ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.067
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-04-30
🌐 FR
Arrest
gegrond
Rechtsgebied
fiscaal_recht
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
20 december 2019, 6 januari 1989, Constitution, GRONDWET, Grondwet
Samenvatting
de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het Vlaamse decreet van 26 juni 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 juni 2013 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, wat betreft de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies », ingesteld door de Orde van Vlaamse balies en Alain Claes en door de feitelijke vereniging « Belgian Association of Ta
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.067
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 30 april 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.067
Arrest- Rolnummer:
67/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-05-12
Raadplegingen:
320 - laatst gezien 2025-12-15 14:05
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Verwerping van de beroepen (wat betreft de in B.7.2, B.17.1, B.18.1, B.19.1
en B.20.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 van 20 juli 2023 vermelde
grieven)
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het Vlaamse decreet
van 26 juni 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 juni 2013 betreffende
de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, wat
betreft de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied
met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies
», ingesteld door de Orde van Vlaamse balies en Alain Claes en door de
feitelijke vereniging « Belgian Association of Tax Lawyers » en anderen.
Fiscale transparantie binnen de Europese Unie - Vlaams Gewest - Agressieve
grensoverschrijdende fiscale constructies - Meldingsplicht - Intermediairs
- Advocaten - Beroepsgeheim
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 67/2025
van 30 april 2025
Rolnummers : 7429 en 7443
In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het Vlaamse decreet van 26 juni 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 juni 2013 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, wat betreft de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies », ingesteld door de Orde van Vlaamse balies en Alain Claes en door de feitelijke vereniging « Belgian Association of Tax Lawyers » en anderen.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging
a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 31 augustus 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 september 2020, is beroep tot vernietiging ingesteld van het Vlaamse decreet van 26 juni 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 juni 2013 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, wat betreft de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 juli 2020) door de Orde van Vlaamse balies en Alain Claes, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie.
b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 oktober 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 oktober 2020, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van hetzelfde decreet door de feitelijke vereniging « Belgian Association of Tax Lawyers », Paul Verhaeghe en Gerd Goyvaerts, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Malherbe, advocaat bij de balie te Brussel.
2
Bij dezelfde verzoekschriften vorderden de verzoekende partijen eveneens de gehele of gedeeltelijke schorsing van hetzelfde decreet. Bij het arrest nr. 167/2020 van 17 december 2020
(
ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.167
), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 december 2020, heeft het Hof het decreet gedeeltelijk geschorst.
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7429 en 7443 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.
Bij tussenarrest nr. 111/2023 van 20 juli 2023 (
ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.111
), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 november 2023, heeft het Hof, onder meer, « de uitspraak [aangehouden] over de grieven die zijn vermeld in B.7.2, B.17.1, B.18.1, B.19.1
en B.20.1, in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de prejudiciële vragen die zijn gesteld bij het arrest nr. 103/2022 van 15 september 2022
(
ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.103
) ».
Bij arrest van 29 juli 2024 in de zaak C-623/22 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geantwoord op de vragen gesteld bij het voormelde arrest nr. 103/2022.
Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist :
- de debatten te heropenen met betrekking tot de grieven die zijn vermeld in B.7.2, B.17.1, B.18.1, B.19.1 en B.20.1 van het voormelde arrest van het Hof nr. 111/2023,
- alle partijen uit te nodigen om, in een aanvullende memorie bij aangetekende brief die uiterlijk op 24 oktober 2024 ter post wordt ingediend, waarvan zij binnen dezelfde termijn een afschrift uitwisselen, alsook, via mail, op het mailadres griffie@const-court.be, hun standpunt uiteen te zetten over de weerslag van het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 juli 2024 op de voormelde grieven,
- dat de zaken in staat van wijzen waren en heeft het de dag van de terechtzitting bepaald op 20 november 2024.
Aanvullende memories zijn ingediend door :
- de Orde van Vlaamse balies (verzoekende partij in de zaak nr. 7429);
- de verzoekende partijen in de zaak nr. 7443;
- de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Cédric Molitor en mr. Matthieu de Mûelenaere, advocaten bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 7429);
- de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Mark Delanote, advocaat bij de balie te Brussel (in beide zaken).
Op de openbare terechtzitting van 20 november 2024 :
- zijn verschenen :
3
. mr. Paul Wouters, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7429;
. mr. Philippe Malherbe, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7443;
. mr. Matthieu de Mûelenaere, tevens loco mr. Cédric Molitor, voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
. mr. Mark Delanote, voor de Vlaamse Regering;
- hebben de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Kattrin Jadin verslag uitgebracht;
- zijn de voornoemde advocaten gehoord;
- zijn de zaken in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. In rechte
-A-
Ten aanzien van de in B.7.2, B.17.1, B.18.1, B.19.1 en B.20.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 van 20 juli 2023 (
ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.111
) vermelde grieven
A.1.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 7429 doet gelden dat, voor de beoordeling van de nog te onderzoeken grieven, rekening dient te worden gehouden met het antwoord dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bij zijn arrest van 29 juli 2024 in zake Belgian Association of Tax Lawyers e.a. (C-623/22,
ECLI:EU:C:2024:639
) heeft gegeven op de vierde prejudiciële vraag die het Grondwettelijk Hof heeft gesteld in zijn arrest nr. 103/2022 van 15 september 2022 (
ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.103
). Zij merkt op dat uit dat antwoord blijkt dat de ongeldigheid van de kennisgevingsplicht die bij het arrest van het Hof van Justitie (grote kamer) van 8 december 2022 in zake Orde van Vlaamse Balies e.a. (C-694/20,
ECLI:EU:C:2022:963
) werd vastgesteld enkel ten aanzien van advocaten geldt.
A.1.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7433 vermelden inleidend dat het voormelde arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2024, dat antwoordt op de vijf prejudiciële vragen die door het Grondwettelijk Hof werden gesteld in zijn arrest nr. 103/2022, op meerdere vlakken ernstige onjuistheden bevat. Zij zijn zich evenwel ervan bewust dat het Grondwettelijk Hof aan dat arrest van het Hof van Justitie is gebonden.
Wat betreft de in B.17.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief
A.2.1. Aangezien het Hof van Justitie heeft geantwoord dat de toepassing van de meldingsplicht op andere belastingen dan de vennootschapsbelasting geen onevenredige gevolgen heeft, doen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7443 afstand van hun vordering tot vernietiging die is gebaseerd op de in B.17.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief.
A.2.2. De Vlaamse Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijzen naar het voormelde arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2024, waaruit blijkt dat agressieve fiscale planning zich niet beperkt tot de vennootschapsbelasting, maar ook betrekking kan hebben op alle andere belastingen.
4
Wat betreft de in B.7.2 en B.19.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grieven
A.3.1. Aangezien het Hof van Justitie heeft geantwoord dat de betrokken begrippen, die in de richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 « tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies » worden gebruikt, voldoende duidelijk zijn, doen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7443 afstand van hun vordering tot vernietiging die is gebaseerd op de in B.7.2 en in B.19.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grieven.
A.3.2. De Vlaamse Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijzen naar het voormelde arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2024, waaruit blijkt dat de betrokken begrippen voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn.
Wat betreft de in B.20.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief
A.4.1. Wat betreft het aanvangspunt van de meldingstermijn, doen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7443 gelden dat uit het voormelde arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2024 blijkt dat de belangrijkste intermediairs (initiatiefnemers) en de relevante belastingplichtigen de constructie slechts moeten melden op het moment van de implementatie ervan, namelijk bij de overgang van de conceptuele naar de operationele fase.
Volgens hen geldt hetzelfde voor de hulpverstrekkende intermediairs die een effectieve kennis hebben van de implementatiedatum. Nog volgens hen, wat betreft de hulpverstrekkende intermediairs die weten dat hun bijstand een constructie betreft, gaat de meldingstermijn in op de dag na die waarop zij hun hulp, bijstand of advies hebben voltooid. Zij voegen eraan toe dat de hulpverstrekkende intermediairs zich van hun meldingsplicht kunnen « kwijten » zodra hun optreden aanvangt (HvJ, 29 juli 2024, C-623/22, voormeld, punt 85), waarmee volgens hen de mogelijkheid voor de advocaten wordt beoogd om zich op een vrijstelling te beroepen. Zij doen gelden dat, wanneer een dergelijke intermediair het bewijs ontvangt dat de constructie werd gemeld, het niet langer verantwoord is hem ertoe te dwingen een vrijstelling in te roepen. Zij voeren bovendien aan dat één melding van de constructie volstaat, zonder dat voor elke fase van eenzelfde constructie een melding hoeft te worden gedaan.
Ten slotte, verwijzend naar punt 84 van het voormelde arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2024, zijn zij van mening dat er geen meldingstermijn kan aanvangen indien de constructie niet is geïmplementeerd.
De verzoekende partijen in de zaak nr. 7443 besluiten daaruit dat artikel 11 van het Vlaamse decreet van 26 juni 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 juni 2013 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, wat betreft de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies » dient te worden vernietigd. Zij verwijten die bepaling niet erin te voorzien dat de meldingstermijn niet aanvangt indien de constructie niet daadwerkelijk wordt geïmplementeerd. Zij voegen eraan toe dat, in afwachting van een hersteldecreet, artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het volgende opleggen : (1) de meldingstermijn kan niet aanvangen indien de betrokkene de informatie heeft ontvangen dat de implementatie onzeker is, (2) de meldingstermijn kan aanvangen wanneer de implementatie van de constructie is begonnen, in zoverre de betrokkene kennis daarvan heeft, (3) de door het Hof van Justitie aangegeven aanvangspunten dienen te worden toegepast en (4) de betrokkene is vrijgesteld van zijn meldingsplicht zodra de constructie door hem of door iemand anders werd gemeld, en dat los van de fase die aanleiding heeft gegeven tot die melding.
A.4.2. De Vlaamse Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijzen naar het voormelde arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2024, waaruit blijkt dat het aanvangspunt van de termijn om aan de meldingsplicht te voldoen voldoende duidelijk en nauwkeurig is vastgesteld.
Wat betreft de in B.18.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief
A.5.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7443 merken allereerst op dat het Hof van Justitie, in zijn antwoord op de vijfde prejudiciële vraag die door het Hof in zijn arrest nr. 103/2022 werd gesteld, de advocaten uit zijn onderzoek heeft uitgesloten. Volgens hen volgt daaruit dat het antwoord van het Hof van Justitie op die vraag enkel de andere intermediairs en de relevante belastingplichtigen betreft.
5
De verzoekende partijen in de zaak nr. 7443 doen bovendien gelden dat uit het antwoord van het Hof van Justitie op de vierde prejudiciële vraag die het Hof heeft gesteld bij zijn arrest nr. 103/2022 blijkt dat de vrijstelling is voorbehouden aan de advocaten en de andere beroepen die ertoe gemachtigd zijn om iemand in rechte te vertegenwoordigen. Volgens hen bestaat die tweede categorie evenwel niet in het Belgische recht. Nog volgens hen kunnen dus enkel advocaten zich op de vrijstelling beroepen en is het enkel advocaten toegestaan die vrijstelling uitsluitend aan hun cliënt te melden. Zij beklemtonen dat de vrijstelling zich beperkt tot de advocaten in de zin van de richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 « ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven », hetgeen de advocaten uitsluit die zijn ingeschreven op de lijsten B bij de Belgische orden van advocaten.
Zij voeren ten slotte aan dat, in afwachting van herstelwetgeving, de voormelde arresten van het Grondwettelijk Hof nrs. 103/2022 en 111/2023 in conflict komen met het arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2024. Zij beklemtonen dat dat het geval is wat de marktklare constructies betreft. Zij voeren in het bijzonder aan dat, indien de advocaat zich beperkt tot het geven van adviezen, het niet verantwoord is zijn recht op vrijstelling uit te sluiten voor de eerste fase van de marktklare constructies.
A.5.2. De Vlaamse Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijzen naar het voormelde arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2024, waaruit blijkt dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven verantwoord is.
-B-
Ten aanzien van het doel van de heropening van de debatten
B.1.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 7429 vordert de vernietiging van de artikelen 1
tot 30 van het Vlaamse decreet van 26 juni 2020 « tot wijziging van het decreet van 21 juni 2013 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, wat betreft de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies » (hierna : het decreet van 26 juni 2020). De verzoekende partijen in de zaak nr. 7443 vorderen de vernietiging van de artikelen 5, 2° (wat de punten 19° tot 23° betreft), 11, 12, 14, 15, 17, 18, 23 en 29 van datzelfde decreet.
Het decreet van 26 juni 2020 voorziet in de omzetting van de richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 « tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies » (hierna : de richtlijn (EU) 2018/822).
De richtlijn (EU) 2018/822 wijzigt de richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 « betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG » (hierna : de richtlijn 2011/16/EU). De
6
richtlijn (EU) 2018/822 voert een meldingsplicht in voor bepaalde grensoverschrijdende constructies. De meldingsplicht rust in de eerste plaats op de « intermediairs », die doorgaans betrokken zijn bij de implementatie van dergelijke constructies. Wanneer er echter geen dergelijke intermediairs zijn, of indien zij zich kunnen beroepen op een wettelijk verschoningsrecht, verschuift de meldingsplicht naar de belastingplichtige.
Wat betreft de uiteenzetting van het decreet van 26 juni 2020 en van de context ervan, wordt verwezen naar B.1.1 tot B.1.8 van het tussenarrest van het Hof nr. 111/2023 van 20 juli 2023 (
ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.111
).
B.1.2. Bij zijn arrest van 8 december 2022 in zake Orde van Vlaamse Balies e.a.
(C-694/20,
ECLI:EU:C:2022:963
) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie, in grote kamer, geantwoord op de prejudiciële vraag die was gesteld bij het arrest van het Hof nr. 167/2020 van 17 december 2020 (
ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.167
), dat werd gewezen op vorderingen tot schorsing gericht tegen het decreet van 26 juni 2020.
Bij dat arrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 8bis ter, lid 5, van de richtlijn 2011/16/EU, zoals ingevoegd bij de richtlijn (EU) 2018/822, artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest) schendt, in zoverre de toepassing ervan door de lidstaten tot gevolg heeft dat een advocaat die optreedt als intermediair, wanneer hij ontheven is van de meldingsplicht wegens het beroepsgeheim waartoe hij gehouden is, verplicht is om iedere andere intermediair die niet zijn cliënt is onverwijld in kennis te stellen van zijn meldingsverplichtingen.
B.1.3. Bij zijn voormelde arrest nr. 111/2023 heeft het Hof :
- meerdere bestreden bepalingen van het decreet van 26 juni 2020 vernietigd (eerste en tweede streepje van het dictum);
- de uitspraak aangehouden « over de grieven die zijn vermeld in B.7.2, B.17.1, B.18.1, B.19.1 en B.20.1, in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de prejudiciële vragen die zijn gesteld bij het arrest nr. 103/2022 van 15 september 2022 (
ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.103
) » (derde streepje van het dictum), daar het arrest nr. 103/2022 is gewezen op de beroepen tot vernietiging gericht tegen de federale
7
wetgeving tot omzetting van de richtlijn (EU) 2018/822 (wet van 20 december 2019 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie », hierna : de wet van 20 december 2019);
- de beroepen voor het overige verworpen (vierde streepje van het dictum).
B.2. Bij zijn arrest van 29 juli 2024 in zake Belgian Association of Tax Lawyers e.a.
(C-623/22,
ECLI:EU:C:2024:639
) heeft het Hof van Justitie geantwoord op de vijf prejudiciële vragen die door het Hof in het voormelde arrest nr. 103/2022 waren gesteld.
Bij beschikking van 25 september 2024 heeft het Hof beslist de debatten te heropenen wat de in B.7.2, B.17.1, B.18.1, B.19.1 en B.20.1 van het voormelde arrest van het Hof nr. 111/2023
vermelde grieven betreft. Het Hof heeft de partijen ook verzocht in een aanvullende memorie hun standpunt uiteen te zetten over de weerslag, op die grieven, van het voormelde arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2024.
De aanvullende memories zijn slechts ontvankelijk in zoverre de daarin vervatte uiteenzettingen betrekking hebben op die grieven en de weerslag van het arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2024 daarop.
Ten gronde
Wat betreft de in B.17.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief, met betrekking tot de toepassing van het decreet van 26 juni 2020 op andere belastingen dan de vennootschapsbelasting (eerste middel in de zaak nr. 7443)
B.3.1. Bij de in B.17.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief doen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7443 gelden dat het decreet van 26 juni 2020 de richtlijn (EU) 2018/822 omzet in andere materies dan de vennootschapsbelasting, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording wordt gegeven.
8
B.3.2. Bij zijn arrest nr. 111/2023 heeft het Hof vastgesteld dat een gelijkaardige grief werd aangevoerd ten aanzien van de wet van 20 december 2019 en dat het onderzoek daarvan het Hof ertoe had gebracht de eerste prejudiciële vraag in het dictum van zijn arrest nr. 103/2022
te stellen (B.17.3). Het Hof heeft geoordeeld dat, in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie op die prejudiciële vraag, de uitspraak over de in B.17.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief diende te worden aangehouden (B.17.4).
B.3.3. Het Hof van Justitie heeft bij zijn voormelde arrest van 29 juli 2024 (HvJ, 29 juli 2024, C-623/22, voormeld, punten 22-34) op die prejudiciële vraag geantwoord en heeft besloten dat « uit het onderzoek van het aspect waarop de eerste vraag betrekking heeft niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van gewijzigde richtlijn 2011/16
kunnen aantasten in het licht van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, alsook van de artikelen 20 en 21 van het Handvest » (punt 34).
B.3.4. In hun aanvullende memorie geven de verzoekende partijen in de zaak nr. 7443 aan dat zij, wegens dat antwoord van het Hof van Justitie, afstand doen van hun vordering tot vernietiging die is gebaseerd op de in B.17.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief.
Bijgevolg bestaat er geen aanleiding meer om zich over die grief uit te spreken.
Wat betreft de in B.7.2 en B.19.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grieven, met betrekking tot de duidelijkheid van het begrip « marktklare constructie » en het begrip « intermediair » (grieven uiteengezet in het kader van het eerste middel in de zaak nr. 7429 en in het kader van het derde middel in de zaak nr. 7443) en wat betreft de in B.20.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief, met betrekking tot het aanvangspunt van de termijn om een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie te melden (vierde middel in de zaak nr. 7443)
B.4.1. Bij de in B.7.2 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief doet de verzoekende partij in de zaak nr. 7429 gelden dat het begrip « marktklare constructie » te vaag is.
9
Bij zijn arrest nr. 111/2023 heeft het Hof geoordeeld dat, alvorens ten gronde uitspraak te doen over die grief, het antwoord van het Hof van Justitie op de tweede bij het arrest nr. 103/2022 gestelde prejudiciële vraag diende te worden afgewacht (B.7.2).
B.4.2. Bij de in B.19.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief, doen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7443 gelden dat het begrip « intermediair » onvoldoende duidelijk gedefinieerd is.
Bij zijn arrest nr. 111/2023 heeft het Hof vastgesteld dat een gelijkaardige grief werd aangevoerd ten aanzien van de wet van 20 december 2019 en dat het onderzoek daarvan het Hof ertoe had gebracht de tweede prejudiciële vraag in het dictum van zijn arrest nr. 103/2022
te stellen (B.19.2). Het Hof heeft geoordeeld dat, in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie op die prejudiciële vraag, de uitspraak over de in B.19.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief diende te worden aangehouden (B.19.3).
B.4.3. Bij de in B.20.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief doen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7443 gelden dat de aanvang en het einde van de termijn voor het vervullen van de meldingsplicht onvoldoende duidelijk zijn gedefinieerd.
Bij zijn arrest nr. 111/2023 heeft het Hof vastgesteld dat een gelijkaardige grief werd aangevoerd ten aanzien van de wet van 20 december 2019 en dat het onderzoek daarvan het Hof ertoe had gebracht de derde prejudiciële vraag in het dictum van zijn arrest nr. 103/2022 te stellen (B.20.2). Het Hof heeft geoordeeld dat, in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie op die prejudiciële vraag, de uitspraak over de in B.20.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief diende te worden aangehouden (B.20.3).
B.4.4. Het Hof van Justitie heeft bij zijn voormelde arrest van 29 juli 2024 (HvJ, 29 juli 2024, C-623/22, voormeld, punten 35-90) de twee betrokken prejudiciële vragen beantwoord en heeft besloten dat « uit het onderzoek van de aspecten waarop [die twee vragen] betrekking hebben niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van richtlijn 2011/16, zoals gewijzigd bij richtlijn 2018/822, kunnen aantasten in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel, het in artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten neergelegde legaliteitsbeginsel inzake straffen, en het in artikel 7 van dit Handvest gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven » (punt 90).
10
B.4.5. Bij zijn arrest nr. 33/2025 van 27 februari 2025 (
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.033
), dat werd gewezen op de beroepen gericht tegen de wet van 20 december 2019, heeft het Hof ten gronde uitspraak gedaan over de grieven die soortgelijk zijn met de thans onderzochte grieven. Het Hof heeft geoordeeld dat die grieven niet gegrond waren, om de door het Hof van Justitie aangevoerde redenen (B.6.1-B.8).
Om dezelfde redenen zijn de in B.7.2 en B.19.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023
vermelde grieven en de in B.20.1 van hetzelfde arrest vermelde grief niet gegrond.
Wat betreft de in B.18.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief, met betrekking tot andere inmengingen dan die welke verband houdt met de beperking van het beroepsgeheim, in het recht op eerbiediging van het privéleven van de intermediairs en van de relevante belastingplichtigen (tweede middel in de zaak nr. 7443)
B.5.1. Bij de in B.18.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief klagen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7443 in essentie aan dat de informatieverplichtingen die in het decreet van 26 juni 2020 worden ingevoerd, gebaseerd zijn op vermoedens van agressieve fiscale planning die niet op redelijke wijze kunnen worden afgeleid uit de in de richtlijn uitgewerkte wezenskenmerken. Daarnaast klagen zij aan dat bepaalde wezenskenmerken een onweerlegbaar vermoeden invoeren, doordat zij niet toelaten dat de betrokken belastingplichtige aantoont dat het oogmerk van de constructie niet voornamelijk fiscaal is.
Hieruit leiden zij af dat de meldingsplicht een onverantwoorde en onevenredige beperking van het recht op eerbiediging van het privéleven van de intermediairs en de relevante belastingplichtigen inhoudt.
B.5.2. Bij zijn arrest nr. 111/2023 heeft het Hof vastgesteld dat een gelijkaardige grief werd aangevoerd ten aanzien van de wet van 20 december 2019 en dat het onderzoek daarvan het Hof ertoe had gebracht de vijfde prejudiciële vraag in het dictum van zijn arrest nr. 103/2022
te stellen (B.18.2). Het Hof heeft geoordeeld dat, in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie op die prejudiciële vraag, de uitspraak over de in B.18.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief diende te worden aangehouden (B.18.3).
11
B.5.3. Bij zijn voormelde arrest van 8 december 2022 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat « in het stadium waarin [de] cliënt [van de advocaat-intermediair] uitvoering geeft aan zijn meldingsverplichtingen krachtens [de gewijzigde] richtlijn [2011/16], de vertrouwensrelatie tussen de advocaat-intermediair en die cliënt eraan in de weg staat dat van laatstgenoemde kan worden verlangd dat hij derden, en met name de belastingdienst, ervan op de hoogte stelt dat hij een advocaat heeft geraadpleegd » (HvJ, grote kamer, 8 december 2022, C-694/20, voormeld, punt 19).
B.5.4. Het Hof van Justitie heeft bij zijn voormelde arrest van 29 juli 2024 de vijfde prejudiciële vraag beantwoord die door het Hof was gesteld bij zijn arrest nr. 103/2022 (HvJ, 29 juli 2024, C-623/22, voormeld, punten 121-150).
B.5.5. Uit het antwoord van het Hof van Justitie op de tweede en de derde prejudiciële vraag die werden gesteld door het Hof bij zijn arrest nr. 103/2022 (HvJ, 29 juli 2024, C-623/22, voormeld, punten 35-90, i.h.b. punt 89), evenals uit het antwoord van het Hof van Justitie op de vijfde prejudiciële vraag die bij hetzelfde arrest werd gesteld (punten 135-137), blijkt dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven vanwege de meldingsplicht voldoende nauwkeurig is bepaald.
Vervolgens volgt uit het antwoord van het Hof van Justitie op de vijfde prejudiciële vraag die door het Hof werd gesteld bij zijn arrest nr. 103/2022 dat de meldingsplicht geen afbreuk doet aan de wezenlijke inhoud van het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokkenen (punt 138), dat de meldingsplicht ertoe strekt agressieve fiscale planning te bestrijden en het risico van belastingontwijking en -ontduiking te vermijden, welke doelstellingen van algemeen belang vormen (punten 140-141), dat de meldingsplicht geschikt is om die doelstellingen te verwezenlijken (punt 142), dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven die uit die meldingsplicht voortvloeit, beperkt is tot het strikt noodzakelijke (punten 143-147) en dat die inmenging niet onevenredig is (punt 148)
B.5.6. Bij zijn voormelde arrest nr. 33/2025, dat werd gewezen op de beroepen gericht tegen de wet van 20 december 2019, heeft het Hof ten gronde uitspraak gedaan over een grief die soortgelijk is met de thans onderzochte grief. Het Hof heeft geoordeeld dat die grief niet gegrond was, om de door het Hof van Justitie aangevoerde redenen (B.13.1-B.16).
12
Om dezelfde redenen is de in B.18.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 vermelde grief niet gegrond.
13
Om die redenen,
het Hof
verwerpt de beroepen wat betreft de in B.7.2, B.17.1, B.18.1, B.19.1 en B.20.1 van het arrest van het Hof nr. 111/2023 van 20 juli 2023 vermelde grieven.
Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 april 2025.
De griffier, De voorzitter,
Frank Meersschaut Luc Lavrysen
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.067
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.167
ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.103
ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.111
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.033
ECLI:EU:C:2022:963
ECLI:EU:C:2024:639
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==