ADB:raad-van-state-brussel-18-12-2025-0
Beslissingsdetails
đïž Raad van State Brussel
đ
2025-12-18
đ NL
Arrest
Rechtsgebied
Natuur en Bos
Ruimtelijke Ordening
Geciteerde wetgeving
decreet van 21 oktober 1997; decreet van 21 oktober 1997
Samenvatting
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK In zake : VIIe KAMER A R R E S T nr. in de zaak van 18 december 2025 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houden...
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
In zake :
VIIe KAMER
A R R E S T
nr.
in de zaak
van 18 december 2025
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
,
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1.
Het beroep, ingesteld op 14 november 2023, strekt tot de
nietigverklaring van:
âhet ministerieel besluit d.d. 20 december 2019 houdende de naamswijziging
van
natuurreservaat
erkend
het
en houdende de uitbreiding van het
met een oppervlakte van 45ha 60a
erkend natuurreservaat nr.
88ca (totale erkende oppervlakte wordt 66ha 38a 10ca) en houdende de
vaststelling van het aangepast visiegebied
[en van het] besluit van het hoofd van de entiteit AVES van 8 december 2021
tot goedkeuring van de omzetting van het beheerplan van een erkend
natuurreservaat naar een natuurbeheerplan type vier voor
II. Verloop van de rechtspleging
2.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend
en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Met een verzoekschrift van 23
januari 2024 heeft de
gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen.
Eerste auditeur
heeft op 30 september 2024
een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en
een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie
ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 8 mei 2025.
Staatsraad
heeft verslag uitgebracht.
Advocaat
, die loco advocaat
verschijnt
voor verzoeker, advocaat
, die loco advocaat
, verschijnt voor de verwerende partij en advocaat
, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur
heeft advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Tussenkomst
3.
Bijgevolg moet het verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd.
, heeft belang bij de uitkomst van het beroep.
IV. Feiten
4.1.
Bij ministerieel besluit van 12 september 2005 werd het
natuurreservaat
grondgebied van de gemeenten
natuurreservaat werd in 2014 uitgebreid.
4.2.
Op 14 juni 2016 dient
â, gelegen op het
, erkend. Het
naamswijziging en uitbreiding van het erkend natuurreservaat.
, een aanvraag in tot
4.3.
Met een besluit van de Vlaamse minister van Justitie en
Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 20 december 2019 wordt de
naam van het erkend natuurreservaat
â
gewijzigd in
Tegelijk wordt het erkend natuurreservaat uitgebreid
met een oppervlakte van ongeveer 45 ha en wordt een aangepast visiegebied
vastgesteld.
Dit is de eerste bestreden beslissing.
4.4.
Op 8 december 2021 keurt het hoofd van de afdeling Adviezen,
Vergunningen, Erkenningen en Subsidies (AVES) van het Agentschap voor Natuur
en Bos de omzetting goed van het beheerplan van het erkend natuurreservaat naar
een natuurbeheerplan type 4.
Dit is de tweede bestreden beslissing.
V. Ontvankelijkheid van het beroep
A. Belang van verzoeker
Standpunt van de partijen
5.
De verwerende partij werpt op dat verzoeker niet beschikt over
het rechtens vereiste belang bij het annulatieberoep.
Met betrekking tot de rechtsgevolgen van de eerste bestreden
beslissing wijst de verwerende partij erop dat de door verzoeker vermelde percelen
niet gelegen zijn in de uitbreidingszone van het natuurreservaat maar enkel mee
opgenomen werden in het visiegebied. Daaruit volgt dat deze percelen onder geen
enkel beding zonder een vrijwillige verkoop, beheeroverdracht of toetreding tot het
beheerplan gerealiseerd kunnen worden. Ook uit de rechtspraak blijkt dat er geen
rechtsgevolgen verbonden zijn aan de opname van percelen in een gebied, zoals
een visiegebied, dat geen onderdeel
is van het natuurreservaat of de
uitbreidingszone. Zelfs indien aangenomen zou worden dat uit de opname van de
percelen in het visiegebied de intentie moet worden afgeleid om op termijn het
erkende natuurreservaat met deze percelen uit te breiden, dan nog is er volgens de
verwerende partij geen sprake van een beslissing die voor verzoeker onmiddellijke
rechtsgevolgen teweegbrengt. Met het argument dat door de opname van de
percelen
in het visiegebied de aanvrager
in aanmerking komt voor
aankoopsubsidies, toont verzoeker niet aan dat de eerste bestreden beslissing voor
hem rechtsgevolgen teweegbrengt.
In de mate verzoeker vreest op termijn niet langer omringd te
zijn door andere landbouwgebieden, met alle gevolgen van dien voor de
beoordeling van toekomstige vergunningsaanvragen, is er volgens de verwerende
partij sprake van een hypothetische benadeling. Immers wordt niet aannemelijk
gemaakt dat de beheerder van het natuurreservaat in de toekomst effectief zal
overgaan tot een massale aankoop van de landbouwpercelen die gelegen zijn in de
omgeving van verzoekers percelen. Zelfs indien dergelijke percelen zouden
worden aangekocht, maakt verzoeker niet aannemelijk dat hij hierdoor schade zal
ondervinden, laat staan dat er een causaal verband zou bestaan tussen enerzijds de
aankoop van de in het visiegebied aanwezige percelen en anderzijds de vermeende
economische schade van verzoeker. Een louter onrechtstreeks en hypothetisch
belang is niet voldoende om het rechtens vereiste belang bij een annulatieberoep
aan te tonen.
Met betrekking tot de tweede bestreden beslissing wijst de
verwerende partij erop dat er enkel sprake is van een loutere wijziging van de
terminologie, en dat de bestreden omvorming waarbij het visiegebied voortaan het
ruimer gebied van het globaal kader wordt, evenmin rechtsgevolgen teweegbrengt.
6.
De tussenkomende partij sluit zich in essentie aan bij de exceptie
die door de verwerende partij wordt ontwikkeld. Van haar kant benadrukt zij dat
de goedkeuring van een natuurbeheerplan geen gevolgen heeft voor de
mogelijkheden tot vergunningverlening. Die rechtsgevolgen situeren zich enkel op
het vlak van (i) de wederkerigheid van de verplichting van de beheerder van het
natuurreservaat om de beheermaatregelen uit
te voeren
indien de
financieringsverbintenis in hoofde van de overheid wordt nageleefd, (ii) het
bindend karakter van het goedgekeurd natuurbeheerplan voor alle opeenvolgende
beheerders van het gebied, (iii) de sancties die door het Agentschap voor Natuur
en Bos kunnen worden genomen indien de beheermaatregelen niet of niet correct
worden uitgevoerd waardoor de realisatie van de beheerdoelstellingen in het
gedrang zou komen en (iv) de toepassing van het standstill-beginsel om verdere
achteruitgang van het milieu tegen te gaan ook na het verstrijken van de termijn
van elk beheerplan. Bovendien benadrukt zij dat de eerste bestreden beslissing
geen toetsingsgrond voor vergunningsaanvragen in het leven roept. Voorts wijst de
tussenkomende partij erop dat het visiegebied te onderscheiden is van het
natuurbeheerplan type 4 en van de uitbreidingszone waar een recht van voorkoop
geldt; percelen gelegen in het visiegebied of globaal kader ondervinden door deze
aanwijzing geen rechtstreekse rechtsgevolgen en deze opname heeft enkel een
indicatieve waarde die later een rol kan spelen bij het verlenen van subsidies.
In zoverre verzoeker in zijn uiteenzetting doelt op artikel 12, § 4,
van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2017 âbetreffende de
natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservatenâ (hierna: besluit van de
Vlaamse regering van 14 juli 2017) voorziet deze bepaling erin dat de beperkte
procedure kan worden gevolgd wanneer een aantal onderdelen van het
natuurbeheerplan niet wijzigen. Deze bepaling zegt dus niet dat elke uitbreiding
van het natuurreservaat naar percelen die reeds binnen het visiegebied/globaal
kader zijn gelegen per definitie via de beperkte procedure kan gebeuren. Bovendien
kan een perceel enkel binnen een natuurbeheerplan worden opgenomen met het
akkoord van de eigenaar, de mede-eigenaars of de houders van andere zakelijke
rechten op het perceel in kwestie. Er moet dan ook worden besloten dat de
aanduiding binnen de situering âvisiegebiedâ of âglobaal kaderâ op zich genomen
geen rechtsgevolgen met zich meebrengt voor de betrokken percelen. De
tussenkomende partij benadrukt eveneens dat het natuurbeheerplan louter een visie
van de aanvrager van het plan uitdrukt voor de betrokken gebieden en een
grondslag verschaft voor het verkrijgen van aankoopsubsidies. Dergelijke visies
doen geen rechtsgevolgen ontstaan. Hetzelfde geldt voor de natuurbeheerplannen
zelf: ze vormen immers geen bindende toetsingsgrond in het kader van de
vergunningverlening of de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen. Tot slot is
het niet uitgesloten dat ook zonder een natuurbeheerplan er op termijn sprake zal
zijn van natuurontwikkeling in de nabijheid van de percelen van verzoeker.
7.
In zijn memorie van wederantwoord spreekt verzoeker tegen dat
hij in het verzoekschrift tot nietigverklaring de grenzen van het debat heeft
getrokken en dat hem de mogelijkheid moet worden ontzegd om in een later
procedurestuk zijn belang verder toe te lichten. Voorts herhaalt hij dat met de
opname van percelen in een visiegebied de bedoeling wordt uitgedrukt om op
termijn het erkend natuurreservaat met die percelen uit te breiden. Bovendien zou
voor deze percelen op termijn een nulbemesting gelden. Volgens verzoeker
betekent de opname in het visiegebied niet meer of minder dan de voorafname van
een
toekomstige bestemmingswijziging. Ook stelt hij dat âonvoorziene
ontwikkelingen van de
ruimtelijke behoeften van de verschillende
maatschappelijke activiteitenâ een reden kunnen zijn tot afwijking van het
richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan en dat de opname van
percelen in een visiegebied als een dergelijke onvoorziene ontwikkeling zou
kunnen worden aanzien. Daarenboven sluit de regelgeving niet uit dat bij de
toetsing van een vergunningsaanvraag rekening wordt gehouden met de ligging
van percelen in een visiegebied/globaal kader. Naar luid van artikel 4.3.1, § 2, 2°,
a), van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening houdt het vergunningverlenende
bestuursorgaan bij haar beoordeling rekening met de in de omgeving bestaande
toestand, maar mag zij ook de beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met
betrekking tot de aandachtspunten vermeld in punt 1° bij haar beoordeling
betrekken. Volgens verzoeker spreekt het vanzelf dat een
toekomstige
ontwikkeling naar natuurgebied/natuurreservaat met een maximale biodiversiteit,
goedgekeurd middels een ministerieel besluit, als een beleidsmatig gewenste
ontwikkeling kan worden beschouwd. Bovendien kan een vergunning ook op
grond van artikel 4.3.4 VCRO geweigerd worden indien blijkt dat het
aangevraagde onwenselijk is in het licht van doelstellingen of zorgplichten die
gehanteerd worden binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening.
Aldus kan bij de vergunningverlening rekening gehouden worden met de
doelstellingen die middels de bestreden besluiten op de percelen opgenomen in het
visiegebied worden opgelegd.
Voorts brengt de opname in het visiegebied mee dat de beheerder
van het natuurreservaat in aanmerking komt om aankoopsubsidies te verkrijgen
voor de percelen die gelegen zijn binnen de contouren van het goedgekeurde
visiegebied. Ook al wordt wettelijk niet voorzien in een voorkooprecht, toch kan
het verlenen van deze subsidies ertoe leiden dat de beheerder overgaat tot de
aankoop van de percelen die gelegen zijn in het visiegebied waarvoor een
toekomstperspectief voor natuurgebied/natuurreservaat geldt. Ten gevolge daarvan
zijn dergelijke percelen minder aantrekkelijk voor een landbouwgebruik. De
toekomstige natuurontwikkeling op deze percelen impliceert ook dat bij elke
aanvraag tot het uitoefenen van een vergunningsplichtige activiteit de bevoegde
overheid er zorg voor zal moeten dragen dat er geen vermijdbare schade aan de
natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door
redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken,
of indien dit niet mogelijk is, te herstellen. Dit alles heeft een ernstige negatieve
impact op de waarde van de landbouwpercelen.
Specifiek met betrekking tot de tweede bestreden beslissing wijst
verzoeker erop dat door de omzetting naar een natuurbeheerplan type vier, zijn
percelen komen te liggen in het globaal kader, waardoor de beperkte procedure van
artikel 12, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2017 van
toepassing wordt. Dit betekent dat er voortaan geen inspraakmogelijkheid meer
bestaat voor de eigenaars van de naburige percelen.
Beoordeling
8.
Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde
wetten op de Raad van State kunnen de beroepen tot nietigverklaring voor de
afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken
van een benadeling of van een belang.
Een verzoekende partij beschikt over het rechtens vereiste
belang indien zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een
persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijdt en tegelijk dat de
eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct
en persoonlijk voordeel verschaft, hoe miniem ook. Het belang als
ontvankelijkheidsvoorwaarde verbiedt beroepen die een zuiver symbolische
vernietiging beogen of die enkel strekken tot het vernietigen in het belang van de
wet, zonder dat de verzoekende partij enig voordeel, hoe miniem ook, kan halen
uit die nietigverklaring.
9.
Er wordt niet betwist dat een aantal percelen van verzoeker door
de eerste bestreden beslissing opgenomen worden in het aangepaste visiegebied in
zake het beheer van het erkend natuurreservaat â
â dat wordt uitgebreid
met een oppervlakte van circa 45 ha.
10.
In artikel 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse regering van
27 juni 2003 âtot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van
natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende
toekenning van subsidiesâ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 27 juni
2003), zoals van toepassing op het ogenblik dat de eerste bestreden beslissing
genomen werd, wordt het begrip âvisiegebiedâ omschreven als âeen logisch en
samenhangend geheel waarvoor een globaal streefbeeld wordt uitgewerkt
waarbinnen het beheer van ter erkenning voorgedragen percelen wordt gekaderdâ.
Voorts bepaalt artikel 10, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni
2003 dat de beslissing over de erkenning als natuurreservaat onder meer rekening
houdt met
âde
oppervlakte
van
het
betreffende
terrein
en
de
uitbreidingsmogelijkheden binnen het visiegebied zoals beschreven voor de
erkenning als natuurreservaatâ en met âhet actuele en toekomstige beheer van het
betreffende terrein en de kadering van dit beheer binnen een totale visie voor het
volledige visiegebiedâ. Overeenkomstig artikel 11, § 2, van het besluit van de
Vlaamse regering van 27 juni 2003 wordt in het kader van de beoordeling van een
aanvraag tot uitbreiding van de erkenning als natuurreservaat âde adviesprocedure
gevolgd overeenkomstig artikel 10, § 4, indien de uitbreidingsaanvraag
wijzigingen bevat in de beheervisie, in de toegankelijkheidsregeling of in het
visiegebiedâ. Als het visiegebied gelegen is binnen een agrarische bestemming
volgens de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen, voorziet het
voormelde artikel 10, § 4, in de adviesverlening door de Afdeling Duurzame
Landbouwontwikkeling over âonder meer het visiegebied en de beheersvisie in
relatie
tot de agrarische structuur en de geschiktheid voor normaal
landbouwgebruik van het betreffende terreinâ.
Naar luid van artikel 16bis, § 1, tweede lid, van het decreet van
21 oktober 1997 âbetreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieuâ (hierna:
het decreet van 21 oktober 1997) bevat een natuurbeheerplan onder meer âeen
globaal kader voor de ecologische, de sociale en de economische functieâ. Een
natuurbeheerplan type vier heeft volgens artikel 16ter, § 1, 4°, van hetzelfde
decreet betrekking op het beheer van een erkend natuurreservaat.
11.
Anders dan de verwerende partij en de tussenkomende partij het
zien, kan verzoeker een persoonlijk belang laten gelden bij de nietigverklaring van
de eerste bestreden beslissing, ook al bestaat de draagwijdte van deze beslissing er
niet
in dat de betrokken percelen worden
toegevoegd aan het erkend
natuurreservaat zelf. Op grond van de aangehaalde bepalingen van het besluit van
de Vlaamse regering van 27 juni 2003 en het decreet van 21 oktober 1997 kan
verzoeker immers terecht vrezen dat de opname van zijn percelen in het
visiegebied/globaal kader van het erkend natuurreservaat op termijn de basis kan
vormen voor een aantasting van de (normale) agrarische gebruiksmogelijkheden
van deze percelen. Bovendien kan niet volledig worden uitgesloten dat de
ecologisch samenhangende visie die in een visiegebied/globaal kader wordt
uitgedrukt omtrent de vooropgestelde doelstellingen van het natuurbeheer en de
verdere ontwikkeling van het erkend natuurreservaat, op termijn in de weg staat
van het verlenen van vergunningen die door verzoeker aangevraagd zouden
worden voor de uitbreiding of de verdere exploitatie van zijn landbouwbedrijf.
De omstandigheid dat met de eerste bestreden beslissing geen
wettelijk voorkooprecht wordt geactiveerd, doet aan voormelde vaststellingen geen
afbreuk. Hetzelfde geldt voor het
feit dat de bestemming of de
gebruiksmogelijkheden van de betrokken percelen niet onmiddellijk worden
gewijzigd of aangetast vanaf de opname ervan in het visiegebied/globaal kader,
noch voor het feit dat thans nog geen zekerheid bestaat over de realisatie van een
verdere uitbreiding van het erkend natuurreservaat â
die alleszins de
medewerking zou vereisen van de houders van zakelijke rechten op de
desbetreffende percelen.
12.
Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de tweede bestreden
beslissing waarbij het beheerplan van het erkend natuurreservaat wordt omgezet
naar een natuurbeheerplan type 4. Door deze omzetting wordt de globale visie
omtrent de ontwikkeling van het erkend natuurreservaat immers bestendigd.
13.
De excepties worden verworpen.
B. Tijdigheid van het beroep
Standpunt van de partijen
14.
Volgens de verwerende partij werd het annulatieberoep niet
tijdig ingediend. Zij merkt op dat het Agentschap voor Natuur en Bos
respectievelijk op 4 oktober 2023 en 15 september 2023 per e-mail is overgegaan
tot de kennisgeving van de bestreden beslissingen aan verzoeker, maar dat
desalniettemin moet aangenomen worden dat hij deze beslissingen voldoende
kende of moest kennen, minstens dat hij niet de nodige diligentie en waakzaamheid
aan de dag heeft gelegd om er effectief kennis van te krijgen.
De verwerende partij zet uiteen dat de totstandkoming van de
eerste bestreden beslissing gepaard
is gegaan met de nodige publieke
belangstelling. Zo blijkt uit krantenartikelen dat de naamswijziging en de
uitbreiding van het natuurreservaat op lokaal niveau een zeer actueel onderwerp
was. Het is volgens haar niet geloofwaardig dat verzoeker tijdens de vier jaar tussen
het nemen van de eerste bestreden beslissing en de persoonlijke kennisgeving ervan
niet op de hoogte zou zijn geweest van de nieuwe ontwikkelingen omtrent het
natuurreservaat. Mocht dit toch het geval zijn dan blijkt hieruit een gebrek aan
diligentie en waakzaamheid.
15.
De tussenkomende partij wijst erop dat op 19 januari 2018 een
bericht werd bekendgemaakt op de website van de Vlaamse overheid omtrent een
tweede uitbreiding van het erkend natuurreservaat
â te
. Voorts verwijst zij naar het projectvoorstel van de
provincie
een klimaatrobuust watersysteem voor de vallei van
- âNaar
â. In het
projectdocument wordt verwezen naar het visiegebied van het natuurreservaat. Dit
project werd op 18 mei 2022 voorgesteld aan
Hal, een informatiemoment waarop verzoeker hoogstwaarschijnlijk
persoonlijk aanwezig was. Op 20 mei 2022 werd het project nogmaals besproken
op een overleg met
een vertegenwoordiging van
Hal. Ten slotte verscheen op
31 oktober 2022 een bericht in het Belgisch Staatsblad dat de Vlaamse minister
van
Justitie
en Handhaving, Omgeving, Energie
en Toerisme de
toegankelijkheidsregeling heeft goedgekeurd voor onder meer het erkende
natuurreservaat
â. De
toegankelijkheidsregelingen lagen ter inzage bij het Agentschap voor Natuur en
Bos en werden op het terrein kenbaar gemaakt via infopanelen aan de voornaamste
ingangen van het natuurreservaat. Volgens de tussenkomende partij mag het dan
ook verbazen dat verzoeker nooit kennis zou hebben gekregen van de
tweede uitbreiding van het natuurreservaat. Daarnaast heeft de publieke consultatie
over een nieuwe uitbreiding van het natuurreservaat plaatsgevonden van
11 augustus 2023 tot 11 september 2023 waardoor de termijn om beroep in te
stellen in elk geval is verstreken op 10 oktober 2023.
16.
In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat de
beroepstermijn enkel is kunnen ingaan vanaf het ogenblik dat hij voldoende kennis
had van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden beslissingen en
dat het aan de verwerende partij en de tussenkomende partij toekomt om het bewijs
te leveren van het tijdstip waarop hij er kennis van had of moest hebben. Pure
vermoedens over het tijdstip van de feitelijke kennisname volstaan in dit verband
niet.
In zoverre gewag wordt gemaakt van de publieke ruchtbaarheid
over de naamswijziging en uitbreiding van het bestaande natuurreservaat
partij verwijst naar persartikelen die betrekking hebben op een gelijknamig
â, merkt verzoeker op dat de verwerende
natuurreservaat te
Uit het enkele feit dat hij eigenaar is van enkele
percelen die opgenomen werden in het visiegebied, volgt niet dat hij ook op de
hoogte behoorde te zijn van de bestreden beslissingen. Voorts wordt evenmin
aangetoond, noch aannemelijk gemaakt dat hij kennis had of moest hebben van het
bericht dat op 19 januari 2018 op de website werd bekendgemaakt over de
tweede uitbreiding van het natuurreservaat
. Daarenboven kan uit dat
bericht niet afgeleid worden dat hij feitelijke kennis kon hebben van de bestreden
beslissingen die pas dateren van 20 december 2019 en 8 december 2021. Met
betrekking tot het aanvraagformulier aangaande het projectvoorstel âNaar een
klimaatrobuust watersysteem voor de vallei van het
, ontkent verzoeker
in de eerste plaats dat hij van dit formulier kennis had en, mocht dit toch zo zijn,
dat uit de inhoud van dit formulier het bestaan, de aard en de draagwijdte van de
bestreden beslissingen kan worden afgeleid. Verzoeker stelt voorts dat hij niet
aanwezig was bij de voorstelling van het project â
â,
nog daargelaten de bedenking dat deze voorstelling klaarblijkelijk niet handelde
over de opname van zijn percelen in het visiegebied van het erkend natuurreservaat.
In de beslissing tot goedkeuring van de toegankelijkheidsregeling van het erkend
natuurreservaat, zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 oktober
2022, wordt nergens melding gemaakt van de bestreden beslissingen. Tot slot
benadrukt verzoeker dat hij bij de aanvang van de publieke consultatie vanaf
11 augustus 2023 over een nieuwe uitbreiding van het natuurreservaat geen kennis
had van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden beslissingen, te
meer omdat hij in het kader van die consultatie een bezwaarschrift heeft ingediend
waarin onder meer uitdrukkelijk wordt opgeworpen dat op basis van de ter inzage
gelegde documenten niet kan worden opgemaakt welke wijzigingen aan het
visiegebied zullen worden doorgevoerd.
Beoordeling
17.
Volgens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus
1948 âtot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van Stateâ (hierna: algemeen procedurereglement), moeten de
vernietigingsberoepen worden ingediend binnen zestig dagen nadat de bestreden
beslissing of verordening werd bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch
bekendgemaakt, noch betekend dient te worden, gaat de termijn in met de dag
waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad.
Een voldoende feitelijke kennisname vereist niet dat de
betrokkene een afschrift heeft verkregen van de genomen beslissing. Opdat de
beroepstermijn zou beginnen lopen, is vereist dat hij een voldoende kennis heeft
van het bestaan, de aard en de draagwijdte van die beslissing, niet dat hij op dat
ogenblik kennis heeft van de precieze inhoud ervan, noch van het griefhoudend
karakter ervan, noch van alle mogelijke onwettigheden die er zouden aan kleven.
De bewijslast omtrent het werkelijk kennis hebben van een
bestuursbeslissing rust op degene die aanvoert dat de verzoekende partij méér dan
zestig dagen voor het indienen van het annulatieberoep van die beslissing kennis
had.
18.
De partijen voeren in casu geen betwisting over het feit dat de
toepasselijke wettelijke bepalingen niet voorschrijven dat de bestreden
beslissingen moesten worden bekendgemaakt of aan bepaalde derden-
belanghebbenden persoonlijk ter kennis moesten worden gebracht.
19.
De enkele omstandigheid dat verzoeker in zijn hoedanigheid van
exploitant van een vergunningsplichtig landbouwbedrijf, wist of alleszins moest
weten dat in de ruimere omgeving van zijn inrichting natuurgebieden gelegen zijn,
brengt niet mee dat hem per se een gebrek aan waakzaamheid moet worden
verweten wanneer hij beweert niet op de hoogte te zijn van wijzigingen aan die
natuurgebieden door administratieve rechtshandelingen die niet aan het publiek
bekendgemaakt moeten worden.
Met het feit dat verzoeker op 9 september 2023 een
bezwaarschrift heeft ingediend tegen het nieuwe ontwerp natuurbeheerplan
âMarkvalleiâ, wordt niet bewezen dat hij vanaf die datum, of zelfs vroeger,
voldoende kennis had of moest hebben van de draagwijdte van de bestreden
beslissingen, inzonderheid wat betreft de opname van zijn percelen in het
visiegebied/globaal kader van het natuurbeheerplan.
Voor het overige steunen de excepties van de verwerende partij
en de tussenkomende partij op feitelijke gegevens die elke relevantie missen, dan
wel op loutere vermoedens omtrent het tijdstip waarop verzoeker voldoende kennis
zou hebben gehad van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden
beslissingen. Dergelijk bewijs kan alleszins niet worden afgeleid uit
internetberichten waarvan wegens hun algemene aard niet vaststaat dat ze
betrekking hebben op het natuurreservaat en het visiegebied waarop de bestreden
beslissingen betrekking hebben. De beweerde aanwezigheid van verzoeker op de
voorstelling van een project waarbij gestreefd wordt naar een klimaatrobuust
watersysteem voor de vallei van het
is puur speculatief. Tot slot wordt
niet aangetoond dat uit de toegankelijkheidsregelingen die ter inzage hebben
gelegen in de betrokken gemeenten, verzoeker kon afleiden dat het aangepaste
visiegebied/globaal kader ook betrekking had op zijn percelen.
20.
De excepties worden verworpen.
VI. Heropening van het debat
21.
Aangezien het verslag van de auditeur beperkt is tot het
onderzoek van de voormelde excepties, is er aanleiding tot een aanvullend
onderzoek.
1. Het verzoek van
BESLISSING
, tot tussenkomst wordt ingewilligd.
2. De Raad van State heropent het debat.
3. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aan te stellen lid
van het auditoraat met een aanvullend onderzoek van de zaak.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien december tweeduizend
vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
,
,
staatsraad, waarnemend voorzitter,
staatsraad,
staatsraad,
bijgestaan door
,
griffier.
De griffier
De voorzitter