Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.074

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-05-15 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

bestuursrecht grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

6 januari 1989, Burgerlijk Wetboek, Constitution, GRONDWET, Gerechtelijk Wetboek

Samenvatting

de prejudiciële vraag betreffende artikel 617, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.074 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.074 Arrest- Rolnummer: 74/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-05-26 Raadplegingen: 244 - laatst gezien 2025-12-15 14:08 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 617, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Gerechtelijk recht - Vrederechter - Vonnis - Vordering waarvan het bedrag 2 000 euro niet overschrijdt - Ontstentenis van een dubbele aanleg Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 74/2025 van 15 mei 2025 Rolnummer : 8205 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 617, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 16 oktober 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 april 2024, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is artikel 617, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre het het hoger beroep verbiedt tegen vonnissen waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering die de in dat artikel vastgestelde bedragen niet overschrijdt, zelfs wanneer de beslissing van de eerste rechter niet op afdoende wijze is gemotiveerd, bestaanbaar met het recht op een eerlijk proces vervat in artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Bolivia Tchiyep Djandja; - de bv « Ronald Fonteyn », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Marie-Céline Elleboudt, advocate bij de balie te Brussel; 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bernard Renson, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 26 februari 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 12 maart 2025 de dag van de terechtzitting bepaald op 2 april 2025. Op de openbare terechtzitting van 2 april 2025 : - zijn verschenen : . Bolivia Tchiyep Djandja en Tchenang Yemkwa Laetitia Rusnye, in eigen persoon; . mr. Marie-Céline Elleboudt, voor de bv « Ronald Fonteyn »; . mr. Gungor Saglam, advocate bij de balie te Brussel, loco mr. Bernard Renson, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij dagvaarding van 29 december 2022 dagvaardt een advocatenvennootschap haar cliënte voor de Vrederechter van het eerste kanton Brussel tot betaling van erelonen. De advocatenvennootschap vordert dat haar cliënte ertoe wordt veroordeeld aan haar een hoofdsom van 808,04 euro te betalen, te vermeerderen met de interesten. Bij een vonnis op tegenspraak van 26 januari 2023 willigt de Vrederechter het verzoek in. De cliënte stelt hoger beroep in tegen dat vonnis voor de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De advocatenvennootschap betwist de ontvankelijkheid van het hoger beroep. De Rechtbank merkt op dat, krachtens artikel 617, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een vonnis van de vrederechter waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag 2 000 euro niet overschrijdt, in laatste aanleg wordt gewezen. Volgens de Rechtbank volgt daaruit dat het hoger beroep in principe onontvankelijk dient te worden verklaard. De Rechtbank merkt evenwel op dat, in situaties waarin het hoger beroep in principe niet mogelijk is, tegen bepaalde beslissingen toch hoger beroep kan worden ingesteld wanneer de eerste rechter een wezenlijk procedurebeginsel heeft geschonden. Te dezen is de Rechtbank van oordeel dat de motivering van het vonnis van 26 januari 2023 niet in overeenstemming is met de vereisten van het recht op een eerlijk proces. De Rechtbank beslist daarom om aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. 3 III. In rechte -A- A.1. De appellante voor het verwijzende rechtscollege verwijst naar artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 13 en 149 van de Grondwet, de artikelen 194, 489, 491 en 496 van het Strafwetboek, meerdere artikelen van het Gerechtelijk Wetboek (met name de artikelen 6, 17, 19, 32ter, 53, 446ter, 456, 458, 735, 747, 779 en 860 tot 864), de artikelen 61ter, 127 en 419 van het Wetboek van strafvordering, artikel 1.7 van de « Code de déontologie de l’Ordre des barreaux francophones et germanophone », artikel 1382 van het oud Burgerlijk Wetboek, alsook de rechtspraak met betrekking tot die bepalingen. In het licht van die bepalingen bekritiseert zij meerdere handelingen die door verschillende advocaten zijn gesteld in de betrokken zaak, meerdere aspecten van de procedure, alsook het vonnis van 26 januari 2023. Zij doet in het bijzonder gelden dat het vonnis niet gemotiveerd is en dat het dus artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt. Zij voegt eraan toe dat dat vonnis op vooringenomen wijze is gewezen. Zij doet gelden dat artikel 617 van het Gerechtelijk Wetboek te dezen niet van toepassing is, aangezien het bodemgeschil geen factuur, maar wel een ereloonstaat van een advocaat betreft. De appellante voor het verwijzende rechtscollege vraagt dat het Hof een diepgaand onderzoek beveelt en dat het Hof de geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege verzoekt bepaalde informatie te verstrekken. Zij vraagt ook dat het Hof de ernstige tekortkomingen van de betrokken advocaten erkent, dat het Hof die laatsten tot sancties en tot het betalen van financiële compensaties veroordeelt, dat het Hof de beslissingen van de betrokken orde van advocaten herziet en dat het Hof de volledige teruggave van het dossier aan de appellante voor het verwijzende rechtscollege beveelt. Zij vraagt ten slotte dat het Hof de procedurefouten in het bodemgeschil erkent, dat het het vonnis van 26 januari 2023 vernietigt, dat het opdracht geeft tot een nieuw proces en dat het haar een schadevergoeding toekent. A.2.1. De geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege beklemtoont allereerst dat het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geen dubbele aanleg in burgerlijke zaken waarborgt. Zij verwijst ook naar de rechtspraak van het Hof volgens welke het recht op toegang tot de rechter kan worden onderworpen aan de naleving van ontvankelijkheidsvoorwaarden. Wat artikel 617 van het Gerechtelijk Wetboek betreft, verwijst zij in het bijzonder naar de arresten van het Hof nrs. 69/93 ( ECLI:BE:GHCC:1993:ARR.069 ) en 82/93 ( ECLI:BE:GHCC:1993:ARR.082 ). Vervolgens merkt zij op dat, indien het standpunt wordt gevolgd waarop de motieven van de verwijzingsbeslissing steunen, een recht op hoger beroep zou moeten worden hersteld wanneer het recht op een eerlijk proces is geschonden, wanneer die schending een procedureel nadeel heeft opgeleverd en wanneer dat nadeel niet anders kan worden hersteld. Wat het begrip « procedureel nadeel » betreft, trekt de geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege een parallel met artikel 861, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek en voert zij aan dat te dezen geen procedureel nadeel is aangetoond. Vervolgens doet zij gelden dat de appellante voor het verwijzende rechtscollege niet alle rechtsmiddelen werd ontzegd, aangezien tegen een vonnis dat door een vrederechter in laatste aanleg wordt gewezen, cassatieberoep kan worden ingesteld en een onvoldoende motivering van het vonnis in dat kader kan worden bekritiseerd. Volgens de geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege volstaat dat om tot de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling te besluiten, aangezien (1) de beperking van het recht op hoger beroep dient te worden beoordeeld ten aanzien van het volledige proces en van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure, met name van de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen, (2) de beperking van het recht op hoger beroep een legitiem doel nastreeft en evenredig is, en (3), rekening houdend met de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen, de beperking van het recht op hoger beroep geen afbreuk doet aan de essentie zelf van het recht op toegang tot de rechter. A.2.2. De geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat de beweringen van de appellante voor het verwijzende rechtscollege verzonnen, beledigend en naast de kwestie zijn. A.3.1. De Ministerraad beklemtoont dat, behalve in strafzaken, geen algemeen beginsel van recht op een dubbele aanleg bestaat. Verwijzend naar de rechtspraak van het Hof en naar die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, doet de Ministerraad gelden dat het recht op toegang tot de rechter kan worden beperkt, met name wat de ontvankelijkheidsvoorwaarden van een beroep betreft. Volgens hem is een beperking van het recht op hoger beroep op basis van het bedrag van de oorspronkelijke vordering toelaatbaar, in zoverre die beperking 4 geen afbreuk doet aan de essentie zelf van het recht op hoger beroep. In dat opzicht merkt hij allereerst op dat de bij artikel 617 van het Gerechtelijk Wetboek vastgestelde drempels zeer laag zijn. Na te hebben herinnerd aan de draagwijdte van de motiveringsplicht in de zin van artikel 149 van de Grondwet en in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, merkt de Ministerraad vervolgens op dat het verwijzende rechtscollege van oordeel lijkt te zijn dat, in geval van schending van een wezenlijke procedureregel, tegen een in beginsel in laatste aanleg gewezen vonnis toch een hoger beroep zou moeten kunnen worden ingesteld. Volgens de Ministerraad houdt de verwijzingsbeslissing aldus verband met het ontstaan, binnen een strekking in de rechtspraak, van de rechtsfiguur « beroep-nietigheid ». Hij merkt op dat, volgens die strekking in de rechtspraak, altijd een daadwerkelijk rechtsmiddel zou moeten openstaan voor de rechtzoekende wanneer een beslissing werd gewezen met schending van het recht op een eerlijk proces, zelfs indien die beslissing in laatste aanleg werd gewezen. Hij beklemtoont dat de rechtsfiguur « beroep-nietigheid » evenwel tal van vragen opwerpt, in het bijzonder omdat het aan de wetgever – en niet aan de rechter – staat om rechtsmiddelen in te voeren. Volgens de Ministerraad voorziet het Belgische recht, wat de in de prejudiciële vraag beoogde situatie betreft, reeds erin dat tegen een in laatste aanleg gewezen vonnis cassatieberoep kan worden ingesteld, waarbij de rechtzoekende met name de ontstentenis van motivering van het vonnis of een ontoereikende motivering kan bekritiseren. Eveneens volgens de Ministerraad, rekening houdend met dat cassatieberoep, dat een daadwerkelijk en concreet rechtsmiddel is, doet de bij de in het geding zijnde bepaling ingevoerde beperking van het recht op hoger beroep geen afbreuk aan de essentie zelf van het recht op toegang tot de rechter. De Ministerraad besluit daaruit dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3.2. De Ministerraad doet gelden dat de verschillende door de appellante voor het verwijzende rechtscollege aan het Hof gerichte verzoeken onontvankelijk zijn, aangezien het Hof enkel bevoegd is om zich over de grondwettigheid van wetsbepalingen uit te spreken. -B- B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 617, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt : « De vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg en van de ondernemingsrechtbank, waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag 2.500 euro niet overschrijdt, worden gewezen in laatste aanleg. Hetzelfde geldt voor de vonnissen waarbij de vrederechter en, inzake de geschillen bedoeld in artikel 601bis, de politierechtbank uitspraak doet over een vordering waarvan het bedrag 2.000 euro niet overschrijdt ». B.1.2. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat aan het Hof een vraag wordt gesteld over de bestaanbaarheid van die bepaling met artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij belet dat een hoger beroep wordt ingesteld tegen een vonnis waarbij de vrederechter uitspraak doet over een vordering waarvan het bedrag 2 000 euro niet overschrijdt, zelfs wanneer dat vonnis niet op afdoende wijze is gemotiveerd. 5 B.2.1. De appellante voor het verwijzende rechtscollege vraagt dat het Hof de ernstige tekortkomingen van meerdere advocaten erkent, dat het Hof die laatsten tot sancties en tot de betaling van financiële compensaties veroordeelt, dat het Hof de beslissingen van de betrokken orde van advocaten herziet en dat het Hof de volledige teruggave van het dossier aan de appellante voor het verwijzende rechtscollege beveelt. Zij vraagt ook dat het Hof de procedurefouten in het bodemgeschil erkent, dat het het op 26 januari 2023 door de Vrederechter van het eerste kanton Brussel gewezen vonnis vernietigt, dat het opdracht geeft tot een nieuw proces en dat het haar een schadevergoeding toekent. B.2.2. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op vragen omtrent de schending, door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.2.3. Noch artikel 142 van de Grondwet, noch de bijzondere wet van 6 januari 1989 wijzen het Hof de bevoegdheid toe om de in B.2.1 vermelde verzoeken te onderzoeken. B.3.1. De appellante voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat het bodemgeschil geen factuur betreft, maar wel de ereloonstaat van een advocaat, en dat artikel 617 van het Gerechtelijk Wetboek bijgevolg te dezen niet van toepassing is. B.3.2. In de regel komt het het verwijzende rechtscollege toe vast te stellen welke de normen zijn die toepasselijk zijn op het aan hem voorgelegde geschil, en, algemener, na te gaan of het antwoord op een prejudiciële vraag nuttig is om dat geschil te beslechten. Enkel wanneer het antwoord klaarblijkelijk niet nuttig is om het geschil te beslechten, met name omdat de in het geding zijnde bepaling klaarblijkelijk niet erop van toepassing is, vermag het Hof te beslissen dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, wat te dezen niet het geval is. B.4.1. De appellante voor het verwijzende rechtscollege vraagt dat het Hof een diepgaand onderzoek beveelt en dat het Hof de geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege verzoekt bepaalde informatie te verstrekken. 6 B.4.2. Naar luid van artikel 91, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 beschikt het Hof over « de ruimste onderzoeks- en opsporingsbevoegdheden », waarvan er een aantal worden vermeld in het tweede lid van die bepaling. Het Hof kan die onderzoeks- en opsporingsbevoegdheid uitsluitend aanwenden wanneer dat nodig is voor de oplossing van de rechtsvragen die het dient te beslechten. Een onderzoeksmaatregel is slechts nuttig in zoverre feitelijke gegevens kunnen worden vastgesteld die pertinent zijn voor de beslechting van een beroep tot vernietiging, een prejudiciële vraag of een tussengeschil. B.4.3. Te dezen vergt het onderzoek van de prejudiciële vraag niet dat het Hof onderzoeksmaatregelen beveelt. B.5. Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij een algemeen rechtsbeginsel. Artikel 13 van de Grondwet waarborgt eveneens aan alle personen die zich in dezelfde toestand bevinden het recht om volgens dezelfde regels inzake bevoegdheid en rechtspleging te worden berecht. B.6. Noch artikel 13 van de Grondwet, noch artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgen een recht op een dubbele aanleg (EHRM, grote kamer, 5 april 2018, Zubac t. Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2018:0405JUD004016012 , § 80). Behalve in strafzaken, bestaat er bovendien geen algemeen beginsel dat een dergelijke waarborg inhoudt. Wanneer de wetgever evenwel in het rechtsmiddel van het hoger beroep voorziet, moet hij daarbij een eerlijk verloop van de procedure waarborgen en kan hij dat rechtsmiddel niet aan bepaalde categorieën van rechtzoekenden ontzeggen zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn 7 wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven en indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van de beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 29 maart 2011, RTBF t. België, ECLI:CE:ECHR:2011:0329JUD005008406 , §§ 69-70). B.7. De in het geding zijnde bepaling streeft een proceseconomische doelstelling na, zij beoogt te vermijden dat zaken van een beperkt bedrag in hoger beroep dienen te worden behandeld en zij beoogt ook de gerechtelijke achterstand te bestrijden (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2827/001, pp. 11-12; Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 209-2, p. 129; Senaat, 1990-1991, nr. 1198-1, pp. 1, 4-5; Kamer, 1977-1978, nr. 457/1, pp. 1-2). Die doelstellingen zijn legitiem. B.8. In het licht van die doelstellingen vormt de uitsluiting van het hoger beroep wanneer bij een vonnis van de vrederechter uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag 2 000 euro niet overschrijdt, een pertinente maatregel. B.9.1. Het Hof dient nog te onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen heeft. B.9.2. In de eerste plaats is de bij de in het geding zijnde bepaling vastgestelde drempel van 2 000 euro voor het hoger beroep tegen vonnissen van de vrederechter relatief laag. B.9.3. In de tweede plaats wordt een vonnis van de vrederechter waarbij, zoals te dezen, uitspraak wordt gedaan over een vordering die die drempel niet overschrijdt, in laatste aanleg gewezen en kan daartegen cassatieberoep worden ingesteld (artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek). Dat buitengewoon rechtsmiddel laat toe de wettigheid van het betrokken vonnis te toetsen, en met name de inachtneming van de motiveringsplicht, die wordt gewaarborgd bij artikel 149 van de Grondwet en bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, grote kamer, 21 januari 1999, García Ruiz t. Spanje, ECLI:CE:ECHR:1999:0121JUD003054496 , § 26). B.9.4. Bijgevolg heeft de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen. 8 B.10. Artikel 617, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is bestaanbaar met artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 617, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 mei 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.074 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:1993:ARR.069 ECLI:BE:GHCC:1993:ARR.082 ECLI:CE:ECHR:1999:0121JUD003054496 ECLI:CE:ECHR:2011:0329JUD005008406 ECLI:CE:ECHR:2018:0405JUD004016012 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot