Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.080

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-05-15 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

12 maart 2000, 6 januari 1989, 8 augustus 1997, Constitution, GRONDWET

Samenvatting

de prejudiciële vraag betreffende artikel XX.194, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door het Hof van Cassatie.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.080 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.080 Arrest- Rolnummer: 80/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-05-26 Raadplegingen: 155 - laatst gezien 2025-12-15 14:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel XX.194, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door het Hof van Cassatie. Economisch recht - Insolventie van ondernemingen - Faillissement - Recht van terugvordering van de eigenaar van de goederen die in het bezit zijn van de gefailleerde - Rechtsvordering tot terugvordering - Vervaltermijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 80/2025 van 15 mei 2025 Rolnummer : 8346 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel XX.194, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 20 september 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 oktober 2024, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel XX.194, tweede lid, WER artikel 16 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, in zoverre de eigenaar van goederen die in het bezit van de gefailleerde zijn, vervallen is van zijn recht op terugvordering van deze goederen wanneer hij dat recht uitoefent na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen ? ». Memories zijn ingediend door : - Gunnar Dellner, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Thierry Bosly, mr. Olivier Vanhulst en mr. Elien Claeys, advocaten bij de balie te Brussel; - mr. Hubert Berghs, handelend in de hoedanigheid van curator van het faillissement van de bv « Wijnmakelaarsunie », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie; 2 - de nv « KBC Bank », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Werner Derijcke, advocaat bij het Hof van Cassatie; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Steve Ronse en mr. Thomas Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. Memories van antwoord zijn ingediend door : - Gunnar Dellner; - de Ministerraad. Bij beschikking van 12 maart 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De bv « Wijnmakelaarsunie », een onderneming die wijnen en andere dranken verhandelde, werd bij vonnis van 14 juni 2018 failliet verklaard. Op 20 juni 2018 werd het faillissement bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Schuldeisers kregen de mogelijkheid om hun schuldvorderingen neer te leggen in het Centraal Register Solvabiliteit binnen een termijn van 30 dagen te rekenen van de datum van uitspraak van het vonnis. De datum voor neerlegging van het eerste proces-verbaal van de verificatie van de schuldvorderingen werd bepaald op 25 juli 2018. In april 2019 contacteerde Gunnar Dellner, de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege die de Zweedse nationaliteit heeft en woonachtig is in Zwitserland, de curator, de eerste verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege, alsnog teneinde teruggave, of voor zover reeds verkocht, de betaling van de tegenwaarde te verkrijgen van een collectie wijnen waarvan hij aangeeft ze in bewaring te hebben gegeven aan de bv « Wijnmakelaarsunie ». Aangezien de curator weigerde daarop in te gaan, dagvaardde hij op 3 december 2019 de curator voor de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Hasselt. De nv « KBC Bank », de tweede verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege, is op 7 januari 2020 vrijwillig tussengekomen in die procedure aangezien zij kredietverlener en pandhoudend schuldeiser is van de gefailleerde. Bij vonnis van 25 maart 2021 heeft de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Hasselt, de vorderingen van Gunnar Dellner ongegrond verklaard aangezien zij niet tijdig zijn ingesteld. Bij arrest van 5 januari 2023 heeft het Hof van Beroep te Antwerpen het vonnis van de eerste rechter bevestigd. Gunnar Dellner heeft daarop een voorziening in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen. Vooraleer de gegrondheid van het cassatiemiddel te beoordelen, acht het Hof van Cassatie het noodzakelijk om de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. 3 III. In rechte -A- A.1.1. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is in hoofdorde van oordeel dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. Volgens haar geeft de vervaltermijn waarin artikel XX.194, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht voorziet, aanleiding tot onteigeningen en is hij daarom niet bestaanbaar met artikel 16 van de Grondwet. Goederen van derden die niet binnen de vervaltermijn worden teruggevorderd, worden immers feitelijk overgedragen aan de boedel, aangezien het eigendomsrecht na het verstrijken van de termijn niet meer tegenwerpelijk is binnen de insolventieprocedure. Die overdracht is bovendien definitief en onherroepelijk aangezien die goederen mee worden vereffend en de eigenaar ook door middel van zakelijke subrogatie geen aanspraak kan maken op de verkoopprijs. Daarenboven heeft de in het geding zijnde bepaling volgens haar in ieder geval onevenredige gevolgen. De termijn waarbinnen de vordering tot terugvordering moet worden ingesteld is te kort voor de eigenaar om zijn eigendomsrecht effectief te beschermen en staat niet in verhouding tot het belang om de omvang van de boedel te kennen. A.1.2. In ondergeschikte orde voert de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege aan dat de prejudiciële vraag minstens bevestigend moet worden beantwoord in zoverre de in het geding zijnde bepaling zo wordt geïnterpreteerd dat ze zich verzet tegen de terugvordering van nog in natura aanwezige goederen na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. De teruggave schaadt in dat geval de vereffening immers niet. Dat is te meer zo daar de curator overeenkomstig artikel XX.194, derde lid, van het Wetboek van economisch recht beschikt over het recht om de kosten voor de bewaring en de teruggave terug te vorderen, en over een retentierecht indien de eigenaar de kosten weigert te betalen. De teruggave in dat geval niet toestaan, staat volgens haar bovendien op gespannen voet met het feit dat schuldeisers die hun schuldvordering niet hebben aangegeven binnen een termijn van 30 dagen te rekenen van de datum van uitspraak van het vonnis van faillietverklaring, op grond van artikel XX.165, tweede en derde lid, van het Wetboek van economisch recht wel nog over een bijkomende termijn beschikken om hun schuldvordering in te dienen, met dien verstande dat zij dan geen recht hebben op reeds bevolen uitkeringen en zij de vereffening niet mogen vertragen. A.2.1. De eerste verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege is in hoofdorde van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zij doet allereerst gelden dat het niet naleven van de vervaltermijn niet tot gevolg heeft dat eigendom wordt ontnomen. Het eigendomsrecht is in dat geval slechts niet tegenwerpelijk aan de failliete boedel. Bijgevolg leidt de vervaltermijn tot een gewone eigendomsbeperking en niet tot een feitelijke onteigening. Vervolgens voert zij aan dat de vervaltermijn redelijk verantwoord is ten aanzien van de legitieme doelstelling die wordt nagestreefd, namelijk het snel zekerheid verkrijgen over de samenstelling van de faillissementsboedel. Volgens haar is er geen andere geschikte maatregel en heeft de vervaltermijn, die varieert tussen de 35 en 60 dagen vanaf het vonnis van faillietverklaring, geen onevenredige gevolgen. Van de eigenaar mag, ongeacht of hij zich in het buitenland bevindt, worden verwacht dat hij erover waakt dat zijn contractpartij niet failliet gaat en dat hij zijn rechten, behoudens overmacht, tijdig uitoefent. Bovendien is de uitoefening van zijn rechten in dat geval bij gebreke aan enig vormvereiste zeer eenvoudig en is de kenbaarheid van het faillissement gegarandeerd. Het uittreksel van het vonnis van faillietverklaring moet immers binnen vijf dagen na zijn dagtekening in het Belgisch Staatsblad, dat online beschikbaar is, worden gepubliceerd. Zij wijst in dat verband nog erop dat het Franse Hof van Cassatie reeds meermaals in dezelfde zin heeft geoordeeld. A.2.2. In ondergeschikte orde is de eerste verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege van oordeel dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord, maar slechts in zoverre de in het geding zijnde bepaling niet voorziet in een termijn van drie maanden om het recht van terugvordering uit te oefenen. A.3.1. De tweede verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zij voert aan dat de vervaltermijn waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, noodzakelijk is in het licht van de legitieme doelstelling die de wetgever nastreeft, namelijk het 4 zo snel als mogelijk afwikkelen van een faillissement, wat vereist dat de curator snel een duidelijk beeld van de inhoud van de boedel moet hebben. In het bijzonder is dat laatste noodzakelijk om waar mogelijk economische activiteit te redden. A.3.2. In ondergeschikte orde, indien het Hof zou oordelen dat de in het geding zijnde bepaling ongrondwettig is, verzoekt de tweede verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege om de gevolgen te handhaven en dat minstens tot de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad. Volgens haar is de handhaving nodig om de rechtszekerheid te vrijwaren. Zonder de handhaving zouden curatoren van lopende faillissementen kunnen worden geconfronteerd met terugvorderingen van goederen waarvan zij de legitieme verwachting mochten hebben dat ze deel uitmaakten van de boedel. A.4. De Ministerraad is tot slot van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Volgens hem is de vervaltermijn een pertinente maatregel ten aanzien van de legitieme doelstelling, zijnde de snelle en functionele afwikkeling van het faillissement. Hij heeft voorts geen onevenredige gevolgen aangezien de eigenaar over een redelijke termijn beschikt om zijn vordering tot terugvordering in te stellen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het recht van terugvordering van de eigenaar van de goederen die in het bezit zijn van de gefailleerde. B.2.1. Artikel XX.194 van het Wetboek van economisch recht bepaalt : « Het faillissement doet geen afbreuk aan het recht van terugvordering van de eigenaar van de goederen die in het bezit zijn van de schuldenaar. Op straffe van verval moet de rechtsvordering tot terugvordering worden ingesteld voor de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Indien de bewaring of de teruggave van de teruggevorderde goederen kosten heeft veroorzaakt ten laste van de boedel, eist de curator dat deze kosten betaald worden bij de afgifte van de goederen. Weigert de eigenaar deze kosten te betalen dan is de curator gerechtigd het retentierecht uit te oefenen ». B.2.2. Krachtens het eerste lid van die bepaling doet het faillissement geen afbreuk aan het recht van terugvordering van de eigenaar van de goederen die in het bezit zijn van de schuldenaar. Het in het geding zijnde tweede lid voegt daaraan evenwel toe dat de rechtsvordering tot terugvordering op straffe van verval moet worden ingesteld vóór de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. 5 B.2.3. Het vonnis van faillietverklaring bepaalt de datum waarop het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen in het register wordt neergelegd. Dat tijdstip wordt zo gekozen dat er ten minste 5 en ten hoogste 30 dagen verlopen tussen het verstrijken van de termijn van aangifte van de schuldvorderingen en de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie (artikel XX.104, derde lid, van het Wetboek van economisch recht). De termijn van aangifte van de schuldvorderingen blijkt eveneens uit het vonnis van faillietverklaring. Dat vonnis moet de schuldeisers namelijk bevelen om in het register aangifte van hun vordering te doen binnen een termijn van ten hoogste 30 dagen, te rekenen van dat vonnis (artikel XX.104, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht). B.2.4. Het vonnis van faillietverklaring wordt door de curator binnen vijf dagen na de dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad (artikel XX.107, § 1, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht). Dat uittreksel vermeldt met name de termijn en de modaliteiten om aangifte van de schuldvorderingen in het register te doen, alsook de datum van de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen (artikel XX.107, § 1, tweede lid, 5° en 6°, van het Wetboek van economisch recht). B.2.5. De curatoren leggen het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen uiterlijk op de in het vonnis van faillietverklaring bepaalde dag neer in het register (artikel XX.161, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht). B.2.6. Het Hof van Cassatie leidt in de verwijzingsbeslissing uit het voorgaande af dat de eigenaar, behoudens in geval van overmacht, beschikt over een termijn variërend van 35 tot 60 dagen vanaf het vonnis van faillietverklaring, dat binnen vijf dagen te rekenen van zijn dagtekening bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, om zijn goederen terug te vorderen, en dat hij niet in het bijzonder wordt geïnformeerd over het feit dat hij zijn recht uiterlijk vóór het verstrijken van die termijn moet uitoefenen. B.3.1. Artikel XX.194 van het Wetboek van economisch recht vindt zijn oorsprong in artikel 101 van de faillissementswet van 8 augustus 1997. Met de faillissementswet van 8 augustus 1997 beoogde de wetgever een snelle en vlotte afwikkeling van de faillissementsprocedure teneinde het normale marktmechanisme zo weinig mogelijk te 6 verstoren en teneinde de situatie van alle betrokkenen, en vooral van de schuldeisers, zo snel mogelijk uit te klaren (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 631/13, p. 28) Specifiek met betrekking tot de in het geding zijnde vervaltermijn, vermeldt de parlementaire voorbereiding van die wet : « Om duidelijkheid te scheppen omtrent de inhoud van de failliete boedel dient de terugvordering op grond van het eigendomsvoorbehoud te worden ingesteld voor de sluiting van het proces-verbaal tot verificatie van schuldvorderingen » (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 330/2, p. 8). B.3.2. Artikel 101, derde lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, dat overeenstemt met artikel XX.194, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht, is vervolgens uitgelegd bij de wet van 12 maart 2000 « tot uitlegging van artikel 101, derde lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 ». Artikel 2 van die wet bepaalt : « In artikel 101, derde lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, worden de woorden ‘ moet de rechtsvordering tot terugvordering worden ingesteld ’ uitgelegd als volgt : ‘ moet het recht van terugvordering worden uitgeoefend ’ ». De wetgever beoogde met die authentieke uitlegging de interpretatie volgens welke het instellen van de rechtsvordering tot terugvordering steeds het instellen van een gerechtelijke procedure veronderstelt, uit te sluiten (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0282/001, pp. 6 en 7). Ten gronde B.4. Het verwijzende rechtscollege wenst te vernemen of artikel XX.194, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht bestaanbaar is met artikel 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), in zoverre de eigenaar van goederen die in het bezit zijn van de gefailleerde, vervallen is van zijn recht van terugvordering van die goederen wanneer hij dat recht uitoefent na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. 7 B.5.1. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.5.2. Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in artikel 16 van de Grondwet, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de in het geding zijnde bepaling, ermee rekening houdt. B.5.3. Artikel 1 van het voormelde Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin) en elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea). B.6. Het verval van het recht van terugvordering waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet wanneer de eigenaar dat recht uitoefent na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen, brengt geen ontzetting uit de eigendom in de zin van artikel 16 van de Grondwet met zich mee. Het verval treedt maar op indien de eigenaar niet tijdig optreedt en heeft enkel betrekking op het recht van terugvordering en niet op het eigendomsrecht zelf. Het gevolg van het verval van het recht van terugvordering is dat het eigendomsrecht niet tegenwerpelijk is aan de failliete boedel, waardoor niets de curator belet om de betrokken goederen te verkopen aan een derde. De eigenaar zal zijn goederen ook nadien niet kunnen 8 terugvorderen van die derde. Hij zal zijn goederen alleen opnieuw kunnen opeisen indien ze na de faillissementsprocedure nog aanwezig zijn bij de ex-gefailleerde. Bijgevolg houdt de in het geding zijnde bepaling wel een inmenging in het eigendomsrecht in waarvan artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, het ongestoord genot waarborgt. B.7. Een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom is verantwoord indien erin is voorzien bij een voldoende toegankelijke, nauwkeurige en voorzienbare juridische grondslag (EHRM, 14 mei 2013, N.K.M. t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911 , § 48; 21 juli 2016, Mamatas e.a. t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2016:0721JUD006306614 , § 98), indien zij een legitiem publiek of algemeen belang nastreeft (EHRM, grote kamer, 13 december 2016, Béláné Nagy t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD005308013 , § 113) en indien zij een redelijk verband van evenredigheid heeft met het nagestreefde doel, dat wil zeggen indien zij het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt (ibid., § 115). B.8. Wat betreft de voorwaarde volgens welke bij een voldoende toegankelijke, nauwkeurige en voorzienbare rechtsgrondslag in de inmenging moet zijn voorzien, volstaat het vast te stellen dat de verplichting om op straffe van verval het recht van terugvordering uit te oefenen vóór de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen, voldoende duidelijk en precies is bepaald door de in het geding zijnde bepaling. B.9. Uit de in B.3.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de in het geding zijnde bepaling beoogt de curator snel duidelijkheid te verschaffen over de inhoud van de failliete boedel, wat bijdraagt tot een vlotte en snelle afwikkeling van het faillissement. Die doelstelling is een legitieme doelstelling van algemeen belang. B.10.1. In het licht van die doelstelling is het niet onredelijk dat de in het geding zijnde bepaling in een vervaltermijn voorziet waarbinnen terugvorderingen kunnen plaatsvinden. Zonder vervaltermijn kunnen terugvorderingen immers op ieder moment de faillissementsprocedure doorkruisen en voor vertraging en bijkomende kosten zorgen. Het feit 9 dat alleen goederen die in het bezit zijn van de gefailleerde kunnen worden teruggevorderd en de curator een retentierecht heeft indien de kosten voor de bewaring en teruggave niet worden betaald, doet daaraan geen afbreuk. B.10.2. Opdat de vervaltermijn geen onevenredige gevolgen heeft, moet de termijn evenwel voldoende lang zijn rekening houdende met de kenbaarheid die eraan wordt gegeven. Krachtens de in het geding zijnde bepaling treedt het verval in bij de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Gelet daarop beschikt de eigenaar in beginsel over een termijn variërend van 35 tot 60 dagen vanaf het vonnis van faillietverklaring, dat binnen vijf dagen te rekenen van zijn dagtekening bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Een dergelijke gecentraliseerde bekendmaking biedt elke persoon de mogelijkheid om te allen tijde kennis te nemen van het faillissement. Het is niet onredelijk van een persoon die eigenaar is van een goed dat zich in het bezit van een onderneming bevindt, bijvoorbeeld in het kader van een bewaargeving, te verwachten dat hij zich op regelmatige basis informeert over de rechtspositie van die onderneming, door na te gaan of er berichten met betrekking tot die onderneming zijn verschenen in het Belgisch Staatsblad. B.10.3. Artikel XX.194, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht is bijgevolg bestaanbaar met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel XX.194, tweede lid, van het Wetboek van economisch recht schendt niet artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 mei 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.080 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911 ECLI:CE:ECHR:2016:0721JUD006306614 ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD005308013 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot