ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.078
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-05-15
🌐 FR
Arrest
verworpen
Rechtsgebied
fiscaal_recht
Geciteerde wetgeving
22 december 2023, 6 januari 1989, Constitution, GRONDWET, Grondwet
Samenvatting
het beroep tot vernietiging van de artikelen 22, 23, 2°, en 26 van de programmawet van 22 december 2023, ingesteld door de bv « DCGC ».
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.078
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 15 mei 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.078
Arrest- Rolnummer:
78/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-05-26
Raadplegingen:
126 - laatst gezien 2025-12-15 14:10
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
het beroep tot vernietiging van de artikelen 22, 23, 2°, en 26 van de
programmawet van 22 december 2023, ingesteld door de bv « DCGC ». Fiscaal
recht - Vennootschapsbelasting - Niet-uitgekeerde winst van door een belastingplichtige
gecontroleerde buitenlandse vennootschappen - CFC ( controlled foreign
company ) - Belastingregeling
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 78/2025
van 15 mei 2025
Rolnummer : 8268
In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 22, 23, 2°, en 26 van de programmawet van 22 december 2023, ingesteld door de bv « DCGC ».
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 juni 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 juli 2024, heeft de bv « DCGC », vertegenwoordigd door haar bewindvoerder Laurent Donnay de Casteau, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 22, 23, 2°, en 26 van de programmawet van 22 december 2023 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2023).
De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Axel Haelterman en mr. Maxim Wuyts, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend.
Bij beschikking van 12 maart 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen.
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen.
2
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. In rechte
-A-
Ten aanzien van het belang
A.1. De verzoekende partij verantwoordt haar belang door de omstandigheid dat de bestreden regeling van toepassing is op de vennootschappen die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, waartoe zij behoort.
A.2. De Ministerraad voert aan dat het loutere feit dat de verzoekende partij aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, niet aantoont dat zij rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt door de bestreden bepalingen. Volgens hem zou de verzoekende partij enkel over een belang beschikken in het geval waarin de belastingregeling voor niet-uitgekeerde winst van gecontroleerde buitenlandse vennootschappen op haar van toepassing zou zijn. Haar jaarrekening toont evenwel aan dat zij een deelneming bezit in een Belgische vennootschap en niet in een buitenlandse vennootschap.
De verzoekende partij toont evenmin aan dat het voldoende waarschijnlijk is dat zij, op een of andere manier, rechtstreeks en ongunstig kan worden geraakt door de bestreden bepalingen.
A.3. De verzoekende partij antwoordt dat zij een deelneming van 75 % bezit in een burgerlijke vastgoedvennootschap naar Frans recht met rechtspersoonlijkheid, zodat zij aan het in artikel 185/2, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vastgestelde criterium voldoet. De verzoekende partij doet gelden dat dergelijke vennootschappen fiscaal transparant zijn, hetgeen betekent dat de vennoten in Frankrijk worden belast alsof zij rechtstreeks eigenaar van het goed zouden zijn. Aangezien de vennootschap een rechtspersoon is, wordt zij evenwel geacht belastbaar te zijn in het Belgische recht.
A.4. De Ministerraad repliceert dat de verzoekende partij, in plaats van de argumenten die hij uiteenzet, ongeldig te verklaren, daarentegen erkent dat zij een deelneming van 75 % bezit in een buitenlandse vennootschap die op 20 september 2024 is opgericht, met andere woorden na de ontvangst van de memorie van de Ministerraad.
Dat blijkt eveneens uit de « Annuaire des entreprises françaises ». De verzoekende partij controleerde met andere woorden geen buitenlandse vennootschap toen zij haar verzoekschrift heeft ingediend. Hij is dan ook van mening dat de verzoekende partij kunstmatig een belang post factum heeft gecreëerd.
In het verzoekschrift wordt evenmin het bestaan vermeld van een eventueel belang dat zou kunnen worden afgeleid uit een lopend project of initiatief. Volgens de Ministerraad is het noodzakelijk, ook al heeft het Hof aanvaard dat een belang van eventuele aard kan zijn, dat die eventualiteit reeds bestaat op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift, en dat dat belang niet louter hypothetisch is of betrekking heeft op handelingen die nog niet zijn aangevangen of gepland op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift.
Ten slotte voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partij niet aantoont in welk opzicht de bestreden bepalingen de kenmerken en activiteiten van de buitenlandse vennootschap die zij controleert, concreet raken.
-B-
B.1. Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op de belastingregeling voor niet-uitgekeerde winst van door een belastingplichtige gecontroleerde buitenlandse
3
vennootschappen. De invoering van die regeling heeft tot doel belastingontwijkingspraktijken te bestrijden (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3697/001, p. 14).
B.2.1. In haar verzoekschrift verantwoordt de verzoekende partij haar belang door de omstandigheid dat die regeling van toepassing is op de vennootschappen die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, waartoe zij behoort.
B.2.2. De Ministerraad doet gelden dat de verzoekende partij, op de dag van het instellen van het beroep, geen buitenlandse vennootschap controleerde, zodat de bestreden bepalingen niet op haar van toepassing waren. Hij besluit daaruit dat zij niet over een actueel belang beschikte.
B.3. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.
B.4.1. De verzoekende partij is een vennootschap die actief is in de activiteitensector van de advocaten.
In die hoedanigheid van vennootschap is zij een belastingplichtige die aan de inkomstenbelastingen, en in het bijzonder aan de vennootschapsbelasting, is onderworpen.
B.4.2. De hoedanigheid van belastingplichtige volstaat echter niet om een belang aan te tonen om in rechte op te treden ten aanzien van elke bepaling die het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992) zou wijzigen.
Bij de beoordeling van het belang om in fiscale aangelegenheden in rechte op te treden, dient immers rekening te worden gehouden, enerzijds, met de draagwijdte van de bestreden bepalingen en met de specifieke categorieën van belastingplichtigen die met die bepalingen worden beoogd en, anderzijds, met de bijzondere situatie van die belastingplichtigen die, gelet op de met de bestreden bepalingen nagestreefde doelstellingen, zich fundamenteel kunnen onderscheiden van de andere categorieën van belastingplichtigen.
4
B.5. Artikel 185/2, § 1, van het WIB 1992 bepaalt :
« Onverminderd de toepassing van artikel 185, § 2, a), omvat winst eveneens de in paragraaf 2 omschreven niet-uitgekeerde winst, van de buitenlandse vennootschap, van de buitenlandse inrichting van die buitenlandse vennootschap of van de buitenlandse inrichting van de belastingplichtige die in toepassing van paragraaf 3 als gecontroleerde buitenlandse vennootschap of CFC wordt aangemerkt en niet overeenkomstig paragraaf 4 van de toepassing van dit artikel is vrijgesteld voor zover die niet-uitgekeerde winst door de CFC werd behaald in de loop van een belastbaar tijdperk dat werd afgesloten in de loop van het belastbare tijdperk van de belastingplichtige ».
Uit die bepaling blijkt dat, om vast te stellen of de belastingregeling voor niet-uitgekeerde winst van gecontroleerde buitenlandse vennootschappen van toepassing is, dient te worden onderzocht of de buitenlandse entiteit als een « CFC » (« controlled foreign company ») in de zin van artikel 185/2, § 3, van het WIB 1992 kan worden aangemerkt.
Die bepaling luidt :
« De buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting van die vennootschap, wordt voor de toepassing van dit artikel aangemerkt als een CFC indien :
- de belastingplichtige al dan niet samen met zijn geassocieerde entiteiten de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van deze buitenlandse vennootschap bezit, ofwel samen met zijn geassocieerde entiteiten een deelneming bezit van ten minste 50 pct. van het kapitaal van deze buitenlandse vennootschap, ofwel samen met zijn geassocieerde entiteiten recht heeft op ten minste 50 pct. van de winst van deze vennootschap;
en indien
- de buitenlandse vennootschap of de buitenlandse inrichting krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar zij is gevestigd, aldaar ofwel niet aan een inkomstenbelasting is onderworpen ofwel onderworpen is aan een inkomstenbelasting die minder dan de helft bedraagt van de vennootschapsbelasting die verschuldigd zou zijn geweest indien deze buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting in België zou zijn gevestigd of zou zijn gelegen.
[…] ».
B.6. Op het moment dat zij haar verzoekschrift heeft ingediend, voldeed de verzoekende partij niet aan de in artikel 185/2, § 3, van het WIB 1992 vastgestelde voorwaarden, zodat de belastingregeling voor niet-uitgekeerde winst van gecontroleerde buitenlandse vennootschappen niet op haar van toepassing was.
5
Voor het overige toont de verzoekende partij niet aan dat zij vóór het instellen van het beroep stappen had ondernomen om een buitenlandse vennootschap te bezitten.
Daaruit volgt dat de verzoekende partij niet deed blijken van een belang op het moment dat zij haar beroep heeft ingesteld.
De omstandigheid dat de verzoekende partij de controle over een buitenlandse vennootschap heeft verworven op 24 september 2024, met andere woorden nadat zij de memorie van de Ministerraad heeft ontvangen, wijzigt die conclusie niet, aangezien het belang om in rechte te treden moet bestaan op de dag van het neerleggen van het verzoekschrift. Er anders over oordelen, zou erop neerkomen dat wordt aanvaard dat de verzoekende partijen hun belang in de loop van de rechtspleging in het leven kunnen roepen ten behoeve van de zaak.
Bovendien houdt de hoedanigheid van vennootschap, waarop zij zich in haar verzoekschrift beroept, op zich niet in dat zij tot doel zou hebben de controle over een buitenlandse vennootschap te verwerven.
6
Om die redenen,
het Hof
verwerpt het beroep.
Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 mei 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Pierre Nihoul
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.078
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==