ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.077
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-05-15
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
18 mei 2006, 20 februari 2017, 21 december 2018, 24 april 2003, 6 januari 1989
Samenvatting
de prejudiciële vraag betreffende artikel 343, § 1, a), van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.077
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 15 mei 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.077
Arrest- Rolnummer:
77/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-05-26
Raadplegingen:
172 - laatst gezien 2025-12-15 14:10
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Schending (artikel 343, § 1, a), van het oud Burgerlijk Wetboek, in zoverre
het de rechter de mogelijkheid ontneemt om rekening te houden met het
belang van het kind in de in B.2.1 vermelde omstandigheden)
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de prejudiciële vraag betreffende artikel 343, § 1, a), van het oud
Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank
van eerste aanleg te Eupen. Burgerlijk recht - Afstamming - Adoptie -
Volle adoptie - Beperkende voorwaarden - Adoptie van een minderjarig kind
door twee voormalige partners die geen gezamenlijk verzoek tot adoptie
indienen
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 77/2025
van 15 mei 2025
Rolnummer : 8231
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 343, § 1, a), van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 29 mei 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 juni 2024, heeft de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 343, § 1, a), van het oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 21 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het niet bepaalt dat een minderjarig kind ten volle kan worden geadopteerd door twee voormalige partners die geen gezamenlijk verzoek tot adoptie indienen ? ».
Memories zijn ingediend door :
- V.B., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jennifer Honhon en mr. Didier Grignard, advocaten bij de balie Luik-Hoei;
- de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Evrard de Lophem en mr. Anne-Charlotte Ekwalla Timsonet, advocaten bij de balie te Brussel.
V.B. heeft ook een memorie van antwoord ingediend.
2
Bij beschikking van 12 maart 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen.
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
Sinds 2018 zijn D.V. en V.B. de pleegzorgers van A.F., een minderjarig kind. Hun echtscheiding wordt uitgesproken in 2021. Na hun scheiding heeft A.F. haar hoofdverblijf bij V.B. en een secundair verblijf bij D.V.
Sinds juni 2023 is de situatie omgekeerd : D.V. oefent het recht van hoofdverblijf uit en V.B. het recht van secundair verblijf. In oktober 2023 dient D.V. een verzoekschrift in tot volle adoptie van A.F. of, bij ontstentenis daarvan, tot gewone adoptie. V.B. vraagt eveneens om A.F. te adopteren, hetzij samen met D.V., hetzij alleen.
D.V. wenst niet te adopteren met V.B.
Het verwijzende rechtscollege voegt de verzoeken van de gewezen echtgenoten samen. Het merkt op dat het voornemen om te adopteren is ontstaan tijdens het huwelijk van de partijen, maar dat het werd opgeschort ten gevolge van hun scheiding. Het merkt bovendien op dat de dienst voor jeugdbescherming van mening is dat de volle adoptie in het belang van het kind is. Na te hebben geoordeeld dat de adoptie op wettige redenen is gegrond, overeenkomstig artikel 344-1 van het oud Burgerlijk Wetboek, stelt het verwijzende rechtscollege vast dat de artikelen 343 en volgende van hetzelfde Wetboek niet voorzien in de adoptie door twee gewezen partners die geen gezamenlijk verzoek indienen. Bij ontstentenis van een afstammingsband tussen de partijen is artikel 344-3 van het oud Burgerlijk Wetboek niet van toepassing. Artikel 347 van het oud Burgerlijk Wetboek maakt het evenmin mogelijk om twee adopties uit te spreken. Het verwijzende rechtscollege stelt aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag.
III. In rechte
-A-
A.1.1. V.B. vraagt zich af of het opportuun is om de draagwijdte van de prejudiciële vraag uit te breiden tot gezamenlijke verzoeken tot adoptie die door twee voormalige partners zijn ingediend. Zij is van mening dat de grondwettigheid van artikel 343, § 1, a), van het oud Burgerlijk Wetboek eveneens moet worden beoordeeld ten aanzien van de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
A.1.2. Volgens V.B. schendt artikel 343, § 1, a), van het oud Burgerlijk Wetboek de referentienormen, in zoverre het het een kind niet mogelijk maakt dat een kind ten volle wordt geadopteerd op basis van twee verzoeken tot adoptie die door zijn twee feitelijke ouders zijn ingediend. Zij zet uiteen dat artikel 343, § 1, a), van het oud Burgerlijk Wetboek enkel erin voorziet dat een persoon alleen (met inbegrip van een voormalige partner), een paar of samenwonenden de hoedanigheid van adoptant kunnen hebben. De onmogelijkheid voor twee voormalige partners om een verzoek tot volle adoptie in te dienen, berust volgens V.B. op de opvatting van de wetgever over het belang van het kind, volgens welke het te adopteren kind dat reeds uit zijn omgeving is weggehaald, moet kunnen worden opgevangen in « een familie, in de algemene betekenis van het woord ».
3
V.B. doet gelden dat de voor het verwijzende rechtscollege in het geding zijnde verzoeken tot adoptie voortvloeien uit een gemeenschappelijk ouderschapsproject dat zij met haar gewezen echtgenoot heeft ontwikkeld, dat haar gewezen echtgenoot en zijzelf A.F. hebben opgevangen toen zij elf maanden oud was, nadat zij was verlaten door haar biologische moeder en omdat haar wettelijke vader afwezig was, dat A.F., V.B. en D.V. een nauwe band hebben opgebouwd ondanks de scheiding van die laatsten en dat A.F. geen andere ouderlijke aanspreekpunten heeft. Volgens V.B. bestaat er een sterke en duurzame materiële en socioaffectieve relatie tussen A.F., V.B. en D.V., die reeds een gezin vormen, en is het in het hoger belang van A.F. om haar twee feitelijke ouders de mogelijkheid te bieden haar te adopteren. De adoptie van A.F. door een van de twee kandidaat-
adoptanten zou tot gevolg hebben dat de andere kandidaat-adoptant uit het leven van A.F. wordt uitgesloten, hetgeen zou indruisen tegen het belang van A.F. Een en ander zou een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen kandidaat-adoptanten die voormalige partners zijn en, enerzijds, kandidaat-
adoptanten die voormalige partners zijn en die het kind van hun voormalige partner kunnen adopteren en, anderzijds, kandidaat-adoptanten die partners zijn.
A.1.3. V.B. voert aan dat de Staat zodanig moet optreden dat personen een normaal gezinsleven kunnen leiden en dat het begrip « gezin » evolutief is. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens doet zij gelden dat het al dan niet bestaan van een gezinsleven allereerst een feitelijke kwestie is, die afhangt van het bestaan van nauwe persoonlijke banden. Het feit dat de verzoekers samen met het kind zijn eerste belangrijke levensfasen hebben meegemaakt, het feit dat zij zich ten aanzien van het kind als ouders hebben gedragen, de kwaliteit van de in het geding zijnde banden, de rol die zij op zich hebben genomen ten aanzien van het kind en de duur van hun samenwoning met het kind – ondanks hun scheiding – zijn in dat verband pertinente beoordelingselementen. Er is geen enkele reden om het begrip « privéleven » in die zin te begrijpen dat het de affectieve banden uitsluit die zich hebben ontwikkeld tussen een volwassene en een kind buiten de klassieke situaties van verwantschap om. Dergelijke banden maken ook deel uit van het leven en van de sociale identiteit van personen.
V.B. zet uiteen dat, indien zij een gezamenlijk verzoek tot volle adoptie had ingediend met D.V., dat verzoek ontvankelijk zou zijn geweest, ook al zijn zij uit de echt gescheiden. Dat bevestigt dat de wetgever erkent dat, in de ogen van het kind, V.B. en D.V., hoewel gescheiden, zijn enige familie zijn. Het zou achterhaald zijn om te oordelen dat enkel de personen die onder hetzelfde dak wonen een stabiel familiaal kader aan een kind kunnen bieden. In zijn arrest Wagner en J.M.W.L. t. Luxemburg van 28 juni 2007
(
ECLI:CE:ECHR:2007:0628JUD007624001
) bevestigt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat, ondanks de scheiding, het belang van het kind steeds erin bestaat een nieuwe afstammingsband te genieten ten aanzien van een persoon die evenzeer deel uitmaakt van zijn gevoels- en gezinsleven als zijn wettelijke ouder.
Volgens V.B. is de wijze waarop de verzoeken tot adoptie werden ingediend slechts een procedurekwestie die noch de band die het kind met zijn twee feitelijke ouders heeft, noch hun vermogen om aan het kind twee stabiele gezinsomgevingen te bieden en een gevoels- en gezinsleven voor dat kind in stand te houden, in het gedrang kan brengen. Het feit dat elke partij het voornemen tot adoptie afzonderlijk voortzet, bevestigt het gemeenschappelijke voornemen om te adopteren. Aangezien de bij onderscheiden verzoekschriften ingediende verzoeken tot adoptie werden samengevoegd door het verwijzende rechtscollege, zullen zij samen worden onderzocht. De situatie voor het verwijzende rechtscollege is dus dezelfde als wanneer de partijen hun verzoeken tot adoptie gezamenlijk hadden ingediend. V.B. zet uiteen dat D.V. niet was vertegenwoordigd op de zitting voor het verwijzende rechtscollege, dat hij de juridische draagwijdte van de hem mondeling gestelde vraag of hij ermee zou instemmen om samen met V.B. te adopteren niet goed heeft ingeschat en dat hij die vraag bevestigend zou hebben beantwoord indien hij had begrepen dat zijn weigering de adoptie van A.F., zowel door hem als door haar, onmogelijk zou maken. Geen enkel objectief criterium verantwoordt de uitsluiting van de volle adoptie van een kind wegens het loutere feit dat het verzoek tot adoptie werd ingediend bij twee onderscheiden verzoekschriften.
Het standpunt van de Ministerraad heeft tot gevolg dat enkel de eerste kandidaat-adoptant zou worden toegestaan het kind te adopteren, hetgeen de adoptie zou doen afhangen van de datum waarop het verzoekschrift wordt ingediend (en niet van het belang van het kind) en hetgeen discriminerend zou zijn ten aanzien van de tweede kandidaat-adoptant. De familierechtbanken worden dagelijks geconfronteerd met partijen van wie de standpunten over de kinderen verschillen, zonder dat dit het feit dat die kinderen worden geacht een familie te hebben, in het geding brengt.
A.2. De Ministerraad merkt op dat de prejudiciële vraag de te vergelijken categorieën van personen niet identificeert. Hij is van mening dat de hoedanigheid van voormalige partner van de kandidaat-adoptanten geen objectief en pertinent criterium is dat toelaat die categorieën van personen te identificeren. Volgens de Ministerraad dienen, enerzijds, de alleenstaande persoon die een verzoek tot volle adoptie indient en, anderzijds, de
4
alleenstaande persoon die een verzoek tot volle adoptie indient terwijl een andere alleenstaande persoon een soortgelijk concurrerend verzoek indient, met elkaar te worden vergeleken : terwijl de persoon die tot de eerste categorie behoort, toegang heeft tot de volle adoptie, is dat niet het geval voor de persoon die tot de tweede categorie behoort. De Ministerraad is van mening dat het verschil in behandeling tussen die categorieën van personen op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is.
Artikel 343, § 1, a), van het oud Burgerlijk Wetboek beoogt het geadopteerde kind een stabiele gezinsomgeving in het belang van dat kind te waarborgen. Dat doel is legitiem. De parlementaire voorbereiding van de wet van 24 april 2003 « tot hervorming van de adoptie » stelt een verband vast tussen de adoptie en de stabiliteit van de relatie tussen de kandidaat-adoptanten. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 februari 2017 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, betreffende de adoptie » werd de stabiliteit van de relatie tussen de adoptanten vervangen door het zoeken naar een stabiele omgeving en het behoud van een gevoels-
en gezinsleven voor de geadopteerde. Het Hof heeft de legitimiteit van dat laatste doel in verschillende arresten bevestigd. Het doel om voor het geadopteerde kind een stabiele gezinsomgeving te waarborgen, zou niet worden bereikt indien een van de alleenstaande kandidaat-adoptanten die afzonderlijke verzoeken indienen, weigert dat de andere kandidaat het kind adopteert. De voormalige huwelijks- of samenwoningsrelatie tussen de kandidaat-
adoptanten heeft geen enkele weerslag op de beoordeling van hun onderscheiden verzoeken tot adoptie. De scheiding van de kandidaten beklemtoont de onafhankelijkheid van de verzoeken tot adoptie en het gebrek aan een gemeenschappelijk voornemen om te adopteren. De eventuele sociale of emotionele band tussen het kind en elk van de kandidaat-adoptanten kan de ontstentenis van een gemeenschappelijk voornemen om te adopteren van de kandidaat-adoptanten niet verhelpen.
Het feit dat de alleenstaande persoon die een verzoek tot volle adoptie indient terwijl een andere alleenstaande persoon een soortgelijk concurrerend verzoek indient, van de hoedanigheid van adoptant wordt uitgesloten, heeft geen onevenredige gevolgen. In naam van het belang van het kind heeft de wetgever de definitie van de adoptant moeten beperken tot de gezinsstructuren die het mogelijk maken een stabiele gezinsomgeving te waarborgen voor de geadopteerde. Veelvoudige adopties door alleenstaande derden die geen gemeenschappelijk voornemen tot adoptie hebben, zijn ondenkbaar, in het belang van het kind. Die adopties zouden immers verwarring kunnen creëren bij het geadopteerde kind, door het de verankering te ontzeggen die het nodig heeft om op te groeien. Het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het recht om te adopteren overigens niet.
-B-
B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 343, § 1, a), van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 24 april 2003 « tot hervorming van de adoptie » (hierna : de wet van 24 april 2003) en zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 18 mei 2006 « tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, teneinde de adoptie door personen van hetzelfde geslacht mogelijk te maken » (hierna : de wet van 18 mei 2006), dat bepaalt :
« Er wordt verstaan onder :
a) adoptant : een persoon, echtgenoten, of samenwonenden; ».
De in die bepaling bedoelde « samenwonenden » zijn « twee personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd of twee personen die op een permanente en affectieve wijze samenwonen sedert ten minste drie jaar op het tijdstip van de indiening van het
5
verzoek om adoptie, voor zover zij niet door een band van bloedverwantschap zijn verbonden die leidt tot een huwelijksverbod waarvoor de familierechtbank geen ontheffing kan verlenen »
(artikel 343, § 1, b), van hetzelfde Wetboek).
B.1.2. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of het voormelde artikel 343, § 1, a), van het oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 21 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, schendt, « in zoverre het niet bepaalt dat een minderjarig kind ten volle kan worden geadopteerd door twee voormalige partners die geen gezamenlijk verzoek tot adoptie indienen ».
B.1.3. Krachtens het voormelde artikel 343, § 1, a), van het oud Burgerlijk Wetboek kan de adoptie plaatsvinden hetzij door een persoon alleen, hetzij door twee echtgenoten of twee samenwonenden in de zin van het voormelde artikel 343, § 1, b), van hetzelfde Wetboek.
Bovendien, krachtens artikel 344-3 van hetzelfde Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 3
van de wet van 20 februari 2017 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, betreffende de adoptie » (hierna : de wet van 20 februari 2017), kan een persoon het kind van zijn voormalige partner adopteren mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. De « voormalige partner »
in de zin van die bepaling is « de voormalige echtgenoot of de voormalige wettelijk samenwonende, of een van de gescheiden personen die op een permanente en affectieve wijze hebben samengewoond gedurende ten minste drie jaar, voor zover zij niet door een band van bloedverwantschap zijn verbonden die leidt tot een huwelijksverbod waarvoor de familierechtbank geen ontheffing kan verlenen » (artikel 343, § 1, b/1), van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 20 februari 2017 en zoals gewijzigd bij artikel 119 van de wet van 21 december 2018 « houdende diverse bepalingen betreffende justitie »). Bij zijn arrest nr. 173/2021 van 2 december 2021 (
ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.173
)
heeft het Hof geoordeeld dat « artikel 344-3, 1° en 2°, van het oud Burgerlijk Wetboek […] de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 21 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, [schendt] in zoverre die bepaling erin voorziet dat een minderjarig kind van wie de afstammingsband met de wettelijke ouder werd vastgesteld vóór het huwelijk, de wettelijke samenwoning of het samenleven van die wettelijke ouder met de voormalige partner of een minderjarig kind dat twee vastgestelde afstammingsbanden heeft, niet ten volle kan worden geadopteerd door de voormalige partner van de wettelijke ouder van dat kind, met behoud van de juridische banden tussen het kind en de familie van die wettelijke
6
ouder overeenkomstig artikel 356-1, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek en met toepassing van de in artikel 356-2, § 2, tweede en derde lid, van hetzelfde Wetboek vervatte bepalingen betreffende de naam van het kind ».
B.1.4. Het verwijzende rechtscollege stelt het Hof een vraag over de categorie van kinderen voor wie twee voormalige partners om de volle adoptie verzoeken, in zoverre de in het geding zijnde bepaling niet erin voorziet dat een adoptie in dat geval kan worden uitgesproken.
Het Hof wordt verzocht om de situatie van die categorie van kandidaat-geadopteerden, die worden uitgesloten van de mogelijkheid om te worden geadopteerd, te vergelijken met de situatie van de categorieën van kandidaat-geadopteerden voor wie wel in die mogelijkheid is voorzien, namelijk, zoals voortvloeit uit hetgeen in B.1.3 is vermeld : (1) de kinderen voor wie een persoon alleen om de volle adoptie verzoekt (met inbegrip van de voormalige partner van de wettelijke ouder) en (2) de kinderen voor wie twee echtgenoten of twee samenwonenden om de volle adoptie verzoeken.
B.1.5. De partijen voor het Hof mogen de draagwijdte van een prejudiciële vraag niet wijzigen of uitbreiden.
Er bestaat bijgevolg geen aanleiding om de in het geding zijnde bepaling te toetsen aan de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
B.2.1. De voor het verwijzende rechtscollege hangende zaak heeft betrekking op twee verzoekschriften tot volle adoptie van een kind die door elk van de pleegzorgers van dat kind werden ingediend.
Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het kind bij de kandidaat-adoptanten werd geplaatst toen zij gehuwd waren, dat zij vervolgens uit de echt zijn gescheiden en dat het kind, sinds hun scheiding, eerst zijn hoofdverblijf bij de ene en vervolgens bij de andere kandidaat-adoptant heeft gehad.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt ook dat de biologische ouders van het kind uit het ouderlijk gezag zijn ontzet, dat er een duurzame feitelijke ouder-kindrelatie bestaat tussen elk
7
van de kandidaat-adoptanten en het kind, dat de dienst voor jeugdbescherming van mening is dat een volle adoptie in het belang van het kind is en dat een van de twee kandidaat-adoptanten zich verzet tegen een gezamenlijke adoptie met de andere kandidaat-adoptant.
B.2.2. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de in de prejudiciële vraag vermelde referentienormen, in zoverre zij niet erin voorziet dat een kind ten volle kan worden geadopteerd door twee voormalige partners die dat kind als pleegzorgers hebben opgevangen tijdens het samenleven.
B.3.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.3.2. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden.
B.3.3. Artikel 22bis van de Grondwet bepaalt :
« Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit.
Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen.
Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen.
Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat.
8
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ».
Artikel 21 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt :
« De Staten die partij zijn en die adoptie erkennen en/of toestaan, waarborgen dat het belang van het kind daarbij de voornaamste overweging is, en :
a) waarborgen dat de adoptie van een kind slechts wordt toegestaan mits daartoe bevoegde autoriteiten, in overeenstemming met de van toepassing zijnde wetten en procedures en op grond van alle van belang zijnde en betrouwbare gegevens, bepalen dat de adoptie kan worden toegestaan gezien de status van het kind wat betreft ouders, familieleden en wettige voogden, en mits, indien vereist, de betrokkenen, na volledig te zijn ingelicht, op grond van de adviezen die noodzakelijk worden geacht, daarmee hebben ingestemd;
[...] ».
B.3.4. Artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet verplicht de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben. Artikel 21 van het Verdrag inzake de rechten van het kind legt een soortgelijke verplichting inzake adoptie op.
Hoewel het belang van het kind de eerste overweging vormt, heeft het geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen neemt het belang van het kind echter een bijzondere plaats in door het feit dat het de zwakke partij is in de familiale relatie.
B.4.1. Volgens artikel 356-1, eerste en tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek verleent de volle adoptie aan het kind en zijn afstammelingen een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen, als ware het kind geboren uit de adoptant of uit de adoptanten, en houdt het kind, onder voorbehoud van de huwelijksbeletsels omschreven in de artikelen 161 tot 164 van datzelfde Wetboek, op tot zijn oorspronkelijke familie te behoren.
Volgens artikel 356-1, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek houden kinderen of adoptieve kinderen van de echtgenoot van de adoptant, van de persoon met wie de adoptant samenwoont of van de voormalige partner van de adoptant evenwel niet op te behoren tot de familie van die echtgenoot, van de persoon met wie hij samenwoont of van de voormalige
9
partner, en wordt het ouderlijk gezag over de geadopteerde gezamenlijk uitgeoefend door de adoptant en die echtgenoot, persoon met wie hij samenwoont of voormalige partner.
B.4.2. Uit de combinatie van de artikelen 343, § 1, a) en b), en 356-1 van het oud Burgerlijk Wetboek volgt dat een kind ten volle kan worden geadopteerd, waarbij de juridische banden met zijn oorspronkelijke familie worden beëindigd, door een persoon alleen of door twee echtgenoten of twee samenwonenden. In het geval van een volle adoptie door de partner van de wettelijke ouder of door diens voormalige partner houdt het kind evenwel niet op tot de familie van die ouder te behoren en wordt het ouderlijk gezag over het kind gezamenlijk uitgeoefend door die ouder en de partner of de voormalige partner (artikelen 343, § 1, a), b) en b/1), en 356-1, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek).
Het kind dat, zoals in het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil, werd geplaatst bij twee partners die het als pleegzorgers hebben opgevangen tijdens het samenleven en dat gedurende een lange periode in hun bijzijn is opgegroeid, kan daarentegen niet ten volle worden geadopteerd door die partners na hun scheiding, zelfs niet indien zij nog steeds de pleegzorgers van dat kind zijn en zelfs indien beide voormalige partners, sinds het einde van het samenleven, met het kind een duurzame feitelijke relatie onderhouden die soortgelijk is aan die van een ouder met zijn kind.
B.5. Het in het geding zijnde verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, namelijk de gezinssituatie van de kandidaat-adoptanten.
B.6. De in het geding zijnde bepaling werd ingevoegd bij de wet van 24 april 2003.
Door de hoedanigheid van adoptant toe te kennen aan « een persoon, echtgenoten, of samenwonenden », heeft de wetgever de gezamenlijke adoptie door twee niet-gehuwde personen – die ten tijde van de inwerkingtreding van de wet van 24 april 2003 nog van ongelijk geslacht dienden te zijn, wat niet meer het geval is sinds de inwerkingtreding van de wet van 18 mei 2006 – mogelijk willen maken, alsmede de adoptie van het kind van de persoon met wie de kandidaat-adoptant samenwoont. Tot dan was de mogelijkheid om gezamenlijk een kind te adopteren voorbehouden aan twee echtgenoten (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1366/001 en 50-1367/001, pp. 11-12 en 18).
10
In de definitie van het begrip « samenwonenden » dat bij die wet in het voormelde artikel 343, § 1, b), van het oud Burgerlijk Wetboek is ingevoegd, werd de voorwaarde betreffende het permanente en affectieve samenwonen sedert ten minste drie jaar op het ogenblik van het indienen van het verzoek tot adoptie verantwoord onder verwijzing naar het belang van het kind. Volgens de parlementaire voorbereiding is het in het belang van de geadopteerde, die « reeds uit zijn omgeving is weggehaald », dat hij wordt opgevangen in « een familie, in de algemene betekenis van het woord », die, volgens die voorbereiding, dient te worden beschouwd als een « stabiel milieu » voor het kind (ibid.).
B.7.1. Het in het geding zijnde artikel 343, § 1, a), van het oud Burgerlijk Wetboek maakt het mogelijk dat een kind uitsluitend wordt geadopteerd door een persoon alleen (met inbegrip van de voormalige partner van de wettelijke ouder) of door twee echtgenoten of twee samenwonenden. Aldus verhindert die bepaling dat, voor het kind dat werd opgevangen door twee voormalige partners in hun hoedanigheid van pleegzorgers tijdens het samenleven, aan de duurzame feitelijke ouder-kindrelatie die in voorkomend geval bestaat tussen dat kind en elk van de voormalige partners, gevolgen worden verbonden die de verbintenissen die die personen bereid zijn aan te gaan ten aanzien van dat kind, juridisch verankeren, en dit zolang de wetgever niet voorziet in andere procedures.
B.7.2. In die mate heeft de in het geding zijnde bepaling gevolgen die onevenredig zijn ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel, dat, zoals is vermeld in B.6, mede is ingegeven door de overweging dat het in het belang is van het kind – dat « reeds uit zijn omgeving is weggehaald » – dat het wordt opgevangen in een « stabiel milieu ». In de gevallen waarin de feitelijke ouder-kindrelatie tussen een kind en elk van de voormalige partners die het in hun hoedanigheid van pleegzorgers hebben opgevangen tijdens het samenleven, duurzaam vaststaat, zou de volle adoptie van dat kind door de beide voormalige partners, ondanks de beëindiging van de juridische banden tussen het kind en zijn oorspronkelijke familie en ondanks de scheiding van de kandidaat-adoptanten, noch met zich meebrengen dat het kind uit zijn omgeving wordt weggehaald, noch tot gevolg hebben dat het zou worden opgevoed in een milieu dat per definitie dient te worden beschouwd als instabiel. Zulk een adoptie zou integendeel doorgaans kunnen bijdragen tot de stabiliteit van de gezinsomgeving en de bestaande feitelijke verhoudingen binnen die gezinsomgeving juridisch kunnen bekrachtigen.
11
B.7.3. Wanneer een kind wordt geplaatst bij twee partners die, na hun scheiding, een verzoekschrift tot volle adoptie van dat kind indienen en wanneer dat kind een duurzame en affectieve feitelijke ouder-kindrelatie onderhoudt met elk van hen, laat niets toe te vermoeden dat het nooit in het belang van het kind is om ten volle te worden geadopteerd door elk van die twee voormalige partners.
De in het geding zijnde bepaling ontneemt de rechter de mogelijkheid om rekening te houden met het belang van het kind in de in B.2.1 vermelde omstandigheden, terwijl zulks het geval moet zijn overeenkomstig artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet en artikel 21 van het Verdrag inzake de rechten van het kind.
B.8. Het staat aan de wetgever de vastgestelde ongrondwettigheid weg te werken.
In afwachting van dat wetgevend optreden staat het aan het verwijzende rechtscollege om, in de omstandigheden bedoeld in B.2.1, het belang van het kind te beoordelen om ten volle te worden geadopteerd door de twee voormalige partners die het als pleegzorgers hebben opgevangen tijdens hun samenleven en om, in voorkomend geval, de gelijktijdige volle adoptie van dat kind door de twee voormalige partners uit te spreken.
12
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 343, § 1, a), van het oud Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 21 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het de rechter de mogelijkheid ontneemt om rekening te houden met het belang van het kind in de in B.2.1 vermelde omstandigheden.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 mei 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Pierre Nihoul
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.077
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.173
ECLI:CE:ECHR:2007:0628JUD007624001
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==