op de werkgevers-uitzendbureaus die gelegenheidsarbeiders ter beschikking stellen aan gebruikers « die ressorteren onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf en zich in hoofdzaak bezighouden met fruitteelt of groenteteelt ». B.9.2. Een dergelijke maatregel is een selectieve maatregel in de zin van artikel 107, lid 1, van het VWEU aangezien enkel de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf en zich in hoofdzaak bezighouden met fruit- of groenteteelt, worden begunstigd en niet de werkgevers-uitzendbureaus die gelegenheidsarbeiders tewerkstellen bij gebruikers in die sector. Voorts wordt de maatregel bekostigd door de Staat doordat de Staat minder fiscale inkomsten genereert. De maatregel kan het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden en kan de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen. Aan de vier cumulatieve voorwaarden, zoals is vermeld in B.7.2, is voldaan en de maatregel moet als staatssteun worden aangemerkt. B.9.3. Ingevolge artikel 108, lid 3, van het VWEU juncto artikel 2 van de verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 « tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (codificatie) » (hierna : de verordening (EU) 2015/1589) dient elk voornemen 14 om nieuwe steun te verlenen tijdig door de betrokken lidstaat bij de Europese Commissie te worden aangemeld, « tenzij anders bepaald in verordeningen op grond van artikel 109 VWEU of op grond van andere desbetreffende bepalingen » (artikel 2, lid 1, verordening (EU) 2015/1589). Die aanmeldingsplicht wordt door het Hof van Justitie beschouwd als « een van de fundamentele aspecten van de bij het VWEU ingevoerde toezichtregeling op het gebied van staatssteun ». De lidstaten moeten bij de Europese Commissie elke maatregel tot invoering of wijziging van steun in de zin van artikel 107, lid 1, van het VWEU aanmelden en zij mogen een dergelijke maatregel niet ten uitvoer leggen, zolang de Europese Commissie geen definitief besluit heeft genomen over die maatregel (HvJ, 13 maart 2025, C-746/23 en C-747/23, voormeld, punt 31). B.9.4. Ingevolge artikel 3, lid 1, van de verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 « inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector » (hierna : de verordening (EU) nr. 1408/2013) kunnen de steunmaatregelen die voldoen aan de in de verordening (EU) nr. 1408/2013 bepaalde voorwaarden worden vrijgesteld van de verplichting tot aanmelding bij de Europese Commissie. Te dezen toont de federale overheid niet aan dat de bestreden steunmaatregel is vrijgesteld van de verplichting tot aanmelding bij de Europese Commissie op grond van de verordening (EU) nr. 1408/2013 of andere « verordeningen op grond van artikel 109 VWEU of op grond van andere desbetreffende bepalingen ». B.9.5. Door de steunmaatregel niet aan te melden bij de Europese Commissie heeft de wetgever gehandeld zonder redelijke verantwoording en met veronachtzaming van het recht van de Europese Unie, en derhalve in strijd met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 108, lid 3, van het VWEU. B.10. Het derde middel is gegrond. 15 B.11. Daar het onderzoek van het eerste en het tweede middel niet zou kunnen leiden tot een ruimere vernietiging, dienen die middelen niet te worden onderzocht. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen B.12. De Ministerraad verzoekt het Hof om de gevolgen van de in voorkomend geval te vernietigen bepalingen te handhaven. Belastingplichtigen die thans de vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing toepassen, zullen bij een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen worden geconfronteerd met een naheffing ten belope van 1,23 euro per uur vermenigvuldigd met het totaal aantal uren die zijn gepresteerd in de gelegenheidsarbeid. Bovendien zal de vernietiging met terugwerkende kracht leiden tot administratieve moeilijkheden gelet op de herberekening van de uiteindelijk verschuldigde belasting. B.13. Krachtens artikel 8, derde lid, van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989, wijst het Hof, « zo het [...] dit nodig oordeelt, [...] bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt ». B.14.1. Wat betreft de handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepalingen dient rekening te worden gehouden met het beginsel van voorrang van het Unierecht op het recht van de lidstaten. Dat beginsel verplicht alle instanties van de lidstaten om volle werking te verlenen aan de bepalingen van het Unierecht. Het beginsel impliceert dat, indien nationale wetgeving niet in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht is vastgesteld, de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is belast met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, verplicht is de volle werking van die bepalingen te verzekeren (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2020, C-511/18, C-512/18 en C-520/18, La Quadrature du Net e.a., ECLI:EU:C:2020:791 , punten 214-215). Uit het voorgaande vloeit voort dat het Hof in beginsel niet vermag wetsbepalingen waarvan het heeft geoordeeld dat ze in strijd met het Unierecht zijn vastgesteld, tijdelijk te handhaven. 