Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.075

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-05-15 🌐 FR Arrest gegrond

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

6 januari 1989, 8 augustus 1980, Constitution, GRONDWET, Grondwet

Samenvatting

de beroepen tot vernietiging : - van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding », ingesteld door Thibaut Saliez en anderen, door de vzw « Collectif des Parents En Action de Liège » en anderen en door de vzw « Innocence en danger Belgique » en anderen;

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.075 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.075 Arrest- Rolnummer: 75/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-05-26 Raadplegingen: 154 - laatst gezien 2025-12-15 14:09 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot vernietiging : - van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding », ingesteld door Thibaut Saliez en anderen, door de vzw « Collectif des Parents En Action de Liège » en anderen en door de vzw « Innocence en danger Belgique » en anderen; - van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 20 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding », ingesteld door de vzw « Collectif des Parents En Action de Liège » en anderen en door de vzw « Innocence en danger Belgique » en anderen; - van het decreet van het Waalse Gewest van 28 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding », ingesteld door de vzw « Collectif des Parents En Action de Liège » en anderen en door de vzw « Innocence en danger Belgique » en anderen. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Leerplichtonderwijs - Prioritaire opdrachten - Relationele, affectieve en seksuele opvoeding (EVRAS) Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 75/2025 van 15 mei 2025 Rolnummers : 8218, 8222, 8232, 8é, 8234 en 8235 In zake : de beroepen tot vernietiging : - van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding », ingesteld door Thibaut Saliez en anderen, door de vzw « Collectif des Parents En Action de Liège » en anderen en door de vzw « Innocence en danger Belgique » en anderen; - van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 20 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding », ingesteld door de vzw « Collectif des Parents En Action de Liège » en anderen en door de vzw « Innocence en danger Belgique » en anderen; - van het decreet van het Waalse Gewest van 28 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding », ingesteld door de vzw « Collectif des Parents En Action de Liège » en anderen en door de vzw « Innocence en danger Belgique » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 mei 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 mei 2024, is beroep tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 september 2023 « houdende instemming met het 2 samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 december 2023) ingesteld door Thibaut Saliez, Fatih Elmas, Abdulaziz Unal, Ramazan Ceylan, Hüseyin Aydin, Koen Gobeyn, Selcuk Say, de vzw « Fédération Islamique de Belgique », de ivzw « Association Internationale Diyanet de Belgique » en de vzw « Association Musulmane Culturelle Albanaise de Belgique », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Kursat Bilge en mr. Michaël Pilcer, avocaten bij de balie te Brussel. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 23 mei 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 24 mei 2024, is beroep tot vernietiging van voormeld decreet van de Franse Gemeenschap van 7 september 2023, van het decreet van het Waalse Gewest van 28 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 december 2023) en van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 20 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 december 2023 en 11 januari 2024) ingesteld door de vzw « Collectif des Parents En Action de Liège », Sara Sabère en Abdelhak Najd, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean-Marc Rigaux en mr. Vincent Paquet, advocaten bij de balie Luik-Hoei. c. Bij vier verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 7 juni 2024 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 10 juni 2024, zijn beroepen tot vernietiging van voormeld decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 20 september 2023, van het voormeld decreet van het Waalse Gewest van 28 september 2023 en van voormeld decreet van de Franse Gemeenschap van 7 september 2023 ingesteld door de vzw « Innocence en danger Belgique », Philippe Cano, Aude Brochier, Hélène de Pierpont, Maïté van der Vaeren, Marina Droin, Mathilde Cornet d’Elzius, Julie d’Hollander, Guillaume Polissard, Fergus de Burlet, Magdalena de Burlet, Bénédicte de Langlois, Catherine Jongen, Agnetta Emanuele, Maria Cunin, Isabelle de Menten de Horne, Fabrice Vandermesse, Hélène Baltus, Sophie Zylbersztejn, Marie Wart, Alice Boscq, Emilie Dabois, Quentin Besonhez, Baudouin de Troostembergh, Radya Oulebsir, Philippine del Marmol, Nancy Jacquemyns, Kheîra Belhadj, Omar Bakhati, Laura François, Laurence Bruynseels, Rachid Ouelad Jilali, Aurore Bellocchi, Morgane Stassart, Caroline Oskera, Alice Ancion, Asmaou Diallo, Géraldine Vanhomwegen, Ali Alakam, Adil Tory, Radouane Charaf, Jérôme Delforge, Christelle Abbenbroek, Jihad Haddad, Cédric Gabriel, Olivier Vandebroek, Catherine Peeters, Gwendal Noiroux, Julie Fossepre, Géraldine Marck, Zakia Assadiki, Hilal Bakhat, Raphaël Hector, Anne Vanhagendoren, Christian Gustin, Roland Carpiau, Jean-François Delahaut, Olivier Demeure, Françoise Huberland, Rose Halleux, Christian Huyghe, Francine Benedetto, Ghislain Pinchemail, Auriane de Halloy de Waulsort, Anne Mertens, Mirella Duprix, Danièle Dramaix, Jacques Tancre, Caroline Bijvoet, Christian Julemont, Claudy Alavoine, Nathalie Flamand, Christine Buyse, Christophe de Hemptinne, Pascal Scravatte, Françoise Lamblot, Pierrette Laffineuse, Katherine Fourez, Christine de Craemer, Bénédicte Nolet, Françoise Blavier, Danny-Pierre Hillewaert, Geneviève Huon, 3 Marie-Dominique Hillewaert, Arnaud Leclercq, Jacques de Selliers, Danielle Bastin en Marianne Zobak, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Aymeric de Lamotte, advocaat bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8218, 8222, 8232, 8é, 8234 en 8235 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « Centre d’Action Laïque », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jérôme Sohier, advocaat bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Karolinski, advocaat bij de balie te Brussel; - het College van de Franse Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Karolinski; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Patricia Minsier, advocate bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 12 maart 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren en de dag van de terechtzitting bepaald op 2 april 2025. Op de openbare terechtzitting van 2 april 2025 : - zijn verschenen : . mr. Michaël Pilcer en mr. Florian Evrard, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco mr. Kursat Bilge, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8218; . mr. Jean-Marc Rigaux en mr. Vincent Paquet, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8222; . mr. Aymeric de Lamotte, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8232, 8é, 8234 en 8235; . mr. Aude Valizadeh, advocate bij de balie te Brussel, loco mr. Jérôme Sohier, voor de vzw « Centre d’Action Laïque »; . mr. Vanessa Rigodanzo en mr. Alexis Mulas, advocaten bij de balie te Brussel, loco mr. Michel Karolinski, voor de Franse Gemeenschapsregering en voor het College van de Franse Gemeenschapscommissie; . mr. Patricia Minsier, voor de Waalse Regering; 4 - hebben de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft de bevoegdheid van het Hof A.1.1. De Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie doen gelden dat het in de zaak nr. 8218 ingestelde beroep onontvankelijk is in zoverre het betrekking heeft op de artikelen 2, 3, 4, 5, 11, 23, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32 en 40 van het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (hierna : het EVRAS-akkoord), omdat het Hof niet bevoegd is om een samenwerkingsakkoord te vernietigen, maar enkel de normen waarbij instemming wordt verleend met dat akkoord kan vernietigen. A.1.2. De Franse Gemeenschapsregering doet eveneens gelden dat, indien het beroep in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het in werkelijkheid is gericht tegen de inhoud van de Gids voor EVRAS die bij het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie voor de invoering van een instrument ter ondersteuning van de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (hierna : het uitvoerend EVRAS-akkoord) is gevoegd, dat beroep niet ontvankelijk is. Aangezien het Hof niet bevoegd is om een samenwerkingsakkoord te vernietigen, is het a fortiori immers niet bevoegd om een uitvoerend samenwerkingsakkoord te vernietigen. Op dezelfde wijze behoren de grieven die zijn gericht tegen de Gids voor EVRAS in de zaken nrs. 8222, 8232, 8é, 8234 en 8235, niet tot de bevoegdheid van het Hof. A.1.3. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8232, 8é, 8234 en 8235 doen gelden dat de instemming met een samenwerkingsakkoord dat ter uitvoering van een eerste samenwerkingsakkoord is gesloten, impliciet voortvloeit uit de instemming met dat eerste akkoord. Aangezien parlementaire instemming werd verleend met het EVRAS-akkoord en het in de tenuitvoerlegging ervan voorziet door middel van een uitvoerend akkoord, moet worden geoordeeld dat de verschillende parlementen impliciet hebben ingestemd met het uitvoerend EVRAS-akkoord en, bijgevolg, met de Gids voor EVRAS die erbij is gevoegd. Bijgevolg is het Hof bevoegd om de bestaanbaarheid van die Gids met de referentienormen waarvan het de inachtneming waarborgt, te toetsen. Wat betreft het belang A.2.1.1. De Franse Gemeenschapsregering (in de zaken nrs. 8218, 8222 en 8235), de Waalse Gewestregering (in de zaken nrs. 8222 en 8234) en het College van de Franse Gemeenschapscommissie (in de zaken nrs. 8218, 8222, 8232 en 8é) betwisten het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden. De verzoekende partijen zouden immers geen enkel voordeel halen uit de vernietiging van de verschillende decreten van 7 september 2023 houdende instemming met het EVRAS-akkoord, in zoverre bij het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs wettelijk in de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (hierna : EVRAS) wordt voorzien. Bijgevolg zou een vernietiging van de instemmingsdecreten noch tot de 5 vernietiging, noch tot de veralgemening van de EVRAS-lessen en -activiteiten leiden, noch tot de verplichting om ze te organiseren binnen de schoolinrichtingen, en de verzoekende partijen dus geen enkel voordeel verschaffen. A.2.1.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8218 zijn van mening dat, hoewel artikel 1.4.1-2, tweede lid, 12°, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs de Franse Gemeenschap, de inrichtende machten en de onderwijsteams verplicht erover te waken dat de scholen opvoeden met aandacht voor EVRAS en dus inhoudt dat EVRAS wordt opgenomen bij de prioritaire opdrachten van het basis- en secundair onderwijs, daaruit niet kan worden afgeleid dat het organiseren van EVRAS-activiteiten verplicht wordt gemaakt door het Wetboek zelf. De prioritaire opdrachten van het onderwijs vormen enkel een te bereiken doel, en geen verplichte maatregelen. Bijgevolg leggen het EVRAS-akkoord en het decreet dat instemming ermee verleent, een veralgemening van EVRAS en een verplichting om EVRAS-activiteiten te organiseren op die vroeger niet werden opgelegd. De verzoekende partijen doen dus blijken van het vereiste belang om de vernietiging van het bestreden decreet te vorderen. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8222, 8232, 8é, 8234 en 8235 doen gelden dat, hoewel het juist is dat de vernietiging van de decreten houdende instemming met het EVRAS-akkoord niet zou leiden tot de vernietiging van de verplichting om EVRAS-activiteiten te organiseren, waarin wettelijk is voorzien bij het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, de vernietiging van de bestreden normen tot gevolg zou hebben dat de veralgemening van EVRAS, zoals opgelegd door het EVRAS-akkoord, wordt vernietigd. Het is dus wel degelijk omdat zij de vorm en de inhoud van de veralgemening van EVRAS, zoals bedoeld in het EVRAS-akkoord, en met name in de Gids voor EVRAS, betwisten dat de verzoekende partijen een belang hebben bij het beroep. A.2.2. De Franse Gemeenschapsregering (in de zes samengevoegde zaken), de Waalse Gewestregering (in de zaken nrs. 8222 en 8234) en het College van de Franse Gemeenschapscommissie (in de zes samengevoegde zaken) betwisten eveneens het belang bij het beroep van de verzoekende partijen die natuurlijke personen zijn. Zij doen gelden dat die laatstgenoemden hun belang bij het beroep niet aantonen in zoverre zij niet concreet aantonen dat zij de personen zijn die het ouderlijk gezag uitoefenen over de kinderen van wie zij de belangen eisen te verdedigen. Sommigen van hen leveren evenmin het bewijs dat het kind van wie zij de belangen eisen te verdedigen, daadwerkelijk naar school gaat in een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde instelling. Bovendien tonen sommige verzoekende partijen die natuurlijke personen zijn, niet concreet aan dat zij rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de decreten houdende instemming met het EVRAS-akkoord wanneer zij zich beroepen op de hoedanigheid van hetzij grootouders van kinderen die door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs volgen, hetzij leerkracht. Sommige verzoekende partijen die natuurlijke personen zijn, beroepen zich op geen enkele bijzondere hoedanigheid die hun belang bij het beroep kan ondersteunen. A.2.3. Ten slotte betwisten de Franse Gemeenschapsregering (in de zaken nrs. 8218, 8222 en 8235), de Waalse Gewestregering (in de zaken nrs. 8222 en 8234) en het College van de Franse Gemeenschapscommissie (in de zaken nrs. 8222, 8232 en 8é) het belang om in rechte te treden van de verzoekende partijen die rechtspersonen zijn, in zoverre de bestreden instemmingsdecreten geen afbreuk kunnen doen aan hun maatschappelijke doelen, zoals bepaald in hun statuten. A.2.4. De tussenkomende partij is van mening dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het beroep wanneer zij zich beroepen op hun hoedanigheid van ouder om hun kinderen te verdedigen tegen elke lichamelijke, psychologische of seksuele agressie of gewelddaad, aangezien het EVRAS-samenwerkingsakkoord geen dergelijke soort van gewelddaad of agressie kan uitmaken. Ten gronde Wat betreft de zaak nr. 8218 A.3.1.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de gecombineerde schending, door artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding » (hierna : het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschap) en door de artikelen 2, 9°, en 40 van het EVRAS-akkoord, van de artikelen 10, 11 en 24, § 5, van de Grondwet, van de artikelen 14 en 15, lid 1, van het 6 Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van de artikelen 3 en 4, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, van artikel 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van het algemene beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, van het evenredigheidsbeginsel en van het formele en materiële wettigheidsbeginsel. Zij doen gelden dat artikel 24, § 5, van de Grondwet, dat de grondslag vormt van het versterkte wettigheidsbeginsel op het gebied van onderwijs, de gemeenschapswetgever de verplichting oplegt om zelf de essentiële elementen van het onderwijs te regelen, in het bijzonder wat de inrichting, de erkenning en de subsidiëring ervan betreft. Dat wettigheidsbeginsel is eveneens van toepassing wanneer een samenwerkingsakkoord, krachtens artikel 92bis, § 1, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, erin voorziet dat de uitvoering ervan zal worden verzekerd door uitvoerende samenwerkingsakkoorden. In dat geval moet het samenwerkingsakkoord zelf de essentiële elementen van de toekomstige regelgeving vaststellen. Volgens de verzoekende partijen wordt evenwel niet tegemoetgekomen aan die vereiste door het EVRAS-akkoord : artikel 40 van dat laatste machtigt de Regeringen ertoe om een Gids voor EVRAS aan te nemen zonder de essentiële beginselen vast te stellen waarmee die Gids in overeenstemming zal moeten worden gebracht, of te voorzien in een beperking van de beoordelingsbevoegdheid van de Regeringen krachtens die machtiging. Bovendien zijn de verzoekende partijen van mening dat het aannemen van de Gids voor EVRAS in werkelijkheid de kern van de veralgemening van EVRAS uitmaakt, waarvan die Gids het ondersteunend referentie-instrument is. Bijgevolg schendt artikel 1 van het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschap, in zoverre het instemming verleent met de artikelen 2, 9°, en 40 van het EVRAS-akkoord, de artikelen 10, 11 en 24, § 5, van de Grondwet. A.3.1.2. De Franse Gemeenschapsregering herhaalt dat het beginsel van de veralgemening van EVRAS zijn oorsprong vindt in het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, en niet in het EVRAS-akkoord. Het is dan ook in rechte verkeerd om te beweren dat de Gids voor EVRAS de kern van de veralgemening van EVRAS uitmaakt : in het beginsel van de veralgemening van EVRAS en in de uniformisering van de inhoud ervan wordt voorzien bij wetsbepalingen. Bovendien bepalen de artikelen 3 tot 5 van het EVRAS-akkoord nauwkeurig de doelstellingen van de EVRAS-activiteiten en de thematieken die daarbij moeten worden aangesneden, zodat de Regeringen ertoe zijn gehouden binnen die perken te blijven wanneer zij de Gids voor EVRAS aannemen, hetgeen inhoudt dat het wettigheidsbeginsel niet wordt geschonden. De Franse Gemeenschapsregering doet overigens gelden dat de verzoekende partijen zich vergissen in de draagwijdte van de Gids voor EVRAS, die geen schoolprogramma is, maar gewoon een instrument dat is bestemd voor de animatoren van de EVRAS-activiteiten, zodat de in artikel 24, § 5, van de Grondwet vervatte wettigheidsvereiste niet erop van toepassing is. Ten slotte merkt de Franse Gemeenschapsregering op dat, ook al zou de Gids voor EVRAS als een schoolprogramma kunnen worden beschouwd (quod non), het reglementair aannemen ervan het wettigheidsbeginsel toch niet zou schenden, in zoverre alle studieprogramma’s krachtens artikel 1.5.1-4 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs worden aangenomen door de inrichtende macht en goedgekeurd door de Regering. A.3.1.3. De verzoekende partijen herhalen dat de prioritaire opdrachten van het onderwijs die in het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs zijn vervat, geen verplichte maatregelen uitmaken maar te bereiken doelstellingen zijn, zodat het voormelde Wetboek niet de grondslag vormt van de verplichting, voor de leerlingen, om EVRAS-activiteiten te volgen. Zij doen eveneens gelden dat noch artikel 2, 9°, van het EVRAS-akkoord, noch artikel 40 ervan verwijzen naar de artikelen 3 tot 5 van hetzelfde akkoord, en dat de delegatie bijgevolg niet de criteria bevat die moeten gelden als richtlijnen voor de Regeringen. De verzoekende partijen beweren eveneens dat artikel 24, § 5, van de Grondwet wel degelijk van toepassing is op de Gids voor EVRAS, in zoverre het gaat om een instrument dat ertoe strekt de prioritaire opdrachten van het onderwijs ten uitvoer te leggen. Het wettigheidsbeginsel in onderwijszaken is evenwel van toepassing op elke maatregel die de overheid uitvaardigt voor de onderwijsinstellingen. Het feit dat de Gids niet rechtstreeks bestemd is voor de leerkrachten of de leerlingen, doet daaraan geen afbreuk. Ten slotte merken de verzoekende partijen op dat, hoewel de reglementaire weg daadwerkelijk de « correcte » weg is om een studieprogramma aan te nemen, het niet coherent is dat de partijen bij het EVRAS-akkoord eerst 7 de bedoeling hebben gehad om de Gids voor EVRAS op te nemen in het EVRAS-akkoord zelf, alvorens uiteindelijk te beslissen om hem bij een uitvoerend samenwerkingsakkoord te voegen ingevolge een opmerking van de Raad van State. A.3.2.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet en van artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind door de artikelen 2, 3, 4, 5, 11, 23, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32 en 40 van het EVRAS-akkoord. In een eerste onderdeel doen zij gelden dat de in het middel aangehaalde toetsingsnormen de wetgever verplichten om in de eerste plaats rekening te houden met het belang van het kind, hetgeen de decreetgever heeft nagelaten. Noch in de parlementaire voorbereiding, noch in de tekst van het EVRAS-akkoord wordt immers uitdrukkelijk gewag gemaakt van het hoger belang van het kind, noch van het feit dat met dat hoger belang rekening is gehouden bij het aannemen van het bestreden decreet. De loutere vermelding, in de aanhefverwijzingen van het EVRAS-akkoord, van het Verdrag inzake de rechten van het kind volstaat in dat verband niet om te voldoen aan de grondwettelijke verplichting om rekening te houden met het hoger belang van het kind. In een tweede onderdeel merken de verzoekende partijen op dat artikel 22bis, vijfde lid, van de Grondwet de wetgevende macht de verplichting oplegt om de bescherming van het hoger belang van het kind te waarborgen en dat het wettigheidsbeginsel om die reden bijgevolg eveneens van toepassing is op het EVRAS-akkoord. Het wettigheidsbeginsel wordt dus eveneens geschonden wegens het vage karakter van de machtiging die bij artikel 40 van het EVRAS-akkoord is verleend aan de Regeringen die partij zijn bij dat akkoord. A.3.2.2. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat artikel 22bis van de Grondwet de wetgever niet de verplichting oplegt om in alle wetgevingen die hij aanneemt, aan te tonen dat rekening is gehouden met het hoger belang van het kind. Bovendien brengt het loutere feit dat de wetgever het hoger belang van het kind niet heeft vermeld in zijn memorie van toelichting of in de tekst van het EVRAS-akkoord, op zich geen schending van artikel 22bis van de Grondwet met zich mee : het staat aan de verzoekende partijen die schending aan te tonen, hetgeen zij niet doen. Ten overvloede merkt de Franse Gemeenschapsregering op dat zowel het EVRAS-akkoord als de Gids voor EVRAS uitdrukkelijk verwijzen naar het Verdrag inzake de rechten van het kind, en dat het EVRAS-akkoord net ertoe strekt het belang van het kind veilig te stellen, met name door de sociale ongelijkheden op het vlak van gezondheid te verminderen of door bij te dragen tot de ontwikkeling van een kritische geest van de jongeren. De Gids voor EVRAS is overigens het resultaat van langdurig overleg met meerdere tientallen actoren van de jeugdsector en met deskundigen op het gebied van pedagogie en gezondheid. Met betrekking tot de Gids werden bovendien gunstige adviezen uitgebracht door de Gemeenschapsraad voor preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming en door de algemeen afgevaardigde voor de rechten van het kind. Wat betreft de zaak nr. 8222 A.4.1.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 8 en 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), van artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, van artikel 19 van de Grondwet, van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en van artikel 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol, door artikel 1 van het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschap, door artikel 2 van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 20 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding » (hierna : het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschapscommissie) en door artikel 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 28 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding » (hierna : het instemmingsdecreet van het Waalse Gewest), in zoverre die bepalingen instemming verlenen met de artikelen 2, 1°, 3, 4, 5, 23 en 40 van het EVRAS-akkoord. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de inhoud van de EVRAS-opleidingen en -activiteiten de kinderen verplicht om informatie over hun privéleven en over dat van hun ouders of hun 8 omgeving te onthullen, met schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 22 van de Grondwet. Aangezien de EVRAS-activiteiten op een participatieve manier zijn geconcipieerd, zullen kinderen immers ertoe worden gebracht informatie met betrekking tot hun privéleven, zoals hun seksuele geaardheid, hun gezinssituatie of hun godsdienstige overtuigingen, openbaar te maken. Zij zullen ook ertoe worden gebracht die informatie te herhalen bij derden, na de activiteiten. De in artikel 5 van het EVRAS-akkoord bedoelde vertrouwelijkheidsplicht doet geen afbreuk aan die kritiek, in zoverre het niet denkbaar is dat kinderen aan een dergelijke verplichting worden onderworpen. Die inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven van de kinderen en van hun omgeving wordt niet verantwoord door enig legitiem doel en is niet noodzakelijk in een democratische samenleving. In een tweede onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat dezelfde bepalingen de artikelen 19 en 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol, schenden. Zij voeren aan dat de inhoud van de EVRAS-activiteiten die aan de leerlingen zullen worden aangeboden, een indoctrinatie vormt die de godsdienstige of filosofische overtuigingen van hun ouders niet eerbiedigt, zonder dat met die inmenging een legitiem doel wordt nagestreefd en zonder dat zij noodzakelijk is in een democratische samenleving. In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat dezelfde bepalingen artikel 24, § 1, derde lid, van de Grondwet schenden, in zoverre de inhoud van de EVRAS-activiteiten, die worden opgelegd door het EVRAS-akkoord en worden opgenomen in de referentiekaders van de gemeenschappelijke kern, het beginsel van neutraliteit van het onderwijs schendt, dat inhoudt dat neutraal onderwijs wordt ingericht dat de filosofische, ideologische en godsdienstige opvattingen van de ouders eerbiedigt. A.4.1.2. De Franse Gemeenschapsregering en de Waalse Gewestregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie merken, wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, op dat geen enkele bepaling van het EVRAS-akkoord de kinderen verplicht om informatie over hun privé- en gezinsleven of over dat van hun omgeving openbaar te maken. De door de verzoekende partijen bekritiseerde participatieve aanpak legt de deelnemers aan de EVRAS-activiteiten geenszins de verplichting op om informatie van welke aard dan ook openbaar te maken; die aanpak maakt het veeleer mogelijk om de activiteiten en de inhoud ervan aan te passen aan het publiek ervan. Bovendien voorziet de Gids voor EVRAS, die niet onder de bevoegdheid van het Hof ressorteert, uitdrukkelijk erin dat de EVRAS-actoren de kinderen niet ertoe mogen brengen te praten over hun gevoelens, hun liefdesleven of hun seksualiteit tijdens de activiteit; de EVRAS-activiteiten moeten integendeel een aantal thematieken op algemene wijze aansnijden, zonder verplichting om precieze informatie openbaar te maken of zelfs het woord te nemen. Bovendien zijn de leerkrachten en de EVRAS-actoren, indien informatie over het privéleven van de leerlingen zou worden gedeeld tijdens een EVRAS-activiteit, gehouden tot geheimhouding : de eerstgenoemden wegens de discretieplicht en het beroepsgeheim die inherent zijn aan hun functie, en de laatstgenoemden wegens de in de artikelen 5 en 9, § 1, van het EVRAS-akkoord bedoelde vertrouwelijkheidsplicht. Wat de informatie betreft die mogelijk openbaar wordt gemaakt door de leerlingen zelf, merken de Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie op dat zij niet verschilt van de informatie die de kinderen in een schoolcontext openbaar kunnen maken, tijdens of buiten de lessen. Er bestaat dus geen enkele inmenging in het privé- en gezinsleven van de leerlingen of van hun omgeving. Indien het Hof zou oordelen dat een inmenging evenwel vaststaat, moet worden vastgesteld dat in die laatste wordt voorzien bij een wet, dat zij noodzakelijk is in een democratische samenleving en evenredig is. De Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie merken op dat de wettelijke basis van de inmenging niet wordt betwist. Bovendien heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens reeds erkend dat de seksuele opvoeding van kinderen niet alleen een legitiem doel vormt, maar ook noodzakelijk en evenredig is in een democratische samenleving. Wat het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel betreft, doen de Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie gelden dat het middel steunt op tal van aanhalingen uit de Gids voor EVRAS die bij het uitvoerend EVRAS-akkoord is gevoegd. Het Hof is evenwel niet bevoegd om een uitvoerend samenwerkingsakkoord te vernietigen. Voor het overige merken zij op dat de EVRAS-inhouden afkomstig zijn uit de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern, zoals die werden goedgekeurd door de wetgever; bijgevolg kan het EVRAS-akkoord op dat punt niet worden bestreden met betrekking tot een inhoud die het niet zelf invoert. Ten gronde brengen de Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie in herinnering dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens reeds heeft geoordeeld dat het opnemen van lessen seksuele opvoeding in een schoolprogramma, zonder mogelijkheid tot 9 vrijstelling, geen schending uitmaakt van de filosofische en godsdienstige overtuigingen van de ouders, indien dat programma kennis verspreidt op een objectieve, kritische en pluralistische manier. Te dezen berusten het EVRAS-akkoord en de Gids voor EVRAS op langdurige werkzaamheden waarbij tal van deskundigen op het gebied van kinderen werden betrokken. Bijgevolg vormt EVRAS objectief, kritisch en pluralistisch onderwijs en kan het niet als indoctrinatie worden aangemerkt, a fortiori ten aanzien van de doelstellingen van de veralgemening van EVRAS, die erin bestaan de leerlingen op een kritische manier te informeren teneinde hun vrije keuze te bevorderen. A.4.2.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet door artikel 1 van het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschap, door artikel 2 van het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschapscommissie en door artikel 2 van het instemmingsdecreet van het Waalse Gewest, in zoverre die bepalingen instemming verlenen met de artikelen 9, 16 en 42 van het EVRAS-akkoord. In een eerste onderdeel klagen zij een discriminerend verschil in behandeling tussen leerlingen aan, volgens de EVRAS-operator op wie de schoolinrichting een beroep doet om de EVRAS-activiteiten te organiseren. Hoewel artikel 16 van het EVRAS-akkoord de EVRAS-operatoren verplicht om specifieke opleidingen te volgen alvorens die activiteiten te kunnen organiseren, bepaalt artikel 42 van hetzelfde akkoord immers dat, gedurende een overgangsperiode van twee jaar, de in artikel 9, § 2, van hetzelfde akkoord bedoelde operatoren (namelijk de door het Waalse Gewest of door de Franse Gemeenschapscommissie erkende centra voor gezinsplanning en de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde diensten voor de gezondheidspromotie op school (hierna : de PSE-diensten) en psycho-medisch-sociale centra (hierna : de PMS-centra)) worden gemachtigd om EVRAS-activiteiten te organiseren zonder de in artikel 16 bedoelde opleidingen te hebben gevolgd. Daaruit vloeit voort dat aan bepaalde leerlingen activiteiten zullen worden georganiseerd door personen die niet werden opgeleid, naargelang van de operator op wie hun schoolinrichting een beroep doet, terwijl de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet dat verschil in behandeling dat niet redelijk verantwoord is, verbieden. In een tweede onderdeel doen zij gelden dat artikel 42 van het EVRAS-akkoord, door de in artikel 9, § 2, van hetzelfde akkoord bedoelde operatoren te machtigen om EVRAS-activiteiten te organiseren zonder de in artikel 16 bedoelde opleidingen te hebben gevolgd, een onverantwoord verschil in behandeling tussen EVRAS-operatoren doet ontstaan. De in artikel 9, § 2, van het EVRAS-akkoord bedoelde operatoren zijn immers de enigen die activiteiten kunnen verrichten zonder enige opleiding; alle andere operatoren blijven, krachtens artikel 16 van het EVRAS-akkoord, ertoe gehouden opleidingen te volgen vóór iedere EVRAS-activiteit. A.4.2.2. Wat het eerste onderdeel van het tweede middel betreft, erkennen de Franse Gemeenschapsregering en de Waalse Gewestregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie dat de EVRAS-activiteiten, tijdens de eerste twee jaren van de toepassing van het EVRAS-akkoord, zullen kunnen worden georganiseerd door hetzij animatoren die de in artikel 16 van dat akkoord bedoelde opleidingen hebben gevolgd, hetzij animatoren die afkomstig zijn uit welbepaalde operatoren, die die opleidingen niet verplicht zullen moeten hebben gevolgd. Zij betwisten evenwel dat dat verschil in behandeling een discriminatie tussen leerlingen inhoudt : alle leerlingen blijven immers onderworpen aan de verplichting om deel te nemen aan EVRAS-activiteiten, die, los van de animatoren die ze organiseren, worden omlijnd door het EVRAS-akkoord en door het uitvoerend EVRAS-akkoord. Indien zou worden aangenomen dat de leerlingen het voorwerp uitmaken van een verschil in behandeling, zijn de Franse Gemeenschapsregering en de Waalse Gewestregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie van mening dat dat verschil berust op een objectief criterium, namelijk de aard en de deskundigheid van de operator waaruit de animatoren afkomstig zijn die niet verplicht moeten zijn opgeleid tijdens de eerste twee jaren van de toepassing van het EVRAS-akkoord. De deskundigheid van de centra voor gezinsplanning, van de PMS-centra of van de PSE-diensten inzake EVRAS staat immers buiten kijf; hun leden worden overigens reeds opgeleid in EVRAS in het kader van hun wettelijke opdrachten. Bijgevolg is de ontstentenis van een verplichting tot opleiding voor die animatoren, gedurende twee jaar, evenredig met het nagestreefde doel, namelijk dat de leerlingen deelnemen aan EVRAS-activiteiten die worden georganiseerd door animatoren die zijn opgeleid in EVRAS. Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, zijn de Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie van mening dat de twee categorieën van operatoren die het voorwerp uitmaken van het aangeklaagde verschil in behandeling, zich niet in vergelijkbare situaties bevinden : de in artikel 9, § 2, van het EVRAS-akkoord bedoelde operatoren beschikken reeds over een erkenning in verband met EVRAS in het kader van hun wettelijke opdrachten (wat de centra voor gezinsplanning betreft) of over een bijzondere deskundigheid inzake EVRAS (wat de PMS-centra en de PSE-diensten betreft). Indien die situaties vergelijkbaar zouden worden bevonden, doen de Franse Gemeenschapsregering en de Waalse Gewestregering en 10 het College van de Franse Gemeenschapscommissie gelden dat het verschil in behandeling tussen operatoren berust op een objectief criterium, namelijk de aard, de deskundigheid en de wettelijke opdrachten van de operatoren, en evenredig is met het door het EVRAS-akkoord nagestreefde legitieme doel. Bovendien versterkt de beperkte duur waarin kan worden afgeweken van de verplichting om een opleiding te volgen het evenredige karakter van de in het middel bedoelde maatregel. Ten slotte beklemtonen de Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie dat, zonder de in artikel 42 van het EVRAS-akkoord bedoelde afwijking van de verplichting tot opleiding van de animatoren, geen enkele EVRAS-activiteit had kunnen plaatsvinden tijdens het schooljaar 2023-2024, in afwachting dat de operatoren het vereiste label verkrijgen, hetgeen in strijd zou zijn geweest met het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst. Wat betreft de zaken nrs. 8232, 8é, 8234 en 8235 A.5.1.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol, door de bestreden decreten, in zoverre zij instemming verlenen met de artikelen 4 en 23 van het EVRAS-akkoord. Zij doen gelden dat de verplichting om EVRAS-activiteiten te volgen strijdig is met het beginsel van neutraliteit van het onderwijs en met de inachtneming van de ouderlijke rechten, aangezien de EVRAS-activiteiten niet op een objectieve, kritische en pluralistische manier worden georganiseerd, zoals blijkt uit tal van passages uit de Gids voor EVRAS, die zijn opgesteld in een bevestigende stijl. De Gids voor EVRAS voorziet niet in het analyseren van alle denkwijzen over EVRAS, hetgeen bevestigt dat hij noch objectief, noch kritisch, noch pluralistisch is. Het neutraliteitsbeginsel wordt a fortiori geschonden omdat het EVRAS-akkoord in geen enkel systeem van vrijstelling voorziet, dat nochtans moet worden ingevoerd in het geval van politiek-filosofisch gericht onderwijs, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens eist (grote kamer, 29 juni 2007, Folgerø e.a t. Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2007:0629JUD001547202 ) en zoals het Hof reeds heeft geoordeeld met betrekking tot de cursussen godsdienst en niet-confessionele zedenleer bij zijn arrest nr. 34/2015 van 12 maart 2015 ( ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.034 ). A.5.1.2. De Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie brengen in herinnering dat de inhoud van de Gids voor EVRAS, die bij het uitvoerend EVRAS-akkoord is gevoegd, niet onder de bevoegdheid van het Hof ressorteert. Wat het beginsel van neutraliteit van het onderwijs betreft, herhalen de Franse Gemeenschapsregering en de Waalse Gewestregering alsook het College van de Franse Gemeenschapscommissie de argumentatie die in het kader van de weerlegging van het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8222 is uiteengezet. Ten overvloede brengt de Waalse Gewestregering in herinnering dat een van de doelstellingen van EVRAS erin bestaat leerlingen open te stellen voor andere denkwijzen en voor respect voor de anderen, hetgeen inhoudt dat het bestaan van verschillende denkwijzen wordt erkend en geen blijk wordt gegeven van bekeringsdrang. De Waalse Gewestregering doet eveneens gelden dat het bestaan van een systeem van vrijstelling niet wordt vereist door een van de normen waarvan de schending wordt aangevoerd, en dat de door de verzoekende partijen aangehaalde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betrekking had op een cursus over het christendom, godsdienst en filosofie, die grotendeels was toegespitst op het christendom en ertoe strekte de leerlingen een christelijke en morele opvoeding te geven, zodat de redenering van het Hof in die zaak niet kan worden overgenomen met betrekking tot EVRAS-activiteiten, die niet bedoeld zijn om de leerlingen enige, a fortiori godsdienstige of filosofische, opvoeding bij te brengen. A.5.2.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 4 en 7 van het EVRAS-akkoord, van de artikelen 10, 11, 22bis, 24 en 25 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol. Zij voeren aan dat de Gids voor EVRAS die als instrument dient voor de erkende opleiders, werd opgesteld zonder dat artsen, klinisch psychologen, psychiaters of kinder- en jeugdpsychiaters werden geraadpleegd, zodat die Gids voor EVRAS op ideologie en niet op wetenschap berust, zoals blijkt uit de affirmatieve formulering ervan, zonder dat wordt uitgenodigd om zaken in vraag te stellen. De bij het EVRAS-akkoord opgelegde EVRAS-activiteiten zijn dan ook gevaarlijk voor de psycho-affectieve ontwikkeling van kinderen. De verzoekende partijen verwijzen dienaangaande naar een kritische analyse van de Gids voor EVRAS door de « Ligue Wallonne pour la Santé Mentale ». 11 A.5.2.2. De Franse Gemeenschapsregering, de Waalse Gewestregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie doen gelden dat in het verzoekschrift tot vernietiging niet wordt uiteengezet welke daadwerkelijk de geschonden normen zouden zijn, welke regels die normen zouden schenden en in welk opzicht die normen zouden zijn geschonden. Het middel is dus onontvankelijk. Bovendien brengen zij in herinnering dat het Hof niet bevoegd is om de Gids voor EVRAS die bij het uitvoerend EVRAS-akkoord is gevoegd, te toetsen. Indien het middel ontvankelijk zou worden bevonden, brengen de Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie in herinnering dat zowel het EVRAS-akkoord als de Gids voor EVRAS uitdrukkelijk verwijzen naar het Verdrag inzake de rechten van het kind, en dat het EVRAS-akkoord net ertoe strekt het belang van het kind veilig te stellen, met name door de sociale ongelijkheden op het vlak van gezondheid te verminderen of door bij te dragen tot de ontwikkeling van een kritische geest van de jongeren. De Gids voor EVRAS is bovendien het resultaat van langdurig overleg met meerdere tientallen actoren van de jeugdsector en met deskundigen op het gebied van pedagogie en gezondheid. De Gemeenschapsraad voor preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming en de algemeen afgevaardigde voor de rechten van het kind hebben overigens een gunstig advies verleend met betrekking tot de Gids. De Waalse Gewestregering, de Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie beklemtonen eveneens dat de « Ligue Wallonne pour la Santé Mentale », op wier werkzaamheden de verzoekende partijen in ruime mate steunen, geen actor van de sectorale vertegenwoordiging is. Haar leden drukken zich dan ook ten persoonlijken titel uit, zonder gehouden te zijn tot enige verplichting tot neutraliteit of objectiviteit, zodat hun standpunt niet in de plaats kan worden gesteld van langdurige voorbereidende werkzaamheden in overleg met tientallen specialisten en de betrokken actoren en sectoren, met inachtneming van de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie. De Gids voor EVRAS steunt daarenboven op een omvangrijk overzicht van de wetenschappelijke literatuur inzake affectieve en seksuele ontwikkeling; de verzoekende partijen kunnen dus niet worden gevolgd wanneer zij aanvoeren dat de verschillende Regeringen die partij zijn bij het EVRAS-akkoord de kinderen die deelnemen aan de EVRAS-activiteiten in gevaar brengen. A.6. In de zes samengevoegde zaken verwijst de tussenkomende partij naar de argumentatie van de Franse Gemeenschapsregering, van de Waalse Gewestregering en van het College van de Franse Gemeenschapscommissie. Zij is voor het overige van mening dat de door de verzoekende partijen vermelde kritiek niet echt rechtskritiek maar wel opportuniteitskritiek uitmaakt, zodat met betrekking tot de beoordeling van het algemeen belang het aannemen van de bestreden normen tot de discretionaire bevoegdheid van de wetgever behoort. –B– Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.1. De beroepen tot vernietiging hebben betrekking op de veralgemening van activiteiten op het gebied van relationele, affectieve en seksuele opvoeding (« éducation à la vie relationnelle, affective et sexuelle », hierna : EVRAS), zoals zij wordt bepaald door het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (hierna : het EVRAS-akkoord). B.1.2. Meer bepaald zijn de beroepen gericht tegen het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord 12 van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding » (hierna : het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschap), het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 20 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding » en het decreet van het Waalse Gewest van 28 september 2023 « houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de veralgemening van de relationele, [affectieve] en seksuele opvoeding ». B.2.1. Sinds het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 juli 2012 « tot wijziging van verschillende bepalingen inzake leerplichtonderwijs » (hierna : het decreet van 12 juli 2012), maakt EVRAS deel uit van de prioritaire opdrachten van het leerplichtonderwijs. Daartoe bepaalt het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs (hierna : het Wetboek onderwijs), in artikel 1.4.1-2, tweede lid : « [...] de Franse Gemeenschap, de inrichtende machten en de onderwijsteams [waken] erover dat de school : [...] 12° opvoedt met aandacht voor het respecteren van ieders persoonlijkheid en overtuiging, voor de plicht zowel fysiek als geestelijk geweld uit te sluiten, voor het relationele, affectieve en seksuele leven alsook democratische gebruiken vastlegt voor verantwoordelijk burgerschap op school; [...] ». B.2.2. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 12 juli 2012 blijkt dat de opname van EVRAS in de algemene doelstellingen van het onderwijs ertoe strekte : « - enerzijds, duidelijk kenbaar te maken dat EVRAS deel uitmaakt van de opdrachten van de school, dat elke onderwijsinstelling bijgevolg verplicht is om op dat gebied initiatieven te nemen, waarbij zij evenwel haar handelingsautonomie behoudt; - anderzijds, erop toe te zien dat EVRAS op de lange termijn wordt uitgerold, over de hele schoolloopbaan, door kinderen en jongeren de mogelijkheid te bieden om, parallel met hun 13 psychoaffectieve ontwikkeling, persoonlijke vaardigheden te leren zodat zij verantwoorde keuzes kunnen maken, met zelfrespect en respect voor de ander en voor de gelijkheid van vrouwen en mannen; - en ten slotte EVRAS te situeren binnen een globale benadering van de menselijke persoon, waarin niet alleen de wetenschappelijke en technische benaderingen zijn opgenomen, maar ook de relationele, affectieve, psychologische, sociale en culturele dimensie » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2011-2012, nr. 380/1, p. 7). B.2.3. Om EVRAS ten uitvoer te leggen als algemene doelstelling van het basis- en secundair onderwijs, hebben de Franse Gemeenschapsregering, de Waalse Regering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie op 20 juni 2013 een protocolakkoord aangenomen « betreffende de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (EVRAS) op school » (hierna : het protocolakkoord van 20 juni 2013). Dat protocolakkoord voorzag in een geleidelijke veralgemening van EVRAS in de onderwijsinstellingen (artikel 1, § 1, tweede lid), door de « onderwijsactoren » te verplichten om « initiatieven te nemen op dat gebied », met name door « een project en acties met betrekking tot EVRAS uit te werken » (artikel 3). B.2.4. Ondanks de opname van EVRAS in de opdrachten van het onderwijs en de veralgemening van EVRAS waarin het protocolakkoord van 20 juni 2013 voorziet, is vastgesteld dat « bepaalde aanzienlijke punten van zorg evenwel onbeantwoord blijven, zoals bijvoorbeeld een geharmoniseerde en samenhangende inhoud van de EVRAS-activiteiten, het structureel aanbieden van de EVRAS-opleiding aan alle leerlingen, een monitoring van de begeleidingsacties, het opleiden van de begeleiders zodat zij daadwerkelijk over een expertise beschikken over de onderwerpen en leerinhouden die zij willen overbrengen, enz. » (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1427/1, p. 3; Parlement van de Franse Gemeenschap, 2022- 2023, nr. 572/1, p. 4; Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie, 2022-2023, nr. 125/1, p. 3). B.3.1. Om een daadwerkelijke veralgemening en een harmonisatie van de EVRAS- activiteiten te waarborgen, hebben de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie op 7 juli 2023 het EVRAS-akkoord aangenomen. Met dat samenwerkingsakkoord is ingestemd bij de drie instemmingsdecreten vermeld in B.1.2, die het voorwerp uitmaken van de voorliggende beroepen. 14 B.3.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de instemmingsdecreten blijkt dat het EVRAS-akkoord vier doelstellingen nastreeft : (1) gemeenschappelijke doelstellingen vastleggen alsook een gemeenschappelijk referentiekader voor de inhoud van de EVRAS-activiteiten, los van de context waarin zij worden georganiseerd; (2) een gemeenschappelijk EVRAS-label bepalen voor het onderwijs en de sector van de jeugdwerking en hulpverlening aan de jeugd; (3) precieze voorwaarden vaststellen voor de veralgemening van EVRAS op school en daarbuiten; (4) een governance invoeren om jaarlijks de doelstellingen te kunnen toetsen en de evolutie van de bepalingen van het akkoord te kunnen volgen (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1427/1, p. 4; Parlement van de Franse Gemeenschap, 2022-2023, nr. 572/1, p. 6; Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie, 2022-2023, nr. 125/1, p. 4). B.3.3. Artikel 3, § 2, van het EVRAS-akkoord bepaalt de doelstellingen van de uitwerking en de tenuitvoerlegging van EVRAS-activiteiten, meer bepaald : « 1° het relationele, affectieve en seksuele leven bevorderen volgens een positieve en respectvolle benadering, rekening houdend met de verschillende psychologische, biologische, medische en sociale aspecten; 2° een kwalitatieve en objectieve voorlichting over het lichaam en de lichamelijke ontwikkeling, de aspecten van seksualiteit, seksuele en reproductieve rechten, alsook diversiteit inzake levenswijze en levensstijl; 3° keuzevrijheid, respect, verantwoordelijkheid ten aanzien van anderen en zichzelf, toestemming en gelijkheid in liefdesrelaties en seksuele praktijken bevorderen; 4° bewustmaking van het belang van het relationele, affectieve en seksuele leven rondom zich en voor zichzelf, van de keuzemogelijkheden en van eenieders verantwoordelijkheden; 5° kinderen en jongeren helpen om persoonlijke vaardigheden te ontwikkelen waarmee zij verantwoorde keuzes kunnen maken; 6° kinderen en jongeren helpen om zich bewust te worden van hun relationele, affectieve en seksuele beleving en om hun emoties te begrijpen, zelfrespect te ontwikkelen en zich bewust te worden van hun behoeften, wensen en waarden; 7° relationele houdingen bevorderen die gebaseerd zijn op luistervaardigheid, respect, dialoog en aanvaarding van verschillen, preventief gedrag aanmoedigen; 8° de bestrijding van discriminatie en de bevordering van gendergelijkheid alsook genderstereotypen uitbannen; 15 9° een positieve houding bevorderen tegenover elkeen, ongeacht seksuele geaardheid, genderexpressie en –identiteit en seksekenmerken; 10° jongeren helpen om hun overtuigingen en hun vooroordelen in vraag te stellen, ze ontvankelijk maken voor andere denkwijzen en voor het respect voor anderen; 11° geweld in al zijn vormen voorkomen, in elke soort relatie, ook in een affectieve en seksuele relatie; 12° kinderen en jongeren sensibiliseren, naargelang van hun psychoaffectieve maturiteit en hun leeftijd en de kennis, knowhow en vaardigheden die verband houden met EVRAS en die zijn opgenomen in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern, voor kwesties van seksuele en reproductieve gezondheid, preventief gedrag, anticonceptiva voor vrouwen en mannen en medische toestemming; 13° kinderen en jongeren informeren over hun rechten, met name inzake seksuele en reproductieve gezondheid, en over de instanties waarbij zij terechtkunnen, de informatiebronnen en de op dat gebied gelabelde of erkende operatoren; 14° kinderen en jongeren sensibiliseren en hun kritische zin ontwikkelen met betrekking tot berichten en beelden in de media, reclame, reality-tv, films en muziek, alsook het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën en van digitale kanalen ». B.4.1. Luidens artikel 2, 1°, van het EVRAS-akkoord wordt EVRAS omschreven als : « een vormingsproces dat meer bepaald een reflectie inhoudt met het oog op de ontwikkeling van de vaardigheden van jongeren om weloverwogen keuzes te maken die de ontplooiing van hun relationele, affectieve en seksuele leven alsook zelfrespect en het respect voor anderen bevorderen. Het gaat erom elke jongere te begeleiden op weg naar volwassenheid volgens een alomvattende benadering waarbij seksualiteit in ruime zin wordt begrepen en met name de relationele, affectieve, sociale, culturele, filosofische en ethische dimensie omvat. EVRAS steunt op waarden van respect, gelijkheid, openstaan voor verschillen en openheid naar anderen toe. Die waarden beogen betrouwbare, objectieve informatie aan te brengen en bij te dragen tot het uitbannen van stereotypen en tot de ontwikkeling van een kritische houding. Zij hebben tot doel jongeren te helpen om hun identiteit te ontplooien, de bescherming van hun rechten te waarborgen, rekening te houden met de impact van hun keuzes op hun welzijn en dat van anderen, en weloverwogen beslissingen te nemen hun leven lang ». B.4.2. EVRAS-activiteiten zijn « activiteiten, opleidingen of activiteiten die worden verzorgd door gelabelde of erkende operatoren, overeenkomstig titel 3 van dit akkoord. Het is de bedoeling dat die EVRAS-begeleidingsacties participatief zijn en gericht op de behoeften van de leerders door hun verworven kennis en ervaring alsook hun relationele, psychoaffectieve en seksuele ontwikkeling in aanmerking te nemen » (artikel 2, 2°, van het EVRAS-akkoord). 16 Artikel 5 van het EVRAS-akkoord bepaalt dat een EVRAS-activiteit plaatsvindt « in een context van wederzijds respect, die gunstig is voor een goed verloop van die activiteit. Die gunstige context laat kinderen en jongeren toe zich vrij uit te drukken alsook de in artikel 4 bedoelde thema’s en inhoud op te nemen en zich eigen te maken. De vertrouwelijkheid van de gesprekken en gedachtewisselingen is één van de basisprincipes van de activiteiten die aan de kinderen en jongeren worden aangeboden ». B.5.1. Krachtens artikel 23, § 2, eerste lid, van het EVRAS-akkoord gebeurt de veralgemening van EVRAS op school via de opname ervan in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern bedoeld in boek I, titel IV, hoofdstuk II, van het Wetboek van onderwijs, in de vorm van een « thematisch EVRAS-document » dat als bijlage is gevoegd bij het EVRAS-akkoord (hierna : het thematisch document). De leerinhouden die bijdragen tot EVRAS zijn toegespitst op acht thema’s : (1) gevoelens en emoties, (2) interpersoonlijke relaties, (3) het lichaam en menselijke ontwikkeling, (4) waarden, culturen, maatschappij, rechten en seksualiteit, (5) genderidentiteit, genderexpressie en seksuele geaardheid, (6) seksualiteit en seksueel gedrag, (7) geweld en (8) seksuele en reproductieve gezondheid (artikel 4 van het EVRAS-akkoord). Die leerinhouden worden in het bijzonder opgenomen in bepaalde disciplines, zoals psychomotoriek, gezondheids- en lichamelijke opvoeding, vorming in filosofie en burgerschap, wetenschappelijke vorming en wetenschappen, historische, geografische, economische en sociale vorming, en manuele, technische, technologische en digitale vorming. B.5.2. Ter aanvulling van die opname in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern wordt de veralgemening van EVRAS nagestreefd door het organiseren van verplichte EVRAS-activiteiten. Krachtens artikel 23, § 3, eerste lid, van het EVRAS-akkoord zijn leerlingen van het gewoon onderwijs verplicht om EVRAS-activiteiten bij te wonen ten belope van vier lestijden gedurende hun hele schoolloopbaan in het basis- en secundair onderwijs : twee lestijden in het zesde jaar lager onderwijs en twee lestijden in het vierde jaar secundair onderwijs. De leerlingen van het gespecialiseerd onderwijs zijn ook verplicht om EVRAS-activiteiten bij te wonen ten belope van vier lestijden in totaal op hun hele schoolloopbaan. Artikel 23, § 3, derde lid, van het EVRAS-akkoord verduidelijkt dat « het in het eerste lid bedoelde aantal activiteiten een minimum is. De inrichtende machten en de onderwijsteams 17 kunnen eveneens een beroep doen op alle gelabelde operatoren om bijkomende activiteiten te organiseren, binnen de perken van de door hun toezichthoudende overheid toegekende kredieten ». B.5.3. Om die EVRAS-activiteiten te organiseren, doen de inrichtende machten en de onderwijsteams, met inachtneming van hun pedagogische vrijheid, een beroep op de centra voor gezinsplanning erkend door het Waalse Gewest of door de Franse Gemeenschapscommissie en, aanvullend, op operatoren die het EVRAS-label hebben verkregen of op de diensten voor gezondheidsbevordering op school (« promotion de la santé à l’école », hierna : de PSE-diensten) en de psycho-medisch-sociale centra (hierna : de PMS- centra) die worden georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap (artikel 23, § 3, tweede lid, van het EVRAS-akkoord). B.6.1. Bij artikel 7, § 1, van het EVRAS-akkoord wordt een « EVRAS-label » gecreëerd, dat gemeenschappelijk is voor de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie. Dat label is van toepassing inzake onderwijs, jeugdwerking en hulpverlening aan de jeugd. Het verkrijgen van dat label is, voor de operatoren die EVRAS-activiteiten wensen te organiseren, een voorafgaande voorwaarde voor eender welke EVRAS-activiteit (artikel 7, § 2, van het EVRAS-akkoord). B.6.2. Door operatoren te verplichten om het EVRAS-label te behalen voordat zij EVRAS-activiteiten mogen organiseren, beogen de wetgevers die partij zijn bij het EVRAS-akkoord : « 1° de kwaliteit van de dienstverleners te waarborgen dankzij een labeling van overheidswege; 2° zich ervan te vergewissen dat de EVRAS-animatoren en -animatrices een gepaste opleiding hebben genoten; 3° zich ervan te vergewissen dat de operatoren activiteiten organiseren die beantwoorden aan de doelstellingen, de inhoud en de thema’s van EVRAS, zoals bepaald in titel 2; 4° aan de begunstigden het bewijs te leveren van de kwaliteit van de prestaties van de externe dienstverleners » (artikel 8 van het EVRAS-akkoord). 18 B.6.3. Het EVRAS-label wordt toegekend door de Franse Gemeenschapsregering (artikel 7, § 3, van het EVRAS-akkoord), voor een hernieuwbare termijn van drie jaar (artikel 14 van het EVRAS-akkoord). Kandidaat-operatoren kunnen het EVRAS-label aanvragen indien zij voldoen aan de voorwaarden vastgesteld bij artikel 9, § 1, van het EVRAS-akkoord, namelijk dat zij : « - het statuut van vereniging zonder winstoogmerk hebben; - animatie- of vormingsactiviteiten op het gebied van EVRAS aanbieden of wensen aan te bieden voor kinderen en jongeren, die gewijd zijn aan educatie, preventie, oriëntatie, voorlichting, luistervaardigheid en advies op het gebied van seksuele, relationele en affectieve gezondheid; - minstens één animator hebben die aantoonbare ervaring heeft met het opzetten van EVRAS-activiteiten op school of daarbuiten; - activiteiten van algemeen belang nastreven; - geen commercieel of publicitair doel nastreven; - het streven naar een vrije en weloverwogen keuze, de strijd tegen uitsluiting, het verwerpen van dogmatisme en van discriminatie, gender- en seksegelijkheid, de vrijwaring van de democratie en van het burgerschap bevorderen; - een beveiligde verwerking waarborgen van de gegevens die kunnen worden verzameld in het kader van hun activiteiten en zich ertoe verbinden geen commercieel gebruik te maken van die gegevens; - een uittreksel uit het blanco strafblad ‘ type 2 ’ van de animatoren en animatrices overleggen; - hun animatoren en animatrices aansporen om zich welwillend op te stellen tijdens hun gesprekken met kinderen en jongeren, een houding aan te nemen die hun vrijheden respecteert, die de vertrouwelijkheid van de gedachtewisselingen garandeert en waarborgt dat zij geen daad van proselitisme stellen, en die geen persoonlijke mening opdringt ». B.6.4. In afwijking hierop beschikken sommige operatoren automatisch over een EVRAS-label. Volgens artikel 9, § 2, van het EVRAS-akkoord gaat het om (1) de centra voor gezinsplanning die zijn erkend door het Waalse Gewest of door de Franse Gemeenschapscommissie en (2) de PSE-diensten en PMS-centra die worden georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. 19 B.7. De animatoren die EVRAS-activiteiten organiseren voor gelabelde operatoren, moeten, krachtens artikel 9, § 3, van het EVRAS-akkoord, de adequate opleiding bedoeld in artikel 16, § 1, van hetzelfde akkoord volgen. Bij wijze van overgangsmaatregel bepaalt artikel 42 van het EVRAS-akkoord dat de operatoren die automatisch over het EVRAS-label beschikken, « EVRAS-animaties mogen organiseren en een periode van twee jaar krijgen toegewezen om de opleiding bedoeld [in artikel 16, § 1, van het EVRAS-akkoord] te volgen ». Na afloop van die periode van twee jaar zijn alle animatoren onderworpen aan die opleidingsplicht, los van het type operator van wie zij afhangen. Wanneer de EVRAS-operatoren niet zorgen voor een adequate opleiding van hun animatoren, kan hun het EVRAS-label worden geweigerd of kan hun label worden ingetrokken. B.8.1. Om de EVRAS-actoren een referentie-instrument te bieden, verplicht artikel 40, § 1, de Regeringen die partij zijn bij het EVRAS-akkoord om, via een uitvoerend samenwerkingsakkoord, een Gids voor EVRAS aan te nemen. Luidens artikel 2, 9°, van het EVRAS-akkoord is die Gids een « ondersteunend referentie-instrument voor de veralgemening van EVRAS, met gemeenschappelijke referentiepunten voor alle actoren om de autonomie van kinderen en jongeren te bevorderen en het maken van weloverwogen keuzes in hun relationele, affectieve en seksuele leven te ondersteunen. Die Gids is bestemd voor de actoren die betrokken zijn bij de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (centra voor gezinsplanning, jeugdorganisaties, diensten voor hulpverlening in open milieu (« aide en milieu ouvert » (AMO), thematische verenigingen, PMS-centra, PSE-diensten, enz.), die kinderen en jongeren begeleiden op het gebied van EVRAS, en voor de EVRAS-documentatiecentra en -steunpunten. Die Gids kan ook interessant zijn voor de onderwijsteams, in het kader van de samenwerkingsverbanden die zij aangaan om EVRAS in hun instelling te ontplooien ». In de Gids voor EVRAS zijn de thema’s en leerinhouden opgenomen zoals bedoeld in artikel 4 van het EVRAS-akkoord, die in B.5.1 worden geciteerd. B.8.2. Uit artikel 11, § 1, 2°, en artikel 13, § 1, eerste lid, § 2 en § 3, van het EVRAS-akkoord blijkt dat EVRAS-activiteiten in overeenstemming moeten zijn met de EVRAS-thema’s en -leerinhouden die bij dat akkoord zijn vastgelegd en die zijn opgenomen in de Gids voor EVRAS. Het EVRAS-label kan worden geweigerd aan of ingetrokken ten aanzien van operatoren die EVRAS-activiteiten aanbieden die niet in overeenstemming zijn met de thema’s en leerinhouden van het EVRAS-akkoord en van de Gids voor EVRAS. 20 B.8.3. De Gids voor EVRAS werd als bijlage gevoegd bij het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 7 juli 2023 tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie voor de invoering van een instrument ter ondersteuning van de veralgemening van de relationele, affectieve en seksuele opvoeding (EVRAS) (hierna : het uitvoerend EVRAS-akkoord). Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft de bevoegdheid van het Hof B.9.1. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.9.2. Die bevoegdheid van het Hof betreft eveneens de wetskrachtige normen houdende instemming met een samenwerkingsakkoord. De rationele uitoefening van zijn bevoegdheid veronderstelt dat het Hof ook de inhoud van het samenwerkingsakkoord bij zijn onderzoek betrekt. B.9.3. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over beroepen tot vernietiging die gericht zijn tegen een uitvoerend samenwerkingsakkoord, dat geen wetgevende instemming vereist. B.9.4. Het tweede middel in de zaken nrs. 8232, 8é, 8234 en 8235 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 22bis, 24 en 25 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), door de bestreden decreten, in zoverre zij instemming verlenen met de artikelen 4 en 7 van het EVRAS-akkoord. De verzoekende partijen doen gelden dat de wetgevers verplichten tot deelname aan 21 EVRAS-activiteiten die steunen op de Gids voor EVRAS, die onwettig zou zijn en gevaarlijk voor de ontwikkeling van kinderen. B.9.5. Ofschoon het middel gericht is tegen de bestreden decreten, in zoverre zij instemming verlenen aan de artikelen 4 en 7 van het EVRAS-akkoord, materieel is het evenwel gericht tegen de Gids voor EVRAS, waarvan het de totstandkomingsprocedure, de inhoud en de toon bekritiseert. Dergelijke grieven, die gericht zijn tegen de Gids voor EVRAS die als bijlage is gevoegd bij het uitvoerend EVRAS-akkoord, vallen niet onder de bevoegdheid van het Hof. B.9.6. Het tweede middel in de zaken nrs. 8232, 8é, 8234 en 8235 is niet ontvankelijk. Wat betreft het belang B.10. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.11.1. De Waalse Regering, de Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie doen gelden dat de verzoekende partijen in de zes samengevoegde zaken geen belang hebben bij het beroep, aangezien de vernietiging van de bestreden decreten hun geen voordeel zou opleveren in zoverre de veralgemening van EVRAS wordt doorgevoerd bij artikel 1.4.1-2, tweede lid, 12°, van het Wetboek onderwijs, en niet bij het EVRAS-akkoord zelf, en in zoverre de EVRAS-leerinhouden opgenomen zijn in de referentiesystemen, die het voorwerp uitmaken van een wettelijke bekrachtiging. B.11.2. Het EVRAS-akkoord bepaalt de nadere regels voor de veralgemening van EVRAS, met name door op te leggen dat EVRAS-activiteiten moeten worden georganiseerd, zonder systeem van vrijstelling, ten belope van vier lestijden over de gehele schoolloopbaan van elke leerling die naar school gaat in een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling, door de voorwaarden te bepalen voor het verkrijgen van het EVRAS-label dat bij het akkoord is gecreëerd en, bijgevolg, door de operatoren aan te wijzen 22 die ertoe gemachtigd zijn om die EVRAS-activiteiten te organiseren. Het legt die operatoren eveneens de verplichting op om zich te conformeren aan de thema’s en leerinhouden van het EVRAS-akkoord die zijn opgenomen in de Gids voor EVRAS. Een vernietiging van de bestreden decreten zou tot gevolg hebben dat EVRAS niet wordt veralgemeend volgens de nadere regels van het EVRAS-akkoord, hetgeen volstaat om het belang van de verzoekende partijen aan te tonen. B.11.3. Aangezien, in elke van de zes samengevoegde zaken, het belang van de verzoekende partijen die natuurlijke personen zijn die zich beroepen op de hoedanigheid van ouders en wettelijke vertegenwoordigers van een kind dat naar school gaat in een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling is aangetoond, is het niet noodzakelijk om het belang te onderzoeken van de verzoekende partijen die natuurlijke personen zijn en die niet de ouder of wettelijke vertegenwoordiger van zulk een kind zijn, noch dat van de verzoekende partijen die rechtspersonen zijn. Ten gronde B.12. Het Hof onderzoekt de middelen als volgt : 1) het middel dat is afgeleid uit de schending van het wettigheidsbeginsel in onderwijszaken (eerste middel in de zaak nr. 8218); 2) de middelen die zijn afgeleid uit de schending van het beginsel van neutraliteit van het onderwijs (derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8222 en eerste middel in de zaken nrs. 8232, 8é, 8234 en 8235) en van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8222); 3) het middel dat is afgeleid uit de schending van het belang van het kind en van de eerbiediging van zijn geestelijke en morele integriteit (tweede middel in de zaak nr. 8218); 4) het middel dat is afgeleid uit de schending van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven (eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8222); 23 5) het middel dat is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie (tweede middel in de zaak nr. 8222). 1. Wat betreft het wettigheidsbeginsel in onderwijszaken (eerste middel in de zaak nr. 8218) B.13. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8218 leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 1 van het instemmingsdecreet van de Franse Gemeenschap in zoverre het instemming verleent met de artikelen 2, 9°, en 40, § 1, van het EVRAS-akkoord, van de artikelen 10, 11 en 24, § 5, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 14 en 15, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 3 en 4, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de algemene beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, het evenredigheidsbeginsel en het formele en materiële wettigheidbeginsel, in zoverre de Gids voor EVRAS, die een wezenlijk element van de veralgemening van EVRAS zou vormen, niet is aangenomen door middel van een norm met wetgevende waarde. B.14.1. Artikel 24, § 5, van de Grondwet bepaalt : « De inrichting, erkenning of subsidiëring van het onderwijs door de gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet ». B.14.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de grondwetsherziening van 15 juli 1988 blijkt dat de Grondwetgever met artikel 24, § 5, van de Grondwet « de oorspronkelijke bedoeling van de Grondwetgever [wou actualiseren] » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100-1/1°, p. 7). Daaraan werd toegevoegd : « Essentiële beschikkingen inzake onderwijs moeten door verkozen organen vastgelegd worden. Uitvoerende organen kunnen slechts optreden in relatie tot dergelijke beschikkingen » (ibid.). 24 Na erop te hebben gewezen dat het eveneens de bedoeling was om de « principes van het schoolpact » grondwettelijk te waarborgen en na die « principes », aangevuld met de reeds in het vroegere artikel 17 van de Grondwet gewaarborgde beginselen, te hebben opgesomd (de vrijheid van onderwijs, de mogelijkheid voor de gemeenschappen om zelf onderwijs in te richten dat voldoet aan de neutraliteitsvereiste, de mogelijkheid voor de gemeenschappen om als inrichtende macht bevoegdheden op te dragen aan autonome organen, het recht op (kosteloos) onderwijs en de gelijkheid in onderwijszaken), verklaarde de vice-eerste minister en minister van Verkeerswezen en Institutionele Hervormingen : « Al deze belangrijke principes inzake onderwijsbeleid moeten worden vastgelegd bij decreet of bij wet; alleen democratisch verkozenen kunnen door middel van algemeen geldende regelen de inrichting, de erkenning en de subsidiëring van het onderwijs regelen » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100-1/2°, p. 4). B.14.3. Artikel 24, § 5, van de Grondwet drukt aldus de wil van de Grondwetgever uit om aan de bevoegde wetgever de zorg voor te behouden een regeling te treffen voor de essentiële aspecten van het onderwijs, wat de inrichting, erkenning of subsidiëring ervan betreft, doch verbiedt niet dat onder bepaalde voorwaarden opdrachten aan andere overheden worden toevertrouwd. Die grondwettelijke bepaling vereist dat de door de decreetgever verleende delegaties alleen betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van de door hem vastgestelde beginselen. De gemeenschapsregering of een andere overheid zou daarmee de onnauwkeurigheid van die beginselen niet kunnen opvangen of onvoldoende omstandige beleidskeuzes niet kunnen verfijnen. B.14.4. De tekst van artikel 24, § 5, heeft een algemene draagwijdte : hij maakt geen enkel onderscheid en bevat geen enkele beperking met betrekking tot de draagwijdte van het begrip « inrichting », wat betekent dat elke hervorming betreffende de inrichting van het onderwijs, ongeacht het doel ervan, zelfs indien zij in de tijd is beperkt, slechts bij decreet kan worden geregeld. 25 B.15.1. Artikel 2, 9°, van het EVRAS-akkoord omschrijft de Gids voor EVRAS als een ondersteunend referentie-instrument voor de veralgemening van EVRAS, dat gemeenschappelijke referentiepunten vaststelt voor alle EVRAS-actoren. Artikel 40, § 1, van het EVRAS-akkoord bepaalt : « De Regeringen die partij zijn bij dit akkoord nemen, via een uitvoerend samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 1, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, een ‘ Gids voor EVRAS ’ aan zoals omschreven in artikel 2, 9°. Een wijziging van de aldus aangenomen Gids kan enkel worden doorgevoerd via eenzelfde uitvoerend samenwerkingsakkoord tussen de Regeringen die partij zijn bij het akkoord. Zodra hij is aangenomen of vervolgens gewijzigd, wordt de ‘ Gids voor EVRAS ’ overgezonden naar het Parlement van de Franse Gemeenschap, het Parlement van het Waalse Gewest en het Franstalige Brussels Parlement ». B.15.2. De Gids voor EVRAS is niet bedoeld om rechtstreeks door de onderwijsteams te worden gebruikt, noch als dusdanig te worden onderwezen aan de leerlingen die zijn ingeschreven in een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling. Hij is dus noch een studieprogramma in de zin van artikel 1.3.1-1, 49°, van het Wetboek onderwijs, noch een referentiesysteem in de zin van artikel 1.3.1-1, 50°, van hetzelfde Wetboek. De Gids dient daarentegen als referentie-instrument voor de EVRAS-actoren tijdens de verplichte EVRAS-activiteiten die de leerlingen van het lager en secundair onderwijs moeten bijwonen en die, wanneer zij op school plaatsvinden, onder de inrichting van het onderwijs vallen in de zin van artikel 24, § 5, van de Grondwet. Er dient bijgevolg te worden onderzocht of de bestreden machtiging die is verleend aan de Regeringen die partij zijn bij het EVRAS–akkoord, binnen de grenzen blijft van artikel 24, § 5, van de Grondwet. B.16.1. Artikel 40 van het EVRAS-akkoord stelt weliswaar, zoals de verzoekende partijen opmerken, geen grens aan de machtiging die wordt verleend aan de Regeringen die partij zijn bij het akkoord. Die machtiging kan evenwel enkel in overeenstemming met de andere bepalingen van het EVRAS-akkoord worden begrepen. 26 B.16.2. Krachtens de definitie van de Gids voor EVRAS, zoals zij volgt uit artikel 2, 9°, van het EVRAS-akkoord, moet die Gids de « gemeenschappelijke referentiepunten voor alle actoren [bevatten] om de autonomie van kinderen en jongeren te bevorderen en het maken van weloverwogen keuzes in hun relationele, affectieve en seksuele leven te ondersteunen » en vormt hij een hulpmiddel voor de « actoren die betrokken zijn bij de relationele, affectieve en seksuele opvoeding [...], die kinderen en jongeren begeleiden op het gebied van EVRAS ». De bestemming en het algemene doel van die Gids worden dus bepaald door het EVRAS-akkoord zelf. B.16.3. Overigens bepaalt artikel 4, derde lid, van het EVRAS-akkoord dat de Gids voor EVRAS, als referentie-instrument, de thema’s en leerinhouden bevat die zijn bedoeld in het eerste lid van hetzelfde artikel en die zijn opgenomen in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern in de vorm van het bij het EVRAS–akkoord gevoegde thematische document. Elk van die acht thema’s wordt in artikel 4, eerste lid, van het EVRAS-akkoord verduidelijkt aan de hand van meerdere leerinhouden. De thema’s en leerinhouden die in de Gids aan bod moeten komen, zijn dus vastgesteld door het EVRAS-akkoord zelf en door het thematische document, waaraan wetgevende instemming werd verleend. B.16.4. Tot slot wordt de beleidsruimte van de Regeringen wat betreft de inhoud en de doelstellingen van de Gids voor EVRAS eveneens beperkt door de doelstellingen van de EVRAS-activiteiten, bepaald in artikel 3, § 2, van het EVRAS-akkoord, door de context waarin de EVRAS-activiteiten moeten plaatsvinden, zoals bepaald in artikel 5 van hetzelfde akkoord, en door de definitie van EVRAS zelf, zoals zij volgt uit artikel 2, 1°, van het EVRAS-akkoord. B.16.5. Uit het voorgaande volgt dat de wezenlijke aspecten van de Gids voor EVRAS zijn vastgesteld door het EVRAS-akkoord zelf. Bijgevolg zijn de Regeringen, bij de uitoefening van de hun bij artikel 40, § 1, van het EVRAS-akkoord toegekende opdracht, dermate gebonden dat de aan hen verleende machtiging artikel 24, § 5, van de Grondwet niet kan schenden. B.16.6. Voor het overige kunnen de bevoegde rechtscolleges, in elk bijzonder geval, beoordelen of de Regeringen de hun verleende bevoegdheid hebben aangewend in overeenstemming met de decreten en met het samenwerkingsakkoord. 27 B.17. De omstandigheid dat oorspronkelijk was bepaald dat de Gids voor EVRAS zou worden gevoegd bij het EVRAS-akkoord zelf en niet bij een uitvoerend samenwerkingsakkoord, doet niets af aan die vaststelling. B.18. Het eerste middel in de zaak nr. 8218 is niet gegrond. 2. Wat betreft het beginsel van neutraliteit van het onderwijs (derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8222 en eerste middel in de zaken nrs. 8232, 8é, 8234 en 8235) en de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8222) B.19.1. Het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8222 is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 1, derde lid, van de Grondwet, door de bestreden decreten, in zoverre zij instemming verlenen met de artikelen 3, § 2, 4, 11, § 1, en 23 van het EVRAS-akkoord. De verzoekende partijen doen gelden dat de opname van EVRAS in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern het beginsel van neutraliteit van het onderwijs schendt doordat thema’s in het kader van filosofische of godsdienstige waarden worden opgenomen in lessen van de gemeenschappelijke kern, die losstaan van de lessen filosofie of godsdienst. B.19.2. De opname van EVRAS in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern, waarin artikel 23, § 2, van het EVRAS-akkoord voorziet, neemt de vorm aan van een thematisch document. Artikel 1.4.4-7 van het Wetboek onderwijs bepaalt dat de thematische documenten « tot doel [hebben] een gecoördineerde en transversale lezing van de referentiekaders over een bepaald thema of inzet te bieden zonder een nieuwe verjaring [lees : zonder een nieuw voorschrift] of aanvullende of andere kennis, knowhow en vaardigheden te vormen in vergelijking met de referentiekaders waarnaar wordt verwezen in de hoofdstukken II en III ». De opname van EVRAS in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern door middel van een thematisch document wijzigt die referentiesystemen bijgevolg niet en houdt dus geen nieuwe voorschriften in wat betreft de kennis, de knowhow of vaardigheden die moeten worden verworven voor een of meerdere vakken. 28 B.19.3. De schending van het beginsel van neutraliteit van het gemeenschapsonderwijs die in het middel wordt aangeklaagd, zou dus haar oorsprong vinden in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern, die werden aangenomen bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 23 juni 2022 « tot wijziging en bekrachtiging van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 9 september 2021 tot bepaling van het referentiekader voor de Franse en de oude talen, het referentiekader voor de culturele en artistieke opvoeding, het referentiekader voor de moderne talen, het referentiekader voor de wiskunde, het referentiekader voor de wetenschappen, het referentiekader voor de manuele, technische, technologische en numerieke opleiding, het referentiekader voor de opleiding tot filosofie en burgerschap en het referentiekader voor de lichamelijke en gezondheidsopvoeding en tot aanneming [van] het referentiekader voor de opleiding geschiedenis, aardrijkskunde, economie en sociale wetenschappen en tot invoering van een procedure voor afwijking van deze referentiekaders », en niet in de bestreden decreten houdende instemming met het EVRAS- akkoord. B.19.4. Het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8222 is niet gegrond. B.20. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8232, 8é, 8234 en 8235 leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 24 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol, door de bestreden decreten, in zoverre zij instemming verlenen met de artikelen 4 en 23 van het EVRAS-akkoord. Zij doen gelden dat de verplichting voor de leerlingen om EVRAS-activiteiten te volgen, zonder mogelijkheid van vrijstelling, strijdig is met het beginsel van neutraliteit van het onderwijs en met de inachtneming van de ouderlijke rechten. Het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8222 is afgeleid uit de schending van artikel 19 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol, door de bestreden decreten, in zoverre zij instemming verlenen met de artikelen 2, 1°, 3, § 1, en 4 van het EVRAS-akkoord. De verzoekende partijen doen gelden dat de inhoud van de EVRAS-activiteiten geen rekening houdt met de filosofische en godsdienstige overtuigingen van de ouders van leerlingen. 29 B.21.1. Artikel 24, § 1, derde lid, van de Grondwet verplicht de gemeenschappen om neutraal onderwijs in te richten. Neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen. B.21.2. In de verklarende nota van de Regering bij de grondwetsherziening van 15 juli 1988 werd het begrip « neutraliteit » toegelicht als volgt : « De notie ‘ neutraliteit ’ wordt ten dele omschreven in de tekst zelf. ‘ Onder meer ’ verwijst naar een verdere omschrijving in volgende zin. Het neutraal onderwijs beperkt zich niet tot onderricht maar beoogt eveneens de opvoeding van de gehele persoonlijkheid van de leerling. Een neutrale school eerbiedigt alle filosofische, ideologische en godsdienstige opvattingen van de ouders die er hun kinderen aan toevertrouwen. Zij gaat uit van een positieve erkenning en waardering van de verscheidenheid van meningen en houdingen en legt de nadruk op de gemeenschappelijke waarden. Dergelijk onderwijs wil de jongeren helpen en voorbereiden om in deze maatschappij binnen te treden met een persoonlijk oordeel en engagement. Slechts in deze geest zullen controversiële problemen behandeld worden. De uitwerking van dergelijke neutraliteit hangt nauw samen met het opvoedingsproject en de pedagogische methodes. Ze zal dan ook op uiteenlopende wijze kunnen evolueren in de Gemeenschappen » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100-1/1°, pp. 2-3). Tijdens de behandeling in de Commissie voor de Herziening van de Grondwet en de Hervorming der Instellingen van de Senaat heeft de staatssecretaris voor Onderwijs (N) verklaard : « [Er] mag [niet] uit het oog worden verloren dat de maatschappelijke omstandigheden veranderen en dat het dus niet aangewezen is bepaalde begrippen te clicheren » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100-1/2°, p. 64). B.21.3. Daaruit blijkt dat de Grondwetgever het in artikel 24, § 1, derde lid, van de Grondwet vervatte begrip « neutraliteit » niet heeft willen concipiëren als een statisch begrip. B.21.4. Niettemin heeft het begrip een minimuminhoud, waarvan niet, zonder schending van de Grondwet, kan worden afgeweken. De plicht van de gemeenschappen om neutraal onderwijs in te richten, vormt immers een waarborg voor de keuzevrijheid van de ouders. 30 B.21.5. Die inhoud kan niet los worden gezien van de enige – maar essentiële – verduidelijking die de grondwettekst zelf bevat met betrekking tot het begrip « neutraliteit », meer bepaald de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen. De neutraliteit die de overheid op filosofisch, ideologisch en godsdienstig vlak moet betrachten bij de inrichting van het gemeenschapsonderwijs, verbiedt haar meer bepaald filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen te benadelen, te bevoordelen of op te leggen. De neutraliteit veronderstelt bijgevolg, zoals in de verklarende nota van de Regering bij de grondwetsherziening van 1988 staat te lezen, « een positieve erkenning en waardering van de verscheidenheid van meningen en houdingen » - in zoverre althans het geen meningen betreft die een bedreiging vormen voor de democratie en voor de fundamentele rechten en vrijheden - en een « nadruk op de gemeenschappelijke waarden ». Het in artikel 24, § 1, derde lid, van de Grondwet vervatte begrip « neutraliteit » vormt aldus een nadere verwoording, in onderwijsaangelegenheden, van het grondwettelijke beginsel van de neutraliteit van de overheid, dat nauw samenhangt met het discriminatieverbod in het algemeen en het beginsel van de benuttigingsgelijkheid van de openbare dienst in het bijzonder. B.21.6. Het neutraliteitsbeginsel brengt voor de bevoegde overheid evenwel niet alleen een onthoudingsplicht met zich mee – in de zin van een verbod om filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen te benadelen, te bevoordelen of op te leggen -, maar ook, in bepaalde omstandigheden, een positieve verplichting, voortvloeiende uit de grondwettelijk gewaarborgde keuzevrijheid van de ouders, om het gemeenschapsonderwijs op dusdanige wijze te organiseren dat de « positieve erkenning en waardering van de verscheidenheid van meningen en houdingen » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100-1/1°, p. 3) er niet in het gedrang komt. B.22. Krachtens artikel 24, § 3, van de Grondwet heeft ieder recht op onderwijs met inachtneming van de fundamentele rechten en vrijheden. Tot die fundamentele rechten behoren de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, gewaarborgd bij artikel 19 van de Grondwet, bij artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, alsook het recht van de 31 ouders, met name gewaarborgd bij artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol, dat het door de overheid aan hun kinderen verstrekte onderwijs wordt verzekerd met naleving van hun godsdienstige en filosofische overtuigingen. B.23.1. Artikel 19 van de Grondwet bepaalt : « De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd ». Artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften. 2. De vrijheid zijn godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». Artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « 1. Een ieder heeft het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid een zelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen door de eredienst, het onderhouden van de geboden en voorschriften, door praktische toepassing en het onderwijzen ervan. 2. Op niemand mag dwang worden uitgeoefend die een belemmering zou betekenen van zijn vrijheid een door hemzelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden. 3. De vrijheid van een ieder zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen. 4. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden, de godsdienstige en morele opvoeding van hun kinderen of pupillen overeenkomstig hun eigen overtuiging te verzekeren ». 32 B.23.2. In zoverre zij het recht erkennen om hetzij alleen, hetzij met anderen, zijn godsdienst tot uiting te brengen, hebben artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 19 van de Grondwet. De bij die bepalingen geboden waarborgen vormen dan ook, in die mate, een onlosmakelijk geheel. B.23.3. Wanneer het gaat om de verplichting van Staten om, in het kader van de uitoefening van de functies die zij inzake onderwijs op zich nemen, het recht te eerbiedigen van de ouders om zich voor hun kinderen te verzekeren van de opvoeding en van het onderwijs welke overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen ‒ zoals te dezen het geval is ‒, vormt artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol de lex specialis ten opzichte van artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Desalniettemin dient artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol, en in het bijzonder de tweede zin ervan, te worden gelezen in het licht van de artikelen 8 en 9 van dat Verdrag (EHRM, grote kamer, 18 maart 2011, Lautsi e.a. t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2011:0318JUD003081406 , §§ 59-60), van artikel 19 van de Grondwet en van artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Het Hof onderzoekt de middelen dus hoofdzakelijk uit het oogpunt van de tweede zin van artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol. B.24.1. Artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Niemand zal het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies welke de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt zal de Staat het recht eerbiedigen van de ouders om (voor hun kinderen) zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren welke overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen ». B.24.2. Artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol geldt voor elke aangelegenheid die het voorwerp uitmaakt van openbaar onderwijs (EHRM, grote kamer, 29 juni 2007, Folgerø e.a. t. Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2007:0629JUD001547202 , § 84; 9 oktober 2007, Hasan en Eylem Zengin t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2007:1009JUD000144804 , § 48). 33 Die bepaling heeft niet tot doel Staten te verbieden om informatie of kennis met een al dan niet rechtstreeks godsdienstig of filosofisch karakter te verspreiden. Zij staat ouders zelfs niet toe zich te verzetten tegen de opname van een dergelijk onderwijs in het schoolprogramma, zo niet zou elk geïnstitutionaliseerd onderwijs mogelijk onwerkzaam blijken. Die bepaling impliceert daarentegen dat Staten erover waken dat de informatie of kennis die in het programma zijn opgenomen, op objectieve, kritische en pluralistische wijze worden verstrekt. Zij verbiedt hun bijgevolg een doel van indoctrinatie na te streven dat kan worden geacht de godsdienstige en filosofische overtuigingen van de ouders niet in acht te nemen (EHRM, grote kamer, 29 juni 2007, Folgerø e.a. t. Noorwegen, voormeld, § 84; 9 oktober 2007, Hasan en Eylem Zengin t. Turkije, voormeld, §§ 51-52). B.24.3. Lessen seksuele voorlichting vallen binnen het toepassingsgebied van artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol (EHRM, 7 december 1976, Kjeldsen, Busk Madsen en Pedersen t. Denemarken, ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000509571 , § 54). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat lessen seksuele voorlichting, zij het voor kinderen van 4 tot 8 jaar, en zonder mogelijkheid van vrijstelling, berusten op legitieme doelstellingen, namelijk de strijd tegen seksueel geweld en seksuele uitbuiting of de voorbereiding van kinderen op de sociale werkelijkheid (EHRM, beslissing, 19 december 2017, A.R. en L.R. t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2017:1219DEC002 é815, § 35). Het heeft ook ingestemd met verplichte lessen seksuele voorlichting zonder mogelijkheid van vrijstelling, op basis van het legitieme doel dat erin bestaat « leerlingen kennis aan te reiken over de biologische, ethische, sociale en culturele aspecten van seksualiteit, naargelang van hun leeftijd en hun maturiteit, om hen in staat te stellen hun eigen morele opvattingen en een onafhankelijke benadering van hun eigen seksualiteit te ontwikkelen » (EHRM, beslissing, 13 september 2011, Dojan e.a. t. Duitsland, ECLI:CE:ECHR:2011:0913DEC000031908 , § 2). Dergelijke lessen seksuele voorlichting kunnen worden beschouwd als noodzakelijk in een democratische samenleving nu zij geen « doel van indoctrinatie nastreven dat kan worden beschouwd als zijnde niet in overeenstemming met de godsdienstige en filosofische overtuiging van de ouders » (EHRM, beslissing, 19 december 2017, A.R. en L.R. t. Zwitserland, voormeld, § 39). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat verplichte lessen seksuele voorlichting die « minder tot doel hebben leerlingen kennis bij te brengen die zij niet bezitten of niet met andere middelen kunnen opdoen, dan wel hun die kennis op een juistere, 34 nauwkeurigere, objectievere en meer wetenschappelijke manier bij te brengen », geen doel van indoctrinatie nastreven (EHRM, 7 december 1976, Kjeldsen, Busk Madsen en Pedersen t. Denemarken, voormeld, § 54). B.24.4. Teneinde de godsdienstige en filosofische overtuigingen van ouders te respecteren, is het soms noodzakelijk dat leerlingen de mogelijkheid hebben om van bepaalde vakken te worden vrijgesteld (EHRM, grote kamer, 29 juni 2007, Folgerø e.a. t. Noorwegen, voormeld, §§ 95-100). Dat is met name het geval wanneer een Staat godsdienstonderwijs opneemt in de materies van studieprogramma’s (EHRM, 9 oktober 2007, Hasan en Eylem Zengin t. Turkije, voormeld, § 71). De mogelijkheid van een vrijstelling dient evenwel niet systematisch te zijn, in het bijzonder wanneer dat onderwijs op een objectieve, kritische en pluralistische manier wordt ingericht (EHRM, beslissing, 13 september 2011, Dojan e.a. t. Duitsland, voormeld, § 2). B.25. Het Hof dient na te gaan of de EVRAS-activiteiten, die de leerlingen verplicht moeten bijwonen krachtens artikel 23, § 3, eerste lid, van het EVRAS-akkoord, zonder mogelijkheid van vrijstelling, neutraal onderwijs vormen dat geen enkele filosofische, ideologische of godsdienstige opvatting oplegt, of zij op een legitiem doel berusten en of zij op een objectieve, kritische en pluralistische manier worden georganiseerd, zonder een doel van indoctrinatie na te streven. B.26. Ook al kunnen bepaalde thema’s en bepaalde leerinhouden van de EVRAS-activiteiten bedoeld in artikel 4 van het EVRAS-akkoord, verband houden met godsdienstige of filosofische overtuigingen, toch is EVRAS geen godsdienstonderwijs als zodanig en verschilt het wezenlijk van de cursussen godsdienst en niet-confessionele zedenleer. EVRAS is geen geëngageerde cursus waarin de titularis mag getuigen voor een bepaald religieus of filosofisch stelsel, en past binnen diverse vakgebieden die losstaan van de lessen godsdienst of niet-confessionele zedenleer : « EVRAS en de thema’s die zij omvat zijn op transversale wijze aanwezig in de gehele vorming van de gemeenschappelijke kern. Niettemin dragen bepaalde vakgebieden van de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern in het bijzonder daartoe bij : dat geldt meer bepaald voor psychomotoriek (in het kleuteronderwijs) en vervolgens gezondheids- en lichamelijke opvoeding; vorming in filosofie en burgerschap; wetenschappelijke vorming (in het kleuteronderwijs) en vervolgens wetenschappen; menselijke en sociale vorming (in het kleuteronderwijs) en vervolgens historische, geografische, economische en sociale vorming, 35 hoofdzakelijk wat de economische en sociale componenten betreft; tot slot draagt manuele, technische, technologische en digitale vorming (formation manuelle, technique, technologique et numérique (FMTTN)) bij tot de leerinhouden die verbonden zijn aan bepaalde EVRAS-thema’s, in het bijzonder die welke verband houden met seksualiteit in de media (thema : seksualiteit en seksueel gedrag) en cyberpesten (thema : geweld) » (Thematisch EVRAS-document - bijlage I bij het EVRAS-akkoord, p. 5). Voorts is het belangrijk om eraan te herinneren dat, ook al kan EVRAS lessen seksuele voorlichting inhouden, toch is die opvoeding niet daartoe beperkt, aangezien zij past binnen een « alomvattende benadering waarbij seksualiteit in ruime zin wordt begrepen en met name de relationele, affectieve, sociale, culturele, filosofische en ethische dimensie omvat » (artikel 2, 1°, van het EVRAS-akkoord). B.27.1. Zoals in B.3.3 is vermeld, hebben de EVRAS-activiteiten, volgens artikel 3, § 2, van het EVRAS-akkoord, onder meer tot doel « een kwalitatieve en objectieve voorlichting [te geven] over het lichaam en de lichamelijke ontwikkeling, de aspecten van seksualiteit, seksuele en reproductieve rechten, alsook over diversiteit inzake levenswijze en levensstijl », « keuzevrijheid [te] bevorderen », de ontwikkeling te stimuleren van « persoonlijke vaardigheden [...] waarmee [kinderen en jongeren] verantwoorde keuzes kunnen maken », jongeren te helpen om « hun overtuigingen en hun vooroordelen in vraag te stellen, ze ontvankelijk [te] maken voor andere denkwijzen en voor het respect voor anderen ». Zij strekken ook ertoe « geweld in al zijn vormen te voorkomen, in elke soort relatie, ook in een affectieve en seksuele relatie ». B.27.2. De thema’s waarop de genoemde EVRAS-activiteiten zijn toegespitst, hebben overigens betrekking op onder meer « de interpersoonlijke relaties », waaronder « het behoren tot een groep en het samenleven » (artikel 4, eerste lid, 2°, van het EVRAS-akkoord), of « waarden, culturen, maatschappij, rechten en seksualiteit », waaronder « de sociale, culturele en godsdienstige normen, de waardesystemen; de invloeden van het milieu waartoe men behoort en groepsdruk » (artikel 4, eerste lid, 4°, van het EVRAS-akkoord). B.27.3. De EVRAS-activiteiten steunen dus minstens op drie legitieme doelstellingen, namelijk de voorbereiding van kinderen en jongeren op de sociale werkelijkheid, jongeren de handvatten geven om hun eigen morele opvattingen te bepalen, alsook een onafhankelijke benadering van hun eigen seksualiteit, opgevat in ruime zin, en de bestrijding van onder meer seksueel geweld. 36 B.28.1. Zoals in B.4.1 is vermeld, veronderstelt de definitie van EVRAS die is vastgelegd bij artikel 2, 1°, van het EVRAS-akkoord dat aan de leerlingen « betrouwbare [en] objectieve informatie » wordt gegeven en dat de EVRAS-activiteiten « [bijdragen] tot het uitbannen van stereotypen en tot de ontwikkeling van een kritische houding ». B.28.2. Artikel 9, § 1, van het EVRAS-akkoord verplicht de gelabelde operatoren om hun animatoren aan te sporen om « een houding aan te nemen […] die […] waarborgt dat zij geen daad van bekeringsdrang stellen, en die geen persoonlijke mening opdringt ». B.28.3. Het thematische document, aan de hand waarvan EVRAS wordt opgenomen in de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern, geeft in die zin aan : « Het belang om EVRAS op school in de praktijk te brengen vloeit vooral voort uit het neutrale en veralgemeende karakter ervan. In de privésfeer kunnen jongeren die op zoek zijn naar informatie over seksualiteit, gebruikmaken van hulpbronnen buiten de school, maar niets garandeert dat de informatie die door die hulpbronnen wordt gegeven betrouwbaar en volledig is. Niet alle ouders zijn het best geplaatst om op psycho-medisch-sociaal vlak te antwoorden op de vragen van hun kind. De gêne die een dergelijk gesprek soms doet ontstaan, kan de overdracht van volledige en correcte informatie aanzienlijk afremmen. De veralgemening van EVRAS in de scholen – op gecoördineerde wijze, via de leerkracht, met eventueel de hulp van een cel welzijn/EVRAS of van een EVRAS-actor op school – waarborgt, enerzijds, dat alle jongeren op gelijke wijze worden gevormd en geïnformeerd en, anderzijds, dat die informatie/vorming wordt verstrekt door gesprekspartners van buiten de familie- of vriendenkring die dus neutraler zijn en meer wetenschappelijke kennis hebben. Zonder de ouders elke verantwoordelijkheid te ontnemen, waarborgt de organisatie van EVRAS op school dus dat elke leerling wordt gesensibiliseerd en correct geïnformeerd/gevormd, om over betrouwbare handvatten te beschikken voor een bedachtzaam affectief en seksueel leven » (Thematisch EVRAS-document - bijlage I bij het EVRAS- akkoord, p. 4). B.28.4. Het EVRAS-akkoord bepaalt bovendien dat de EVRAS-activiteiten « gericht zijn op de behoeften van de leerlingen » (artikel 2, 2°, van het EVRAS-akkoord), en worden opgevat « vanuit de voorstellingen, de kennis en de behoeften van de kinderen en jongeren » (artikel 3, § 1, van het EVRAS-akkoord). Een thema mag dus enkel worden behandeld wanneer het beantwoordt aan een behoefte die door de kinderen en de jongeren werd uitgesproken. B.28.5. Tot slot impliceert de organisatie van de EVRAS-activiteiten niet, wat in strijd zou zijn met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat de ouders worden verhinderd 37 om hun kind voor te lichten en het raad te geven, hun natuurlijke functie van opvoeder tegenover hem/haar uit te oefenen en het te oriënteren in een richting die overeenstemt met hun eigen godsdienstige overtuiging (EHRM, 7 december 1976, Kjeldsen, Busk Madsen en Pedersen t. Denemarken, voormeld, § 54). Het in B.28.3 geciteerde thematisch document bepaalt immers dat EVRAS de ouders niet elke verantwoordelijkheid voor de opvoeding van hun kinderen ontneemt. Op dezelfde wijze bepaalde het protocolakkoord van 20 juni 2013, in artikel 1, § 1, derde lid, ervan, dat EVRAS « aanvullend is ten opzichte van de verantwoordelijkheid van de ouders en de volwassenen die kinderen en jongeren omringen op het gebied van opvoeding, en die niet vervangt ». Die vaststelling wordt versterkt door het beperkte volume van EVRAS-activiteiten die door het EVRAS-akkoord worden opgelegd, aangezien de onderwijsinstellingen die activiteiten slechts ten belope van vier lestijden over de gehele schoolloopbaan in het basis- en secundair onderwijs moeten organiseren. B.28.6. Overigens kan uit de Grondwet of uit het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geen recht worden afgeleid om niet te worden blootgesteld aan overtuigingen of meningen die tegengesteld zijn aan de eigen overtuigingen en meningen, zij het in een schoolcontext (EHRM, beslissing, 6 oktober 2009, Appel Irrgang e.a. t. Duitsland, ECLI:CE:ECHR:2009:1006DEC004521607 ). B.28.7. Uit het voorgaande volgt dat het EVRAS-akkoord neutraal onderwijs organiseert dat niet tot doel heeft een standpunt op te leggen, maar daarentegen de leerlingen de instrumenten te geven die nodig zijn voor het ontwikkelen van een persoonlijk standpunt. Het EVRAS-akkoord en het thematische document voorzien in meerdere referentiepunten om te waarborgen dat de informatie die tijdens de EVRAS-activiteiten aan de leerlingen wordt geboden, hun op een objectieve, kritische en pluralistische wijze wordt verstrekt, teneinde te voorkomen dat daarmee een doel van indoctrinatie wordt nagestreefd. De bestreden decreten schenden artikel 24, § 1, derde lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol, bijgevolg niet. B.29. Aangezien EVRAS, zoals omschreven en ten uitvoer gelegd door het EVRAS-akkoord, neutraal, pluralistisch en objectief onderwijs vormt, dat geen doel van indoctrinatie nastreeft, en aangezien die opvoeding geen godsdienstonderwijs vormt, zijn de 38 motieven waarom het Hof bij zijn arresten nrs. 34/2015 van 12 maart 2015 ( ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.034 ) en 66/2016 van 11 mei 2016 ( ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.066 ) heeft vereist dat de ouders wier kinderen het officieel onderwijs volgen, op niet nader gemotiveerd verzoek een vrijstelling van levensbeschouwelijk onderricht moeten kunnen krijgen, niet geldig voor EVRAS. Met betrekking tot de inhoud van EVRAS verplichten noch artikel 24 van de Grondwet, noch artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol de bevoegde wetgevers om in een algemene vrijstellingsregeling te voorzien (EHRM, beslissing, 6 oktober 2009, Appel Irrgang e.a. t. Duitsland, voormeld). B.30. Het feit dat de EVRAS-animatoren verplicht gebruik moeten maken van de Gids voor EVRAS om de door hen georganiseerde activiteiten af te bakenen, kan geen schending van het beginsel van neutraliteit van het gemeenschapsonderwijs, noch van de ouderlijke rechten met zich meebrengen. Integendeel, het gebruik van een gemeenschappelijk referentie- instrument draagt ertoe bij het gewicht van de persoonlijke overtuigingen van de animatoren, en dus het mogelijke risico van niet-naleving van de neutraliteitsplicht, te beperken. B.31. Voor het overige valt de kritiek inzake de neutraliteit van de Gids voor EVRAS die als bijlage is gevoegd bij het uitvoerend EVRAS-akkoord, niet onder de bevoegdheid van het Hof maar onder die van de bevoegde rechtscolleges. B.32. Het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8222, alsook het eerste middel in de zaken nrs. 8232, 8é, 8234 en 8235 zijn niet gegrond. 3. Wat betreft het belang van het kind en de eerbiediging van zijn psychische en morele integriteit (tweede middel in de zaak nr. 8218) B.33. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8218 leiden een tweede middel af uit de schending van artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, door de bestreden decreten, in zoverre zij instemming verlenen met de artikelen 2, 3, 4, 5, 11, 23, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32 en 40 van het EVRAS-akkoord. Zij doen gelden dat geen enkele bepaling van het EVRAS-akkoord het hogere belang van het kind vermeldt, wat zou inhouden dat de wetgevers het niet in aanmerking hebben genomen (eerste onderdeel); zij voeren eveneens aan dat de bij artikel 40 van het 39 EVRAS-akkoord verleende machtiging aan de Regeringen die laatsten niet verplicht om het hogere belang van het kind in acht te nemen en te waarborgen (tweede onderdeel). B.34.1. Er moet van worden uitgegaan dat de wetgevers op grondwetsconforme wijze gebruikmaken van hun bevoegdheden. De enkele omstandigheid dat de wetgevers hun intentie om het hogere belang van het kind in acht te nemen niet uitdrukkelijk hebben vermeld in de tekst van het EVRAS-akkoord of in de parlementaire voorbereiding van de instemmingsdecreten, kan op zich geen schending van artikel 22bis van de Grondwet inhouden. B.34.2. De verzoekende partijen tonen voor het overige niet aan dat het EVRAS-akkoord en de instemmingsdecreten artikel 22bis van de Grondwet schenden. B.34.3. Het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 8218 is niet gegrond. B.35.1. Wanneer de wetgever een machtiging verleent, dient te worden aangenomen – behoudens aanwijzingen in de tegenovergestelde zin – dat hij de gemachtigde enkel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden in overeenstemming met de Grondwet. Uit geen enkele bepaling van het EVRAS-akkoord kan worden afgeleid dat de wetgevers de Regeringen hebben willen ontslaan van de verplichting om het hoger belang van het kind in acht te nemen en te waarborgen. B.35.2. Het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 8218 is niet gegrond. 4. Wat betreft het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven (eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8222) B.36. Het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8222 is afgeleid uit de schending, door de bestreden decreten, van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij instemming verlenen met de artikelen 3, 4 en 5 van het EVRAS-akkoord. De verzoekende partijen doen gelden dat, wegens het participatieve karakter van de EVRAS-activiteiten, de kinderen en jongeren ertoe zullen worden gebracht informatie te onthullen die tot hun privéleven en dat van hun gezinsleden behoort. 40 B.37.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.37.2. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.38.1. Het begrip privéleven is een ruim begrip, dat niet op exhaustieve wijze kan worden gedefinieerd. Het omvat de fysieke en morele integriteit van een persoon, en strekt zich uit tot andere aspecten zoals welzijn en waardigheid, de ontwikkeling van de persoonlijkheid en de relaties van een persoon met andere mensen (EHRM, 22 april 2021, F.O. t. Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2021:0422JUD002955513 , § 57). B.38.2. Naar school gaan impliceert onvermijdelijk een zekere inmenging in het privéleven van een kind of jongere. Niet alle maatregelen inzake opvoeding zijn evenwel van die aard dat zij afbreuk doen aan het recht op eerbiediging van het privéleven (EHRM, 22 april 2021, F.O. t. Kroatië, voormeld, § 81). 41 B.39.1. De EVRAS-activiteiten steunen op participatie (artikel 2, 2°, van het EVRAS-akkoord). Die participatieve benadering betekent echter niet dat kinderen en jongeren worden verplicht om informatie te onthullen die tot hun privéleven of dat van hun gezinsleden behoort. Artikel 5 van het EVRAS-akkoord bepaalt immers dat die activiteiten plaatsvinden « in een context van wederzijds respect » die kinderen en jongeren « de mogelijkheid biedt » om zich « vrij » uit te drukken. Die bepaling kan enkel in die zin worden geïnterpreteerd dat zij de kinderen en jongeren die dat wensen de mogelijkheid biedt om zich uit te drukken, zonder hen op enigerlei wijze daartoe te verplichten. Op dezelfde wijze kan het EVRAS-label alleen worden toegekend aan de operatoren die « hun animatoren en animatrices aansporen om [...] een houding aan te nemen die [de] vrijheden [van de kinderen en jongeren] respecteert » (artikel 9, § 1, van het EVRAS-akkoord). De EVRAS-animatoren moeten dus de rechten en vrijheden van de kinderen en jongeren voor wie zij EVRAS-activiteiten organiseren, respecteren, met inbegrip van hun recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. Uit het voorgaande volgt dat de kinderen en jongeren onder geen beding worden gedwongen om informatie te onthullen die tot hun privéleven of dat van hun gezinsleden behoort. B.39.2. Indien een kind of een jongere zou beslissen om tijdens een EVRAS-activiteit informatie te delen die tot zijn privéleven of dat van zijn gezinsleden behoort, bepaalt artikel 5 van het EVRAS-akkoord overigens dat « de vertrouwelijkheid van de gesprekken en gedachtewisselingen [...] één van de basisprincipes [is] van de activiteiten die aan de kinderen en jongeren worden aangeboden ». De EVRAS-animatoren zijn verplicht om een houding aan te nemen die « de vertrouwelijkheid van de gedachtewisselingen garandeert » (artikel 9, § 1, van het EVRAS-akkoord). Ook de leerkrachten zijn gehouden tot een vertrouwelijkheidsplicht. De wetgevers hebben dus voorzien in maatregelen die ertoe strekken het recht op eerbiediging van het privéleven van de kinderen, jongeren en hun gezinsleden te waarborgen. 42 B.40. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden bepalingen geen inmenging vormen in het recht op eerbiediging van het privéleven van de kinderen of jongeren of van hun gezinsleden. B.41. Het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8222 is niet gegrond. 5. Wat betreft het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie (tweede middel in de zaak nr. 8222) B.42.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8222 leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, door de bestreden decreten, in zoverre zij instemming verlenen met de artikelen 9, 16 en 42 van het EVRAS-akkoord. Die bepalingen zouden een verschil in behandeling creëren, enerzijds, tussen leerlingen die zijn ingeschreven in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, in zoverre voor sommigen van die leerlingen, afhankelijk van hun schoolkeuze, EVRAS- activiteiten zouden kunnen worden georganiseerd door animatoren die niet de in artikel 16, § 1, van het EVRAS-akkoord bedoelde opleiding hebben gevolgd (eerste onderdeel) en, anderzijds, tussen operatoren in zoverre sommige automatisch over het EVRAS-label beschikken en, gedurende de eerste twee toepassingsjaren van het EVRAS-akkoord, hun animatoren niet onderworpen zijn aan de verplichting om de in artikel 16, § 1, van hetzelfde akkoord bedoelde opleiding te volgen (tweede onderdeel). B.42.2. Het verschil in behandeling dat in het eerste onderdeel van het tweede middel wordt bekritiseerd, volgt uit het verschil in behandeling dat in het tweede onderdeel van hetzelfde middel wordt aangeklaagd. Het Hof onderzoekt eerst het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 8222. B.43.1. Artikel 9, § 2, van het EVRAS-akkoord bepaalt dat, in tegenstelling tot de operatoren die zijn opgericht in de vorm van een vzw, de centra voor gezinsplanning die zijn erkend door het Waalse Gewest of door de Franse Gemeenschapscommissie, alsook de PSE-diensten en PMS-centra die worden georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap automatisch over het EVRAS-label beschikken indien zij voldoen aan de voorwaarden inzake goedkeuring, erkenning, werking of subsidiëring die zijn vastgesteld en worden gecontroleerd door hun toezichthoudende overheid. 43 B.43.2. Artikel 9, § 3, van het EVRAS-akkoord verplicht de gelabelde operatoren om hun animatoren de in artikel 16, § 1, van het EVRAS-akkoord bedoelde opleiding te laten volgen. De animatoren zonder ervaring moeten een opleiding volgen van minimum zes dagen over de basisinhouden van EVRAS. De animatoren die reeds EVRAS-activiteiten hebben uitgevoerd of de basisopleiding hebben gevolgd, moeten een voortgezette opleiding van minimum twee dagen volgen om de drie jaar (artikel 16, § 1, tweede lid, van het EVRAS-akkoord). De automatisch gelabelde operatoren zijn bij artikel 42 van het EVRAS-akkoord vrijgesteld van de verplichting om hun animatoren die in artikel 16, § 1, van het EVRAS- akkoord bedoelde opleiding te laten volgen, en dat gedurende een overgangsperiode van de eerste twee jaar waarin dat akkoord wordt toegepast. De andere operatoren genieten niet zulk een vrijstelling en moeten dus, om het EVRAS-label te verkrijgen en EVRAS-activiteiten te mogen organiseren, hun animatoren laten opleiden (artikel 11, § 1, en 9, § 3, van het EVRAS- akkoord). B.44.1. De Franse Gemeenschapsregering en het College van de Franse Gemeenschapscommissie doen gelden dat de twee categorieën van operatoren die het voorwerp uitmaken van het aangeklaagde verschil in behandeling, zich niet in vergelijkbare situaties bevinden, in zoverre de automatisch gelabelde operatoren voor wie de bestreden overgangsmaatregel geldt, reeds over een erkenning beschikken krachtens de gewestelijke wetgevingen (wat de centra voor gezinsplanning betreft), of over specifieke ervaring inzake EVRAS (wat de PMS-centra en de PSE-diensten betreft). B.44.2. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet met elkaar worden verward. Alle operatoren die in artikel 9 van het EVRAS-akkoord worden beoogd, zijn vergelijkbaar in zoverre het gaat om operatoren die, onder bepaalde voorwaarden, door het EVRAS-akkoord ertoe worden gemachtigd EVRAS-activiteiten voor jongeren te organiseren. Die vaststelling wordt versterkt door het feit dat, net zoals de andere operatoren, de centra voor gezinsplanning, de PMS-centra en de PSE-diensten, aan het einde van de overgangsperiode van twee jaar, worden onderworpen aan de verplichting om hun animatoren te laten opleiden overeenkomstig artikel 9, § 3, van het EVRAS-akkoord. 44 B.45. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.46. Het bekritiseerde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de aard van de operator. B.47.1. Dat criterium is pertinent in het licht van het doel dat door de wetgevers wordt nagestreefd. Zoals in B.6.2 is vermeld, beoogden de wetgevers, met de toekenning van het EVRAS-label, onder meer de kwaliteit van de dienstverleners te waarborgen dankzij een labeling van overheidswege en zich ervan te vergewissen dat de EVRAS-animatoren een « gepaste opleiding » hebben gevolgd. De centra voor gezinsplanning, de PMS-centra en de PSE-diensten beschikken echter reeds over specifieke expertise inzake EVRAS, die verbonden is aan hun wettelijke opdrachten en aan de op hen rustende verplichtingen. B.47.2. In het Waalse Gewest omvatten de wettelijke opdrachten van de centra voor gezinsplanning immers « informatieverstrekking, bewustmaking en vorming inzake het affectieve, relationele en sexuele leven », « hulpverlening aan en begeleiding van de personen i.v.m. hun affectieve, relationele en sexuele leven » alsook « i.v.m. verband met het affectieve, relationele en sexuele leven » (artikel 187, 1°, 5° en 9°, van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, decretaal gedeelte). Om die opdrachten te kunnen uitoefenen, moeten zij over een erkenning beschikken (artikel 218/3 van hetzelfde Wetboek), en zij zijn onderworpen aan een toezicht dat wordt uitgeoefend door personeelsleden van de « Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles » (artikel 218/12, van hetzelfde Wetboek). Tot slot moeten de personeelsleden van die centra over een diploma van het hoger onderwijs ‒ paramedische, pedagogische of sociale categorie ‒ of van het universitair onderwijs, in de domeinen van rechtswetenschap, psychologische en pedagogische 45 wetenschappen of geneeskunde, beschikken (artikel 299 van het reglementair deel van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid). B.47.3. De Franse Gemeenschapscommissie vertrouwt aan de centra voor gezinsplanning onder meer de opdracht toe van « het opvangen, informeren en begeleiden van personen, koppels en gezinnen » of groepen wat betreft hun relationele, affectieve en seksuele leven en hun seksuele en reproductieve gezondheid alsook « de ontwikkeling van een strategie voor preventie en gezondheidsbevordering, gericht op het relationele, affectieve en seksuele leven en de seksuele en reproductieve gezondheid voor personen, koppels, gezinnen of groepen, met name op school » (artikel 13, § 1, 1° en 3°, van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 5 maart 2009 « betreffende het aanbod van ambulante diensten in de domeinen van de sociale actie, het gezin en de gezondheid »). Zij moeten worden erkend (artikel 41 van het voormelde decreet van 5 maart 2009) en moeten, om hun wettelijke opdrachten uit te oefenen, minstens een geneesheer, een psycholoog of een psychiater, een maatschappelijk assistent of een gegradueerde maatschappelijk verpleger alsook een jurist onder hun personeel hebben (artikel 42 van het voormelde decreet van 5 maart 2009). B.47.4. De opdrachten van de PMS-centra passen binnen de algemene doelstellingen van het basis- en secundair onderwijs (artikel 5, § 1, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 14 juli 2006 « betreffende de opdrachten, programma’s en activiteitenverslag van de psycho-medisch-sociale centra »). Zoals in B.2.1 is vermeld, maakt EVRAS deel uit van de prioritaire opdrachten van het onderwijs; de PMS-centra moeten dus deelnemen aan de EVRAS-vorming van de leerlingen. Zij zijn onderworpen aan het toezicht van de inspectiedienst voor de psycho-medisch-sociale centra (artikel 3 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 10 januari 2019 « betreffende de algemene inspectiedienst »). Voor de onderwijsinstellingen die door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd, zijn de PMS- centra eveneens belast met de bevordering van de gezondheid op school (artikel 4, § 1, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 14 maart 2019 « betreffende de bevordering van de gezondheid op scholen en in het hoger onderwijs buiten de universiteiten »). Voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijsinstellingen moeten de PSE-diensten over een erkenning beschikken (artikel 4, § 2, van het voormelde decreet van 14 maart 2019). Zij zijn onderworpen aan het toezicht van de personeelsleden van het « Office 46 de la Naissance et de l’Enfance » (artikel 30 van hetzelfde decreet), en hun personeelsleden moeten zich voortdurend bijscholen (artikel 24 van hetzelfde decreet). B.47.5. Uit het voorgaande volgt dat de aard van de operator, die, voor de centra voor gezinsplanning, de PMS-centra en de PSE-diensten, wettelijke verplichtingen inzake organisatie, opdrachten, erkenningsvoorwaarden of toezicht impliceert – verplichtingen waaraan de operatoren die georganiseerd zijn in de vorm van een vzw niet onderworpen zijn -, een pertinent criterium van onderscheid vormt in het licht van de doelstellingen van het EVRAS-label, met name kwaliteit van de dienstverleners en adequate opleiding. B.48.1. De automatische toekenning van het EVRAS-label aan de centra voor gezinsplanning, de PMS-centra en de PSE-diensten, alsook de vrijstelling van opleiding gedurende twee jaar, bij wijze van overgangsmaatregel, hebben tot doel de organisatie mogelijk te maken van de verplichte EVRAS-activiteiten gedurende de eerste twee jaren waarin het EVRAS-akkoord wordt toegepast. B.48.2. De automatische toekenning van het EVRAS-label en van de vrijstelling van opleiding gedurende twee jaar aan de centra voor gezinsplanning, de PMS-centra en de PSE- diensten heeft geen onevenredige gevolgen. In het licht van dat doel konden de wetgevers redelijkerwijs oordelen dat het noodzakelijk was om het label en een tijdelijke vrijstelling van opleiding automatisch toe te kennen aan operatoren van wie de expertise inzake EVRAS wordt aangetoond op grond van de in B.47.5 vermelde redenen. De wetgever kon redelijkerwijs oordelen dat, zonder de automatische toekenning van het EVRAS-label aan bepaalde operatoren, geen enkele operator tijdig over het EVRAS-label zou hebben beschikt, aangezien de operatoren die georganiseerd zijn in de vorm van een vzw het bewijs moeten leveren dat hun animatoren de in artikel 16 van het EVRAS-akkoord bedoelde opleiding hebben gevolgd, bij de indiening van hun aanvraag om het label toegekend te krijgen. Op dezelfde wijze kon de wetgever redelijkerwijs oordelen dat, zonder de vrijstelling waarin artikel 42 van het EVRAS-akkoord voorziet, geen enkele automatisch gelabelde operator ertoe gemachtigd zou zijn EVRAS-activiteiten te organiseren tijdens de eerste twee jaren waarin het EVRAS-akkoord wordt toegepast, doordat hun animatoren de in artikel 16 van het EVRAS-akkoord bedoelde opleiding niet zouden hebben gevolgd. 47 B.48.3. Overigens zijn alle gelabelde operatoren, na afloop van de overgangsperiode van twee jaar en ongeacht hun statuut, onderworpen aan de opleidingsplicht voor hun animatoren, overeenkomstig artikel 9, § 3, van het EVRAS-akkoord. Het bekritiseerde verschil in behandeling zal dus verdwijnen na afloop van de overgangsperiode, hetgeen bijdraagt tot een beperking van de gevolgen ervan. B.48.4. Uit het voorgaande volgt dat het verschil in behandeling dat wordt aangeklaagd in het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 8222, redelijk verantwoord is. B.49.1. Zoals de verzoekende partijen in de zaak nr. 8222 doen gelden, zullen bepaalde leerlingen, tijdens de eerste twee waarin het EVRAS-akkoord wordt toegepast, wellicht moeten deelnemen aan EVRAS-activiteiten die zijn georganiseerd door een operator die de in artikel 16, § 1, van het EVRAS-akkoord bedoelde tijdelijke vrijstelling van opleiding geniet, terwijl andere leerlingen zullen moeten deelnemen aan EVRAS-activiteiten die zijn georganiseerd door een operator die die vrijstelling niet geniet. Het Hof moet nagaan of dat verschil in behandeling tussen leerlingen redelijk verantwoord is. B.49.2. Alleen de automatisch gelabelde operatoren genieten, bij wijze van overgangsmaatregel, de vrijstelling bedoeld in artikel 42 van het EVRAS-akkoord, hetgeen redelijk verantwoord is in het licht van hun specifieke expertise op het gebied van EVRAS, waarmee de wetgever rechtmatig vermocht rekening te houden. Voor het overige zijn alle gelabelde operatoren, ongeacht of zij van de in artikel 16, § 1, van het EVRAS-akkoord bedoelde opleiding zijn vrijgesteld, verplicht om EVRAS-activiteiten te organiseren die in overeenstemming zijn met de thema’s en leerinhouden van het EVRAS- akkoord, die zijn opgenomen in de Gids voor EVRAS. Zij blijven allemaal onderworpen aan de diverse verplichtingen waarin het EVRAS-akkoord voorziet, met name de verplichting voor de animatoren om zich welwillend op te stellen of de vertrouwelijkheid van de gedachtewisselingen te garanderen (artikel 9, § 1, eerste lid, negende streepje, van het EVRAS- akkoord). 48 B.49.3. Uit het voorgaande volgt dat het aangevoerde verschil in behandeling tussen leerlingen redelijk verantwoord is gelet op het in B.48.1 vermelde doel, en geen onevenredige gevolgen heeft. Voor alle leerlingen die zijn ingeschreven in een onderwijsinstelling van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs worden immers gedurende de overgangsperiode van twee jaar EVRAS-activiteiten georganiseerd door operatoren die over het EVRAS-label beschikken en van wie de bekwaamheid inzake EVRAS wordt gewaarborgd hetzij door de opleiding bedoeld in artikel 16 van het EVRAS-akkoord, hetzij door de aan hun wettelijke opdrachten verbonden specifieke expertise. B.49.4. De twee onderdelen van het tweede middel in de zaak nr. 8222 zijn niet gegrond. 49 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 mei 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.075 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.034 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.066 ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000509571 ECLI:CE:ECHR:2007:0629JUD001547202 ECLI:CE:ECHR:2007:1009JUD000144804 ECLI:CE:ECHR:2009:1006DEC004521607 ECLI:CE:ECHR:2011:0318JUD003081406 ECLI:CE:ECHR:2011:0913DEC000031908 ECLI:CE:ECHR:2017:1219DEC002 ECLI:CE:ECHR:2021:0422JUD002955513 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.082 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot