ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.082
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-05-28
🌐 FR
Arrest
verworpen
Rechtsgebied
bestuursrecht
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
6 januari 1989, Burgerlijk Wetboek, Constitution, GRONDWET, Grondwet
Samenvatting
het beroep tot vernietiging van de artikelen 3, § 1 en § 2, 1°, 2°, 3°, 5°, 9° en 10°, 4, eerste lid, 1°, 2° en 4° tot 6°, 7, §§ 1 en 2, 8, 9, § 1, 11, 12, 16, 17, 23, 35, § 1, derde lid, en 42, evenals van de bijlagen, van het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding, ingesteld door Hélène Baltus en anderen.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.082
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 28 mei 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.082
Arrest- Rolnummer:
82/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-06-09
Raadplegingen:
120 - laatst gezien 2025-12-15 14:12
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
het beroep tot vernietiging van de artikelen 3, § 1 en § 2, 1°, 2°,
3°, 5°, 9° en 10°, 4, eerste lid, 1°, 2° en 4° tot 6°, 7, §§
1 en 2, 8, 9, § 1, 11, 12, 16, 17, 23, 35, § 1, derde lid, en 42, evenals
van de bijlagen, van het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 « tussen
de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie
betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele
opvoeding », ingesteld door Hélène Baltus en anderen. Onderwijs - Franse
Gemeenschap - Leerplichtonderwijs - Prioritaire opdrachten - Relationele,
affectieve en seksuele opvoeding (EVRAS)
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 82/2025
van 28 mei 2025
Rolnummer : 8246
In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 3, § 1 en § 2, 1°, 2°, 3°, 5°, 9° en 10°, 4, eerste lid, 1°, 2° en 4° tot 6°, 7, §§ 1 en 2, 8, 9, § 1, 11, 12, 16, 17, 23, 35, § 1, derde lid, en 42, evenals van de bijlagen, van het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding, ingesteld door Hélène Baltus en anderen.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 juni 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 25 juni 2024, is beroep tot vernietiging van de artikelen 3, § 1 en § 2, 1°, 2°, 3°, 5°, 9° en 10°, 4, eerste lid, 1°, 2° en 4° tot 6°, 7, §§ 1 en 2, 8, 9, § 1, 11, 12, 16, 17, 23, 35, § 1, derde lid, en 42, evenals van de bijlagen, van het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 december 2023)
ingesteld door Hélène Baltus, Benjamin Dubray, Giuseppe Di Salvo, Laurence Kayser, Marc Higuet, Denis Hendrick, Charlotte-Marie Crombez, Quentin de Bodman en Sibylle Rocher-Barrat, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Arnaud Jansen, mr. Maria Mbulu Kitundu en mr. Viktoria El-Moussaoui, advocaten bij de balie te Brussel.
Op 10 juli 2024 hebben de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden
2
gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort.
De verzoekende partijen hebben een memorie met verantwoording ingediend.
Bij beschikking van 17 september 2024 heeft het Hof beslist de zaak overeenkomstig de gewone rechtspleging voort te zetten.
De Franse Gemeenschapsregering, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Karolinski, advocaat bij de balie te Brussel, hebben een memorie ingediend, de verzoekende partijen, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Arnaud Jansen, mr. Viktoria El-Moussaoui en mr. Rafaela Trevisan, advocate bij de balie te Brussel, hebben een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Waalse Regering hebben ook een memorie van wederantwoord ingediend.
Bij beschikking van 12 maart 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was en de dag van de terechtzitting bepaald op 2 april 2025.
Op de openbare terechtzitting van 2 april 2025 :
- zijn verschenen :
. mr. Arnaud Jansen en mr. Rafaela Trevisan, voor de verzoekende partijen;
. mr. Vanessa Rigodanzo en mr. Alexis Mulas, advocaten bij de balie te Brussel, loco mr. Michel Karolinski, voor de Franse Gemeenschapsregering, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Waalse Regering;
- hebben de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt verslag uitgebracht;
- zijn de voornoemde advocaten gehoord;
- is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
3
II. In rechte
-A-
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
Wat betreft de bevoegdheid van het Hof
A.1. De Franse Gemeenschapsregering, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Waalse Regering (hierna : de Regeringen) doen gelden dat het beroep niet ontvankelijk is, aangezien het rechtstreeks gericht is tegen de bepalingen van het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (hierna : het EVRAS-akkoord), en niet tegen de bepalingen van de decreten die instemming ermee verlenen.
De Regeringen voeren overigens aan dat, aangezien het Hof niet bevoegd is om een samenwerkingsakkoord te vernietigen, het a fortiori niet bevoegd is om een uitvoerend samenwerkingsakkoord te toetsen. Het beroep zou dus niet ontvankelijk zijn in zoverre het gericht is tegen passages van de Gids voor EVRAS, die is gevoegd bij het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie voor de invoering van een instrument ter ondersteuning van de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (EVRAS) (hierna : het uitvoerend EVRAS-akkoord).
Wat betreft het belang
A.2.1. De Regeringen betwisten het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden. De verzoekende partijen zouden immers geen enkel voordeel halen uit de vernietiging van de verschillende decreten houdende instemming met het EVRAS-akkoord, in zoverre de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (« éducation à la vie relationnelle, affective et sexuelle », hierna : EVRAS) wettelijk is vastgelegd in het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs. Bijgevolg zou een vernietiging van de instemmingsdecreten noch tot de vernietiging, noch tot de veralgemening van de EVRAS-lessen en -activiteiten leiden, noch tot de verplichting om ze te organiseren binnen de onderwijsinstellingen, en zou zij de verzoekende partijen dus geen enkel voordeel verschaffen.
De Regeringen doen eveneens gelden dat de verzoekende partijen hun belang bij het beroep niet aantonen in zoverre zij niet concreet aantonen dat zij de personen zijn die het ouderlijk gezag uitoefenen over de kinderen van wie zij de belangen eisen te verdedigen. Zij leveren evenmin het bewijs dat het kind van wie zij de belangen eisen te verdedigen, daadwerkelijk naar school gaat in een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde instelling.
A.2.2. De verzoekende partijen zijn van mening dat zij belang hebben bij het beroep, in hun hoedanigheid van ouders van kinderen die naar school gaan in een door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde instelling. Zij geven aan dat zij niet alleen in eigen naam in rechte treden, maar ook in naam van hun kinderen, van wie zij de wettelijke vertegenwoordigers zijn met toepassing van de artikelen 372, 376 en 388 van het oud Burgerlijk Wetboek.
Zij voeren voorts aan dat een vernietiging van de bestreden bepalingen zou leiden tot de vernietiging van andere wettelijke bepalingen die onlosmakelijk ermee verbonden zijn, ofschoon zij voortkomen uit een wetskrachtige norm die niet het voorwerp is van onderhavig beroep, zoals het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs.
Tot slot doen zij gelden dat een vernietiging van de bestreden normen minstens tot gevolg zou hebben dat hun kinderen niet langer verplicht zouden zijn om deel te nemen aan EVRAS-activiteiten die zijn georganiseerd op basis van de Gids voor EVRAS, die zij in strijd achten met de opvoeding die zij hun kinderen wensen te geven, zodat zij wel degelijk een belang hebben om in rechte te treden.
4
Ten gronde
Wat betreft het eerste middel
A.3.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 3, 6, lid 2, 12, 18 en 19 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind.
A.3.2. De Regeringen doen in hoofdorde gelden dat het eerste middel niet ontvankelijk is in zoverre de formulering ervan het niet mogelijk maakt te begrijpen welke bepalingen precies worden beoogd, noch welke regels de ter ondersteuning van het middel aangevoerde referentienormen zouden schenden.
A.4.1. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de bestreden bepalingen het recht van de kinderen en van hun ouders op eerbiediging van hun privé- en gezinsleven niet in acht nemen. Zij erkennen dat EVRAS op een legitiem doel steunt, maar zijn van mening dat de thema’s waarop de EVRAS-activiteiten zijn toegespitst, alsook de uitwerking ervan in de Gids voor EVRAS, een onevenredige inmenging vormen in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de kinderen, en strijdig zijn met het prerogatief van de ouders om de EVRAS-vorming van hun kinderen te verzekeren. Zij doen overigens gelden dat EVRAS, zoals zij door het EVRAS-akkoord wordt veralgemeend, zich tot taak stelt aan te zetten tot seks of leerlingen aan te sporen om zich vroegtijdig over te leveren aan praktijken die riskant zijn voor hun evenwicht, hetgeen niet in overeenstemming is met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, wat betreft artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
A.4.2. De Regeringen wijzen erop, indien het eerste onderdeel van het eerste middel in die zin moet worden geïnterpreteerd dat de verzoekende partijen oordelen dat EVRAS een onverantwoorde inmenging vormt in hun recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven en dat van hun kinderen, dat geen enkele bepaling van het EVRAS-akkoord de leerlingen verplicht om informatie over hun privé- en gezinsleven te onthullen, zodat er geen sprake kan zijn van inmenging in dat recht.
Indien het Hof zou oordelen dat een inmenging evenwel vaststaat, moet worden vastgesteld dat in die laatste wordt voorzien bij een wet, dat zij noodzakelijk is in een democratische samenleving en evenredig is. De Regeringen merken op dat de wettelijke basis van de inmenging niet wordt betwist. Bovendien heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens reeds erkend dat de seksuele opvoeding van kinderen niet alleen een legitiem doel vormt (hetgeen door de verzoekende partijen wordt erkend), maar ook noodzakelijk en evenredig is in een democratische samenleving.
Voorts brengen de Regeringen in herinnering dat de kritiek op de Gids voor EVRAS niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. Die Gids is overigens slechts een instrument dat ter beschikking staat van de EVRAS-animatoren, en vormt in geen geval een studieprogramma waarvan alle leerinhouden moeten worden aangeboden aan de kinderen en jongeren, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen beweren.
A.5.1. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3, 6, lid 2, 12, 18 en 19 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Zij herinneren eraan dat het hoger belang van het kind de eerste overweging moet vormen bij elke beslissing betreffende kinderen. De wetgevers hebben evenwel, door te voorzien in een veralgemening van EVRAS volgens de nadere regels van het EVRAS-akkoord, een benadering gevolgd die is toegespitst op volwassenen en hun behoeften, en niet op het kind zelf. Zij hebben overigens geen enkele maatregel genomen die de deskundigheid van de EVRAS-animatoren moet waarborgen, en hebben evenmin verklaard het belang van het kind in aanmerking te nemen. Daaruit kan worden afgeleid dat de wetgevers het hoger belang van het kind niet in aanmerking hebben genomen en dat zij hebben voorzien in een onevenredige inmenging in hun recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven.
A.5.2. De Regeringen zijn van mening dat artikel 22bis van de Grondwet de wetgever niet de verplichting oplegt om in alle wetgevingen die hij aanneemt, aan te tonen dat rekening is gehouden met het hoger belang van het kind. Bovendien brengt het loutere feit dat de wetgever het hoger belang van het kind niet heeft vermeld in zijn memorie van toelichting of in de tekst van het EVRAS-akkoord, op zich geen schending van artikel 22bis van de Grondwet met zich mee : het staat aan de verzoekende partijen die schending aan te tonen, hetgeen zij niet doen.
5
Ten overvloede merken de Regeringen op dat zowel het EVRAS-akkoord als de Gids voor EVRAS
uitdrukkelijk verwijzen naar het Verdrag inzake de rechten van het kind, en dat het EVRAS-akkoord net ertoe strekt het belang van het kind veilig te stellen, met name door de sociale ongelijkheden op het vlak van gezondheid te verminderen of door bij te dragen tot de ontwikkeling van een kritische geest van de jongeren. De Gids voor EVRAS is overigens het resultaat van langdurig overleg met meerdere tientallen actoren van de jeugdsector en met deskundigen op het gebied van pedagogie en gezondheid. Met betrekking tot de Gids werden bovendien gunstige adviezen uitgebracht door de Gemeenschapsraad voor preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming en door de algemeen afgevaardigde voor de rechten van het kind.
De Regeringen doen gelden dat diverse bepalingen van het EVRAS-akkoord, van het thematische document waarbij EVRAS is opgenomen in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern, en van de Gids voor EVRAS erin voorzien dat de EVRAS-activiteiten en de informatie die er wordt meegedeeld, rekening moeten houden met de maturiteit van de kinderen en jongeren, zodat het onjuist is te beweren dat de EVRAS-activiteiten « gericht zijn op volwassenen ». Zij wijzen in dat verband erop dat een groot aantal argumenten van de verzoekende partijen steunen op een levensbeschouwelijke visie op het kind-zijn, en niet op een juridische opvatting ervan.
Wat betreft het tweede middel
A.6. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10, 11, 19 en 24 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 2 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. In hun memorie van antwoord voeren zij eveneens de schending aan van artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij zijn van mening dat de veralgemening van EVRAS, zoals zij blijkt uit het EVRAS-akkoord, het beginsel van neutraliteit van het onderwijs schendt doordat zij geen rekening houdt met de godsdienstige overtuiging van de ouders, zonder dat is voorzien in een alternatief voor de gezinnen die hun waarden en geloof wensen te vrijwaren. Zij voeren ook aan dat de wetgevers, door een gestandaardiseerd educatief kader voor de EVRAS-activiteiten op te leggen, kinderen en ouders die zich in verschillende situaties bevinden, meer bepaald uit een cultureel, godsdienstig of gezinsoogpunt, op dezelfde manier behandelen, zonder redelijke verantwoording.
A.7. De Regeringen merken op dat het tweede middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien het gaat om een nieuw middel in zoverre de schending van die bepaling wordt aangevoerd in de memorie van antwoord, en niet in het verzoekschrift.
Voor het overige doen de Regeringen gelden dat het middel steunt op tal van aanhalingen uit de Gids voor EVRAS die bij het uitvoerend EVRAS-akkoord is gevoegd. Het Hof is evenwel niet bevoegd om een uitvoerend samenwerkingsakkoord te vernietigen. Voorts merken zij op dat de EVRAS-inhouden afkomstig zijn uit de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern, zoals die werden goedgekeurd door de wetgever; bijgevolg kan het EVRAS-akkoord op dat punt niet worden bestreden met betrekking tot een inhoud die het niet zelf invoert.
Ten gronde brengen de Regeringen in herinnering dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens reeds heeft geoordeeld dat het opnemen van lessen seksuele opvoeding in een schoolprogramma, zonder mogelijkheid tot vrijstelling, geen schending uitmaakt van de filosofische en godsdienstige overtuigingen van de ouders, indien dat programma kennis verspreidt op een objectieve, kritische en pluralistische manier. Te dezen berusten het EVRAS-akkoord en de Gids voor EVRAS op langdurige werkzaamheden waarbij tal van deskundigen op het gebied van kinderen werden betrokken. Bijgevolg vormt EVRAS objectief, kritisch en pluralistisch onderwijs en kan het niet als indoctrinatie worden aangemerkt, a fortiori ten aanzien van de doelstellingen van de veralgemening van EVRAS, die erin bestaan de leerlingen op een kritische manier te informeren teneinde hun vrije keuze te bevorderen. De wetgevers waren bijgevolg niet verplicht om in een vrijstellingsregeling te voorzien.
6
–B–
Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan
B.1.1. Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op de veralgemening van activiteiten op het gebied van relationele, affectieve en seksuele opvoeding (« éducation à la vie relationnelle, affective et sexuelle », hierna : EVRAS), zoals zij wordt bepaald door het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (hierna : het EVRAS-akkoord).
B.1.2. Meer bepaald moet het beroep worden geïnterpreteerd als zijnde gericht tegen het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding » (hierna : het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschap), het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 20 september 2023
« houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding » en het decreet van het Waalse Gewest van 28 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, [affectieve] en seksuele opvoeding ».
B.2.1. Sinds het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 juli 2012 « tot wijziging van verschillende bepalingen inzake leerplichtonderwijs » (hierna : het decreet van 12 juli 2012), maakt EVRAS deel uit van de prioritaire opdrachten van het leerplichtonderwijs. Daartoe bepaalt het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs (hierna : het Wetboek onderwijs), in artikel 1.4.1-2, tweede lid :
« [...] de Franse Gemeenschap, de inrichtende machten en de onderwijsteams [waken]
erover dat de school :
[...]
7
12° opvoedt met aandacht voor het respecteren van ieders persoonlijkheid en overtuiging, voor de plicht zowel fysiek als geestelijk geweld uit te sluiten, voor het relationele, affectieve en seksuele leven alsook democratische gebruiken vastlegt voor verantwoordelijk burgerschap op school;
[...] ».
B.2.2. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 12 juli 2012 blijkt dat de opname van EVRAS in de algemene doelstellingen van het onderwijs ertoe strekte :
« - enerzijds, duidelijk kenbaar te maken dat EVRAS deel uitmaakt van de opdrachten van de school, dat elke onderwijsinstelling bijgevolg verplicht is om op dat gebied initiatieven te nemen, waarbij zij evenwel haar handelingsautonomie behoudt;
- anderzijds, erop toe te zien dat EVRAS op de lange termijn wordt uitgerold, over de hele schoolloopbaan, door kinderen en jongeren de mogelijkheid te bieden om, parallel met hun psychoaffectieve ontwikkeling, persoonlijke vaardigheden te leren zodat zij verantwoorde keuzes kunnen maken, met zelfrespect en respect voor de ander en voor de gelijkheid van vrouwen en mannen;
- en ten slotte EVRAS te situeren binnen een globale benadering van de menselijke persoon, waarin niet alleen de wetenschappelijke en technische benaderingen zijn opgenomen, maar ook de relationele, affectieve, psychologische, sociale en culturele dimensie » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2011-2012, nr. 380/1, p. 7).
B.2.3. Om EVRAS ten uitvoer te leggen als algemene doelstelling van het basis- en secundair onderwijs, hebben de Franse Gemeenschapsregering, de Waalse Regering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie op 20 juni 2013 een protocolakkoord aangenomen « betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (EVRAS) op school » (hierna : het protocolakkoord van 20 juni 2013). Dat protocolakkoord voorzag in een geleidelijke veralgemening van EVRAS in de onderwijsinstellingen (artikel 1, § 1, tweede lid), door de « onderwijsactoren » te verplichten om « initiatieven te nemen op dat gebied », met name door « een project en acties met betrekking tot EVRAS uit te werken » (artikel 3).
B.2.4. Ondanks de opname van EVRAS in de opdrachten van het onderwijs en de veralgemening van EVRAS waarin het protocolakkoord van 20 juni 2013 voorziet, is vastgesteld dat « bepaalde aanzienlijke punten van zorg evenwel onbeantwoord blijven, zoals bijvoorbeeld een geharmoniseerde en samenhangende inhoud van de EVRAS-activiteiten, het structureel aanbieden van de EVRAS-opleiding aan alle leerlingen, een monitoring van de
8
begeleidingsacties, het opleiden van de begeleiders zodat zij daadwerkelijk over een expertise beschikken over de onderwerpen en leerinhouden die zij willen overbrengen, enz. » (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1427/1, p. 3; Parlement van de Franse Gemeenschap, 2022-
2023, nr. 572/1, p. 4; Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie, 2022-2023, nr. 125/1, p. 3).
B.3.1. Om een daadwerkelijke veralgemening en een harmonisatie van de EVRAS-activiteiten te waarborgen, hebben de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie op 7 juli 2023 het EVRAS-akkoord aangenomen. Met dat samenwerkingsakkoord is ingestemd bij de drie instemmingsdecreten vermeld in B.1.2.
B.3.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de instemmingsdecreten blijkt dat het EVRAS-akkoord vier doelstellingen nastreeft : (1) gemeenschappelijke doelstellingen vastleggen alsook een gemeenschappelijk referentiekader voor de inhoud van de EVRAS-activiteiten, los van de context waarin zij worden georganiseerd; (2) een gemeenschappelijk EVRAS-label bepalen voor het onderwijs en de sector van de jeugdwerking en hulpverlening aan de jeugd; (3) precieze voorwaarden vaststellen voor de veralgemening van EVRAS op school en daarbuiten; (4) een governance invoeren om jaarlijks de doelstellingen te kunnen toetsen en de evolutie van de bepalingen van het akkoord te kunnen volgen (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1427/1, p. 4; Parlement van de Franse Gemeenschap, 2022-2023, nr. 572/1, p. 6; Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie, 2022-2023, nr. 125/1, p. 4).
B.3.3. Artikel 3, § 2, van het EVRAS-akkoord bepaalt de doelstellingen van de uitwerking en de tenuitvoerlegging van EVRAS-activiteiten, meer bepaald :
« 1° het relationele, affectieve en seksuele leven bevorderen volgens een positieve en respectvolle benadering, rekening houdend met de verschillende psychologische, biologische, medische en sociale aspecten;
2° een kwalitatieve en objectieve voorlichting over het lichaam en de lichamelijke ontwikkeling, de aspecten van seksualiteit, seksuele en reproductieve rechten, alsook diversiteit inzake levenswijze en levensstijl;
3° keuzevrijheid, respect, verantwoordelijkheid ten aanzien van anderen en zichzelf, toestemming en gelijkheid in liefdesrelaties en seksuele praktijken bevorderen;
9
4° bewustmaking van het belang van het relationele, affectieve en seksuele leven rondom zich en voor zichzelf, van de keuzemogelijkheden en van eenieders verantwoordelijkheden;
5° kinderen en jongeren helpen om persoonlijke vaardigheden te ontwikkelen waarmee zij verantwoorde keuzes kunnen maken;
6° kinderen en jongeren helpen om zich bewust te worden van hun relationele, affectieve en seksuele beleving en om hun emoties te begrijpen, zelfrespect te ontwikkelen en zich bewust te worden van hun behoeften, wensen en waarden;
7° relationele houdingen bevorderen die gebaseerd zijn op luistervaardigheid, respect, dialoog en aanvaarding van verschillen, preventief gedrag aanmoedigen;
8° de bestrijding van discriminatie en de bevordering van gendergelijkheid alsook genderstereotypen uitbannen;
9° een positieve houding bevorderen tegenover elkeen, ongeacht seksuele geaardheid, genderexpressie en –identiteit en seksekenmerken;
10° jongeren helpen om hun overtuigingen en hun vooroordelen in vraag te stellen, ze ontvankelijk maken voor andere denkwijzen en voor het respect voor anderen;
11° geweld in al zijn vormen voorkomen, in elke soort relatie, ook in een affectieve en seksuele relatie;
12° kinderen en jongeren sensibiliseren, naargelang van hun psychoaffectieve maturiteit en hun leeftijd en de kennis, knowhow en vaardigheden die verband houden met EVRAS en die zijn opgenomen in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern, voor kwesties van seksuele en reproductieve gezondheid, preventief gedrag, anticonceptiva voor vrouwen en mannen en medische toestemming;
13° kinderen en jongeren informeren over hun rechten, met name inzake seksuele en reproductieve gezondheid, en over de instanties waarbij zij terechtkunnen, de informatiebronnen en de op dat gebied gelabelde of erkende operatoren;
14° kinderen en jongeren sensibiliseren en hun kritische zin ontwikkelen met betrekking tot berichten en beelden in de media, reclame, reality-tv, films en muziek, alsook het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën en van digitale kanalen ».
B.4.1. Luidens artikel 2, 1°, van het EVRAS-akkoord wordt EVRAS omschreven als :
« een vormingsproces dat meer bepaald een reflectie inhoudt met het oog op de ontwikkeling van de vaardigheden van jongeren om weloverwogen keuzes te maken die de ontplooiing van hun relationele, affectieve en seksuele leven alsook zelfrespect en het respect voor anderen bevorderen. Het gaat erom elke jongere te begeleiden op weg naar volwassenheid volgens een alomvattende benadering waarbij seksualiteit in ruime zin wordt begrepen en met name de relationele, affectieve, sociale, culturele, filosofische en ethische dimensie omvat.
EVRAS steunt op waarden van respect, gelijkheid, openstaan voor verschillen en openheid naar
10
anderen toe. Die waarden beogen betrouwbare, objectieve informatie aan te brengen en bij te dragen tot het uitbannen van stereotypen en tot de ontwikkeling van een kritische houding. Zij hebben tot doel jongeren te helpen om hun identiteit te ontplooien, de bescherming van hun rechten te waarborgen, rekening te houden met de impact van hun keuzes op hun welzijn en dat van anderen, en weloverwogen beslissingen te nemen hun leven lang ».
B.4.2. EVRAS-activiteiten zijn « activiteiten, opleidingen of activiteiten die worden verzorgd door gelabelde of erkende operatoren, overeenkomstig titel 3 van dit akkoord. Het is de bedoeling dat die EVRAS-begeleidingsacties participatief zijn en gericht op de behoeften van de leerders door hun verworven kennis en ervaring alsook hun relationele, psychoaffectieve en seksuele ontwikkeling in aanmerking te nemen » (artikel 2, 2°, van het EVRAS-akkoord).
Artikel 5 van het EVRAS-akkoord bepaalt dat een EVRAS-activiteit plaatsvindt « in een context van wederzijds respect, die gunstig is voor een goed verloop van die activiteit. Die gunstige context laat kinderen en jongeren toe zich vrij uit te drukken alsook de in artikel 4
bedoelde thema’s en inhoud op te nemen en zich eigen te maken. De vertrouwelijkheid van de gesprekken en gedachtewisselingen is één van de basisprincipes van de activiteiten die aan de kinderen en jongeren worden aangeboden ».
B.5.1. Krachtens artikel 23, § 2, eerste lid, van het EVRAS-akkoord gebeurt de veralgemening van EVRAS op school via de opname ervan in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern bedoeld in boek I, titel IV, hoofdstuk II, van het Wetboek onderwijs, in de vorm van een « thematisch EVRAS-document » dat als bijlage is gevoegd bij het EVRAS-akkoord (hierna : het thematisch document). De leerinhouden die bijdragen tot EVRAS zijn toegespitst op acht thema’s : (1) gevoelens en emoties, (2) interpersoonlijke relaties, (3) het lichaam en menselijke ontwikkeling, (4) waarden, culturen, maatschappij, rechten en seksualiteit, (5) genderidentiteit, genderexpressie en seksuele geaardheid, (6) seksualiteit en seksueel gedrag, (7) geweld en (8) seksuele en reproductieve gezondheid (artikel 4 van het EVRAS-akkoord). Die leerinhouden worden in het bijzonder opgenomen in bepaalde disciplines, zoals psychomotoriek, gezondheids- en lichamelijke opvoeding, vorming in filosofie en burgerschap, wetenschappelijke vorming en wetenschappen, historische, geografische, economische en sociale vorming, en manuele, technische, technologische en digitale vorming.
11
B.5.2. Ter aanvulling van die opname in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern wordt de veralgemening van EVRAS nagestreefd door het organiseren van verplichte EVRAS-activiteiten. Krachtens artikel 23, § 3, eerste lid, van het EVRAS-akkoord zijn leerlingen van het gewoon onderwijs verplicht om EVRAS-activiteiten bij te wonen ten belope van vier lestijden gedurende hun hele schoolloopbaan in het basis- en secundair onderwijs :
twee lestijden in het zesde jaar lager onderwijs en twee lestijden in het vierde jaar secundair onderwijs. De leerlingen van het gespecialiseerd onderwijs zijn ook verplicht om EVRAS-activiteiten bij te wonen ten belope van vier lestijden in totaal op hun hele schoolloopbaan.
Artikel 23, § 3, derde lid, van het EVRAS-akkoord verduidelijkt dat « het in het eerste lid bedoelde aantal activiteiten een minimum is. De inrichtende machten en de onderwijsteams kunnen eveneens een beroep doen op alle gelabelde operatoren om bijkomende activiteiten te organiseren, binnen de perken van de door hun toezichthoudende overheid toegekende kredieten ».
B.5.3. Om die EVRAS-activiteiten te organiseren, doen de inrichtende machten en de onderwijsteams, met inachtneming van hun pedagogische vrijheid, een beroep op de centra voor gezinsplanning erkend door het Waalse Gewest of door de Franse Gemeenschapscommissie en, aanvullend, op operatoren die het EVRAS-label hebben verkregen of op de diensten voor gezondheidsbevordering op school (« promotion de la santé à l’école », hierna : de PSE-diensten) en de psycho-medisch-sociale centra (hierna : de PMS-
centra) die worden georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap (artikel 23, § 3, tweede lid, van het EVRAS-akkoord).
B.6.1. Bij artikel 7, § 1, van het EVRAS-akkoord wordt een « EVRAS-label » gecreëerd, dat gemeenschappelijk is voor de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie. Dat label is van toepassing inzake onderwijs, jeugdwerking en hulpverlening aan de jeugd. Het verkrijgen van dat label is, voor de operatoren die EVRAS-activiteiten wensen te organiseren, een voorafgaande voorwaarde voor eender welke EVRAS–activiteit (artikel 7, § 2, van het EVRAS-akkoord).
12
B.6.2. Door operatoren te verplichten om het EVRAS-label te behalen voordat zij EVRAS-activiteiten mogen organiseren, beogen de wetgevers die partij zijn bij het EVRAS-akkoord :
« 1° de kwaliteit van de dienstverleners te waarborgen dankzij een labeling van overheidswege;
2° zich ervan te vergewissen dat de EVRAS-animatoren en -animatrices een gepaste opleiding hebben genoten;
3° zich ervan te vergewissen dat de operatoren activiteiten organiseren die beantwoorden aan de doelstellingen, de inhoud en de thema’s van EVRAS, zoals bepaald in titel 2;
4° aan de begunstigden het bewijs te leveren van de kwaliteit van de prestaties van de externe dienstverleners » (artikel 8 van het EVRAS-akkoord).
B.6.3. Het EVRAS-label wordt toegekend door de Franse Gemeenschapsregering (artikel 7, § 3, van het EVRAS-akkoord), voor een hernieuwbare termijn van drie jaar (artikel 14 van het EVRAS-akkoord). Kandidaat-operatoren kunnen het EVRAS-label aanvragen indien zij voldoen aan de voorwaarden vastgesteld bij artikel 9, § 1, van het EVRAS-akkoord, namelijk dat zij :
« - het statuut van vereniging zonder winstoogmerk hebben;
- animatie- of vormingsactiviteiten op het gebied van EVRAS aanbieden of wensen aan te bieden voor kinderen en jongeren, die gewijd zijn aan educatie, preventie, oriëntatie, voorlichting, luistervaardigheid en advies op het gebied van seksuele, relationele en affectieve gezondheid;
- minstens één animator hebben die aantoonbare ervaring heeft met het opzetten van EVRAS-activiteiten op school of daarbuiten;
- activiteiten van algemeen belang nastreven;
- geen commercieel of publicitair doel nastreven;
- het streven naar een vrije en weloverwogen keuze, de strijd tegen uitsluiting, het verwerpen van dogmatisme en van discriminatie, gender- en seksegelijkheid, de vrijwaring van de democratie en van het burgerschap bevorderen;
- een beveiligde verwerking waarborgen van de gegevens die kunnen worden verzameld in het kader van hun activiteiten en zich ertoe verbinden geen commercieel gebruik te maken van die gegevens;
13
- een uittreksel uit het blanco strafblad ‘ type 2 ’ van de animatoren en animatrices overleggen;
- hun animatoren en animatrices aansporen om zich welwillend op te stellen tijdens hun gesprekken met kinderen en jongeren, een houding aan te nemen die hun vrijheden respecteert, die de vertrouwelijkheid van de gedachtewisselingen garandeert en waarborgt dat zij geen daad van proselitisme stellen, en die geen persoonlijke mening opdringt ».
B.6.4. In afwijking hierop beschikken sommige operatoren automatisch over een EVRAS-label. Volgens artikel 9, § 2, van het EVRAS-akkoord gaat het om (1) de centra voor gezinsplanning die zijn erkend door het Waalse Gewest of door de Franse Gemeenschapscommissie en (2) de PSE-diensten en PMS-centra die worden georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
B.7. De animatoren die EVRAS-activiteiten organiseren voor gelabelde operatoren, moeten, krachtens artikel 9, § 3, van het EVRAS-akkoord, de adequate opleiding bedoeld in artikel 16, § 1, van hetzelfde akkoord volgen. Bij wijze van overgangsmaatregel bepaalt artikel 42 van het EVRAS-akkoord dat de operatoren die automatisch over het EVRAS-label beschikken, « EVRAS-animaties mogen organiseren en een periode van twee jaar krijgen toegewezen om de opleiding bedoeld [in artikel 16, § 1, van het EVRAS-akkoord] te volgen ».
Na afloop van die periode van twee jaar zijn alle animatoren onderworpen aan die opleidingsplicht, los van het type operator van wie zij afhangen. Wanneer de EVRAS-operatoren niet zorgen voor een adequate opleiding van hun animatoren, kan hun het EVRAS-label worden geweigerd of kan hun label worden ingetrokken.
B.8.1. Om de animatoren inzake EVRAS een referentie-instrument te bieden, verplicht artikel 40, § 1, de Regeringen die partij zijn bij het EVRAS-akkoord om, via een uitvoerend samenwerkingsakkoord, een Gids voor EVRAS aan te nemen. Luidens artikel 2, 9°, van het EVRAS-akkoord is die Gids een « ondersteunend referentie-instrument voor de veralgemening van EVRAS, met gemeenschappelijke referentiepunten voor alle actoren om de autonomie van kinderen en jongeren te bevorderen en het maken van weloverwogen keuzes in hun relationele, affectieve en seksuele leven te ondersteunen. Die Gids is bestemd voor de actoren die betrokken zijn bij de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (centra voor gezinsplanning, jeugdorganisaties, diensten voor hulpverlening in open milieu (« aide en milieu ouvert »
(AMO), thematische verenigingen, PMS-centra, PSE-diensten, enz.), die kinderen en jongeren begeleiden op het gebied van EVRAS, en voor de EVRAS-documentatiecentra en -steunpunten.
14
Die Gids kan ook interessant zijn voor de onderwijsteams, in het kader van de samenwerkingsverbanden die zij aangaan om EVRAS in hun instelling te ontplooien ». In de Gids voor EVRAS zijn de thema’s en leerinhouden opgenomen zoals bedoeld in artikel 4 van het EVRAS-akkoord, die in B.5.1 worden geciteerd.
B.8.2. Uit artikel 11, § 1, 2°, en artikel 13, § 1, eerste lid, § 2 en § 3, van het EVRAS-akkoord blijkt dat EVRAS-activiteiten in overeenstemming moeten zijn met de EVRAS-thema’s en -leerinhouden die bij dat akkoord zijn vastgelegd en die zijn opgenomen in de Gids voor EVRAS. Het EVRAS-label kan worden geweigerd aan of ingetrokken ten aanzien van operatoren die EVRAS-activiteiten aanbieden die niet in overeenstemming zijn met de thema’s en leerinhouden van het EVRAS-akkoord en van de Gids voor EVRAS.
B.8.3. De Gids voor EVRAS werd als bijlage gevoegd bij het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie voor de invoering van een instrument ter ondersteuning van de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (EVRAS) (hierna :
het uitvoerend EVRAS-akkoord).
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
Wat betreft de bevoegdheid van het Hof
B.9.1. De Franse Gemeenschapsregering, het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de Waalse Gewestregering (hierna : de Regeringen) doen gelden dat het beroep onontvankelijk is, aangezien het rechtstreeks is gericht tegen de bepalingen van het EVRAS-akkoord, en niet tegen de bepalingen van de decreten die daaraan instemming verlenen.
B.9.2. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989) is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de
15
onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet.
B.9.3. Die bevoegdheid van het Hof betreft eveneens de wetskrachtige normen houdende instemming met een samenwerkingsakkoord. De rationele uitoefening van zijn bevoegdheid veronderstelt dat het Hof ook de inhoud van het samenwerkingsakkoord bij zijn onderzoek betrekt.
B.9.4. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over beroepen tot vernietiging die gericht zijn tegen een uitvoerend samenwerkingsakkoord, dat geen wetgevende instemming vereist.
B.9.5. Krachtens artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient een verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen te bevatten.
Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Die vereisten zijn ingegeven, enerzijds, door de noodzaak voor het Hof vanaf het indienen van het verzoekschrift in staat te zijn de juiste draagwijdte van het beroep tot vernietiging te bepalen, en, anderzijds, door de zorg om aan de andere partijen in het geding de mogelijkheid te bieden op de argumenten van de verzoekende partijen te antwoorden, waartoe een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting van de middelen onontbeerlijk is.
De regels inzake de ontvankelijkheid van een verzoekschrift zijn gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico's van rechtsonzekerheid. Het Hof dient evenwel erover te waken dat het die regels niet op een overdreven formalistische wijze toepast.
B.9.6. Het verzoekschrift tot vernietiging is formeel gericht tegen de artikelen 3, § 1 en § 2, 1°, 2°, 3°, 5°, 9° en 10°, 4, eerste lid, 1°, 2° en 4° tot 6°, 7, §§ 1 en 2, 8, 9, § 1, 11, 12, 16, 17, 23, 35, § 1, derde lid, en 42 van het EVRAS-akkoord, alsmede tegen de bijlagen erbij.
16
Het verzoekschrift vermeldt echter decreten houdende instemming met het EVRAS-akkoord, zodat het beroep in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het gericht is tegen de instemmingsdecreten, in zoverre die instemming verlenen aan de voormelde bepalingen van het EVRAS-akkoord. De Regeringen konden zich niet vergissen in verband met het onderwerp van het beroep.
B.9.7. De exceptie wordt verworpen.
Wat betreft het belang
B.10. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang.
Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.
B.11.1. De Regeringen doen gelden dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het beroep, aangezien de vernietiging van de bestreden decreten hun geen voordeel zou opleveren in zoverre de veralgemening van EVRAS wordt doorgevoerd bij artikel 1.4.1-2, tweede lid, 12°, van het Wetboek onderwijs, en niet bij het EVRAS-akkoord zelf, en in zoverre de EVRAS-leerinhouden opgenomen zijn in de referentiesystemen, die het voorwerp uitmaken van een wettelijke bekrachtiging.
B.11.2. Het EVRAS-akkoord bepaalt de nadere regels voor de veralgemening van EVRAS, met name door op te leggen dat EVRAS-activiteiten moeten worden georganiseerd, zonder systeem van vrijstelling, ten belope van vier lestijden over de gehele schoolloopbaan van elke leerling die naar school gaat in een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling, door de voorwaarden te bepalen voor het verkrijgen van het EVRAS-label dat bij het akkoord is gecreëerd en, bijgevolg, door de operatoren aan te wijzen die ertoe gemachtigd zijn om die EVRAS-activiteiten te organiseren. Het legt die operatoren eveneens de verplichting op om zich te conformeren aan de thema’s en leerinhouden van het EVRAS-akkoord die zijn opgenomen in de Gids voor EVRAS.
17
Een vernietiging van de bestreden decreten zou tot gevolg hebben dat EVRAS niet wordt veralgemeend volgens de nadere regels van het EVRAS-akkoord, hetgeen volstaat om het belang van de verzoekende partijen aan te tonen.
Ten gronde
Wat betreft de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, en het beginsel van de neutraliteit van het onderwijs (tweede middel)
B.12. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10, 11, 19 en 24 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 2 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Zij zijn van mening dat de veralgemening van EVRAS, zoals die blijkt uit het EVRAS-akkoord, het beginsel van de neutraliteit van het onderwijs schendt, doordat geen rekening wordt gehouden met de godsdienstige overtuigingen van de ouders, zonder dat wordt voorzien in een alternatief voor de gezinnen die hun waarden en geloofsovertuigingen wensen te vrijwaren. Zij voeren tevens aan dat de wetgevers, doordat zij een gestandaardiseerd educatief kader aanbieden voor de EVRAS-activiteiten, zonder enige verantwoording kinderen en ouders die zich in verschillende situaties bevinden op dezelfde manier behandelen, met name vanuit een cultureel, godsdienstig of familiaal oogpunt.
B.13.1. Artikel 24, § 1, derde lid, van de Grondwet verplicht de gemeenschappen om neutraal onderwijs in te richten. Neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.
B.13.2. In de verklarende nota van de Regering bij de grondwetsherziening van 15 juli 1988 werd het begrip « neutraliteit » toegelicht als volgt :
« De notie ‘ neutraliteit ’ wordt ten dele omschreven in de tekst zelf. ‘ Onder meer ’ verwijst naar een verdere omschrijving in volgende zin.
Het neutraal onderwijs beperkt zich niet tot onderricht maar beoogt eveneens de opvoeding van de gehele persoonlijkheid van de leerling.
18
Een neutrale school eerbiedigt alle filosofische, ideologische en godsdienstige opvattingen van de ouders die er hun kinderen aan toevertrouwen.
Zij gaat uit van een positieve erkenning en waardering van de verscheidenheid van meningen en houdingen en legt de nadruk op de gemeenschappelijke waarden.
Dergelijk onderwijs wil de jongeren helpen en voorbereiden om in deze maatschappij binnen te treden met een persoonlijk oordeel en engagement. Slechts in deze geest zullen controversiële problemen behandeld worden.
De uitwerking van dergelijke neutraliteit hangt nauw samen met het opvoedingsproject en de pedagogische methodes. Ze zal dan ook op uiteenlopende wijze kunnen evolueren in de Gemeenschappen » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100-1/1°, pp. 2-3).
Tijdens de behandeling in de Commissie voor de Herziening van de Grondwet en de Hervorming der Instellingen van de Senaat heeft de staatssecretaris voor Onderwijs (N)
verklaard :
« [Er] mag [niet] uit het oog worden verloren dat de maatschappelijke omstandigheden veranderen en dat het dus niet aangewezen is bepaalde begrippen te clicheren » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100-1/2°, p. 64).
B.13.3. Daaruit blijkt dat de Grondwetgever het in artikel 24, § 1, derde lid, van de Grondwet vervatte begrip « neutraliteit » niet heeft willen concipiëren als een statisch begrip.
B.13.4. Niettemin heeft het begrip een minimuminhoud, waarvan niet, zonder schending van de Grondwet, kan worden afgeweken. De plicht van de gemeenschappen om neutraal onderwijs in te richten, vormt immers een waarborg voor de keuzevrijheid van de ouders.
B.13.5. Die inhoud kan niet los worden gezien van de enige – maar essentiële –
verduidelijking die de grondwettekst zelf bevat met betrekking tot het begrip « neutraliteit », meer bepaald de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.
De neutraliteit die de overheid op filosofisch, ideologisch en godsdienstig vlak moet betrachten bij de inrichting van het gemeenschapsonderwijs, verbiedt haar meer bepaald filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen te benadelen, te bevoordelen of op te leggen. De neutraliteit veronderstelt bijgevolg, zoals in de verklarende nota van de Regering bij
19
de grondwetsherziening van 1988 staat te lezen, « een positieve erkenning en waardering van de verscheidenheid van meningen en houdingen » – in zoverre althans het geen meningen betreft die een bedreiging vormen voor de democratie en voor de fundamentele rechten en vrijheden – en een « nadruk op de gemeenschappelijke waarden ».
Het in artikel 24, § 1, derde lid, van de Grondwet vervatte begrip « neutraliteit » vormt aldus een nadere verwoording, in onderwijsaangelegenheden, van het grondwettelijke beginsel van de neutraliteit van de overheid, dat nauw samenhangt met het discriminatieverbod in het algemeen en het beginsel van de benuttigingsgelijkheid van de openbare dienst in het bijzonder.
B.13.6. Het neutraliteitsbeginsel brengt voor de bevoegde overheid evenwel niet alleen een onthoudingsplicht met zich mee – in de zin van een verbod om filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen te benadelen, te bevoordelen of op te leggen –, maar ook, in bepaalde omstandigheden, een positieve verplichting, voortvloeiende uit de grondwettelijk gewaarborgde keuzevrijheid van de ouders, om het gemeenschapsonderwijs op dusdanige wijze te organiseren dat de « positieve erkenning en waardering van de verscheidenheid van meningen en houdingen » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100-1/1°, p. 3) er niet in het gedrang komt.
B.14. Krachtens artikel 24, § 3, van de Grondwet heeft ieder recht op onderwijs met inachtneming van de fundamentele rechten en vrijheden. Tot die fundamentele rechten behoren de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, gewaarborgd bij artikel 19 van de Grondwet, bij artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, alsook het recht van de ouders, met name gewaarborgd bij artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol, dat het door de overheid aan hun kinderen verstrekte onderwijs wordt verzekerd met naleving van hun godsdienstige en filosofische overtuigingen.
B.15.1. Artikel 19 van de Grondwet bepaalt :
« De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd ».
Artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :
20
« 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften.
2. De vrijheid zijn godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».
Artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt :
« 1. Een ieder heeft het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid een zelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen door de eredienst, het onderhouden van de geboden en voorschriften, door praktische toepassing en het onderwijzen ervan.
2. Op niemand mag dwang worden uitgeoefend die een belemmering zou betekenen van zijn vrijheid een door hemzelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden.
3. De vrijheid van een ieder zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.
4. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden, de godsdienstige en morele opvoeding van hun kinderen of pupillen overeenkomstig hun eigen overtuiging te verzekeren ».
B.15.2. In zoverre zij het recht erkennen om hetzij alleen, hetzij met anderen, zijn godsdienst tot uiting te brengen, hebben artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 19 van de Grondwet. De bij die bepalingen geboden waarborgen vormen dan ook, in die mate, een onlosmakelijk geheel.
B.15.3. Wanneer het gaat om de verplichting van Staten om, in het kader van de uitoefening van de functies die zij inzake onderwijs op zich nemen, het recht te eerbiedigen van de ouders om zich voor hun kinderen te verzekeren van de opvoeding en van het onderwijs
21
welke overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen ‒ zoals te dezen het geval is ‒, vormt artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol de lex specialis ten opzichte van artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Desalniettemin dient artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol, en in het bijzonder de tweede zin ervan, te worden gelezen in het licht van de artikelen 8 van 9 van dat Verdrag (EHRM, grote kamer, 18 maart 2011, Lautsi e.a. t. Italië,
ECLI:CE:ECHR:2011:0318JUD003081406
, §§ 59-60), van artikel 19 van de Grondwet en van artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Het Hof onderzoekt de middelen dus hoofdzakelijk uit het oogpunt van de tweede zin van artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol.
B.16.1. Artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt :
« Niemand zal het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies welke de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt zal de Staat het recht eerbiedigen van de ouders om (voor hun kinderen) zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren welke overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen ».
B.16.2. Artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol geldt voor elke aangelegenheid die het voorwerp uitmaakt van openbaar onderwijs (EHRM, grote kamer, 29 juni 2007, Folgerø
e.a. t. Noorwegen,
ECLI:CE:ECHR:2007:0629JUD001547202
, § 84; 9 oktober 2007, Hasan en Eylem Zengin t. Turkije,
ECLI:CE:ECHR:2007:1009JUD000144804
, § 48).
Die bepaling heeft niet tot doel Staten te verbieden om informatie of kennis met een al dan niet rechtstreeks godsdienstig of filosofisch karakter te verspreiden. Zij staat ouders zelfs niet toe zich te verzetten tegen de opname van een dergelijk onderwijs in het schoolprogramma, zo niet zou elk geïnstitutionaliseerd onderwijs mogelijk onwerkzaam blijken. Die bepaling impliceert daarentegen dat Staten erover waken dat de informatie of kennis die in het programma zijn opgenomen, op objectieve, kritische en pluralistische wijze worden verstrekt.
Zij verbiedt hun bijgevolg een doel van indoctrinatie na te streven dat kan worden geacht de godsdienstige en filosofische overtuigingen van de ouders niet in acht te nemen (EHRM, grote kamer, 29 juni 2007, Folgerø e.a. t. Noorwegen, voormeld, § 84; 9 oktober 2007, Hasan en Eylem Zengin t. Turkije, voormeld, §§ 51-52).
22
B.16.3. Lessen seksuele voorlichting vallen binnen het toepassingsgebied van artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol (EHRM, 7 december 1976, Kjeldsen, Busk Madsen en Pedersen t. Denemarken,
ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000509571
, § 54).
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat lessen seksuele voorlichting, zij het voor kinderen van 4 tot 8 jaar, en zonder mogelijkheid van vrijstelling, berusten op legitieme doelstellingen, namelijk de strijd tegen seksueel geweld en seksuele uitbuiting of de voorbereiding van kinderen op de sociale werkelijkheid (EHRM, beslissing, 19 december 2017, A.R. en L.R. t. Zwitserland,
ECLI:CE:ECHR:2017:1219DEC002
é815, § 35). Het heeft ook ingestemd met verplichte lessen seksuele voorlichting zonder mogelijkheid van vrijstelling, op basis van het legitieme doel dat erin bestaat « leerlingen kennis aan te reiken over de biologische, ethische, sociale en culturele aspecten van seksualiteit, naargelang van hun leeftijd en hun maturiteit, om hen in staat te stellen hun eigen morele opvattingen en een onafhankelijke benadering van hun eigen seksualiteit te ontwikkelen » (EHRM, beslissing, 13 september 2011, Dojan e.a. t. Duitsland,
ECLI:CE:ECHR:2011:0913DEC000031908
, § 2).
Dergelijke lessen seksuele voorlichting kunnen worden beschouwd als noodzakelijk in een democratische samenleving daar zij geen « doel van indoctrinatie nastreven dat kan worden beschouwd als zijnde niet in overeenstemming met de godsdienstige en filosofische overtuiging van de ouders » (EHRM, beslissing, 19 december 2017, A.R. en L.R. t. Zwitserland, voormeld, § 39). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat verplichte lessen seksuele voorlichting die « minder tot doel hebben leerlingen kennis bij te brengen die zij niet bezitten of niet met andere middelen kunnen opdoen, dan wel hun die kennis op een juistere, nauwkeurigere, objectievere en meer wetenschappelijke manier bij te brengen », geen doel van indoctrinatie nastreven (EHRM, 7 december 1976, Kjeldsen, Busk Madsen en Pedersen t. Denemarken, voormeld, § 54).
B.16.4. Teneinde de godsdienstige en filosofische overtuigingen van ouders te respecteren, is het soms noodzakelijk dat leerlingen de mogelijkheid hebben om van bepaalde vakken te worden vrijgesteld (EHRM, grote kamer, 29 juni 2007, Folgerø e.a. t. Noorwegen, voormeld, §§ 95-100). Dat is met name het geval wanneer een Staat godsdienstonderwijs opneemt in de materies van studieprogramma’s (EHRM, 9 oktober 2007, Hasan en Eylem Zengin t. Turkije, voormeld, § 71). De mogelijkheid van een vrijstelling dient evenwel niet
23
systematisch te zijn, in het bijzonder wanneer dat onderwijs op een objectieve, kritische en pluralistische manier wordt ingericht (EHRM, beslissing, 13 september 2011, Dojan e.a.
t. Duitsland, voormeld, § 2).
B.17. Het Hof dient na te gaan of de EVRAS-activiteiten, die de leerlingen verplicht moeten bijwonen krachtens artikel 23, § 3, eerste lid, van het EVRAS-akkoord, zonder mogelijkheid van vrijstelling, neutraal onderwijs vormen dat geen enkele filosofische, ideologische of godsdienstige opvatting oplegt, of zij op een legitiem doel berusten en of zij op een objectieve, kritische en pluralistische manier worden georganiseerd, zonder een doel van indoctrinatie na te streven.
B.18. Ook al kunnen bepaalde thema’s en bepaalde leerinhouden van de EVRAS-activiteiten bedoeld in artikel 4 van het EVRAS-akkoord, verband houden met godsdienstige of filosofische overtuigingen, toch is EVRAS geen godsdienstonderwijs als zodanig en verschilt het wezenlijk van de cursussen godsdienst en niet-confessionele zedenleer.
EVRAS is geen geëngageerde cursus waarin de titularis mag getuigen voor een bepaald religieus of filosofisch stelsel, en past binnen diverse vakgebieden die losstaan van de lessen godsdienst of niet-confessionele zedenleer :
« EVRAS en de thema’s die zij omvat zijn op transversale wijze aanwezig in de gehele vorming van de gemeenschappelijke kern. Niettemin dragen bepaalde vakgebieden van de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern in het bijzonder daartoe bij : dat geldt meer bepaald voor psychomotoriek (in het kleuteronderwijs) en vervolgens gezondheids- en lichamelijke opvoeding; vorming in filosofie en burgerschap; wetenschappelijke vorming (in het kleuteronderwijs) en vervolgens wetenschappen; menselijke en sociale vorming (in het kleuteronderwijs) en vervolgens historische, geografische, economische en sociale vorming, hoofdzakelijk wat de economische en sociale componenten betreft; tot slot draagt manuele, technische, technologische en digitale vorming (‘ formation manuelle, technique, technologique et numérique ’, (FMTTN)) bij tot de leerinhouden die verbonden zijn aan bepaalde EVRAS-thema’s, in het bijzonder die welke verband houden met seksualiteit in de media (thema : seksualiteit en seksueel gedrag) en cyberpesten (thema : geweld) » (Thematisch EVRAS-document - bijlage I bij het EVRAS-akkoord, p. 5).
Voorts is het belangrijk om eraan te herinneren dat, ook al kan EVRAS lessen seksuele voorlichting inhouden, die opvoeding toch niet daartoe is beperkt, aangezien zij past binnen een « alomvattende benadering waarbij seksualiteit in ruime zin wordt begrepen en met name de relationele, affectieve, sociale, culturele, filosofische en ethische dimensie omvat » (artikel 2, 1°, van het EVRAS-akkoord).
24
B.19.1. Zoals in B.3.3 is vermeld, hebben de EVRAS-activiteiten, volgens artikel 3, § 2, van het EVRAS-akkoord, onder meer tot doel « een kwalitatieve en objectieve voorlichting [te geven] over het lichaam en de lichamelijke ontwikkeling, de aspecten van seksualiteit, seksuele en reproductieve rechten, alsook over diversiteit inzake levenswijze en levensstijl », « keuzevrijheid [te] bevorderen », de ontwikkeling te stimuleren van « persoonlijke vaardigheden [...] waarmee [kinderen en jongeren] verantwoorde keuzes kunnen maken », jongeren te helpen om « hun overtuigingen en hun vooroordelen in vraag te stellen, ze ontvankelijk [te] maken voor andere denkwijzen en voor het respect voor anderen ». Zij strekken ook ertoe « geweld in al zijn vormen te voorkomen, in elke soort relatie, ook in een affectieve en seksuele relatie ».
B.19.2. De thema’s waarop de genoemde EVRAS-activiteiten zijn toegespitst, hebben overigens betrekking op onder meer « de interpersoonlijke relaties », waaronder « het behoren tot een groep en het samenleven » (artikel 4, eerste lid, 2°, van het EVRAS-akkoord), of « waarden, culturen, maatschappij, rechten en seksualiteit », waaronder « de sociale, culturele en godsdienstige normen, de waardesystemen; de invloeden van het milieu waartoe men behoort en groepsdruk » (artikel 4, eerste lid, 4°, van het EVRAS-akkoord).
B.19.3. De EVRAS-activiteiten steunen dus minstens op drie legitieme doelstellingen, namelijk de voorbereiding van kinderen en jongeren op de sociale werkelijkheid, jongeren de handvatten geven om hun eigen morele opvattingen te bepalen, alsook een onafhankelijke benadering van hun eigen seksualiteit, opgevat in ruime zin, en de bestrijding van onder meer seksueel geweld.
B.20.1. Zoals in B.4.1 is vermeld, veronderstelt de definitie van EVRAS die is vastgelegd bij artikel 2, 1°, van het EVRAS-akkoord dat aan de leerlingen « betrouwbare [en] objectieve informatie » wordt gegeven en dat de EVRAS-activiteiten « [bijdragen] tot het uitbannen van stereotypen en tot de ontwikkeling van een kritische houding ».
B.20.2. Artikel 9, § 1, van het EVRAS-akkoord verplicht de gelabelde operatoren om hun animatoren aan te sporen om « een houding aan te nemen [...] die [...] waarborgt dat zij geen daad van bekeringsdrang stellen, en die geen persoonlijke mening opdringt ».
25
B.20.3. Het thematische document, aan de hand waarvan EVRAS wordt opgenomen in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern, geeft in die zin aan :
« Het belang om EVRAS op school in de praktijk te brengen vloeit vooral voort uit het neutrale en veralgemeende karakter ervan. In de privésfeer kunnen jongeren die op zoek zijn naar informatie over seksualiteit, gebruikmaken van hulpbronnen buiten de school, maar niets garandeert dat de informatie die door die hulpbronnen wordt gegeven betrouwbaar en volledig is. Niet alle ouders zijn het best geplaatst om op psycho-medisch-sociaal vlak te antwoorden op de vragen van hun kind. De gêne die een dergelijk gesprek soms doet ontstaan, kan de overdracht van volledige en correcte informatie aanzienlijk afremmen.
De veralgemening van EVRAS in de scholen – op gecoördineerde wijze, via de leerkracht, met eventueel de hulp van een cel welzijn/EVRAS of van een EVRAS-actor op school –
waarborgt, enerzijds, dat alle jongeren op gelijke wijze worden gevormd en geïnformeerd en, anderzijds, dat die informatie/vorming wordt verstrekt door gesprekspartners van buiten de familie- of vriendenkring die dus neutraler zijn en meer wetenschappelijke kennis hebben.
Zonder de ouders elke verantwoordelijkheid te ontnemen, waarborgt de organisatie van EVRAS op school dus dat elke leerling wordt gesensibiliseerd en correct geïnformeerd/gevormd, om over betrouwbare handvatten te beschikken voor een bedachtzaam affectief en seksueel leven » (Thematisch EVRAS-document - bijlage I bij het EVRAS-
akkoord, p. 4).
B.20.4. Tot slot impliceert de organisatie van de EVRAS-activiteiten niet, wat in strijd zou zijn met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat de ouders worden verhinderd om hun kind voor te lichten en het raad te geven, hun natuurlijke functie van opvoeder tegenover hem/haar uit te oefenen en het te oriënteren in een richting die overeenstemt met hun eigen godsdienstige overtuiging (EHRM, 7 december 1976, Kjeldsen, Busk Madsen en Pedersen t. Denemarken, voormeld, § 54). Het in B.20.3 geciteerde thematisch document bepaalt immers dat EVRAS de ouders niet elke verantwoordelijkheid voor de opvoeding van hun kinderen ontneemt. Op dezelfde wijze bepaalde het protocolakkoord van 20 juni 2013, in artikel 1, § 1, derde lid, ervan, dat EVRAS « aanvullend is ten opzichte van de verantwoordelijkheid van de ouders en de volwassenen die kinderen en jongeren omringen op het gebied van opvoeding, en die niet vervangt ».
Die vaststelling wordt versterkt door het beperkte volume van EVRAS-activiteiten die door het EVRAS-akkoord worden opgelegd, aangezien de onderwijsinstellingen die activiteiten slechts ten belope van vier lestijden over de gehele schoolloopbaan in het basis- en secundair onderwijs moeten organiseren.
26
B.20.5. Overigens kan uit de Grondwet of uit het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geen recht worden afgeleid om niet te worden blootgesteld aan overtuigingen of meningen die tegengesteld zijn aan de eigen overtuigingen en meningen, zij het in een schoolcontext (EHRM, beslissing, 6 oktober 2009, Appel Irrgang e.a. t. Duitsland,
ECLI:CE:ECHR:2009:1006DEC004521607
).
B.20.6. Uit het voorgaande volgt dat het EVRAS-akkoord neutraal onderwijs organiseert dat niet tot doel heeft een standpunt op te leggen, maar daarentegen de leerlingen de instrumenten te geven die nodig zijn voor het ontwikkelen van een persoonlijk standpunt. Het EVRAS-akkoord en het thematische document voorzien in meerdere referentiepunten om te waarborgen dat de informatie die tijdens de EVRAS-activiteiten aan de leerlingen wordt geboden, hun op een objectieve, kritische en pluralistische wijze wordt verstrekt, teneinde te voorkomen dat daarmee een doel van indoctrinatie wordt nagestreefd. De bestreden decreten schenden artikel 24, § 1, derde lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol, bijgevolg niet.
B.21. Aangezien EVRAS, zoals omschreven en ten uitvoer gelegd door het EVRAS-akkoord, neutraal, pluralistisch en objectief onderwijs vormt, dat geen doel van indoctrinatie nastreeft, en aangezien die opvoeding geen godsdienstonderwijs vormt, zijn de motieven waarom het Hof bij zijn arresten nrs. 34/2015 van 12 maart 2015
(
ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.034
) en 66/2016 van 11 mei 2016
(
ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.066
) heeft vereist dat de ouders wier kinderen het officieel onderwijs volgen, op niet nader gemotiveerd verzoek een vrijstelling van levensbeschouwelijk onderricht moeten kunnen krijgen, niet geldig voor EVRAS. Met betrekking tot de inhoud van EVRAS verplichten noch artikel 24 van de Grondwet, noch artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol de bevoegde wetgevers om in een algemene vrijstellingsregeling te voorzien (EHRM, beslissing, 6 oktober 2009, Appel Irrgang e.a. t. Duitsland, voormeld).
B.22. Het feit dat de EVRAS-animatoren verplicht gebruik moeten maken van de Gids voor EVRAS om de door hen georganiseerde activiteiten af te bakenen, kan geen schending van het beginsel van neutraliteit van het gemeenschapsonderwijs, noch van de ouderlijke rechten met zich meebrengen. Integendeel, het gebruik van een gemeenschappelijk referentie-
instrument draagt ertoe bij het gewicht van de persoonlijke overtuigingen van de animatoren, en dus het mogelijke risico van niet-naleving van de neutraliteitsplicht, te beperken.
27
B.23. Aangezien het EVRAS-akkoord in een neutraal onderwijs voorziet, bestaat het door de verzoekende partijen aangevoerde verschil in behandeling niet.
B.24. Voor het overige valt de kritiek inzake de neutraliteit van de Gids voor EVRAS die als bijlage is gevoegd bij het uitvoerend EVRAS-akkoord, niet onder de bevoegdheid van het Hof maar onder die van de bevoegde rechtscolleges.
B.25. Het tweede middel is niet gegrond.
Wat betreft het recht op eerbiediging van het privé- en het gezinsleven (eerste onderdeel van het eerste middel)
B.26. Het eerste onderdeel van het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 22
van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen voeren aan dat de thema’s waarrond de activiteiten van EVRAS zijn opgebouwd, alsook de uiteenzetting ervan in de Gids voor EVRAS een onevenredige inmenging vormen in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de kinderen en de ouders en niet stroken met het voorrecht van de ouders om hun kinderen op te voeden.
B.27.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :
« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».
Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :
« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische
28
samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».
B.27.2. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).
De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen.
B.28. EVRAS doet geen afbreuk aan het recht van de ouders om hun kind een opvoeding te geven, behalve indien die opvoeding een doel van indoctrinatie nastreeft dat in die zin kan worden beschouwd dat het niet de godsdienstige en filosofische overtuigingen van de ouders eerbiedigt, wat niet het geval is om de in B.17 tot B.25 vermelde redenen.
B.29. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet gegrond.
Wat betreft het belang van het kind (tweede onderdeel van het eerste middel)
B.30. Het tweede onderdeel van het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 22bis van de Grondwet. De verzoekende partijen doen gelden dat geen enkele bepaling van het EVRAS-akkoord het belang van het kind vermeldt, wat zou impliceren dat de wetgevers dat niet in aanmerking hebben genomen. Zij voeren ook aan dat het EVRAS-akkoord geen rekening zou houden met de eigen karakteristieken van het kind die het onderscheiden van een volwassene, zodat zijn fysieke en psychische integriteit zou worden aangetast. Zij stellen ten slotte dat, doordat het EVRAS-akkoord niet bepaalt dat de animatoren inzake EVRAS over een diploma of een adequate opleiding moeten beschikken, het akkoord het belang van het kind schendt.
B.31. Er moet van worden uitgegaan dat de wetgevers op grondwetsconforme wijze gebruikmaken van hun bevoegdheden. De enkele omstandigheid dat de wetgevers hun intentie om het hoger belang van het kind in acht te nemen niet uitdrukkelijk hebben vermeld in de tekst
29
van het EVRAS-akkoord of in de parlementaire voorbereiding van de instemmingsdecreten, kan op zich geen schending van artikel 22bis van de Grondwet inhouden.
B.32.1. Het EVRAS-akkoord bepaalt bovendien dat de EVRAS-activiteiten « gericht zijn op de behoeften van de leerlingen door hun verworven kennis en ervaring alsook hun relationele, psycho-affectieve en seksuele ontwikkeling in aanmerking te nemen » (artikel 2, 2°, van het EVRAS-akkoord), en worden opgevat « vanuit de voorstellingen, de kennis en de behoeften van de kinderen en jongeren » (artikel 3, § 1, van het EVRAS-akkoord). Een thema mag dus enkel worden behandeld wanneer het beantwoordt aan een behoefte die door de kinderen en de jongeren werd uitgesproken.
Het thematisch document, dat voor elk jaar van het onderwijs de aandacht vestigt op datgene wat in de in 2002 aangenomen referentiesystemen bijdraagt tot de EVRAS van de leerlingen, bepaalt in die zin dat de opname van EVRAS in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern « op transversale en progressieve wijze binnen de leerstof » is gebeurd (p. 3).
B.32.2. Daaruit volgt dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, het EVRAS-akkoord rekening houdt met de relationele, psycho-affectieve en seksuele ontwikkeling van de leerlingen, en dus met de eigen karakteristieken die ze onderscheiden van een volwassene.
B.33. Wat betreft de opleiding van de animatoren inzake EVRAS, moeten de operatoren het EVRAS-label verkrijgen om EVRAS-activiteiten te kunnen organiseren. Het verkrijgen van dat label wordt evenwel afhankelijk gemaakt van de verplichting, voor de animatoren inzake EVRAS, om de specifieke opleiding te volgen bedoeld in artikel 16 van het EVRAS-akkoord.
Enkel de animatoren die onder de bevoegdheid vallen van een automatisch gelabelde operator zijn, bij wijze van overgangsperiode gedurende de eerste twee jaren waarin het EVRAS-akkoord wordt toegepast, ervan vrijgesteld die specifieke opleiding te volgen. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 75/2025 van 15 mei 2025
(
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.075
), beschikken de centra voor gezinsplanning, de PMS-centra en de PSE-diensten reeds over specifieke expertise inzake EVRAS, die verbonden is aan hun wettelijke opdrachten en aan de op hen rustende verplichtingen.
30
Uit wat voorafgaat vloeit voort dat, hoewel ze niet moeten doen blijken van het bezit van een specifiek diploma, de animatoren inzake EVRAS een opleiding moeten volgen die de kwaliteit garandeert van de activiteiten die ze organiseren onder de verantwoordelijkheid van een operator die een EVRAS-label heeft.
B.34. Voor het overige valt de tegen de Gids voor EVRAS geformuleerde kritiek niet onder de bevoegdheid van het Hof.
B.35. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond.
31
Om die redenen,
het Hof
verwerpt het beroep.
Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 mei 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Pierre Nihoul
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.082
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.034
ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.066
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.075
ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000509571
ECLI:CE:ECHR:2007:0629JUD001547202
ECLI:CE:ECHR:2007:1009JUD000144804
ECLI:CE:ECHR:2009:1006DEC004521607
ECLI:CE:ECHR:2011:0318JUD003081406
ECLI:CE:ECHR:2011:0913DEC000031908
ECLI:CE:ECHR:2017:1219DEC002
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==