ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.084
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-05-28
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
6 januari 1989, 6 januari 2014, 8 augustus 1980, 8 augustus 1988, Constitution
Samenvatting
de prejudiciële vraag over de artikelen 43 en 50 van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.084
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 28 mei 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.084
Arrest- Rolnummer:
84/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-06-09
Raadplegingen:
166 - laatst gezien 2025-12-15 14:13
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de prejudiciële vraag over de artikelen 43 en 50 van het Vlaamse decreet
van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut
», gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling
Kortrijk. Administratief recht - Onteigening voor het algemeen nut - Vlaams
Gewest - Onteigeningsbesluit - Vernietigingsberoepen - Controle van de
wettigheid - Raad voor Vergunningsbetwistingen - Vrederechter
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 84/2025
van 28 mei 2025
Rolnummer : 8425
In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 43 en 50 van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Danny Pieters, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 23 januari 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 februari 2025, heeft de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schenden artikel 43 en/of artikel 50 van het decreet van 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut, in werking getreden op 1 januari 2018, de artikelen 10, 11
en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met elkaar gelezen, doordat daarin niet wordt voorzien dat de voor de gewone rechter tijdens de gerechtelijke fase van een onteigening aangevoerde schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel door het definitieve onteigeningsbesluit geen aanleiding kan geven tot het onwettig verklaren van de onteigening als de partij die de schending aanvoert niet aantoont dat hij door de ingeroepen onwettigheid benadeeld wordt, waarbij de omstandigheid dat de aangevoerde schending een onwettigheid uitmaakt die mogelijk aanleiding kan geven tot het onwettig verklaren van het definitieve onteigeningsbesluit op zich niet maakt dat de partij benadeeld wordt door de ingeroepen onwettigheid, zonder evenwel afbreuk te doen aan de mogelijkheid om de schending aan te voeren van regels die de openbare orde aanbelangen;
terwijl artikel 43 van het decreet van 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut, in werking getreden op 1 januari 2018, bepaalt dat het definitieve onteigeningsbesluit door de belanghebbenden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen kan
2
worden bestreden met toepassing van de regels die met betrekking tot de geschillenbeslechting door dat rechtscollege zijn bepaald bij of krachtens het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges en dus met inbegrip van artikel 35, derde lid van voormeld decreet van 4 april 2014 luidens welke bepaling de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel geen aanleiding kan geven tot een vernietiging als de partij die de schending aanvoert niet wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid, waarbij de omstandigheid dat de aangevoerde schending een onwettigheid uitmaakt die mogelijk aanleiding kan geven tot vernietiging, op zich niet maakt dat de partij benadeeld wordt door de ingeroepen onwettigheid, zonder evenwel afbreuk te doen aan de mogelijkheid om de schending aan te voeren van regels die de openbare orde aanbelangen, zodat het de Raad voor Vergunningsbetwistingen toekomt te onderzoeken of de verzoekende partij nadeel lijdt door de aangevoerde onwettigheid en het middel te verwerpen indien deze partij geen nadeel aantoont,
en terwijl artikel 6quater van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij bijzondere wet van 8 augustus 1988, zoals ingevoerd bij artikel 33
van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de zesde staatshervorming, bepaalt dat de gewesten de gerechtelijke procedure bepalen die specifiek van toepassing is in geval van onteigening ten algemene nutte van een goed in het betreffende gewest gelegen, met inachtneming van een billijke en voorafgaande schadeloosstelling zoals bepaald in artikel 16
van de Grondwet ».
Op 26 februari 2025 hebben de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging.
Geen enkele memorie werd ingediend.
De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
De zaak voor het verwijzende rechtscollege betreft de onteigening van een perceel in Roeselare. De onteigenende instantie, de stad Roeselare, heeft de zaak aanhangig gemaakt bij de Vrederechter te Roeselare en heeft daarmee de gerechtelijke fase van de onteigening opgestart. De Vrederechter te Roeselare heeft de onteigening onwettig verklaard, waarop de stad Roeselare een beroep heeft ingediend bij de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk. In het kader van dat beroep werpt de stad Roeselare op dat de burgerlijke rechter, in de gerechtelijke fase van de onteigening, moet nagaan of de partij die een onwettigheid aanvoert ten aanzien van de onteigening, door die onwettigheid in haar belangen is geschaad. Op verzoek van de stad Roeselare stelt het verwijzende rechtscollege de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag.
3
III. In rechte
-A-
In hun conclusies hebben de rechters-verslaggevers geoordeeld dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. De partijen hebben geen memorie met verantwoording ingediend.
-B-
B.1. De onteigeningsprocedure op basis van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017
« betreffende onteigening voor het algemeen nut » (hierna : het Onteigeningsdecreet) bestaat uit een bestuurlijke fase en een gerechtelijke fase. De bestuurlijke fase van de procedure vangt aan met een voorlopig onteigeningsbesluit, opgesteld door de onteigenende instantie (artikel 10), dat moet worden onderworpen aan een openbaar onderzoek (artikelen 17 tot 23).
Na afloop van het openbaar onderzoek kan de onteigenende overheid een definitief onteigeningsbesluit opstellen, dat door belanghebbenden kan worden aangevochten voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen, met toepassing van de regels die met betrekking tot de geschillenbeslechting door dat rechtscollege zijn bepaald bij of krachtens het Vlaamse decreet van 4 april 2014 « betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges » (artikel 43). Artikel 35, derde lid, van het voormelde decreet van 4 april 2014 bepaalt :
« Zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om de schending aan te voeren van regels die de openbare orde aanbelangen, kan de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel in elk van de volgende gevallen geen aanleiding geven tot een vernietiging :
1° als de partij die de schending aanvoert, niet wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid. De omstandigheid dat de aangevoerde schending een onwettigheid uitmaakt die mogelijk aanleiding kan geven tot vernietiging, maakt op zich niet dat de partij benadeeld wordt door de ingeroepen onwettigheid;
[...] ».
De toepassing van die voorwaarde in het kader van het beroep tegen de onteigeningsbeslissing voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft tot gevolg dat de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel enkel tot de vernietiging van de aangevochten onteigeningsbeslissing kan leiden indien de partij die de schending aanvoert, door de aangevoerde onwettigheid wordt benadeeld (de zogenaamde « belangenschade »).
4
B.2. De gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure vangt aan wanneer de onteigenende instantie, op basis van het definitieve onteigeningsbesluit, de zaak aanhangig maakt voor de vrederechter (artikel 46). Dat heeft tot gevolg dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich in het kader van eventuele vernietigingsberoepen vanwege de onteigende tegen het onteigeningsbesluit onbevoegd moet verklaren (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 991/1, p. 73). De vrederechter onderzoekt de wettigheid van de onteigening en indien de onteigening wettig wordt bevonden, bepaalt hij eerst een provisionele en daarna een definitieve onteigeningsvergoeding.
B.3. De prejudiciële vraag is gebaseerd op de interpretatie dat de decreetgever, door aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen de bevoegdheid toe te kennen om zich uit te spreken over eventuele vernietigingsberoepen tegen het onteigeningsbesluit, de omvang van de controle van de wettigheid van het onteigeningsbesluit door de vrederechter niet heeft gewijzigd. Die interpretatie is niet kennelijk onjuist. Ongeacht de vraag of de decreetgever de bevoegdheid heeft om de toepassing, door de rechter, van artikel 159 van de Grondwet te wijzigen, blijkt duidelijk uit de parlementaire voorbereiding dat de decreetgever in elk geval niet de bedoeling had om de controle van de wettigheid van het onteigeningsbesluit door de vrederechter op enige wijze te beperken :
« Verder moeten de gedaagde en eventueel tussenkomende partijen op de inleidingszitting laten weten of zij de wettigheid betwisten. Dit belet niet dat partijen de wettigheid in een later stadium kunnen opwerpen. Deze mogelijkheden zijn gewaarborgd door artikel 159 G.W. dat van openbare orde is. In toepassing van deze laatste bepaling heeft ook de rechter steeds de mogelijkheid om ambtshalve de onwettigheid van het onteigeningsbesluit na te kijken » (ibid., p. 82).
B.4. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over een verschil in behandeling tussen onteigenende instanties die voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen worden geconfronteerd met middelen betreffende de wettigheid van het definitieve onteigeningsbesluit, en onteigenende instanties die in het kader van de gerechtelijke fase van de onteigening voor de gewone rechter met dergelijke middelen worden geconfronteerd, doordat enkel in het eerste geval de ontvankelijkheid van die middelen afhankelijk is van de vraag of de ingeroepen onwettigheid voor de betrokken partij belangenschade veroorzaakt.
5
B.5. Uit hetgeen is vermeld in B.1 en B.2 blijkt dat het in werkelijkheid niet gaat om twee verschillende categorieën van onteigenende instanties, maar om dezelfde onteigenende instanties in een verschillende fase van de onteigeningsprocedure. Het feit dat een onteigenende instantie zich kan moeten verweren in het kader van een beroep tot vernietiging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen, verhindert op geen enkele wijze dat diezelfde instantie, indien zij wil overgaan tot de onteigening, de gerechtelijke fase voor de vrederechter zal moeten opstarten. Het gaat niet om twee parallelle procedures, maar twee opeenvolgende procedures, waarbij bovendien het aanvatten van de procedure bij de vrederechter een einde maakt aan de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Elke instantie die wil overgaan tot een onteigening, zal bijgevolg daartoe de gerechtelijke fase voor de vrederechter moeten aanvatten, waarbij die vrederechter, desnoods ambtshalve, de wettigheid van de onteigeningsbeslissing moet beoordelen. Het verschil in behandeling is bijgevolg onbestaande.
B.6. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.
6
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.
Aldus gewezen in het Nederlands en in het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 mei 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Luc Lavrysen
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.084
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==