16 Enkel het Hof van Justitie kan in beginsel, bij wijze van uitzondering en om dwingende redenen van rechtszekerheid, een voorlopige opschorting toestaan van het effect dat een regel van het Unierecht op het daarmee strijdige nationale recht heeft (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2020, C-511/18, C-512/18 en C-520/18, voormeld, punten 216-217). Een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet meer vatbaar zijn voor hoger beroep, is in beginsel gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden om het beginsel van voorrang van het Unierecht uit te leggen, zodat dit kan beoordelen of, bij uitzondering, de bepalingen van nationaal recht die strijdig zijn geacht met het Unierecht, al dan niet voorlopig, kunnen worden gehandhaafd (zie mutatis mutandis HvJ, 28 juli 2016, C-379/15, Association France Nature Environnement, ECLI:EU:C:2016:603 , punt 53). B.14.2. Wanneer evenwel het aan de orde zijnde rechtspunt is beslecht door vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, welke ook de procedures zijn die aanleiding hebben gegeven tot die rechtspraak, zelfs indien de aan de orde zijnde vraagstukken niet volledig gelijk zijn, is een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationaal recht niet vatbaar zijn voor beroep, er niet toe gehouden een prejudiciële vraag over de uitlegging van het Unierecht aan het Hof van Justitie voor te leggen (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2021, C-561/19, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi SpA, ECLI:EU:C:2021:799 , punt 36). B.14.3. In dat opzicht dienen volgens het Hof van Justitie « de nationale rechterlijke instanties [...] de justitiabelen te waarborgen dat overeenkomstig hun nationale recht alle consequenties uit een schending van artikel 108, lid 3, laatste volzin, VWEU zullen worden getrokken, zowel wat de geldigheid van handelingen tot uitvoering van de betrokken steunmaatregelen betreft, als wat de terugvordering van in strijd met deze bepaling of met eventuele voorlopige maatregelen verleende financiële steun betreft » (HvJ, 21 november 2013, C-284/12, Deutsche Lufthansa AG, ECLI:EU:C:2013:755 , punt 30). « Meer bepaald moet de vaststelling dat een steun in strijd met artikel [108], lid 3, laatste volzin, van het Verdrag is toegekend, in beginsel ertoe leiden dat deze overeenkomstig de nationale procedureregels wordt terugbetaald » (HvJ, 21 juli 2005, C-71/04, Xunta de Galicia, ECLI:EU:C:2005:493 , punt 49). « De ongedaanmaking van onrechtmatige steun door middel van terugvordering [is] het logische gevolg [...] van de vaststelling van de onrechtmatigheid ervan, zodat de terugvordering van deze steun teneinde de vroegere toestand te herstellen in beginsel niet kan worden beschouwd als een maatregel die onevenredig is ten opzichte van de doelstellingen van de 17 bepalingen van het VWEU inzake staatssteun » (HvJ, 21 december 2016, C-164/15 P en C-165/15 P, Europese Commissie t. Aer Lingus Ltd. en Ryanair Designated Activity Company, ECLI:EU:C:2016:990 , punt 116). Een nationale rechterlijke instantie kan slechts weigeren de terugvordering van de steun te gelasten in geval van uitzonderlijke omstandigheden, met name wanneer de terugvordering in strijd is met een algemeen beginsel van het Unierecht, zoals het vertrouwensbeginsel (HvJ, 11 juli 1996, C-39/94, Syndicat français de l’Express international (SFEI) e.a., ECLI:EU:C:1996:285 , punten 70 en 71; zie ook artikel 16, lid 1, van de verordening (EU) 2015/1589). Wat dat beginsel betreft, is het Hof van Justitie van oordeel dat, « gelet op het dwingende karakter van het door de Commissie op grond van artikel 108 VWEU uitgeoefende toezicht op de steunmaatregelen van de staten, ten eerste ondernemingen die steun genieten in beginsel enkel een gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de steun kunnen hebben wanneer deze steun met inachtneming van de procedure van dat artikel is toegekend, en ten tweede een behoedzame marktdeelnemer normaal gesproken in staat zal zijn zich ervan te vergewissen of deze procedure is gevolgd. Met name kan de begunstigde van een steunmaatregel die onrechtmatig is omdat hij zonder voorafgaande aanmelding bij de Commissie tot uitvoering is gebracht, op dat tijdstip geen gewettigd vertrouwen hebben in de rechtmatigheid van de toekenning van de steun » (HvJ, grote kamer, 5 maart 2019, C-349/17, Eesti Pagar AS, ECLI:EU:C:2019:172 , punt 98; grote kamer, 24 november 2020, C-445/19, Viasat Broadcasting UK Ltd, ECLI:EU:C:2020:952 , punt 42). Een met onrechtmatige staatssteun begunstigde onderneming kan zich derhalve in beginsel niet beroepen op een schending van haar gewettigd vertrouwen om de terugvordering van de steun te voorkomen. B.14.4. Uit die rechtspraak volgt dat de door de Ministerraad aangevoerde financiële en administratieve moeilijkheden voor de belastingplichtige ondernemingen te dezen niet de weigering van de terugvordering van de staatssteun zouden kunnen verantwoorden. Er is bijgevolg geen aanleiding om de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven. 18 Om die redenen, het Hof vernietigt de artikelen 17 en 18 van de programmawet van 22 december 2023. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 juni 2025. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.086 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.046 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.103 ECLI:EU:C:1996:285 ECLI:EU:C:2005:493 ECLI:EU:C:2010:335 ECLI:EU:C:2013:525 ECLI:EU:C:2013:755 ECLI:EU:C:2015:354 ECLI:EU:C:2016:603 ECLI:EU:C:2016:990 ECLI:EU:C:2019:172 ECLI:EU:C:2020:791 ECLI:EU:C:2020:952 ECLI:EU:C:2021:799 ECLI:EU:C:2022:50 ECLI:EU:C:2022:983 ECLI:EU:C:2025:171 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot