ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.083
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-05-28
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
19 december 1939, 20 juli 1971, 6 januari 1989, BW, Constitution
Samenvatting
de prejudiciële vragen betreffende artikel 39 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag », gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.083
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 28 mei 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.083
Arrest- Rolnummer:
83/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-06-09
Raadplegingen:
152 - laatst gezien 2025-12-15 14:13
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Geen schending (artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, in samenhang
gelezen met artikel 4 van diezelfde ordonnantie)
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de prejudiciële vragen betreffende artikel 39 van de ordonnantie van
de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling
van de toekenning van gezinsbijslag », gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank
te Brussel. Sociale zekerheid - Brussel-Hoofdstad - Gemeenschappelijke
Gemeenschapscommissie - Kinderbijslag - Bedrag - Overgangsbepaling - Rechtgevende
kinderen die na 2019 geboren zijn
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 83/2025
van 28 mei 2025
Rolnummer : 8279
In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 39 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag », gesteld door de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
Bij vonnis van 4 juli 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 juli 2024, heeft de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :
1. « Schendt artikel 39 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van dezelfde ordonnantie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een verschil in behandeling teweegbrengt tussen :
- de kinderen uit meerdere relaties maar van eenzelfde moeder en,
- de kinderen uit meerdere relaties maar van eenzelfde vader,
in zoverre het de kinderen geboren na 2019 van dezelfde moeder het voordeel van de bijslag waarin is voorzien bij de voormelde ordonnantie ontzegt wanneer hun halfbroers of halfzussen de bij het voormelde artikel 39 bedoelde overgangsmaatregel konden genieten, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat, noch enig redelijk verband van evenredigheid tussen het aangewende middel en het eventueel beoogde doel ? »;
2
2. « Schendt artikel 39 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van dezelfde ordonnantie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een verschil in behandeling teweegbrengt tussen :
- de kinderen uit meerdere relaties maar van eenzelfde bijslagtrekkende en,
- de kinderen uit meerdere relaties, met verschillende bijslagtrekkenden, maar van eenzelfde vader of eenzelfde moeder,
in zoverre het de kinderen geboren na 2019 met dezelfde bijslagtrekkende het voordeel van de bijslag waarin is voorzien bij de voormelde ordonnantie ontzegt wanneer hun halfbroers of halfzussen de bij het voormelde artikel 39 bedoelde overgangsmaatregel konden genieten, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat, noch enig redelijk verband van evenredigheid tussen het aangewende middel en het eventueel beoogde doel ? »;
3. « Schendt artikel 39 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van dezelfde ordonnantie, de artikelen 22bis en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 191 van de Grondwet en de daarin vervatte standstill-verplichting, in zoverre het het beschermingsniveau van de kinderen geboren na 2019 uit meerdere relaties maar van eenzelfde moeder, wier halfbroers of halfzussen de bij het voormelde artikel 39 bedoelde overgangsmaatregel konden genieten, aanzienlijk vermindert ? »;
4. « Schendt artikel 39 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van dezelfde ordonnantie, de artikelen 22bis en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 191 van de Grondwet en de daarin vervatte standstill-verplichting, in zoverre het het beschermingsniveau van de kinderen geboren na 2019 uit meerdere relaties maar van eenzelfde bijslagtrekkende, wier halfbroers of halfzussen de bij het voormelde artikel 39 bedoelde overgangsmaatregel konden genieten, aanzienlijk vermindert ? ».
Memories zijn ingediend door :
- C.L. en F.B., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Emmanuelle Delwiche en mr. Julie Demoulin, advocates bij de balie te Brussel;
- Iriscare, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Kaiser, mr. Marc Verdussen en mr. Cécile Jadot, advocaten bij de balie te Brussel.
Iriscare heeft ook een memorie van antwoord ingediend.
Bij beschikking van 26 februari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na
3
ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen.
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
Drie kinderen zijn geboren uit het huwelijk tussen C.L., die de moeder ervan is, en B.D., die de vader ervan is. Die kinderen zijn respectievelijk geboren op 17 maart 2010, op 9 maart 2012 en op 25 november 2013. Bij een vonnis van 3 mei 2022 spreekt de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de echtscheiding van C.L.
en B.D. uit. Krachtens dat vonnis verblijven de drie kinderen afwisselend en in gelijke mate bij de ouders en wordt het kindergeld op een gezamenlijke rekening worden gestort Op 17 juni 2022 krijgt C.L. een vierde kind, uit haar relatie met F.B., die de vader ervan is.
Op 9 november 2022, ingevolge de geboorte van het vierde kind van C.L., deelt Iriscare haar mee dat het kinderbijslagbedrag dat op grond van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (hierna : de algemene kinderbijslagwet) wordt ontvangen voor de eerste drie kinderen, voordeliger is dan het bedrag dat, voor de vier kinderen, verschuldigd zou zijn met toepassing van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag » (hierna : de ordonnantie van 25 april 2019). Bijgevolg blijft C.L., met toepassing van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, het eerste bedrag genieten, bij wijze van overgangsmaatregel, zonder dat dat bedrag stijgt ingevolge de geboorte van het vierde kind. Die kinderbijslag heeft betrekking op de eerste drie kinderen en wordt gestort op de gemeenschappelijke rekening van C.L. en B.D. Er wordt geen enkel extra bedrag ontvangen voor het vierde kind, van wie F.B. de vader is.
Voor de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel, die het verwijzende rechtscollege is, vorderen C.L. en F.B.
dat de beslissing van 9 november 2022 nietig wordt verklaard en dat Iriscare ertoe wordt veroordeeld geïndividualiseerde kinderbijslag toe te kennen voor het vierde kind, vanaf 1 juli 2022. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege om twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.
Bij zijn vonnis van 4 juli 2024 merkt het verwijzende rechtscollege op dat Iriscare, bij zijn beslissing van 9 november 2022, de ordonnantie van 25 april 2019 correct heeft toegepast en dat het niet mogelijk is om een aanvullend kinderbijslagbedrag toe te kennen aan C.L. ten gunste van haar vierde kind, aangezien in die ordonnantie geen onderscheid wordt gemaakt naargelang de kinderen zijn geboren binnen eenzelfde gezin dan wel binnen een nieuw samengesteld gezin. Het verwijzende rechtscollege merkt bovendien op dat, hoewel het Hof zich reeds heeft uitgesproken over de grondwettigheid van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, met name bij zijn arresten nrs. 81/2022 (
ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.081
) en 105/2022 (
ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.105
), het zich nog niet heeft uitgesproken over de bijzondere situatie waarin de verzoekende partijen zich bevinden. Het verwijzende rechtscollege vraagt zich dan ook af of artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van diezelfde ordonnantie, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 22bis, 23 en 191 van de Grondwet. Bijgevolg stelt het, alvorens recht te doen, de vier hiervoor weergegeven prejudiciële vragen aan het Hof.
4
III. In rechte
-A-
A.1. Vooraf voeren de verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege aan dat de toekenning van gezinsbijslag, met toepassing van het in de ordonnantie van 25 april 2019 bedoelde systeem, een genderspecifiek karakter vertoont, aangezien de kinderbijslag standaard wordt ontvangen door de moeder van de kinderen – of door de oudste moeder in geval van meemoederschap. Bijgevolg, wanneer de moeder een kind uit een tweede relatie heeft, kan dat kind geen kinderbijslag genieten of het bedrag dat voor alle kinderen van de moeder wordt ontvangen, doen verminderen. Daarentegen, wanneer een man kinderen heeft in het kader van een tweede relatie, raakt dat de door de moeder van de eerste kinderen ontvangen bedragen niet. Volgens de verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege kan de storting van de kinderbijslag aan de moeder als maatregel ter bescherming van de vrouwen zich uiteindelijk tegen diezelfde vrouwen keren in bepaalde nieuw samengestelde gezinnen.
A.2. Wat de eerste en de tweede prejudiciële vraag betreft, merken de verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege op dat de beoogde categorieën van personen zich in voldoende vergelijkbare situaties bevinden, aangezien het gaat om, enerzijds, kinderen uit meerdere relaties maar van eenzelfde moeder (eerste vraag) of van eenzelfde bijslagtrekkende (tweede vraag), en, anderzijds, kinderen uit meerdere relaties maar van eenzelfde vader (eerste vraag) of van verschillende bijslagtrekkenden, maar van eenzelfde vader of eenzelfde moeder (tweede vraag). In alle gevallen gaat het immers om Belgische kinderen van nieuw samengestelde gezinnen, die na 2019 zijn geboren, en van wie de halfbroers of halfzussen die vóór 2019 zijn geboren, de in artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019 bedoelde overgangsmaatregel konden genieten.
De verzoekende partijen merken op dat de tweede categorie van personen, in tegenstelling tot de eerste, kinderbijslag ontvangt. Dat verschil in behandeling is gebaseerd op het criterium van het gender van de ouder met kinderen uit opeenvolgende verbintenissen. Volgens de verzoekende partijen vermeldt de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepalingen niets daarover. Bijgevolg moet het in de eerste prejudiciële vraag bedoelde verschil in behandeling worden geacht zonder redelijke verantwoording te zijn. Aangezien het genderspecifieke karakter van de toekenning van de kinderbijslag niet in aanmerking wordt genomen, dient de tweede prejudiciële vraag, die in ondergeschikte orde is geformuleerd, eveneens bevestigend te worden beantwoord.
A.3. Wat de derde en de vierde prejudiciële vraag betreft, doen de verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege gelden dat de eerste drie kinderen van C.L. een hoger kinderbijslagbedrag zouden hebben ontvangen, met toepassing van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, los van de geboorte van het vierde kind.
Bijgevolg zou het laten overgaan van de drie kinderen naar de nieuwe kinderbijslagregeling, bedoeld in de ordonnantie van 25 april 2019, teneinde het vierde kind de mogelijkheid te bieden een eigen en geïndividualiseerd recht op kinderbijslag te genieten, dat het kinderbijslagbedrag dientengevolge vermindert, een achteruitgang van het beschermingsniveau van hun respectieve rechten inhouden. De derde en de vierde prejudiciële vraag dienen dus eveneens bevestigend te worden beantwoord.
A.4. Iriscare voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vragen op een verkeerd uitgangspunt berusten, aangezien aan het vierde kind van C.L. te dezen niet het voordeel van de kinderbijslag wordt ontzegd. Indien met dat laatste kind geen rekening wordt gehouden bij de berekening van de toekenning van een extra bedrag als kinderbijslag, is dat enkel wegens de toepassing van overgangsmaatregelen die ertoe strekken de rechten te vrijwaren die door het gezin krachtens de vroegere federale regeling, bedoeld in de algemene kinderbijslagwet, werden verworven. Indien het gezin overgaat naar het systeem van de ordonnantie van 25 april 2019, zal het vierde kind in aanmerking worden genomen met een eigen bedrag. In werkelijkheid wordt, door de rechten van het vroegere systeem te behouden, aan het gezin in zijn geheel een hoger totaalbedrag toegekend als kinderbijslag, zodat het vierde kind eveneens kinderbijslag geniet, zij het onrechtstreeks. Omgekeerd zou een inaanmerkingneming van dat kind in het kader van het nieuwe systeem leiden tot een minder hoog totaalbedrag voor het gezin. Volgens Iriscare behoeven de vragen geen antwoord, in zoverre zij op een verkeerd uitgangspunt berusten.
A.5.1. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voert Iriscare aan dat die een vergissing bevat. Iriscare merkt op dat de eerste twee vragen, ondanks verschillende bewoordingen, eenzelfde realiteit beogen, namelijk de vergelijking tussen, enerzijds, de kinderen aan wie het voordeel van de kinderbijslag wordt « ontzegd » omdat zij, wegens het unieke karakter van de bijslagtrekkende, onder de overgangsregeling vallen en, anderzijds, de kinderen
5
aan wie dat voordeel niet wordt « ontzegd » omdat zij, wegens de veelheid aan bijslagtrekkenden, niet onder een dergelijke regeling vallen. Iriscare beklemtoont dat het in die prejudiciële vragen vastgestelde verschil in behandeling wordt verklaard door de hoedanigheid van bijslagtrekkende in de maand december 2019, die het systeem opent van de verworven rechten met toepassing van artikel 39 van de ordonnantie, en door het gender.
Met andere woorden, de in de prejudiciële vragen bedoelde situatie doet zich voor wanneer de kinderen zijn geboren uit meerdere relaties en wanneer rekening wordt gehouden met de verworven rechten van de persoon die de hoedanigheid van bijslagtrekkende heeft, ongeacht of die de vader of de moeder is. Bijgevolg kan enkel de tweede prejudiciële vraag alle door het verwijzende rechtscollege beoogde situaties omvatten. Iriscare verzoekt het Hof dus om de eerste twee prejudiciële vragen samen te onderzoeken.
A.5.2. Iriscare voert aan dat het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de kinderen uit meerdere relaties maar van eenzelfde moeder en, anderzijds, de kinderen uit meerdere relaties maar van eenzelfde vader betrekking heeft op categorieën van personen die niet vergelijkbaar zijn. In het eerste geval heeft de moeder immers de hoedanigheid van bijslagtrekkende, terwijl, in het andere geval, de vader die hoedanigheid niet heeft. In dat tweede geval vloeit daaruit een veelheid aan bijslagtrekkenden voort, in tegenstelling tot het eerste geval. De situaties zijn niet vergelijkbaar, aangezien de toekenning van kinderbijslag per definitie gedeeltelijk afhangt van de situatie van de bijslagtrekkende, op grond waarvan bijvoorbeeld het recht op de sociale toeslag wordt bepaald. Aldus zouden de kinderen uit meerdere relaties verschillende rechten op kinderbijslag kunnen openen naargelang de bijslagtrekkende de vader of de moeder is, maar ook naargelang de halfbroers en halfzussen verschillende bijslagtrekkenden hebben. Iriscare merkt op dat het Hof, bij zijn arrest nr. 87/99 van 15 juli 1999
(
ECLI:BE:GHCC:1999:ARR.087
), de keuze van de ordonnantiegever heeft aanvaard die erin bestaat één enkele bijslagtrekkende te bepalen, waardoor de kinderen kunnen worden gegroepeerd die worden opgevoed binnen eenzelfde gezinskern, waarvoor kinderbijslag wordt gestort. Dat systeem vormt een doeltreffend instrument om de kinderbijslagregeling te beheren. Te dezen oordelen dat de voorliggende situaties vergelijkbaar zijn, zou erop neerkomen dat wordt teruggekomen op die nochtans samenhangende rechtspraak.
A.5.3. Met betrekking tot het in de tweede prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling voert Iriscare aan dat dat op een objectief criterium van onderscheid berust, namelijk de vraag of de rechthebbende aanleiding gaf tot een betaling van kinderbijslag voor de maand december 2019. Bij dat criterium wordt logischerwijs, in het referentiebedrag voor de maand december 2019, geen rekening gehouden met het kind dat na die datum is geboren, aangezien dat kind geen recht op gezinsbijslag voor die maand opende. Iriscare merkt eveneens op dat het in het geding zijnde criterium van onderscheid identiek is aan het criterium dat is opgenomen in artikel 210, § 1, van het Vlaamse decreet van 27 april 2018 « tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid ». In zijn rechtspraak heeft het Hof reeds geoordeeld dat een dergelijk criterium objectief was. Iriscare merkt op dat het verschil in behandeling ook zo kan worden beschouwd dat het op het criterium van het unieke – of niet-unieke –
karakter van de bijslagtrekkende berust. Een dergelijk criterium is eveneens objectief, aangezien het afhangt van de regels voor het bepalen van de bijslagtrekkende, bedoeld in artikel 19 van de ordonnantie van 25 april 2019.
A.5.4. Iriscare voegt eraan toe dat het criterium van onderscheid van het in het geding zijnde verschil in behandeling pertinent is ten aanzien van het door de ordonnantiegever nagestreefde doel, namelijk de nieuwe kinderbijslagbedragen enkel op de gezinnen toepassen wanneer zij minstens gelijk zijn aan of hoger dan de bedragen die worden gegenereerd op grond van de algemene kinderbijslagwet voor de maand december 2019. Het in het geding zijnde criterium van onderscheid maakt het mogelijk rekening te houden met alle situaties die verworven rechten deden ontstaan vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019, met andere woorden vóór 1 januari 2020, zodat de kinderen die na november 2019 zijn geboren, logischerwijs niet in aanmerking worden genomen. Het Hof heeft reeds de gelegenheid gehad om de pertinentie van dat criterium te beklemtonen bij zijn voormelde arrest nr. 81/2022. Iriscare voegt eraan toe dat de ordonnantie van 25 april 2019
alle kinderen die vanaf de maand december 2019 zijn geboren, ongeacht of zij uit dezelfde ouders dan wel uit verschillende ouders zijn geboren, op dezelfde wijze behandelt. Er wordt geen enkele gedifferentieerde behandeling op grond van de specifieke gezinssituatie ingevoerd.
A.5.5. Bovendien is de in het geding zijnde maatregel volgens Iriscare evenredig met het nagestreefde doel.
Allereerst brengt Iriscare in herinnering dat het Hof aan de ordonnantiegever een ruime beoordelingsvrijheid toekent in sociaal-economische aangelegenheden. Vervolgens blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 25 april 2019 dat de ordonnantiegever het behoud van het beschermingsniveau dat bestond op de dag vóór de inwerkingtreding van die ordonnantie, heeft willen waarborgen, behalve wanneer de nieuwe kinderbijslagregeling voordeliger blijkt te zijn. Het betreft een redelijke keuze die de legitieme verwachtingen van de betrokken rechtgevende personen in acht neemt, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft beklemtoond. Iriscare preciseert dat het doel ook erin bestaat de gezinnen te ondersteunen inzake uitgaven. De in het geding zijnde bepaling heeft dus geen onevenredige gevolgen, aangezien het gezin wordt beschermd tegen de
6
vermindering van het ontvangen totaalbedrag. Volgens Iriscare blijkt uit de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de Vlaamse, Waalse en Brusselse kinderbijslagsystemen maar ook uit de adviespraktijk van de afdeling wetgeving van de Raad van State dat de in het geding zijnde overgangsregeling de legitieme verwachtingen van de bijslagtrekkenden in acht neemt en geen onevenredige gevolgen heeft.
Iriscare beklemtoont eveneens dat het in de praktijk zeer moeilijk is om in een overgangsregeling te voorzien waarbij te allen tijde wordt gewaarborgd dat op elk gezin de meest voordelige regeling wordt toegepast, aangezien die regeling afhankelijk is van een groot aantal variabelen en aan evolutie onderhevig is, zoals het Hof dat bij zijn arrest nr. 198/2019 van 5 december 2019 (
ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.198
), dat betrekking had op de Vlaamse kinderbijslagregeling, heeft beklemtoond. Aldus, te dezen, indien het vierde kind niet was geboren uit de relatie van C.L. en F.B. maar wel uit die van C.L. en B.D., vader van de eerste drie kinderen, zou dat vierde kind net zoals zijn broers onder de overgangsregeling vallen, waarbij dat systeem , wat het beginsel ervan betreft, door het Hof geldig is verklaard bij het voormelde arrest nr. 81/2022. Bijgevolg behandelt de in het geding zijnde ordonnantie alle kinderen op dezelfde wijze, ongeacht of die uit dezelfde ouders dan wel uit verschillende ouders zijn geboren.
Er bestaat dus geen verschil in behandeling op grond van de specifieke gezinssituatie. Iriscare preciseert daarenboven dat het maken van vergelijkingen tussen alle verschillende situaties waarin gezinnen zich kunnen bevinden teneinde na te gaan of de overgangsregeling redelijk verantwoord is, een vrijwel onmogelijke en moeilijk uitvoerbare opdracht vormt, aangezien elke bijslagtrekkende eveneens andere rechten opent, bijvoorbeeld inzake sociale toeslag. Een regeling die verschilt van de in het geding zijnde regeling, zou tal van onzekerheden doen ontstaan. Hoe dan ook, hoewel de toetsing van het Hof in het prejudiciële contentieux concreet kan zijn, gaat die niet zover dat rekening wordt gehouden met alle bijzondere situaties.
A.6.1. Wat de derde en de vierde prejudiciële vraag betreft, voert Iriscare allereerst aan dat enkel de vierde vraag een uiteenzetting behoeft, aangezien de derde vraag een vergissing bevat, net zoals de eerste vraag, zoals hiervoor is opgeworpen.
A.6.2. Iriscare merkt op dat de vierde prejudiciële vraag in essentie betrekking heeft op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde overgangsregeling met de standstill-verplichting. Volgens Iriscare heeft echter geen enkel kind persoonlijk recht op een lager bedrag dan het bedrag dat van toepassing was bij de inwerkingtreding van de nieuwe regeling. Artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019 voorziet immers in een voortdurende vergelijking tussen, enerzijds, het bedrag dat wordt toegekend op grond van de algemene kinderbijslagwet – dat onbestaande was met betrekking tot het vierde kind van C.L., dat in 2022 is geboren – en, anderzijds, het nieuwe kinderbijslagbedrag dat is bedoeld in de artikelen 7 en volgende van de ordonnantie. In dat verband heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State geoordeeld dat de overgangsregeling bestaanbaar was met de standstill-
verplichting. Het in het geding zijnde systeem leidt dus niet tot een achteruitgang van het beschermingsniveau dat aan de betrokken personen wordt geboden.
A.6.3. Gesteld dat het Hof van oordeel is dat de in het geding zijnde regeling daadwerkelijk een dergelijke achteruitgang doet ontstaan, dient te worden vastgesteld dat die zeer beperkt zou zijn, zowel met betrekking tot het toepassingsgebied – aangezien hij enkel betrekking zou hebben op nieuw samengestelde gezinnen met één enkele bijslagtrekkende die het recht opent op een totaalbedrag aan kinderbijslag dat voortvloeit uit de oude regeling en dat hoger is dan het bedrag dat voortvloeit uit de nieuwe regeling – als met betrekking tot het ontvangen bedrag – aangezien het gezin reeds een voordeliger bedrag ontvangt dan het bedrag dat in de nieuwe regeling van toepassing is –, maar ook met betrekking tot de beperking in de tijd – aangezien dat enkel van toepassing is op het gezin zolang het geen recht op een voordeliger totaalbedrag in de nieuwe regeling opent. De achteruitgang van het beschermingsniveau, gesteld dat die zou bestaan, is dus niet aanzienlijk.
A.6.4. Indien het Hof zou besluiten dat er een aanzienlijke achteruitgang bestaat, zou moeten worden geoordeeld dat die niet zonder redelijke verantwoording is, aangezien hij bijdraagt tot het behoud van het budgettaire evenwicht in het kader van de hervorming van de sector van de kinderbijslag. Iriscare voert aan dat de wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt om een overgangsregeling uit te werken en dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie enkel wordt geschonden indien die regeling onverantwoorde verschillen in behandeling met zich meebrengt of indien op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan aan het vertrouwensbeginsel. Uit de uiteenzettingen met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag blijkt dat zulks niet het geval is.
7
-B-
Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan
B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 39 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag » (hierna : de ordonnantie van 25 april 2019), al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van diezelfde ordonnantie.
B.2. Artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019 voert een overgangsregeling in tussen de kinderbijslagregeling ingevoerd bij de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (hierna : de algemene kinderbijslagwet) en bij de wet van 20 juli 1971 « tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag » (hierna : de wet van 20 juli 1971) en de kinderbijslagregeling ingevoerd bij de ordonnantie van 25 april 2019.
Artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019 bepaalt :
« Onverminderd artikel 26, derde lid, worden de AKBW en de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag opgeheven.
De bepalingen van de AKBW en van de voormelde wet van 20 juli 1971 betreffende de betaling van de kinderbijslag blijven van toepassing indien de rechthebbende of de aanvrager voor de maand december 2019 aanleiding gaf tot de betaling van kinderbijslag tegen een schaal die, na toepassing van artikel 76bis van de AKBW, de toekenning toelaat van een bedrag dat hoger is dan hetgeen wordt bepaald door artikelen 7 tot 13, volgens de volgende voorwaarden en regels :
[...]
2° de bedragen worden per bijslagtrekkende, natuurlijke persoon, voor de maand december 2019 vergeleken, rekening houdend met, enerzijds, kinderen die, onverminderd de toepassing van het recht van de Europese Unie en de internationale overeenkomsten, op 31 december 2019 hun woonplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die rechtgevend waren voor de maand december 2019 onder de voorwaarden bepaald door de AKBW of de voormelde wet en, anderzijds, met alle kinderen die rechtgevend zijn krachtens deze ordonnantie, vanaf dezelfde datum;
3° de schaal die verschuldigd is voor de maand december 2019 vormt de maximale schaal die wordt toegekend vanaf de inwerkingtreding van deze ordonnantie;
8
4° het aantal rechtgevende kinderen waarmee rekening wordt gehouden krachtens artikel 42 van de AKBW en de bedragen verschuldigd krachtens de AKBW of de voormelde wet van 20 juli 1971 kan in geen geval toenemen;
[...]
9° de bijslagtrekkende verliest definitief het voordeel van de huidige bepaling als hem een zelfde of een hoger kinderbijslagbedrag verschuldigd is krachtens deze ordonnantie;
[...] ».
B.3. Krachtens artikel 3, 2°, van de ordonnantie van 25 april 2019 is het « rechtgevend kind » het kind dat voldoet aan alle voorwaarden die zijn vastgelegd in de ordonnantie van 25 april 2019 om het recht op kinderbijslag te openen. In dat verband vermeldt artikel 4 van de ordonnantie van 25 april 2019 dat, in beginsel, (1°) het kind dat zijn woonplaats heeft in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, (2°) dat de Belgische nationaliteit heeft of een buitenlander is die begunstigde is van een verblijfsvergunning, en (3°) dat aan de in artikel 25
of in artikel 26 van die ordonnantie vastgestelde voorwaarden voldoet, het recht op gezinsbijslag opent.
B.4.1. De « bijslagtrekkende » is, krachtens artikel 3, 5°, van de ordonnantie van 25 april 2019, de persoon aan wie de kinderbijslag moet worden betaald. Met toepassing van artikel 19, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 gaat het in beginsel om de moeder. Indien de moeder echter niet is geïdentificeerd of is overleden, wordt de kinderbijslag gestort aan de vader of, bij afwezigheid van de vader, aan de persoon die het kind daadwerkelijk opvoedt. Overigens, als de persoon aan wie de kinderbijslag wordt betaald krachtens het eerste lid het kind niet daadwerkelijk opvoedt, wordt de kinderbijslag overeenkomstig artikel 19, § 1, tweede lid, van dezelfde ordonnantie, betaald aan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die deze rol vervult.
B.4.2. Wanneer de twee ouders van verschillend geslacht die het ouderlijke gezag gezamenlijk uitoefenen niet samenwonen, en het kind niet uitsluitend of hoofdzakelijk door een andere bijslagtrekkende wordt opgevoed, wordt de kinderbijslag volledig aan de moeder betaald. De kinderbijslag wordt echter volledig aan de vader betaald vanaf zijn aanvraag, als het kind en hijzelf op die datum dezelfde hoofdverblijfplaats hebben (artikel 19, § 1, derde lid, van de ordonnantie van 25 april 2019). Artikel 19, § 1, vijfde lid, van dezelfde ordonnantie laat elk van de gescheiden ouders die het ouderlijke gezag gezamenlijk uitoefenen bovendien toe
9
om voor de familierechtbank te betwisten dat de kinderbijslag wordt betaald aan de aldus aangewezen bijslagtrekkende en de rechtbank te vragen hemzelf als enige bijslagtrekkende aan te wijzen, in het belang van het kind.
B.5. Krachtens artikel 40 ervan is de ordonnantie van 25 april 2019 in werking getreden op 1 januari 2020.
B.6.1. Artikel 39, eerste lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 heft de algemene kinderbijslagwet en de wet van 20 juli 1971 op. Daaruit volgt dat de kinderbijslag waarop alle kinderen recht geven die voldoen aan de in artikel 4 van de ordonnantie van 25 april 2019
bedoelde voorwaarden, ongeacht of zij vóór of na de inwerkingtreding ervan zijn geboren, in principe door die ordonnantie wordt geregeld.
B.6.2. In afwijking daarvan voorziet artikel 39, tweede lid, van de ordonnantie van 25 april 2019 erin dat de bepalingen van de algemene kinderbijslagwet en van de wet van 20 juli 1971 betreffende de betaling van de kinderbijslag van toepassing blijven op de bijslagtrekkende die krachtens die bepalingen een hoger kinderbijslagbedrag ontving dan dat waarop hij recht zou hebben met toepassing van de regeling van de ordonnantie.
Zoals in de parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 25 april 2019 wordt beklemtoond, strekt die bepaling ertoe de rechten te vrijwaren die de rechtgevenden en bijslagtrekkenden hadden verworven vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019 (Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2018-2019, B-160/1, p. 7). In dat verband wordt in het verslag van de commissie eveneens vermeld :
« de beslissing om, gelet op de beschikbare middelen, het hoogst mogelijke basisbedrag toe te kennen [is] een politieke keuze [...]. Het systeem van verworven rechten handhaaft het niveau van sociale bescherming voor de Brusselse gezinnen die vóór 1 januari 2020 hogere kinderbijslag ontvingen. Als het oude systeem voordeliger is, zullen de bijslagtrekkenden dat bedrag blijven ontvangen » (Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2018-2019, B-160/2, p. 28).
B.6.3. Concreet wordt, krachtens het voormelde artikel 39, het kinderbijslagbedrag dat een bijslagtrekkende heeft ontvangen onder de regeling van de algemene kinderbijslagwet en van de wet van 20 juli 1971 in de maand december 2019, elke maand vergeleken met het
10
kinderbijslagbedrag waarop dezelfde bijslagtrekkende recht heeft op grond van de ordonnantie van 25 april 2019, rekening houdend met de verlaagde bedragen bepaald in artikel 35 van die ordonnantie. Indien, na die vergelijking, blijkt dat het kinderbijslagbedrag dat aan een bijslagtrekkende verschuldigd was voor december 2019 onder de regeling van de algemene kinderbijslagwet en van de wet van 20 juli 1971 hoger ligt dan het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de ordonnantie van 25 april 2019, zal de bijslagtrekkende verder kinderbijslag ontvangen op grond van de vroegere gezinsbijslagregeling.
B.6.4. Krachtens artikel 39, tweede lid, 9°, van de ordonnantie van 25 april 2019 verliest de bijslagtrekkende definitief het voordeel van de in artikel 39, tweede lid, voorziene afwijking, wanneer krachtens dezelfde ordonnantie hem eenzelfde of een hoger kinderbijslagbedrag verschuldigd is.
Ten aanzien van de prejudiciële vragen
B.7. Het verwijzende rechtscollege stelt het Hof vier prejudiciële vragen :
- De eerste vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van dezelfde ordonnantie, in zoverre het een verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de kinderen uit meerdere relaties maar van eenzelfde moeder en, anderzijds, de kinderen uit meerdere relaties maar van eenzelfde vader, aangezien « het de kinderen geboren na 2019 van dezelfde moeder het voordeel van de bijslag waarin is voorzien bij de voormelde ordonnantie ontzegt wanneer hun halfbroers of halfzussen de bij het voormelde artikel 39 bedoelde overgangsmaatregel konden genieten ».
- De tweede vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van dezelfde ordonnantie, in zoverre het een verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de kinderen uit meerdere relaties maar van eenzelfde bijslagtrekkende en, anderzijds, de kinderen uit meerdere relaties, met verschillende bijslagtrekkenden, maar van eenzelfde vader of eenzelfde moeder, aangezien « het de kinderen geboren na 2019 met dezelfde bijslagtrekkende het voordeel van de bijslag waarin is voorzien
11
bij de voormelde ordonnantie ontzegt wanneer hun halfbroers of halfzussen de bij het voormelde artikel 39 bedoelde overgangsmaatregel konden genieten ».
- De derde vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid, met de artikelen 22bis en artikel 23 van de Grondwet, dat laatste de al dan niet in samenhang gelezen met artikel 191 van de Grondwet, van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van dezelfde ordonnantie, « in zoverre het het beschermingsniveau van de kinderen geboren na 2019 uit meerdere relaties maar van eenzelfde moeder, wier halfbroers of halfzussen de bij het voormelde artikel 39 bedoelde overgangsmaatregel konden genieten, aanzienlijk vermindert ».
- De vierde vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid, met artikel 22bis en met artikel 23 van de Grondwet, dat laatste al dan niet in samenhang gelezen met artikel 191 van de Grondwet, van artikel 39, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4, van de ordonnantie van 25 april 2019, « in zoverre het het beschermingsniveau van de kinderen geboren na 2019
uit meerdere relaties maar van eenzelfde bijslagtrekkende, wier halfbroers of halfzussen de bij het voormelde artikel 39 bedoelde overgangsmaatregel konden genieten, aanzienlijk vermindert ».
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
B.8.1. In de regel komt het het verwijzende rechtscollege toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.
B.8.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de feiten die aan de oorsprong liggen van de prejudiciële vragen, betrekking hebben op een bijslagtrekkende, moeder van vier kinderen, die geen verhoging van het kinderbijslagbedrag heeft genoten ingevolge de geboorte van haar vierde kind, in juni 2022, omdat het bedrag van de kinderbijslag die is berekend voor december 2019 in de regeling van de algemene kinderbijslagwet en van de wet van 20 juli 1971 voor haar eerste drie kinderen, die zijn geboren uit een vorige relatie en voor wie zij eveneens bijslagtrekkende is, hoger blijft dan het bedrag dat zou voortvloeien uit de toepassing van de ordonnantie van 25 april 2019 voor alle vier de kinderen.
12
B.8.3. Aangezien de prejudiciële vragen net betrekking hebben op de situatie van de kinderen die geen aanleiding geven tot de toekenning van een specifiek kinderbijslagbedrag ten voordele van de bijslagtrekkende op grond van de ordonnantie van 25 april 2019, met toepassing van de overgangsregeling van die ordonnantie, is het niet klaarblijkelijk zonder nut om de prejudiciële vragen te beantwoorden.
De exceptie wordt verworpen.
Ten gronde
Wat betreft de eerste en de tweede prejudiciële vraag
B.9.1. De eerste en de tweede prejudiciële vraag hebben betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4, van dezelfde ordonnantie, met het door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
B.9.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de eerste en de tweede prejudiciële vraag in essentie betrekking hebben op de situatie van kinderen die na 2019 zijn geboren en voldoen aan de voorwaarden van artikel 4 van de ordonnantie van 25 april 2019
maar die, wegens de in artikel 39 van diezelfde ordonnantie bedoelde overgangsregeling, geen aanleiding geven tot de toekenning van een kinderbijslagbedrag dat wordt berekend op grond van die ordonnantie omdat de andere kinderen van de enige bijslagtrekkende van het nieuw samengestelde gezin – namelijk de moeder wat betreft de feiten die aan de oorsprong van de verwijzingsbeslissing liggen – die vóór 2020 zijn geboren uit een vorige relatie van die bijslagtrekkende, geen aanleiding geven tot het toekennen van een voordeliger kinderbijslagbedrag met toepassing van de algemene kinderbijslagwet en van de wet van 20 juli 1971 dan het bedrag dat verschuldigd zou zijn voor alle kinderen op grond van de ordonnantie van 25 april 2019.
B.9.3. Met de prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht die situatie te vergelijken met die van de kinderen die na 2019 zijn geboren en aanleiding geven tot de toekenning van een
13
kinderbijslagbedrag dat wordt berekend op grond van de ordonnantie van 25 april 2019 omdat de bijslag waarop de andere kinderen van het nieuw samengestelde gezin, die vóór 2020 zijn geboren, recht hebben, wordt gestort aan een andere bijslagtrekkende.
B.10. De eerste en de tweede prejudiciële vraag zijn onderling nauw verbonden, zodat het Hof ze samen onderzoekt.
B.11. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.12. Zoals in B.9.2 is vermeld, zijn de in de eerste en in de tweede prejudiciële vraag bedoelde categorieën van personen kinderen die na 2019 zijn geboren en die het recht op kinderbijslag op grond van de ordonnantie van 25 april 2019 a priori openen omdat zij voldoen aan de in artikel 4 van die ordonnantie bedoelde voorwaarden, en van wie het nieuw samengestelde gezin onder de in artikel 39 van dezelfde ordonnantie bedoelde overgangsregeling kan vallen.
Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen zijn die categorieën van kinderen vergelijkbaar.
B.13.1. Het in B.9.2 aangehaalde verschil in behandeling berust op de omstandigheid dat de kinderen van een nieuw samengesteld gezin die na 2019 zijn geboren, al dan niet aanleiding geven tot de betaling van kinderbijslag ten voordele van dezelfde bijslagtrekkende als de andere kinderen van het gezin die vóór 2020 zijn geboren.
B.13.2. Bijgevolg berust dat verschil in behandeling op een objectief criterium.
14
B.14. In sociaal-economische aangelegenheden beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Het Hof vermag de beleidskeuzes die de ordonnantiegever heeft gemaakt en de motieven die daaraan ten grondslag liggen slechts af te keuren indien zij niet redelijk verantwoord zijn.
B.15.1. Zoals is vermeld in B.6.2, heeft de ordonnantiegever met de invoering van de in het geding zijnde overgangsregeling getracht de verworven rechten van de bijslagtrekkende inzake kinderbijslag te vrijwaren. Het betreft een legitiem doel.
B.15.2. Die overgangsregeling waarborgt dat de bijslagtrekkenden die in december 2019, op grond van de algemene kinderbijslagwet en van de wet van 20 juli 1971, een kinderbijslagbedrag ontvingen dat hoger lag dan hetwelk zij zouden hebben ontvangen op grond van de ordonnantie van 25 april 2019, dat hoger bedrag blijven genieten. Hierdoor vrijwaart artikel 39 van die ordonnantie de verworven rechten van de bijslagtrekkenden.
B.15.3. Het in B.13.1 vermelde criterium van onderscheid, dat is gebaseerd op het al dan niet bestaan van meerdere bijslagtrekkenden binnen het nieuw samengestelde gezin, bereikt dus het daarmee beoogde doel en is derhalve pertinent.
B.16.1. Het Hof dient nog na te gaan of de in het geding zijnde bepaling onevenredige gevolgen heeft voor de in B.9.2 bedoelde kinderen of voor hun bijslagtrekkenden.
B.16.2. De toekenning van kinderbijslag strekt ertoe bij te dragen in de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen. Het zijn de betrokken kinderen die recht geven op bijslag. Die wordt betaald aan een bijslagtrekkende, met andere woorden, in beginsel, aan de persoon die het kind opvoedt.
B.16.3. Bij zijn arrest nr. 81/2022 van 16 juni 2022 (
ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.081
)
heeft het Hof voor recht gezegd dat het door artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019
veroorzaakte verschil in behandeling tussen, enerzijds, de rechtgevende kinderen die zijn geboren in december 2019 en voor wie geen enkel bedrag in aanmerking is genomen in het totaalbedrag van de kinderbijslag waarop de bijslagtrekkende recht heeft met toepassing van de algemene kinderbijslagwet en van de wet van 20 juli 1971, totaalbedrag dat vervolgens wordt vergeleken met het totaalbedrag van de kinderbijslag dat verschuldigd is aan de
15
bijslagtrekkende met toepassing van de ordonnantie van 25 april 2019, en, anderzijds, de andere rechtgevende kinderen die zijn geboren vóór 1 januari 2020 en voor wie het kinderbijslagbedrag waarop zij recht geven met toepassing van de algemene kinderbijslagwet en de wet van 20 juli 1971 in aanmerking wordt genomen in het totaalbedrag van de kinderbijslag dat werd ontvangen onder de vroegere kinderbijslagregeling, geen onevenredige gevolgen heeft noch voor de kinderen die zijn geboren in december 2019, noch voor hun bijslagtrekkenden.
Bij dat arrest heeft het Hof met name geoordeeld dat de kinderen die in december 2019 zijn geboren, recht geven op de uitkering van kinderbijslag in de nieuwe kinderbijslagregeling, bedoeld in de ordonnantie van 25 april 2019, die op hen van toepassing is indien het ontvangen totaalbedrag voordeliger is dan het bedrag dat hun bijslagtrekkende in december 2019 heeft ontvangen. Het Hof heeft overigens opgemerkt dat de regeling waarborgt dat de gezinnen, met inbegrip van degene met kinderen die zijn geboren in december 2019, niet minder zullen ontvangen dan wat zij daadwerkelijk hebben ontvangen aan kinderbijslag vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 25 april 2019.
B.16.4. Zoals in B.8.3 is vermeld, behoudt de eerste verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege – die de enige bijslagtrekkende is van de kinderbijslag van haar kinderen die vóór 2020 zijn geboren uit een vorige relatie, alsook van de kinderbijslag van haar kind dat in juni 2022 is geboren uit een latere relatie –, ingevolge artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, het kinderbijslagbedrag dat in december 2019 is berekend voor haar eerste drie kinderen, op grond van de algemene kinderbijslagwet en de wet van 20 juli 1971, omdat het bedrag dat op grond van de ordonnantie van 25 april 2019 verschuldigd zou zijn voor haar vier kinderen, lager blijft dan het voormelde bedrag.
De in het geding zijnde bepalingen hebben als dusdanig dan ook geen onevenredige gevolgen voor de bijslagtrekkende, die in totaal een voordeliger bedrag geniet. Op zich hebben zij evenmin onevenredige gevolgen ten nadele van het kind dat na 2019 is geboren en dat, zij het enkel onrechtstreeks, dat voordeligere totaalbedrag geniet.
B.17. Het staat nog aan het Hof na te gaan of de in het geding zijnde bepalingen, door te voorzien in een overgangssysteem dat van toepassing is op alle rechtgevende kinderen van de bijslagtrekkende en niet in een mogelijkheid van een geïndividualiseerde overgang, per kind, geen onevenredige gevolgen hebben.
16
B.18.1. Het kind dat na 2019 is geboren, opent individueel wel degelijk het recht op kinderbijslag op grond van de ordonnantie van 25 april 2019, met toepassing van artikel 4 van die ordonnantie. Ingevolge de overgangsregeling van artikel 39 van dezelfde ordonnantie geeft de geboorte van dat kind voorlopig evenwel geen aanleiding tot een extra bedrag, en zulks zolang alle rechtgevende kinderen van de bijslagtrekkende niet overgaan naar de nieuwe kinderbijslagregeling.
B.18.2. In tegenstelling tot de Waalse en Vlaamse decreetgevers heeft de Brusselse ordonnantiegever immers geopteerd voor een regeling waarin de vroegere wetgeving en de nieuwe wetgeving inzake kinderbijslag niet tegelijkertijd van toepassing kunnen zijn op dezelfde broers en zussen, maar waarin alle rechtgevende kinderen van de bijslagtrekkende op 1 januari 2020 « overgaat » naar in de regeling van de ordonnantie van 25 april 2019 « met betaling van het verschil in het geval waarin blijkt dat het oude bedrag hoger was dan het nieuwe bedrag » (Parl. St., Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, 2018-2019, B-160/2, p. 6).
B.18.3. Ten aanzien van de ruime beoordelingsvrijheid waarover de ordonnantiegever in sociaal-economische aangelegenheden beschikt, die in B.14 in herinnering is gebracht, kan hem op zich niet worden verweten dat hij in het kader van de overgangsregeling niet erin heeft voorzien dat de toename van het aantal kinderen van de bijslagtrekkende stelselmatig leidt tot de toekenning van een extra specifiek bedrag op grond van de ordonnantie van 25 april 2019, terwijl het met toepassing van de algemene kinderbijslagwet en van de wet van 20 juli 1971
ontvangen bedrag hoe dan ook hoger is dan het bedrag dat zou zijn ontvangen met toepassing van die ordonnantie.
B.18.4. Wat de toekenning van kinderbijslag aan kinderen uit nieuw samengestelde gezinnen betreft, moet de ordonnantiegever overigens gebruik kunnen maken van categorieën die, noodzakelijkerwijs, de verscheidenheid van toestanden slechts met een zekere graad van benadering omvatten.
De vraag of het voor elk kind van een bepaald gezin voordeliger is om onder de oude dan wel de nieuwe regeling te vallen, is immers afhankelijk van een groot aantal variabelen.
Bovendien zijn die variabelen op hun beurt onderhevig aan mogelijke evoluties, waardoor het
17
in de praktijk zeer moeilijk is om in een overgangsregeling te voorzien waarbij voor elk kind en voor elk gezin op elk moment de meest voordelige regeling wordt gewaarborgd.
B.18.5. Door te voorzien in een overgangsregeling rond de persoon van de bijslagtrekkende van het gezin en niet rond elk kind afzonderlijk, heeft de ordonnantiegever dus een maatregel genomen die niet zonder redelijke verantwoording is.
B.19.1. Voor het overige kan de omstandigheid, te dezen, dat de aan de eerste verzoekende partij betaalde kinderbijslag – berekend voor haar eerste drie kinderen, die vóór 2020 zijn geboren en voor wie zij de enige bijslagtrekkende is – wordt gestort op een gemeenschappelijke rekening die is geopend op haar naam en op die van de vader van die kinderen, die niet de vader is van het vierde kind, dat na 2019 is geboren, op zich niet worden toegeschreven aan de in het geding zijnde bepalingen.
B.19.2. De moeilijkheden welke die situatie kan doen ontstaan, zijn het gevolg van het vonnis dat de modaliteiten van de echtscheiding tussen de eerste verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege en de vader van haar eerste drie kinderen regelt, waarbij akte wordt genomen van de afwisselende en gelijkmatig verdeelde huisvesting van die kinderen bij hun uit de echt gescheiden ouders.
B.19.3. Het staat niet aan het Hof zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van een gerechtelijke beslissing met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
B.20. Artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, in samenhang gelezen met artikel 4, van dezelfde ordonnantie is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Wat betreft de derde en de vierde prejudiciële vraag
B.21.1. De derde en de vierde prejudiciële vraag hebben betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van diezelfde ordonnantie, met de artikelen 22bis en 23 van de Grondwet, dat laatste al dan niet in samenhang gelezen met artikel 191 van de Grondwet.
18
B.21.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de derde en de vierde prejudiciële vraag in essentie betrekking hebben op de eventuele aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau van de kinderen die na 2019 zijn geboren en die geen aanleiding geven tot de toekenning van een extra kinderbijslagbedrag, berekend op grond van de ordonnantie van 25 april 2019, terwijl de andere kinderen, die vóór 2020 uit dezelfde bijslagtrekkende maar uit een verschillende relatie zijn geboren, aanleiding geven tot de toekenning van een kinderbijslagbedrag op grond van de algemene kinderbijslagwet en van de wet van 20 juli 1971, met toepassing van artikel 39 van diezelfde ordonnantie.
B.21.3. De derde en de vierde prejudiciële vraag zijn onderling nauw verbonden, zodat het Hof ze samen onderzoekt.
B.22.1.1. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt niet wat die rechten, waarvan enkel het beginsel wordt uitgedrukt, impliceren, waarbij elke wetgever ermee is belast die rechten te waarborgen, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten.
B.22.1.2. De ordonnantie van 25 april 2019 legt de voorwaarden vast voor de uitoefening van het « recht op gezinsbijslagen » dat is erkend bij artikel 23, derde lid, 6°, van de Grondwet.
Zoals de andere « economische en sociale rechten » vermeld in artikel 23, derde lid, van de Grondwet dient het « recht op gezinsbijslagen » te worden gewaarborgd teneinde eenieder in staat te stellen « een menswaardig leven te leiden », zoals vermeld in artikel 23, eerste lid, van de Grondwet.
B.22.1.3. Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder redelijke verantwoording.
B.22.2.1. Artikel 22bis van de Grondwet bepaalt :
19
« Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit.
Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen.
Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen.
Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat.
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ».
B.22.2.2. Te dezen voegt de toetsing aan artikel 22bis van de Grondwet niets toe aan de toetsing aan de in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-verplichting.
B.22.3.1. Artikel 191 van de Grondwet bepaalt :
« Iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, geniet de bescherming verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen ».
B.22.3.2. Die bepaling is niet van toepassing, aangezien die prejudiciële vragen betrekking hebben op een bijslagtrekkende en kinderen met de Belgische nationaliteit.
B.23. Zonder dat dient te worden onderzocht of de in het geding zijnde bepalingen het beschermingsniveau met betrekking tot het recht op gezinsbijslagen in aanzienlijke mate zouden verminderen, dient te worden vastgesteld dat zij hoe dan ook redelijk verantwoord zijn, om de in B.16.1 tot B.19.3 vermelde redenen.
B.24. Artikel 39 van de ordonnantie van 25 april 2019, in samenhang gelezen met artikel 4
van dezelfde ordonnantie, is bestaanbaar met de artikelen 22bis en 23 van de Grondwet.
20
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 39 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 « tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag », in samenhang gelezen met artikel 4 van diezelfde ordonnantie, schendt de artikelen 10, 11, 22bis en 23 van de Grondwet niet.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 mei 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Pierre Nihoul
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.083
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:GHCC:1999:ARR.087
ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.198
ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.081
ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.105
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==