Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.079

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-05-15 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

strafrecht

Geciteerde wetgeving

16 maart 1968, 19 maart 2017, 6 januari 1989, Burgerlijk Wetboek, Constitution

Samenvatting

de prejudiciële vraag betreffende artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand », gesteld door de Politierechtbank te Leuven.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.079 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.079 Arrest- Rolnummer: 79/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-05-26 Raadplegingen: 165 - laatst gezien 2025-12-15 14:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 19 maart 2017, in zoverre de burgerrechtelijk aansprakelijke partij in eigen naam wordt veroordeeld tot een bijdrage aan dat Begrotingsfonds, boven op haar burgerlijke gehoudenheid tot betaling van de bijdrage waartoe de beklaagde werd veroordeeld) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand », gesteld door de Politierechtbank te Leuven. Gerechtelijk recht - Juridische bijstand - Financiering - Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - Bijdrage - Bijdrage ten laste van de burgerrechtelijk aansprakelijke partij Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 79/2025 van 15 mei 2025 Rolnummer : 8272 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand », gesteld door de Politierechtbank te Leuven. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 28 juni 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 juli 2024, heeft de Politierechtbank te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 4 § 3 lid 1 van de Wet tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand van 19 maart 2017 de artikelen 10, 11, 170 en 172 Grondwet in zoverre de burgerrechtelijk aansprakelijke partij in eigen naam wordt veroordeeld tot een bijdrage aan het Fonds, bovenop zijn burgerlijke gehoudenheid tot betaling van de bijdrage waartoe beklaagde werd veroordeeld ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Pelikaancars », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Alexander Meuwissen, advocaat bij de balie te Leuven; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Steve Ronse en mr. Thomas Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. Bij beschikking van 12 maart 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van 2 wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en rechtspleging in het bodemgeschil De beklaagde wordt door de Politierechtbank te Leuven veroordeeld tot het betalen van een geldboete, een verval van het recht tot sturen, het betalen van een bijdrage aan het Fonds tot hulp van slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, het betalen van een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (hierna : het Begrotingsfonds) en het betalen van een vaste vergoeding. De nv « Pelikaancars », werkgever van de beklaagde, wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de geldboete en de kosten die ten laste zijn gelegd van de beklaagde, met inbegrip van de bijdrage die de beklaagde moet betalen aan het Begrotingsfonds. Tevens zou de nv « Pelikaancars » als burgerrechtelijk aansprakelijke partij, op grond van artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand », ook moeten worden veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Begrotingsfonds. De nv « Pelikaancars » voert voor de bodemrechter aan dat zij in haar hoedanigheid van burgerrechtelijk aansprakelijke partij reeds kan worden aangesproken voor de bijdrage aan het Begrotingsfonds in hoofde van de beklaagde en dat zij daarnaast autonoom wordt veroordeeld tot een bijdrage aan het Begrotingsfonds, terwijl zij geen beklaagde is, geen fout heeft begaan en louter burgerrechtelijk betrokken is in het bodemgeschil. Het verwijzende rechtscollege stelt dienvolgens de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. De nv « Pelikaancars » voert aan dat zij, in haar hoedanigheid van burgerrechtelijk aansprakelijke partij, reeds kan worden aangesproken voor de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (hierna : het Begrotingsfonds), doch dat zij daarnaast autonoom wordt veroordeeld tot een bijdrage aan het Begrotingsfonds. Het gehanteerde onderscheid tussen de beklaagde, enerzijds, en de nv « Pelikaancars », anderzijds, is mogelijk objectief, doch geenszins pertinent. A.2.1. De Ministerraad voert aan dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de forfaitaire bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de rechtzoekenden geen onoverkomelijk obstakel vormt voor de toegang tot de rechter. Tevens heeft het Hof reeds geoordeeld dat de bijdrage aan het Begrotingsfonds een belasting is in de zin van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet. A.2.2. De Ministerraad benadrukt dat de wetgever bij het bepalen van zijn beleid in fiscale zaken over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, zeker wat betreft het bepalen van de belastingplichtigen. De wetgever kon beslissen dat zowel de door een strafgerecht veroordeelde beklaagde als de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen worden veroordeeld tot het betalen van de beperkte forfaitaire bijdrage aan het Begrotingsfonds. De vaststelling dat de burgerrechtelijk aansprakelijke partij reeds zou zijn gehouden tot de betaling van de bijdrage waartoe de beklaagde werd veroordeeld, verandert hieraan niets. 3 Met de forfaitaire bijdrage van (thans) 24 euro voor personen die betrokken zijn in gerechtelijke procedures beoogt de wetgever de juridische bijstand te waarborgen voor diegenen die anders hun fundamenteel recht op toegang tot de rechter niet zouden kunnen uitoefenen. Dat doel kan verantwoorden dat de bijdrage wordt opgelegd aan zowel de strafrechtelijk veroordeelde beklaagde als de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon. Beide personen zijn betrokken bij de gerechtelijke procedure en worden geacht over de nodige financiële draagkracht te beschikken. De Ministerraad wijst erop dat de gehoudenheid van de werkgever tot het betalen van de bijdrage aan het Begrotingsfonds voortvloeit uit artikel 1384 van het oud Burgerlijk Wetboek en dat de burgerrechtelijk aansprakelijke partij het bedrag van de forfaitaire bijdrage waartoe de strafrechtelijk beklaagde werd veroordeeld, kan terugvorderen van de beklaagde. -B– B.1.1. De wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand » (hierna : de wet van 19 maart 2017) richt een « Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand » (hierna : het Begrotingsfonds) op bij de Federale Overheidsdienst Justitie (artikel 2). De opbrengsten van het Begrotingsfonds worden gebruikt ter financiering van de vergoedingen van de advocaten belast met de juridische tweedelijnsbijstand, alsmede van de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand (artikel 3). De wetgever heeft de bijdrage aan het Begrotingsfonds vastgesteld op een te indexeren bedrag van twintig euro. B.1.2. Het Begrotingsfonds wordt gefinancierd met bijdragen die worden geïnd in het kader van gerechtelijke procedures. Artikel 4 van de wet van 19 maart 2017 bepaalt in welke zaken de bijdrage verschuldigd is, wie ze dient te betalen en op welke wijze ze wordt geïnd. De wetgever maakt hierbij een onderscheid tussen zaken die volgens de burgerlijke rechtspleging worden behandeld (artikel 4, § 2), strafzaken (artikel 4, § 3) en zaken voor de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (artikel 4, § 4). B.2.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017, dat bepaalt : « Behalve indien hij van de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet, of indien de rechter oordeelt dat hij zich op het vlak van zijn bestaansmiddelen in een situatie bevindt waarbij hij beroep zou kunnen doen op juridische tweedelijnsbijstand of op rechtsbijstand wordt iedere door een strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, beklaagde, beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Fonds. 4 Behalve indien zij van de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet, of indien de rechter oordeelt dat hij zich op het vlak van zijn bestaansmiddelen in een situatie bevindt waarbij hij beroep zou kunnen doen op juridische tweedelijnsbijstand of op rechtsbijstand wordt de burgerlijke partij, wanneer zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij en zij in het ongelijk wordt gesteld, veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Fonds. Het rechtscollege vereffent het bedrag van de bijdrage aan het Fonds in de eindbeslissing die in de kosten verwijst. De bijdrage wordt ingevorderd volgens de regels van toepassing op de invordering van de strafrechtelijke geldboeten ». B.2.2. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat aan het Hof een vraag wordt gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 19 maart 2017, met de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, in zoverre « de burgerrechtelijk aansprakelijke partij in eigen naam wordt veroordeeld tot een bijdrage aan het Fonds, bovenop [haar] burgerlijke gehoudenheid tot betaling van de bijdrage waartoe beklaagde werd veroordeeld ». Artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 19 maart 2017 zou een discriminerende gelijke behandeling doen ontstaan tussen de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij die « geen beklaagde is, geen fout heeft begaan en louter burgerrechtelijk is betrokken ». B.2.3. Het verwijzende rechtscollege zet niet uiteen, en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing kan niet worden afgeleid in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling onbestaanbaar zou zijn met artikel 170 van de Grondwet, dat het fiscaal wettigheidsbeginsel waarborgt. De prejudiciële vraag is onontvankelijk in zoverre zij betrekking heeft op artikel 170 van de Grondwet. B.3.1. Artikel 172, eerste lid, van de Grondwet vormt, in fiscale aangelegenheden, een bijzondere toepassing van het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.3.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een 5 objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.4.1. De verplichte forfaitaire bijdrage aan het Begrotingsfonds is een belasting. B.4.2. In fiscale zaken beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Dat is met name het geval wanneer hij de belastingplichtigen, de belastbare materie, de heffingsgrondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingvrijstellingen bepaalt van de belastingen waarin hij voorziet. Het Hof vermag, in die aangelegenheid, de beleidskeuzes van de wetgever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. B.5.1. Voor strafzaken wordt, overeenkomstig artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017, iedere door een strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, beklaagde, beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Begrotingsfonds. B.5.2. Het initiële wetsvoorstel dat aan de oorsprong lag van de wet van 19 maart 2017 beoogde uitsluitend een bijdrage op te leggen aan de personen die worden veroordeeld tot een strafrechtelijke sanctie of die een minnelijke schikking sluiten overeenkomstig artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1851/001, pp. 6-8). De toelichting bij dat wetsvoorstel vermeldt : « De gestage stijging van het aantal dossiers in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand vergt bijkomende middelen. 6 Het wetsvoorstel beoogt de oprichting van een fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand dat toelaat het stelsel van juridische bijstand bijkomend te financieren via nieuwe middelen zodat aan de advocaten een hogere vergoeding kan worden gegarandeerd met behoud van het door de Grondwet gewaarborgde recht op vrije toegang tot het gerecht » (ibid., p. 3). B.5.3. Het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over dat wetsvoorstel vermeldt : « 5. De vraag rijst wat verantwoordt dat de in het wetsvoorstel bedoelde bijdrage enkel wordt opgelegd in het raam van strafrechtelijke procedures. [...] [...] Er valt niet in te zien waarom enkel strafrechtelijk veroordeelden of personen die een minnelijke schikking aanvaarden, gehouden zouden zijn tot het betalen van de bijdrage, en niet bijvoorbeeld personen wier vordering in een burgerlijke procedure wordt afgewezen. De als gemachtigde aangewezen indienster van het wetsvoorstel verschafte (los evenwel van de vraag naar de kwalificatie van de voorgestelde bijdrage) de volgende verantwoording voor de beperking tot strafrechtelijke veroordeelden en tot de personen waarmee een minnelijke schikking werd gesloten : ‘ De keuze om enkel personen die een strafrechtelijke inbreuk hebben gepleegd te laten bijdragen aan het op te richten fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt verantwoord door de specifieke hogere maatschappelijke kost die sowieso al gepaard gaat met een strafzaak (die vereist bijvoorbeeld diverse onderzoekshandelingen zoals de verhoren waar steeds bijstand van een advocaat moet worden voorzien), dit terwijl bij niet-strafrechtelijke geschillen niet steeds een duidelijke toerekenbare fout/wetsovertreding wordt begaan door de in het ongelijk gestelde partij, deze geschillen niet automatisch voor een rechtbank moeten worden afgewikkeld, en indien dat toch zo is het voorleggen van dergelijke geschillen aan een rechtbank (en ook het beroep dat moet worden gedaan op een advocaat) niet steeds vooraf te vermijden was door de uiteindelijk in het ongelijk gestelde partij zelf. Het gemaakte onderscheid steunt dus op het algemeen beginsel dat een strafrechtelijke veroordeling of minnelijke schikking per definitie de schending betekent van een regel die de openbare orde raakt. De strafrechtelijke veroordeling wordt uitgesproken door een magistraat, de minnelijke schikking wordt afgehandeld door het openbaar ministerie, en de inbreuk op zich werd vastgesteld met (dure) gerechtelijke maatregelen. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld administratieve sancties en onmiddellijke inningen in het wegverkeersrecht die niet worden uitgesproken na een dure, gerechtelijke procedure. ’. Deze verantwoording doet evenwel een aantal bedenkingen rijzen. Dat magistraten dienen te worden ingezet, geldt evenzeer voor andere procedures dan strafrechtelijke. Voorts wordt een deel van de kost van het strafproces gedragen door de veroordeelde doordat hij tot het betalen van de gerechtskosten wordt veroordeeld. Ten slotte heeft de rechtsbijstand ter financiering waarvan de bijdrage wordt geheven, ook betrekking op de niet-strafrechtelijke procedures. De genoemde elementen kunnen derhalve moeilijk de algehele uitsluiting 7 verantwoorden van personen die in andere procedures betrokken zijn dan strafrechtelijke » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1851/005, pp. 6-7). B.5.4. Ingevolge dat advies werd het wetsvoorstel geamendeerd, teneinde de verplichting tot betaling van de bijdrage aan het Begrotingsfonds uit te breiden en op te leggen in strafrechtelijke procedures, in burgerlijke procedures en in de procedures voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de Raad van State. De verantwoording bij dat amendement vermeldt : « In zijn advies van 24 juni 2016 (59 626/3 en 59 627/3) op het wetsvoorstel tot oprichting van een fonds voor de juridische bijstand (Parl. St. Kamer 2015-2016, nr. 54-1851) formuleert de Raad van State fundamentele bemerkingen op de tekst van dit wetsvoorstel. Enerzijds wijst de Raad van State op het mogelijk discriminatoir karakter van een beperking van de bijdragebetaling tot strafrechtelijke procedures en anderzijds oordeelt de Raad van State dat in het voorstel een vrijstelling van bijdrage ontbreekt in hoofde van rechthebbenden van volledige of gedeeltelijke kosteloze juridische tweedelijnsbijstand. Tot slot is de kwalificatie van de bijdrage niet duidelijk voor de Raad van State. Het uitgangspunt van de indieners van het amendement is dat het vasthouden aan de oorspronkelijke benadering van het wetsvoorstel, met name enkel een bijdrageverplichting in hoofde van strafrechtelijk veroordeelden, de discriminatietoets niet kan doorstaan en voorbij gaat aan de omvang van de juridische bijstand die ruim het strafrecht sensu lato overtreft. Het wetsvoorstel heeft tot doel bij te dragen tot de financiering van de juridische tweedelijnsbijstand. De kosteloze juridische tweedelijnsbijstand bestrijkt vele rechtsdomeinen en is niet beperkt tot bijstand in strafrechtelijke procedures. De aanvullende financiering van de juridische tweedelijnsbijstand kan zich bijgevolg niet beperken tot de invoering van een bijdrage in strafrechtelijke procedures, die trouwens slechts een relatief aandeel vertegenwoordigen van de zaken waarin bijstand wordt verleend. Ter illustratie : in 2014 werden er 781 818 niet-strafrechtelijke zaken afgehandeld tegenover 324 807 strafrechtelijke zaken, wat neerkomt op een verhouding van circa 70 % tegenover 30 % (bron : Kerncijfers van de gerechtelijke activiteit – Gegevens 2014, College van de hoven en rechtbanken). Een beperking van de bijdrageplicht tot strafrechtelijke zaken is dus niet proportioneel. In dit amendement wordt bijgevolg een verplichting tot betaling van een bijdrage bepaald in strafrechtelijke procedures, in burgerlijke procedures en in administratiefrechtelijke procedures voor zover het procedures betreft voor een federaal rechtscollege samengesteld uit beroepsrechters. De keuze voor de beperking van de bijdrageplicht tot procedures die worden gevoerd voor een federaal georganiseerd rechtscollege volgt uit de stelling dat elke gebruiker van de openbare dienst van de rechtspraak baat heeft bij een goede juridische tweedelijnsbijstand. Ofwel is hijzelf gebruiker van de tweedelijnsbijstand en betaalt hij zijn persoonlijke bijdrage voor de dienst die hij persoonlijk geniet, ofwel is hij zelf geen directe gebruiker van de tweedelijnsbijstand, maar heeft hij baat bij een goed functionerende tweedelijnsbijstand. Dat 8 laatste zal zijn indien zijn tegenpartij de dienst van de tweedelijnsbijstand geniet en dus in een 1 op 1 verhouding gebaat is bij een vlotte afwikkeling van het geding waartoe de tweedelijnsbijstand bijdraagt. Ook indien geen enkele partij in een geding tweedelijnsbijstand geniet, zijn alle partijen gebaat bij een goede tweedelijnsbijstand. Door een kwaliteitsvolle tweedelijnsbijstand in het algemeen zal de werking van een rechtbank daar baat bij hebben. Indien de afwikkeling van een toenemend aantal zaken wordt bemoeilijkt omdat de tweedelijnsbijstand in die zaken onvoldoende performant verloopt, dan heeft die verstoring noodgedwongen invloed op de vlotte afwikkeling van andere [zaken] in die rechtbank (de ketting is maar zo sterk als haar zwakste schakel). Kortom, ook wie zelf geen beroep doet op de juridische tweedelijnsbijstand geniet bij het gebruik van de openbare dienst van het rechtspreken de voordelen van het bestaan van een performante tweedelijnsbijstand. Deze gedachte drukt dus de retributiebenadering in de brede zin uit, wat het mogelijk maakt om de bijdrage te affecteren aan het fonds en de bestemming van de gelden te verankeren » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-1851/006, pp. 8-9). B.6.1. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de bijdrageverplichting niet heeft willen beperken tot de strafrechtelijk veroordeelden, maar die verplichting in het algemeen heeft willen opleggen in de procedures voor een federaal georganiseerd rechtscollege, ongeacht of het gaat om een burgerlijke, een strafrechtelijke of een administratiefrechtelijke procedure, op grond van de overweging dat elke gebruiker van de openbare dienst van de rechtspraak baat heeft bij een goede juridische tweedelijnsbijstand, hetgeen een legitieme doelstelling is. Daarbij beoogt de wetgever om, in overeenstemming met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, de juridische bijstand te waarborgen voor diegenen die anders hun fundamenteel recht op toegang tot de rechter niet zouden kunnen uitoefenen. Dat doel kan verantwoorden dat de bijdrage wordt opgelegd aan de rechtzoekenden die worden geacht over de nodige financiële draagkracht te beschikken. B.6.2. In het licht van de nagestreefde doelstelling is het redelijk verantwoord dat de bijdrage aan het Begrotingsfonds tevens wordt opgelegd aan de partij die op grond van artikel 1384, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek) burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de fouten van zijn werknemer. De omstandigheid dat de burgerrechtelijk aansprakelijke partij zelf geen strafrechtelijke veroordeling oploopt, vormt ten aanzien van die doelstelling geen reden waarom aan haar geen bijdrage zou kunnen worden opgelegd, daar ook zij gebruikt maakt van de openbare dienst van de rechtspraak en ook zij wordt geacht over de nodige financiële draagkracht te beschikken. 9 B.6.3. Voorts kan de omstandigheid dat de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon « insgelijks aansprakelijk [is] voor de geldboete » en de kosten, waaronder de bijdrage aan het Begrotingsfonds, die inzake het overtreden van bepalingen van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » worden opgelegd aan de beklaagde (artikel 67 van die wet), wanneer die persoon overeenkomstig artikel 1384, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek burgerrechtelijk aansprakelijk is, niet tot gevolg hebben dat artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 onredelijk is. Immers, de wetgever was van oordeel dat, ten aanzien van de toenemende problemen van het wegverkeer en het grote aantal verkeersongevallen en ermede rekening houdend dat een stijgend aantal personen voor rekening rijdt van hun werkgever, bijzondere maatregelen dienden te worden genomen. Reeds sedert lang heeft hij aan de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon het betalen van de geldboetes en de bijkomende kosten inzake het wegverkeer, waaronder de bijdrage aan het Begrotingsfonds, opgelegd. Terwijl het belangrijkste doel van die maatregel erin bestaat de invordering van de geldboetes en de bijkomende kosten te vergemakkelijken, strekt hij ook ertoe de werkgever voor wiens rekening de beklaagde werkte op het ogenblik van de inbreuk, te responsabiliseren. Die geldelijke maatregel is van burgerlijke aard, heeft niet het karakter van een strafrechtelijke veroordeling ten aanzien van de tot de betaling gehouden persoon, die niet wordt beschouwd als de dader van de inbreuk, en wordt niet in het strafregister van de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon vermeld. B.7. Artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 19 maart 2017, in zoverre de burgerrechtelijk aansprakelijke partij in eigen naam wordt veroordeeld tot een bijdrage aan het Begrotingsfonds, boven op haar burgerlijke gehoudenheid tot betaling van de bijdrage waartoe de beklaagde werd veroordeeld, is bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand » schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet, in zoverre de burgerrechtelijk aansprakelijke partij in eigen naam wordt veroordeeld tot een bijdrage aan dat Begrotingsfonds, boven op haar burgerlijke gehoudenheid tot betaling van de bijdrage waartoe de beklaagde werd veroordeeld. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 mei 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.079 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot