Naar hoofdinhoud

ADB:raad-van-state-brussel-18-12-2025

Beslissingsdetails

đŸ›ïž Raad van State Brussel 📅 2025-12-18 🌐 NL Arrest

Rechtsgebied

Milieu Natuur en Bos

Geciteerde wetgeving

artikel 3 van de wet van 29 juli 1991; decreet van 13 juni 1990; decreet van 22 december 2006; decreet van 13 juni 1990; decreet van 20 april 2012; decreet van 20 april 2012; decreet van 13 juni 1990; decreet van 13 juni 1990; decreet van 5 april 1995; wet van 29 juli 1991

Samenvatting

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER A R R E S T nr. in de zaak van 18 december 2025 In zake : . bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor hou...

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER A R R E S T nr. in de zaak van 18 december 2025 In zake : . bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 24 mei 2023 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 10 februari 2023 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen, in hoofdzaak ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur heeft op 31 januari 2024 een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 september 2025. Staatsraad heeft verslag uitgebracht. Advocaat , die verschijnt voor verzoeker, en advocaat , die loco advocaat verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 1 december 2021 wordt verzoeker gemachtigd om een dunningskap van loofhout (wilg, els, beuk, eik en esdoorn) uit te voeren op een perceel gelegen te . Aan de kapmachtiging zijn de volgende voorwaarden verbonden: “Tijdens het uitvoeren van de kapping moet de exploitant een kopie van deze machtiging bij zich hebben. 2 Er mag niet worden geveld of geruimd tijdens de standaard schoontijd van 1 april tot en met 30 juni. De dunning is een selectieve kapping die wordt uitgevoerd om de overblijvende bomen in het bos meer groeiruimte te geven. Het gaat om een hoogdunning. Dit betekent dat de beste bomen in het bestand bevoordeeld worden door de rechtstreekse concurrenten te kappen. Deze dunning grijpt in, in de bovenetage. Het bos blijft gevarieerd omdat de onderetage en het dode hout blijven staan, wat de natuurwaarde van het bos verhoogt. Bij de dunning mag maximaal 10 % van de bomen (loofhout) gekapt worden, gelijkmatig verspreid over het terrein. De kapping mag niet leiden tot het creĂ«ren van open plekken in het bos. De ontstane openplekken worden herbebost ten laatste 31 december 2022 met bosplantsoen van inheems loofhout (zoals zwarte els, wilg, eik) in een plantverband niet wijder dan 2 x 2 meter in combinatie met inheemse in een (zoals hazelaar, meidoorn, Gelderse struikensoorten plantverband van 2 x 2 meter. Alle afgestorven plantsoen moet vervangen worden tijdens het eerstvolgende plantseizoen tot minimaal 90% van de aanplanting in groei is, voldoende verspreid over het bos. De kapping mag in geen geval leiden tot een vermindering van de huidige bosoppervlakte. Omvorming van bos naar tuin, aanplanten van sierstruiken, heesters of sierconiferen, aanleg van grasperk, gazon, bloemperken of andere tuinelementen, inbreng van landbouw- of tuingewassen, wijzigen van de struiklaag of de kruidlaag, houden van dieren, storten van afval en plaatsen van constructies is niet toegestaan in het bos. Alle tuinplanten (Rhododendron, azalea, Hydrangea, tuinrozen, enz
) moeten uiterlijk 1 juni 2022 verwijderd worden. De stronken van de gevelde bomen dienen behouden te worden. Het is verboden om ingrijpende wijzigingen en beschadigingen aan de bodem, de strooisel- en kruidlaag toe te brengen.” roos) 3.2. Op 9 februari 2022 stelt een toezichthouder van het Agentschap voor Natuur en Bos vast dat verspreid over het gehele perceel tuinplanten (zoals rododendron en rozelaar) zijn aangeplant, een perk is omzoomd door houten latten, de bosbodem regelmatig wordt gemaaid, paden zijn uitgegraven van ongeveer anderhalve meter breed, allerhande bouwmateriaal en -afval werd achtergelaten en loofbomen werden gekapt. 3.3. Naar aanleiding van voormelde vaststellingen worden aan verzoeker bestuurlijke maatregelen opgelegd. 3.4. Nadat uit herhaalde controlebezoeken bleek dat de bestuurlijke maatregelen niet werden uitgevoerd, beslist het Agentschap voor Natuur en Bos op 10 februari 2023 om de volgende bestuurlijke maatregelen op te leggen: “Maatregel 1: herbebossing van ongeveer 7257 mÂČ bosoppervlakte, zoals aangegeven op onderstaande kaart 1 en onder de voorwaarden van de geldende kapmachtiging: - op perceel kadastraal gekend als - plantsoen bestaande uit de inheemse soorten, nl. hazelaar (Corylus avellana), eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) en Gelderse roos (Viburnum opulus) voor wat de struiksoorten betreft en zwarte els (Alnus glutinosa), zomereik (Quercus robur) en wilg (Salix alba en Salix caprea); - plantafstand tussen de individuen bedraagt maximaal 2 op 2 meter; - minimumafmeting van de struiken is 60 - 80 cm en 80 -150 cm voor wat de bomen betreft; - wegkwijnende en afgestorven exemplaren worden in het eerstvolgende plantseizoen vervangen door evenwaardig plantgoed. Maatregel 2: verwijderen van alle tuinplanten (o.a. rododendrons en Rosa acapela). Maatregel 3: verwijderen van het perk met bijhorende houten kader. Maatregel 4: verwijderen van al het bouwmateriaal en -afval. Maatregel 5: heraanplant van de vernietigde houtkant onder volgende voorwaarden: - op perceel kadastraal gekend als - plantsoen bestaande uit de inheemse soorten, nl hazelaar (Corylus avellana), eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) en Gelderse roos (Viburnum opulus) voor wat de struiksoorten betreft en zwarte els (Alnus glutinosa), zomereik (Quercus robur) en wilg (Salix alba en Salix caprea); - plantafstand tussen de individuen bedraagt maximaal 2 op 2 meter; - minimumafmeting van de struiken is 60 - 80 cm en 80 -150 cm voor wat de bomen betreft; - wegkwijnende en afgestorven exemplaren worden in het eerstvolgende plantseizoen vervangen door evenwaardig plantgoed.” Aan het niet correct of niet tijdig uitvoeren van de opgelegde bestuurlijke maatregelen worden bestuurlijke dwangsommen gekoppeld. 3.5. in. Tegen voormelde beslissing stelt verzoeker bestuurlijk beroep VII-42.131-4/12 3.6. Met het thans bestreden besluit van 24 mei 2023 verklaart de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme het beroep van verzoeker ongegrond en bevestigt zij de bestreden beslissing, met dien verstande dat de termijnen voor het uitvoeren van de maatregelen worden geactualiseerd. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 3, § 1 en § 3, punt 5 en 9, van het Bosdecreet van 13 juni 1990, van artikel 16.4.10, § 4, 5°, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van de materiĂ«lemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker betoogt dat het perceel in 2000 niet gekarteerd was als bos en dat het gebruikt werd voor volkstuintjes en landbouwactiviteiten, dat het Agentschap voor Natuur en Bos ten onrechte stelt dat het perceel in 2000 gekend zou zijn geweest als ‘jong loofbos’, dat uit een notariĂ«le akte en uit foto’s blijkt dat er in 2009 enkele alleenstaande bomen aanwezig waren maar geen bos en dat hij het terrein gedurende jaren gebruikt voor het kweken van planten. Voorts betwist verzoeker dat hij omstreeks 2018-2019 een bestemmingswijziging naar landbouw heeft doorgevoerd. Uit het beschikbare kaartmateriaal, dat diffuus is, kan alleszins geen eenduidig bewijs van een dergelijke functiewijziging worden afgeleid. Hij benadrukt in dit verband dat het perceel reeds gedurende lange tijd gebruikt wordt als kweekgrond voor azalea’s en rododendrons en dat er enkele bomen werden aangeplant in functie van die kweekactiviteiten. Ook wijst hij erop dat het Bosdecreet van 13 juni 1990 niet van toepassing is op terreinen die behoren tot het landbouwareaal, ongeacht of er effectief subsidies voor deze terreinen werden aangevraagd. Uit het feit dat een aanvraag tot het verkrijgen van een kapmachtiging werd ingediend, kan evenmin afgeleid worden dat op het perceel in kwestie een bos aanwezig is. Bovendien zou er sprake zijn van misleiding omdat hij dergelijke aanvraag enkel heeft ingediend na daartoe aangezet te zijn door het Agentschap voor Natuur en Bos dat ten onrechte van oordeel was dat in voorliggend geval een machtiging vereist was voor het uitvoeren van kappingen in een bos. Verzoeker zet verder uiteen dat kwekerijen behoren tot het landbouwareaal, dat landbouw gepaard kan gaan met de aanwezigheid van bomen en/of houtachtige vegetaties en dat het rooien van bomen behoort tot het gezond beheer van het terrein. Hij stelt dat uit de gegevens van de zaak afdoende blijkt dat het terrein steeds als kwekerij werd gebruikt en dat de verwerende partij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de uitzonderingsgrond van artikel 3, § 3, 5°, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 met betrekking tot sierbeplantingen. 5. De verwerende partij antwoordt dat de miskenning van artikel 3, § 3, 9°, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 niet werd aangevoerd in het administratief beroepschrift, dat in de motivering van de bestreden beslissing wordt verwezen naar de digitale boswijzer 2009 waarin sprake is van een bos, dat de beboste toestand wordt bevestigd door luchtfoto’s van 2009 en 2012 en dat de kwalificatie als bos in de zin van het Bosdecreet bepaald wordt door de feitelijke toestand ter plaatse zodat de omstandigheid dat het perceel als “woeste grond” in een notariĂ«le akte wordt aangemerkt en de verklaring op eer van de verkoper dat het niet valt onder het toepassingsgebied van het voormelde decreet, niet ter zake doen. Hetzelfde geldt voor de planologische bestemming van het perceel. Volgens de verwerende partij wordt niet aangetoond dat zij bij haar beoordeling het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel heeft miskend. De verwerende partij vervolgt dat boslandbouwsystemen overeenkomstig artikel 3, § 3, 9°, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 niet onder het toepassingsgebied van het decreet vallen indien het teelten betreft waarvan het aanplanten van de bomen en de aanmelding in de verzamelaanvraag heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 ‘houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur’ op 1 juni 2012. Aangezien te dezen het bos reeds bestond voor die datum, kan verzoeker niet genieten van de uitzonderingsregeling van artikel 3, § 3, 9°, van het Bosdecreet van 13 juni 1990. Evenmin kan verzoeker zich beroepen op artikel 3, § 3, 5°, van hetzelfde decreet omdat deze bepaling niet toelaat dat een bos wordt omgevormd naar een tuin met sierbeplanting. Tot slot wordt in de uiteenzetting van verzoeker niet toegelicht waarom artikel 16.4.10, § 4, 5°, DABM dat betrekking heeft op de motivering van de bestuurlijke dwangsom, geschonden zou zijn. 6. In zijn memorie van wederantwoord laat verzoeker nog het volgende gelden: “[
] In de memorie van antwoord wordt niet betwist dat in 2000 het hier niet om bos ging. Verzoekende partij is actief op dit terrein. Wanneer het terrein dan wel bos geworden zou zijn is onduidelijk want dit wordt niet meegegeven, ook niet in de memorie van antwoord. In 2009 wordt er dan gesteld door de minister dat op basis van een niet bindend document als de groenkaart Vlaanderen 2009, luchtfoto’s (waarbij hoogtes van bomen niet kunnen worden gezien en waarbij ook geen zicht is op de aanplant van azalea’s en rhododendrons) de minister met zekerheid en in alle redelijkheid kon stellen dat het hier om bos ging. Dus volgens haar zou er pas ten vroegste in 2009 dan plotseling bosgebied voorhanden zijn. Vervolgens gaat de minister na in haar verweer of evt. de uitzonderingen die verzoekende partij aanhaalt en waartoe het perceel volgens haar in aanmerking komen evt. van toepassing zouden kunnen zijn. Verzoekende partij heeft alleszins foto’s voorgelegd uit 2009 waaruit niet blijkt dat het ganse terrein bebost was. Deze foto’s zijn opgenomen en werden overgemaakt, maar er werd hier op geen enkele wijze rekening mee gehouden. Indien er dergelijke foto’s voorhanden zijn, kan de minister niet zomaar volstaan met naar andere documenten (zoals de groenkaarten)/ luchtfoto’s te verwijzen die bovendien onduidelijk zijn. Op 30 december 2009 wordt het perceel echter nog als landbouwgrond verkocht. Dit spreekt dus de analyse van ANB tegen. Dit samen met de foto’s voorgebracht is afdoende om te stellen dat er geen zekerheid was dat het hier om bos ging. Met andere woorden kan de inspectie dit niet afdoende aantonen. De aangehaalde documenten van de minister zijn algemener, daar waar de bewijzen dat het niet om bos gaat groter zijn. Er is dus zeker geen sprake van een bos, minstens wordt dit niet op een zorgvuldige wijze of op een gemotiveerde wijze (de feiten kunnen de motieven niet schragen) aangetoond. [
] Inzake de uitzonderingen die aangehaald worden en die inderdaad lopen van minimaal 2012 blijkt dat landbouwareaal inderdaad een uitzondering betreft. Daar waar azalea’s en rhododendrons schaduw nodig hebben gaan deze steeds gepaard met bomen. Deze bomen staan in deze wel ten dienste van de aanplant en niet omgekeerd. Met deze argumenten werd niet afdoende rekening gehouden en er werd hier niet zorgvuldig en niet met afdoende motieven op teruggekomen. De aangehaalde argumenten van ANB zijn generieker en algemener daar waar de argumenten van verzoekende partij concreter zijn. Tot slot blijkt uit de voorliggende feiten ook niet dat er aldaar in 2008/2009 niet reeds deze sierplanten aanwezig waren. Verzoekende partij is hier zeer obsessief mee bezig en heeft hier steeds de volle aandacht voor gehad. Net zoals deze argumenten werd hier niet afdoende op ingegaan en blijkt dat er enkel naar de eigen bewijsgaring is gekeken en niet naar de bewijsgaring van verzoekende partij. Nochtans is de bewijsgaring van de minister zeker niet absoluut. Doordat er geen absolute zekerheid kan gegeven worden aan deze elementen is de plicht om afdoende inhoudelijk te motiveren des te groter. Het volstaat in deze niet enkel om aan te tonen dat er op dit perceel reeds bomen stonden. Er dient ook ingegaan te worden op de activiteiten van verzoekende partij hetgeen niet gebeurd is, minstens niet afdoende.” 7. Verzoeker benadrukt in zijn laatste memorie dat niet aangenomen kan worden dat er sprake is van een zorgvuldige besluitvorming aangezien de verwerende partij enkel rekening heeft gehouden met diffuse en onnauwkeurige bewijselementen over de beboste toestand van het betrokken perceel, dat het standpunt van het Agentschap voor Natuur en Bos enkel aangeeft dat er sprake is geweest van een geleidelijke ‘verbossing’ van het perceel, dat het zorgvuldigheidsbeginsel de overheid verplicht om ambtshalve mogelijke uitzonderingsgronden te onderzoeken, dat een tegenovergestelde zienswijze zou leiden tot een ongelijk speelveld en dat in voorliggend geval de bomen in functie staan van de aanwezige sierplanten. Beoordeling 8. Artikel 3, § 1, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 definieert “bossen” als “grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen”. De juridische kwalificatie van een grondoppervlakte als bos in de zin van het Bosdecreet hangt in beginsel niet af van de ruimtelijke bestemming van het gebied, maar wel van de feitelijke toestand dat een grondoppervlak hoofdzakelijk wordt ingenomen door bomen en houtachtige struikvegetaties. Overeenkomstig artikel 3, § 3, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 vallen “sierbeplantingen” en “systemen voor grondgebruik waarbij de teelt van bomen wordt gecombineerd met landbouw op dezelfde grond, toegepast op een perceel landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwer, exploitatie en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en het landbouwbeleid en waarvan de aanmelding via de verzamelaanvraag en het aanplanten van de bomen gebeurde na het inwerking treden van het decreet van 20 april 2012 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur” niet onder de voorschriften van dit decreet. 9. In de bestreden beslissing drukt de verwerende partij op grond van de volgende motieven uit dat er sprake is van een bos in de zin van artikel 3, § 1, van het Bosdecreet van 13 juni 1990: “Artikel 3, § 1 van het Bosdecreet bepaalt dat ‘de bossen, zijnde grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen’ onder de voorschriften van het decreet vallen. Uit deze bepaling volgt dat voor de kwalificatie van een perceel als ‘bos’ in de zin van het Bosdecreet noch de omschrijving in de notariĂ«le akte, noch deze in de verzamelaanvraag determinerend zijn, maar dat de beoordeling van de feitelijke situatie ter plaatse bepalend is. Er blijkt uit het proces-verbaal en de als bijlage gevoegde stukken/fotodossier dat het perceel hoofdzakelijk met (hoogstammige) bomen en houtachtige struiken was beplant. Het doet er niet toe op welke wijze de vegetatie is ontstaan nu ook ‘spontane bebossing’ onder het toepassingsgebied van het Bosdecreet valt. De digitale boswijzers 2009, 2012, en 2015 karteren het perceel als ‘bos’ (begroeiing hoger dan 3 meter met een aaneengesloten oppervlakte van meer dan 0,5 ha. De digitale boswijzers van 2018 en 2021 karteren het perceel echter niet meer als bos (bodembedekking die niet aan de definitie van ‘bos’ voldoet). De groenkaarten Vlaanderen 2009, 2012, 2015 en 2018 karteren het perceel als ‘Hoog groen’ (begroeiing hoger dan 3 m). De groenkaart in Vlaanderen 2021 karteert het perceel als ‘Landbouw’ (grond landbouwgebruik). Op de BWK is het perceel gekarteerd als jong loofbos (exclusief populier) in juli 2000. Uit de historiek van de luchtfoto’s blijkt dus dat het perceel in de loop der jaren verbost is en er omstreeks 2018 een landbouwgebruik aan werd gegeven. Hoewel de groenkaarten, de boskartering, de BWK en de digitale boswijzers, geen juridische instrumenten zijn om al dan niet de toepassing van het Bosdecreet te verantwoorden vormen deze elementen samen met de luchtfoto’s en de vaststellingen ter plaatse, voldoende aanwijzingen om te oordelen dat er sprake is van een bos. Bovendien werd voor het perceel in kwestie een kapmachtiging verleend, kapmachtigingen worden enkel afgeleverd voor kappingen die plaatsvinden in bosverband zodat ook hieruit blijkt dat het in casu gaat om een bos. De afwezigheid van een beheerplan doet niet ter zake. Er geldt enkel een verplichting tot het opstellen van een beheerplan voor natuurdomeinen (terreinen in beheer van Natuur en Bos) en openbare terreinen beheerd ten behoeve van het natuurbehoud en waar Europese natuurdoelen moeten gerealiseerd worden. Door het gebruik van het perceel als kweekplaats voor rododendrons en azalea’s wordt aan de grond een andere bestemming of gebruik gegeven waardoor conform artikel 4, 15° van het Bosdecreet een ontbossing teweeggebracht wordt. De aanwezigheid van uitheemse plantensoorten (zoals rododendrons en azalea’s) en het maaien van de vegetatie verhindert dat er zich een goed ontwikkeld bos met onderetage kan ontwikkelen. Ook het afval/zaken die worden gebruikt in het kader van de exploitatie betreft bosvreemd materiaal dat niet thuis hoort in een bos.” 10. Cruciaal in de aangehaalde beschouwingen is de aanname van de verwerende partij dat op het perceel doorheen de jaren, en alleszins vanaf het jaar 2009, spontaan een bos is ontstaan in de zin van artikel 3, § 1, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 en dat de bosfunctie van het perceel vanaf circa 2018 zou zijn gewijzigd naar landbouwgebruik. Voor deze aanname ontbreekt echter het vereiste bewijs. Om aan te tonen dat er sprake is van ‘spontane bebossing’ verwijst de verwerende partij in de eerste plaats naar de digitale boswijzers 2009, 2012 en 2015, naar de groenkaarten Vlaanderen 2009, 2012, 2015 en 2018 en naar de biologische waarderingskaart (BWK). Voor de kartering als bos in de digitale boswijzer worden criteria gehanteerd die afwijken van de definitie van bos in de zin van artikel 3, § 1, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 en de opname in de boswijzer volstaat dus niet voor de juridische kwalificatie van een perceel als bos. De groenkaart Vlaanderen wordt opgemaakt op basis van een interpretatie van orthofoto’s waarbij de percelen worden ingedeeld in de categorieĂ«n “niet groen”, “landbouw”, “laag groen” (minder dan 3 m) en “hoog groen” (meer dan 3 m). Ook deze classificatie wijkt af van de definitie van bos in het Bosdecreet. Meer in het bijzonder kan de vaststelling dat een perceel behoort tot de categorie “hoog groen” niet het besluit wettigen dat er ook sprake is van een bos. De BWK tot slot heeft tot doel om het biologische milieu en de bodembedekking van Vlaanderen te inventariseren waarbij door de inkleuring in verschillende groentinten de biologische waarde van het milieu wordt gevisualiseerd. Deze kaart dient zich evenmin aan als een instrument waarbij de bossen in de zin van het Bosdecreet worden geĂŻnventariseerd. In zoverre de verwerende partij voorts steunt op luchtfoto’s, zijn deze zo onduidelijk dat er hoogstens uit kan worden afgeleid dat er bomen aanwezig zijn aan de rand van de vijver, niet dat voldaan is aan alle wezenlijke kenmerken van een bos in de zin van artikel 3, § 1, van het Bosdecreet van 13 juni 1990. Bovendien blijkt uit de vaststellingen van de Natuurinspectie naar aanleiding van het plaatsbezoek op 9 februari 2022 enkel dat er verspreid over het gehele terrein bomen werden gekapt maar niet dat deze kappingen hebben plaatsgevonden in bos. Tot slot kan ook niet aangenomen worden dat uit het loutere feit dat een kapmachtiging werd aangevraagd en verkregen het betrokken perceel of een deel ervan als bos gekwalificeerd moet worden. 11. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 24 mei 2023 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 10 februari 2023 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen, in hoofdzaak ongegrond wordt verklaard. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: bijgestaan door kamervoorzitter, staatsraad, staatsraad, griffier. De griffier De voorzitter