Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.076

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-05-15 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

fiscaal_recht

Geciteerde wetgeving

12 april 1999, 15 maart 1999, 19 mei 2010, 20 juli 2006, 23 maart 1999

Samenvatting

de prejudiciële vraag betreffende artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing op de gemeentebelastingen in het Waalse Gewest krachtens artikel L3321-12 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, en artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.076 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.076 Arrest- Rolnummer: 76/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-05-26 Raadplegingen: 274 - laatst gezien 2025-12-15 14:09 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing op de gemeentebelastingen in het Waalse Gewest krachtens artikel L3321-12 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, en artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Fiscaal recht - Waals Gewest - Gemeentebelasting - Bezwaarschrift - Aanvangspunt van de beroepstermijn - Datum van verzending van het aanslagbiljet - Vermoeden van verzending Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 76/2025 van 15 mei 2025 Rolnummer : 8230 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing op de gemeentebelastingen in het Waalse Gewest krachtens artikel L3321-12 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, en artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Danny Pieters en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 23 mei 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 juni 2024, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Brengen artikel 371 van het WIB 1992, zoals van toepassing op de gemeentebelastingen bij artikel L3321-12 van het Waalse WPDD, in die zin geïnterpreteerd dat, wanneer de administratie beweert dat zij het aanslagbiljet naar het juiste adres van de belastingplichtige en in de vereiste vormen heeft verzonden, het als regelmatig ten aanzien van de administratie wordt beschouwd, zonder dat zij ertoe is gehouden het bewijs te leveren van het feit dat de verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, terwijl de belastingschuldige (al dan niet buitenlandse inwoner) die betwist dat hij het aanslagbiljet heeft ontvangen, een moeilijk te verstrekken tegenbewijs moet leveren en, wanneer hij beweert dat hij zijn bezwaarschrift naar het juiste adres van de administratie heeft verzonden, ertoe is gehouden het bewijs te leveren van het feit dat de verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, alsook artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek een onevenredige aantasting en beperking van het recht op toegang tot een rechter met zich mee en schenden zij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre zij een buitensporig zwaar 2 formalisme in het leven roepen in de vorm van een termijn waarvan het aanvangspunt de belastingschuldige volledig ontgaat en afhankelijk is van een vermoeden van regelmatige verzending dat hij niet concreet kan weerleggen, en, bijgevolg, een verstoord evenwicht op het gebied van bewijskracht tussen de partijen in het fiscale geding, en het grondrecht van de belastingschuldige om zijn fiscaal geschil voor de bevoegde rechter te brengen definitief verloren doen gaan, aangezien de belastingadministratie zich kan beperken tot het inroepen van het vermoeden van regelmatige verzending van het aanslagbiljet op de aangegeven datum, waaraan het wettelijke vermoeden van artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek wordt toegevoegd om vervolgens stelselmatig ertoe gehouden te zijn het verval vast te stellen en het administratief beroep onontvankelijk te verklaren omdat de belastingschuldige in de materiële onmogelijkheid verkeert om het tegenbewijs van het wettelijke vermoeden te leveren ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv naar Zwitsers recht « SITMEDIA », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Emmanuel Delannoy en mr. Salomé Camara, advocaten bij de balie te Brussel; - de stad Hoei, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Arnaud Destexhe, advocaat bij de balie Luik-Hoei; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Vincent Delcuve en mr. Mathieu Dekleermaker, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Isabelle Tasset, advocate bij de balie Luik-Hoei; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nathanaëlle Kiekens, mr. Lieselotte Schellekens en mr. Hannah Mignolet, advocates bij de balie te Brussel. De Vlaamse Regering heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 12 maart 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het gemeentelijk reglement van Hoei van 21 oktober 2019 dat een belasting op het verspreiden van publicitaire geschriften vestigt, verplicht de betrokken belastingplichtige om aan de gemeentelijke administratie 3 diverse inlichtingen te verstrekken die de belastingaanslag mogelijk maken. In 2020 stelt die administratie vast dat de aangiftes die de naamloze vennootschap naar Zwitsers recht « SITMEDIA » heeft gedaan met het oog op het verspreiden van dergelijke geschriften tijdens het tweede en het vierde kwartaal van dat jaar, onjuist zijn. Op 28 augustus 2020 en op 17 maart 2021 geeft de gemeentelijke administratie, met toepassing van het voormelde reglement en van artikel L3321-6 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, die vennootschap, bij ter post aangetekende brief, kennis van haar voornemen om over te gaan tot de aanslag van ambtswege. Na te hebben vastgesteld dat er geen reactie op die kennisgevingen is gekomen, kohiert het gemeentecollege op 16 oktober 2020 en op 3 mei 2021, de belastingen in die het verschuldigd acht en verhoogt het deze, om reden dat SITMEDIA het gemeentelijk reglement niet heeft nageleefd. Op 12 november 2021 laat SITMEDIA, nadat het een betalingsherinnering van de gemeente Hoei heeft ontvangen, de gemeentelijke administratie weten dat het de aanslagbiljetten met betrekking tot de voormelde belastingen niet heeft ontvangen. Op 16 november 2021 zendt de gemeente de vennootschap een duplicaat van die documenten over. Op 18 mei 2022 vraagt SITMEDIA aan de gemeente Hoei om na te gaan of zij wel degelijk het bezwaarschrift tegen de voormelde belastingen heeft ontvangen dat SITMEDIA beweert op 5 januari 2022 per e-mail naar haar te hebben verstuurd. Op 30 mei 2022 antwoordt de gemeente dat zij die e-mail niet heeft ontvangen. Bij een e-mail van 1 juni 2022 verstuurt SITMEDIA een bezwaarschrift tegen diezelfde belastingen en voegt zij daarbij een brief gedateerd 5 januari 2022. Dezelfde dag bevestigt de administratie de ontvangst van die e-mail. Op 1 september 2022 vraagt de gemeente Hoei aan SITMEDIA om haar het bewijs te leveren van de verzending van de e-mail die het beweert op 5 januari 2022 te hebben verzonden. Bij beslissing van 19 september 2022 verklaart het gemeentecollege van Hoei dat het bezwaarschrift van SITMEDIA onontvankelijk is omdat het is ingediend na het verstrijken van de in artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde termijn van zes maanden. Zij merkt in dat verband op dat de aanslagbiljetten met betrekking tot de verschuldigde belastingen voor het tweede en het vierde kwartaal van het aanslagjaar 2020 respectievelijk op 19 november 2020 en op 17 mei 2021 naar SITMEDIA werden verzonden. Het gemeentecollege voegt eraan toe dat de bezwaartermijn een aanvang heeft genomen vóór de verzending van de duplicaten in november 2021, dat de gemeentelijke administratie geen enkel spoor heeft teruggevonden van de ontvangst van een bezwaarschrift dat op 5 januari 2022 zou zijn verzonden, en dat SITMEDIA het bewijs van die verzending niet heeft voorgelegd. SITMEDIA verzoekt de burgerlijke rechtbank te Luik vervolgens om de voormelde belastingen nietig te verklaren. Die laatste leidt uit artikel 1385undecies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek af dat een dergelijke vordering niet ontvankelijk kan worden bevonden indien het administratief beroep dat vooraf door de eiser is ingesteld, onontvankelijk was. SITMEDIA betwist in dat verband de beslissing van niet-ontvankelijkheid die door het gemeentecollege van Hoei is genomen. De verzoekende vennootschap voert aan dat de gemeente haar de aanslagbiljetten niet heeft verzonden in november 2020 en in mei 2021 en bevestigt opnieuw dat zij een bezwaarschrift heeft ingediend op 5 januari 2022, met andere woorden minder dan zes maanden nadat zij die documenten heeft ontvangen. De rechtbank stelt vast dat, met toepassing van artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie, de datum van verzending van een aanslagbiljet, behoudens bewijs van het tegendeel, die is welke op dat document wordt vermeld. Gelet op de datum die is vermeld op de door de gemeente voorgelegde fiscale documenten, is zij dus van oordeel dat het op 1 juni 2022 ingediende bezwaarschrift onontvankelijk is omdat het niet tijdig is ingediend. Zij voegt eraan toe dat, zelfs indien zou vaststaan dat SITMEDIA reeds een bezwaarschrift had ingediend op 5 januari 2022, dat eveneens te laat zou zijn ingediend. SITMEDIA voert aan dat de wet een discriminerende situatie in het leven roept, in zoverre zij aan een datum die op een aanslagbiljet wordt vermeld, een grotere bewijswaarde toekent dan die welke zij toekent aan de datum die wordt vermeld op een brief waarbij een bezwaar wordt ingediend tegen de belasting die in het voormelde administratieve document wordt vermeld. De rechtbank beslist dan ook om het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.1. De naamloze vennootschap naar Zwitsers recht « SITMEDIA » bekritiseert het arrest van het Hof van Cassatie van 15 juni 2001 volgens hetwelk artikel 371, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 4 in die zin moet worden begrepen dat het betekent dat het aanslagbiljet wordt vermoed door de administratie te zijn verzonden op de datum die zij op dat document heeft vermeld. SITMEDIA is van mening dat die regel erop neerkomt dat de administratie wordt vrijgesteld van het verzenden van het aanslagbiljet en dat de belastingplichtige die betwist dat document te hebben ontvangen, wordt verplicht die niet-verzending te bewijzen. SITMEDIA voert aan dat dat vermoeden een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan, in zoverre het de administratie bevoordeelt ten nadele van de belastingplichtige en in zoverre het de eerstgenoemde de mogelijkheid biedt om aan de laatstgenoemde zijn recht op een eerlijk proces en zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel te ontzeggen. A.1.2. Aangezien een gerechtelijke betwisting van de belasting enkel ontvankelijk is indien zij werd voorafgegaan door een administratief beroep dat binnen de wettelijke termijn werd ingesteld, kan de belastingadministratie zich volgens SITMEDIA gemakkelijk ervan verzekeren dat de belasting verschuldigd zal zijn door zich te beperken tot het verzenden van een betalingsherinnering aan de belastingplichtige, na het verstrijken van de termijn om een administratief beroep in te stellen, waarin zij verwijst naar een aanslagbiljet dat zij niet heeft verzonden. SITMEDIA beklemtoont dat de belastingplichtige die de belasting wenst te betwisten, zich, om de datum van verzending van zijn administratief bezwaarschrift te bewijzen, niet ertoe kan beperken aan te voeren dat dat werd verzonden op de datum die hij op dat document heeft vermeld. A.2.1. De Ministerraad voert aan dat de in het geding zijnde wetsbepalingen geen enkel verschil in behandeling doen ontstaan dat niet objectief en redelijk verantwoord zou zijn, aangezien zij een billijk evenwicht tot stand brengen tussen de vereisten van het algemeen belang en de bescherming van de rechten van de belastingplichtige. A.2.2. Hij zet uiteen dat, volgens het Hof van Cassatie, de datum van verzending van een aanslagbiljet wordt vermoed de datum te zijn die een bevoegde en verantwoordelijke ambtenaar vóór de kennisgeving ervan op dat aanslagbiljet heeft vermeld. Hij brengt in herinnering dat dat vermoeden dezelfde waarde heeft als de waarde die wordt toegekend aan het stempel van een postdienst. Hij voegt eraan toe dat de administratie het origineel van het aanslagbiljet moet verzenden naar de belastingplichtige en dat zij de enveloppe met dat document niet mag bewaren. Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie leidt de Ministerraad ook af dat de datum van verzending van een aanslagbiljet, behoudens bewijs van het tegendeel, wordt vermoed de op dat document vermelde datum te zijn, op voorwaarde dat de identiteit en het adres van de belastingplichtige correct worden aangegeven op dat document en dat de brief die het aanslagbiljet bevat, niet werd teruggezonden naar de afzender. Hij preciseert dat de belastingschuldige het tegendeel kan bewijzen door ernstig aan te tonen dat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen of dat hij het heeft ontvangen op een datum die zeer ver verwijderd is van de op dat document vermelde verzendingsdatum, door middel van aanwijzingen die het mogelijk maken zijn goede trouw en de geloofwaardigheid van zijn bewering aan te tonen, zoals terugkerende problemen bij de postbestelling of de onmogelijkheid voor de administratie om een afschrift van het aanslagbiljet te verstrekken. Verwijzend naar het arrest van het Hof nr. 91/2020 van 18 juni 2020 ( ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.091 ), is de Ministerraad van mening dat het voormelde vermoeden, dat is ingevoerd ten gunste van de administratie, niet onevenredig is ten aanzien van de rechten van de belastingplichtige, aangezien die dat vermoeden kan weerleggen, door de zaak desnoods aanhangig te maken bij een rechtscollege indien de administratie weigert om het tegenbewijs te aanvaarden dat hij probeert te leveren. A.2.3. De Ministerraad brengt bovendien in herinnering dat het, om praktische en financiële redenen die tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 maart 1999 « betreffende de beslechting van fiscale geschillen » en van de wet van 19 mei 2010 « houdende fiscale en diverse bepalingen » zijn uiteengezet, onmogelijk is om van de belastingadministratie te eisen dat zij het bewijs levert dat de aanslagbiljetten aan de postdiensten werden overhandigd. Hij voegt eraan toe dat een dergelijk bewijs hoe dan ook niet zou volstaan om aan te tonen dat de brief met een dergelijk document daadwerkelijk aan de geadresseerde ervan werd overhandigd. 5 A.3.1. In hoofdorde voert de Waalse Regering aan dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is om reden dat het Hof daarin wordt verzocht zich uit te spreken over de grondwettigheid van de rechtspraak van het Hof van Cassatie, en niet over de grondwettigheid van een wetsbepaling. Zij is van mening dat het in het geding zijnde vermoeden niet blijkt uit de tekst zelf van artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, maar voortvloeit uit de wijze waarop de hoven en rechtbanken die tekst interpreteren. A.3.2. In ondergeschikte orde zet de Waalse Regering uiteen dat de in het geding zijnde wetsbepalingen niet onbestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, noch met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3.3. De Regering leidt uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag af dat die enkel betrekking heeft op artikel 371, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en dat de verplichting om een voorafgaand administratief beroep in te stellen, die voortvloeit uit artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, geen verband houdt met de essentie van die vraag. A.3.4. De Waalse Regering zet vervolgens uiteen dat noch de bewoordingen van de prejudiciële vraag, noch de motieven van de verwijzingsbeslissing het mogelijk maken om de categorieën van personen te identificeren die met elkaar moeten worden vergeleken om de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde wetsbepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, te beoordelen. Zij is van mening dat, indien de vraag in die zin moet worden begrepen dat het Hof daarin wordt verzocht de situatie van de gemeentelijke administratie te vergelijken met die van de belastingplichtige, er zou moeten worden vastgesteld dat die twee categorieën van personen zich in dermate verschillende situaties bevinden dat zij niet vergelijkbaar zijn. Zij beklemtoont dat de gemeente, als overheid die beschikt over het recht om de belasting te heffen teneinde de opdrachten van openbare dienst te financieren, moet kunnen beschikken over bijzondere prerogatieven waarover de belastingplichtigen niet beschikken. De Waalse Regering, die opmerkt dat de prejudiciële vraag artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek vermeldt, voegt eraan toe dat de situatie van de personen op wie de regels voor de berekening van de in die wetsbepaling vermelde termijnen van toepassing zijn, niet vergelijkbaar zou kunnen worden geacht met de situatie van de in artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde belastingplichtigen. A.3.5. De Waalse Regering is van mening dat, zelfs indien het Hof zou aanvaarden om de voormelde categorieën van personen met elkaar te vergelijken, het zou moeten oordelen dat het in het geding zijnde vermoeden evenredig is met het nagestreefde doel van rechtszekerheid, in zoverre het een evenwicht tot stand brengt tussen de belangen van de belastingplichtigen en die van de fiscale overheden. Zij beklemtoont in dat verband dat dat vermoeden, in tegenstelling tot hetgeen de prejudiciële vraag laat uitschijnen, weerlegbaar is en dat het aan de burgerlijke rechtbank staat, in voorkomend geval, de bewijswaarde te beoordelen van de bewijselementen die zijn voorgelegd door de belastingplichtige, wanneer die wenst aan te tonen dat de verzending van het aanslagbiljet waarschijnlijk niet regelmatig was. De Waalse Regering brengt ook in herinnering dat een belastingplichtige steeds een verlenging kan verkrijgen van de bezwaartermijn in geval van overmacht. Zij voegt eraan toe dat een aangetekende verzending van de miljoenen aanslagbiljetten die elk jaar door de federale, gewestelijke en lokale overheden worden uitgegeven, een buitensporige administratieve en financiële last zou uitmaken. A.3.6. De Waalse Regering zet ten slotte uiteen dat de in het geding zijnde wetsbepaling noch artikel 6, noch artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt. Zij merkt op dat dat artikel 6 te dezen niet van toepassing is, aangezien de prejudiciële vraag betrekking heeft op een fiscale betwisting zonder strafrechtelijke dimensie waarbij een belastingplichtige tegenover de administratie staat. In ondergeschikte orde voegt zij eraan toe dat de in het geding zijnde wetsbepaling geen betrekking heeft op de toegang tot een rechterlijke instantie in de zin van die verdragsbepaling en dat het bekritiseerde vermoeden hoe dan ook evenredig is met het nagestreefde doel van rechtszekerheid. De Waalse Regering brengt ook in herinnering dat een schending van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, dat is gewaarborgd bij artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, enkel denkbaar is wanneer vooraf is vastgesteld dat een ander 6 grondrecht is geschonden. Zij merkt in dat verband op dat het enige andere grondrecht dat in de prejudiciële vraag wordt vermeld, te dezen niet pertinent is. De Waalse Regering merkt ten slotte op dat het bestaan zelf van de prejudiciële vraag aantoont dat noch het recht op toegang tot een rechter, noch het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel van de betrokken belastingplichtige in het gedrang werden gebracht. A.4.1. De Vlaamse Regering merkt ten eerste op dat de prejudiciële vraag, in zoverre zij betrekking heeft op de verplichting voor de indiener van het bezwaarschrift om te bewijzen dat zijn bezwaarschrift daadwerkelijk werd verzonden, geen antwoord behoeft, aangezien zij niet onontbeerlijk is voor de oplossing van het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil. Zij merkt op dat dat antwoord geen enkele weerslag zou hebben op de uitkomst van het rechtsgeding en dat dat rechtscollege trouwens heeft vastgesteld dat een bezwaarschrift dat op 5 januari 2022 zou zijn ingediend, hoe dan ook als zijnde niet tijdig ingediend zou worden verklaard. A.4.2. De Vlaamse Regering merkt eveneens op dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te dezen niet van toepassing is, gelet op de uitsluitend fiscale aard van het bodemgeschil, en dat SITMEDIA niet aantoont dat die verdragsbepaling van toepassing zou zijn. Zij voegt eraan toe dat artikel 13 van hetzelfde Verdrag evenmin van toepassing is, om dezelfde reden als die welke wordt aangevoerd door de Waalse Regering. A.4.3. De Vlaamse Regering zet vervolgens uiteen dat het vermoeden van verzending van het aanslagbiljet op de op dat document vermelde datum, zoals het voortvloeit uit artikel 371, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, de betrokken belastingplichtige niet verhindert toegang te hebben tot een rechter. Uit het arrest van het Hof nr. 162/2007 van 19 december 2007 ( ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.162 ) leidt zij af dat een weerlegbaar vermoeden van ontvangst van het aanslagbiljet dat recht van de belastingplichtige niet op onevenredige wijze beperkt. Zij beklemtoont dat, in tegenstelling tot hetgeen het verwijzende rechtscollege doet uitschijnen, het volkomen mogelijk is om het tegendeel te bewijzen. Zij brengt ook in herinnering dat de ontstentenis van bepaalde vermeldingen op het fiscale document, zoals de verzendingsdatum, kan verhinderen dat de termijn om een administratief bezwaarschrift in te dienen een aanvang neemt, en dat die termijn ook kan worden verlengd in geval van overmacht. A.4.4. In ondergeschikte orde zet de Vlaamse Regering uiteen dat de verplichting voor de belastingplichtige om de werkelijke verzending van zijn bezwaarschrift te bewijzen, zijn recht op toegang tot de rechter evenmin schendt. Zij merkt op dat, sedert de wijziging van artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bij de wet van 25 april 2014 « ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet », het gebruik van de aangetekende brief de belastingplichtige de mogelijkheid biedt om de datum van de verzending van zijn bezwaarschrift en de naleving van de gestelde termijn gemakkelijk te bewijzen. Zij is van mening dat het niet overdreven formalistisch is om van de belastingplichtige die ervoor kiest om zijn bezwaarschrift op een andere manier aan de administratie te bezorgen, te verwachten dat hij de werkelijke verzending en de datum ervan kan bewijzen. A.4.5. De Vlaamse Regering zet ten slotte uiteen dat het verschil in behandeling, tussen de administratie en de belastingplichtige, dat voortvloeit uit het feit dat de regels met betrekking tot het bewijs van de datum van verzending van het aanslagbiljet niet dezelfde zijn als die welke betrekking hebben op het ogenblik van de verzending van het administratief bezwaarschrift, redelijk verantwoord is. Zij wijst op de administratieve rompslomp en op de aanzienlijke financiële weerslag die de verplichting, voor de belastingadministraties, om hun aanslagbiljetten aangetekend te verzenden zou inhouden. Zij voegt eraan toe dat van de belastingplichtige kan worden verwacht dat hij blijkt geeft van een zekere waakzaamheid, in het bijzonder wanneer, zoals in de zaak die aan de oorsprong van de prejudiciële vraag ligt en zoals die aan de orde is in een zeer groot aantal andere gevallen, de ontvangst van een aanslagbiljet zeer voorzienbaar is. De Vlaamse Regering merkt ook op dat de verzending van een uitnodiging om de belasting te betalen in die gevallen veel waarschijnlijker en minder uitzonderlijk is dan het indienen van een bezwaarschrift. Zij wijst eveneens met nadruk op het feit dat de belastingplichtige een bezwaarschrift steeds aangetekend kan verzenden. 7 Zij merkt bovendien op dat de gevolgen van het in het geding zijnde verschil in behandeling, om de in A.4.3 en A.4.4 vermelde redenen, niet onevenredig zijn. A.5.1. De stad Hoei voert aan dat het vermoeden van verzending dat voortvloeit uit het eerste lid van artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, de in de prejudiciële vraag vermelde grondwets- en verdragsbepalingen niet schendt. A.5.2. Zij voert aan dat dat vermoeden werd ingevoerd ingevolge de vaststelling dat de aangetekende verzending van aanslagbiljetten duur en belastend was en het nut ervan onzeker was. Zij voegt eraan toe dat het Hof, bij het voormelde arrest nr. 162/2007, dat is gewezen in verband met de wetsbepaling die te dezen in het geding is, niet heeft geoordeeld dat die ongrondwettig was in zoverre zij niet vereiste dat de aanslagbiljetten aangetekend werden verzonden. A.5.3. De stad Hoei zet vervolgens uiteen dat de gemeente en de belastingplichtige geen vergelijkbare categorieën van personen zijn ten aanzien van de in het geding zijnde wettelijke maatregel, aangezien de eerstgenoemde optreedt in het algemeen belang en de laatstgenoemde enkel in zijn persoonlijk belang. Zij is van mening dat dit ook een objectief criterium van onderscheid tussen die twee categorieën van personen uitmaakt. Zij is eveneens van mening dat het in het geding zijnde vermoeden redelijk verantwoord is ten aanzien van het doel van doeltreffende invordering van de gemeentebelastingen. Zij merkt op dat het onevenredig zou zijn om de gemeenten ertoe te verplichten een aanzienlijk deel van hun fiscale ontvangsten te gebruiken om de aangetekende verzending van hun aanslagbiljetten te financieren. A.5.4. De stad Hoei brengt ten slotte in herinnering dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, wat het burgerrechtelijke aspect ervan betreft, niet van toepassing is op de fiscale procedures. Wat artikel 13 van datzelfde Verdrag betreft, merkt zij op dat de in het geding zijnde wetsbepaling, in plaats van de uitoefening van een daadwerkelijk rechtsmiddel te belemmeren, een administratief beroep organiseert. -B- B.1. Een door een gemeente in het Franse taalgebied gevestigde belasting die wordt ingevorderd bij wege van kohier, moet worden betaald binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet (artikel L3321-2, eerste lid, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, en artikel L3321-3 van hetzelfde Wetboek). Het kohier wordt vastgesteld door het gemeentecollege en vervolgens overgezonden aan de met de invordering belaste ontvanger, die instaat voor de verzending van het aanslagbiljet aan de belastingplichtige (artikel L3321-4, § 1). Dat aanslagbiljet bevat de verzendingsdatum ervan en onder meer de naam of de maatschappelijke benaming en het adres van de belastingplichtige (artikelen L3321-4, § 3, en L3321-5, eerste lid). De belastingplichtige kan tegen de belasting een bezwaar indienen bij het gemeentecollege, dat dan als bestuursoverheid handelt (artikel L3321-9, eerste lid). Dat bezwaar moet schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend worden ingediend (artikel 2, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 12 april 1999 « tot bepaling van de procedure voor de gouverneur of voor het college van burgemeester en schepenen inzake bezwaarschrift tegen een provincie- of 8 gemeentebelasting »). Het gemeentecollege of het orgaan dat het speciaal daarvoor aanwijst, bericht schriftelijk ontvangst binnen acht dagen na de verzending of de indiening van het bezwaarschrift (artikel 2, derde lid, van het voormelde koninklijk besluit). De belastingplichtige kan vervolgens een beroep tegen de beslissing van dat college instellen bij de rechtbank van eerste aanleg. De artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek zijn dan van toepassing (artikel L3321-10, eerste en tweede lid). De rechtspleging inzake het jurisdictioneel beroep wordt geregeld « zoals inzake Rijksinkomstenbelastingen » (artikel L3321-11). B.2. Artikel L3321-12, eerste lid, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie voorziet erin dat de bepalingen van hoofdstuk 7 (« Rechtsmiddelen ») van titel VII (« Vestiging en inning van de belastingen ») van het Wetboek van de inkomstenbelastingen in beginsel van toepassing zijn op de gemeentebelastingen. B.3.1. Artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen is een van die bepalingen. Zoals vervangen bij artikel 28 van de wet van 15 maart 1999 « betreffende de beslechting van fiscale geschillen », en vervolgens gewijzigd bij artikel 7 van de programmawet van 20 juli 2006 en bij artikel 9 van de wet van 19 mei 2010 « houdende fiscale en diverse bepalingen », luidde het eerste lid van dat artikel 371 : « De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat, en die voorkomt op voormeld aanslagbiljet […] ». B.3.2. De datum van verzending van het aanslagbiljet is, behoudens bewijs van het tegendeel, de verzendingsdatum die op dat document wordt vermeld, voor zover die verzending regelmatig is (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2521/001, p. 6; Cass., 16 november 2017, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171116.1 ). De loutere bewering, door de belastingplichtige, dat het aanslagbiljet niet is verzonden, kan het bestuur dat volhoudt dat het dat aanslagbiljet naar het juiste adres van de belastingplichtige en in de gepaste vorm heeft verzonden, niet verplichten ook te bewijzen dat de verzending 9 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden (Cass., 15 juni 2001, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010615.5 ; 16 november 2017, voormeld). B.4.1. De artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek vormen een hoofdstuk van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot « geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet », die onder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg ressorteren, met toepassing van artikel 569, eerste lid, 32°, van hetzelfde Wetboek. Artikel 1385undecies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 23 maart 1999 « betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken », bepaalt : « Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld ». B.4.2. Uit die laatste bepaling wordt afgeleid dat, wanneer de administratieve overheid terecht heeft beslist dat het beroep tegen een belasting dat bij haar is ingesteld, onontvankelijk is, de daaropvolgende rechtsvordering tegen die belasting eveneens onontvankelijk dient te worden verklaard. B.5. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank die, met toepassing van artikel 1385undecies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt verzocht zich uit te spreken over een vordering waarbij de wettigheid wordt betwist van een belasting waarvan de betaling wordt gevorderd door een gemeente in het Franse taalgebied, die vordering onontvankelijk dient te bevinden indien het gemeentecollege vooraf terecht heeft beslist om het bezwaarschrift waarbij dezelfde belasting werd betwist te verwerpen, om reden dat dat bezwaarschrift was ingediend na het verstrijken van de bij artikel 371, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen toegekende termijn. B.6. Uit de feiten van de zaak die aan de oorsprong van de verwijzingsbeslissing ligt en uit de motieven van die beslissing blijkt dat het Hof, in essentie, wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het verschil in behandeling dat de in het geding zijnde bepalingen zouden doen ontstaan tussen, enerzijds, de gemeente in het Franse taalgebied die een aanslagbiljet met betrekking tot een 10 gemeentebelasting verzendt en, anderzijds, de geadresseerde van dat aanslagbiljet. Terwijl de eerstgenoemde wordt vermoed haar verzoek tot betaling van de belasting te hebben verzonden op de datum die zij op dat document heeft vermeld, geniet de geadresseerde van het aanslagbiljet geen dergelijk vermoeden met betrekking tot de datum van verzending die hij heeft vermeld op het document waarmee hij tegen die aanslag een bezwaar heeft ingediend en dat hij beweert naar de administratieve overheid te hebben verstuurd. B.7. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat, met toepassing van artikel 371, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, de rechtsvordering die werd ingesteld voor het verwijzende rechtscollege, als onontvankelijk moet worden beschouwd omdat het bezwaarschrift bij het gemeentecollege niet tijdig was ingediend. B.8. Indien het Hof zou oordelen dat het in B.6 beschreven verschil in behandeling niet bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zou op twee manieren een einde kunnen worden gemaakt aan dat verschil in behandeling : hetzij door het vermoeden van verzending van het aanslagbiljet (waarop de administratie zich thans kan beroepen met toepassing van artikel 371, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen) af te schaffen, hetzij door een vermoeden van verzending van het bezwaarschrift van de belastingplichtige in te voeren. In het eerste geval zouden zowel de administratie als de indiener van het bezwaarschrift de werkelijke verzending van hun document en de datum moeten bewijzen zonder zich op een vermoeden te kunnen beroepen. In het tweede geval zouden zowel de administratie als de indiener van het bezwaarschrift zich op een vermoeden kunnen beroepen. B.9. Uit de stukken van het dossier die het verwijzende rechtscollege aan het Hof heeft overgezonden, blijkt dat het vaststaat dat : - de administratie beweert haar aanslagbiljetten te hebben verzonden op de data die op die documenten zijn vermeld, namelijk op 19 november 2020 en op 17 mei 2021, en dat de indiener van het bezwaarschrift niet het tegendeel bewijst; 11 - indien die aanslagbiljetten daadwerkelijk op die dagen werden verzonden, de bezwaarschriften ruim vóór het einde van het jaar 2021 moesten worden ingediend; - de indiener van het bezwaarschrift de duplicaten van die aanslagbiljetten heeft ontvangen, die op 16 november 2021 zijn verzonden; - de indiener van het bezwaarschrift beweert een bezwaarschrift te hebben ingediend tegen de aanslagen die in die aanslagbiljetten worden vermeld, bij een e-mail die op 5 januari 2022 naar de administratie is verstuurd; - de administratie beweert die e-mail nooit te hebben ontvangen en de indiener van het bezwaarschrift niet bewijst dat dat bezwaarschrift daadwerkelijk werd verzonden; - gesteld dat de aanslagbiljetten pas in november 2021 voor de eerste keer naar de indiener van het bezwaarschrift werden verzonden, het bezwaarschrift dat hij per e-mail van 1 juni 2022 heeft ingediend, en waarvan de administratie dezelfde dag nog de ontvangst heeft bevestigd, als onontvankelijk zou moeten worden beschouwd omdat het niet tijdig werd ingediend. B.10. Bijgevolg, indien het Hof zou oordelen dat het in B.6 beschreven verschil in behandeling niet bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zou het bezwaarschrift waarvan sprake is in de verwijzingsbeslissing, hoe dan ook als zijnde niet tijdig ingediend moeten worden verklaard. B.11. De eventuele vaststelling van een niet-bestaanbaarheid van de in het geding zijnde wetsbepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou de rechtbank dus niet ertoe kunnen brengen een andere beslissing te nemen dan die welke zij thans dient te nemen met toepassing van die bepalingen, zoals in B.7 is vermeld. B.12. De toetsing aan de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens leidt niet tot een andere conclusie. B.13. Het antwoord van het Hof op de voorliggende prejudiciële vraag is klaarblijkelijk zonder nut voor de oplossing van het bodemgeschil. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 mei 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.076 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010615.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171116.1 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.162 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.091 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot