Naar hoofdinhoud

ADB:raad-van-state-brussel-18-12-2025-0

Beslissingsdetails

đŸ›ïž Raad van State Brussel 📅 2025-12-18 🌐 NL Arrest

Rechtsgebied

Natuur en Bos Ruimtelijke Ordening

Geciteerde wetgeving

decreet van 21 oktober 1997; decreet van 21 oktober 1997

Samenvatting

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK In zake : VIIe KAMER A R R E S T nr. in de zaak van 18 december 2025 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houden...

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK In zake : VIIe KAMER A R R E S T nr. in de zaak van 18 december 2025 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : , bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 november 2023, strekt tot de nietigverklaring van: “het ministerieel besluit d.d. 20 december 2019 houdende de naamswijziging van natuurreservaat erkend het en houdende de uitbreiding van het met een oppervlakte van 45ha 60a erkend natuurreservaat nr. 88ca (totale erkende oppervlakte wordt 66ha 38a 10ca) en houdende de vaststelling van het aangepast visiegebied [en van het] besluit van het hoofd van de entiteit AVES van 8 december 2021 tot goedkeuring van de omzetting van het beheerplan van een erkend natuurreservaat naar een natuurbeheerplan type vier voor II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Met een verzoekschrift van 23 januari 2024 heeft de gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Eerste auditeur heeft op 30 september 2024 een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei 2025. Staatsraad heeft verslag uitgebracht. Advocaat , die loco advocaat verschijnt voor verzoeker, advocaat , die loco advocaat , verschijnt voor de verwerende partij en advocaat , die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Tussenkomst 3. Bijgevolg moet het verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. , heeft belang bij de uitkomst van het beroep. IV. Feiten 4.1. Bij ministerieel besluit van 12 september 2005 werd het natuurreservaat grondgebied van de gemeenten natuurreservaat werd in 2014 uitgebreid. 4.2. Op 14 juni 2016 dient ’, gelegen op het , erkend. Het naamswijziging en uitbreiding van het erkend natuurreservaat. , een aanvraag in tot 4.3. Met een besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 20 december 2019 wordt de naam van het erkend natuurreservaat ’ gewijzigd in Tegelijk wordt het erkend natuurreservaat uitgebreid met een oppervlakte van ongeveer 45 ha en wordt een aangepast visiegebied vastgesteld. Dit is de eerste bestreden beslissing. 4.4. Op 8 december 2021 keurt het hoofd van de afdeling Adviezen, Vergunningen, Erkenningen en Subsidies (AVES) van het Agentschap voor Natuur en Bos de omzetting goed van het beheerplan van het erkend natuurreservaat naar een natuurbeheerplan type 4. Dit is de tweede bestreden beslissing. V. Ontvankelijkheid van het beroep A. Belang van verzoeker Standpunt van de partijen 5. De verwerende partij werpt op dat verzoeker niet beschikt over het rechtens vereiste belang bij het annulatieberoep. Met betrekking tot de rechtsgevolgen van de eerste bestreden beslissing wijst de verwerende partij erop dat de door verzoeker vermelde percelen niet gelegen zijn in de uitbreidingszone van het natuurreservaat maar enkel mee opgenomen werden in het visiegebied. Daaruit volgt dat deze percelen onder geen enkel beding zonder een vrijwillige verkoop, beheeroverdracht of toetreding tot het beheerplan gerealiseerd kunnen worden. Ook uit de rechtspraak blijkt dat er geen rechtsgevolgen verbonden zijn aan de opname van percelen in een gebied, zoals een visiegebied, dat geen onderdeel is van het natuurreservaat of de uitbreidingszone. Zelfs indien aangenomen zou worden dat uit de opname van de percelen in het visiegebied de intentie moet worden afgeleid om op termijn het erkende natuurreservaat met deze percelen uit te breiden, dan nog is er volgens de verwerende partij geen sprake van een beslissing die voor verzoeker onmiddellijke rechtsgevolgen teweegbrengt. Met het argument dat door de opname van de percelen in het visiegebied de aanvrager in aanmerking komt voor aankoopsubsidies, toont verzoeker niet aan dat de eerste bestreden beslissing voor hem rechtsgevolgen teweegbrengt. In de mate verzoeker vreest op termijn niet langer omringd te zijn door andere landbouwgebieden, met alle gevolgen van dien voor de beoordeling van toekomstige vergunningsaanvragen, is er volgens de verwerende partij sprake van een hypothetische benadeling. Immers wordt niet aannemelijk gemaakt dat de beheerder van het natuurreservaat in de toekomst effectief zal overgaan tot een massale aankoop van de landbouwpercelen die gelegen zijn in de omgeving van verzoekers percelen. Zelfs indien dergelijke percelen zouden worden aangekocht, maakt verzoeker niet aannemelijk dat hij hierdoor schade zal ondervinden, laat staan dat er een causaal verband zou bestaan tussen enerzijds de aankoop van de in het visiegebied aanwezige percelen en anderzijds de vermeende economische schade van verzoeker. Een louter onrechtstreeks en hypothetisch belang is niet voldoende om het rechtens vereiste belang bij een annulatieberoep aan te tonen. Met betrekking tot de tweede bestreden beslissing wijst de verwerende partij erop dat er enkel sprake is van een loutere wijziging van de terminologie, en dat de bestreden omvorming waarbij het visiegebied voortaan het ruimer gebied van het globaal kader wordt, evenmin rechtsgevolgen teweegbrengt. 6. De tussenkomende partij sluit zich in essentie aan bij de exceptie die door de verwerende partij wordt ontwikkeld. Van haar kant benadrukt zij dat de goedkeuring van een natuurbeheerplan geen gevolgen heeft voor de mogelijkheden tot vergunningverlening. Die rechtsgevolgen situeren zich enkel op het vlak van (i) de wederkerigheid van de verplichting van de beheerder van het natuurreservaat om de beheermaatregelen uit te voeren indien de financieringsverbintenis in hoofde van de overheid wordt nageleefd, (ii) het bindend karakter van het goedgekeurd natuurbeheerplan voor alle opeenvolgende beheerders van het gebied, (iii) de sancties die door het Agentschap voor Natuur en Bos kunnen worden genomen indien de beheermaatregelen niet of niet correct worden uitgevoerd waardoor de realisatie van de beheerdoelstellingen in het gedrang zou komen en (iv) de toepassing van het standstill-beginsel om verdere achteruitgang van het milieu tegen te gaan ook na het verstrijken van de termijn van elk beheerplan. Bovendien benadrukt zij dat de eerste bestreden beslissing geen toetsingsgrond voor vergunningsaanvragen in het leven roept. Voorts wijst de tussenkomende partij erop dat het visiegebied te onderscheiden is van het natuurbeheerplan type 4 en van de uitbreidingszone waar een recht van voorkoop geldt; percelen gelegen in het visiegebied of globaal kader ondervinden door deze aanwijzing geen rechtstreekse rechtsgevolgen en deze opname heeft enkel een indicatieve waarde die later een rol kan spelen bij het verlenen van subsidies. In zoverre verzoeker in zijn uiteenzetting doelt op artikel 12, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2017 ‘betreffende de natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2017) voorziet deze bepaling erin dat de beperkte procedure kan worden gevolgd wanneer een aantal onderdelen van het natuurbeheerplan niet wijzigen. Deze bepaling zegt dus niet dat elke uitbreiding van het natuurreservaat naar percelen die reeds binnen het visiegebied/globaal kader zijn gelegen per definitie via de beperkte procedure kan gebeuren. Bovendien kan een perceel enkel binnen een natuurbeheerplan worden opgenomen met het akkoord van de eigenaar, de mede-eigenaars of de houders van andere zakelijke rechten op het perceel in kwestie. Er moet dan ook worden besloten dat de aanduiding binnen de situering ‘visiegebied’ of ‘globaal kader’ op zich genomen geen rechtsgevolgen met zich meebrengt voor de betrokken percelen. De tussenkomende partij benadrukt eveneens dat het natuurbeheerplan louter een visie van de aanvrager van het plan uitdrukt voor de betrokken gebieden en een grondslag verschaft voor het verkrijgen van aankoopsubsidies. Dergelijke visies doen geen rechtsgevolgen ontstaan. Hetzelfde geldt voor de natuurbeheerplannen zelf: ze vormen immers geen bindende toetsingsgrond in het kader van de vergunningverlening of de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen. Tot slot is het niet uitgesloten dat ook zonder een natuurbeheerplan er op termijn sprake zal zijn van natuurontwikkeling in de nabijheid van de percelen van verzoeker. 7. In zijn memorie van wederantwoord spreekt verzoeker tegen dat hij in het verzoekschrift tot nietigverklaring de grenzen van het debat heeft getrokken en dat hem de mogelijkheid moet worden ontzegd om in een later procedurestuk zijn belang verder toe te lichten. Voorts herhaalt hij dat met de opname van percelen in een visiegebied de bedoeling wordt uitgedrukt om op termijn het erkend natuurreservaat met die percelen uit te breiden. Bovendien zou voor deze percelen op termijn een nulbemesting gelden. Volgens verzoeker betekent de opname in het visiegebied niet meer of minder dan de voorafname van een toekomstige bestemmingswijziging. Ook stelt hij dat “onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten” een reden kunnen zijn tot afwijking van het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan en dat de opname van percelen in een visiegebied als een dergelijke onvoorziene ontwikkeling zou kunnen worden aanzien. Daarenboven sluit de regelgeving niet uit dat bij de toetsing van een vergunningsaanvraag rekening wordt gehouden met de ligging van percelen in een visiegebied/globaal kader. Naar luid van artikel 4.3.1, § 2, 2°, a), van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening houdt het vergunningverlenende bestuursorgaan bij haar beoordeling rekening met de in de omgeving bestaande toestand, maar mag zij ook de beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten vermeld in punt 1° bij haar beoordeling betrekken. Volgens verzoeker spreekt het vanzelf dat een toekomstige ontwikkeling naar natuurgebied/natuurreservaat met een maximale biodiversiteit, goedgekeurd middels een ministerieel besluit, als een beleidsmatig gewenste ontwikkeling kan worden beschouwd. Bovendien kan een vergunning ook op grond van artikel 4.3.4 VCRO geweigerd worden indien blijkt dat het aangevraagde onwenselijk is in het licht van doelstellingen of zorgplichten die gehanteerd worden binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening. Aldus kan bij de vergunningverlening rekening gehouden worden met de doelstellingen die middels de bestreden besluiten op de percelen opgenomen in het visiegebied worden opgelegd. Voorts brengt de opname in het visiegebied mee dat de beheerder van het natuurreservaat in aanmerking komt om aankoopsubsidies te verkrijgen voor de percelen die gelegen zijn binnen de contouren van het goedgekeurde visiegebied. Ook al wordt wettelijk niet voorzien in een voorkooprecht, toch kan het verlenen van deze subsidies ertoe leiden dat de beheerder overgaat tot de aankoop van de percelen die gelegen zijn in het visiegebied waarvoor een toekomstperspectief voor natuurgebied/natuurreservaat geldt. Ten gevolge daarvan zijn dergelijke percelen minder aantrekkelijk voor een landbouwgebruik. De toekomstige natuurontwikkeling op deze percelen impliceert ook dat bij elke aanvraag tot het uitoefenen van een vergunningsplichtige activiteit de bevoegde overheid er zorg voor zal moeten dragen dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen. Dit alles heeft een ernstige negatieve impact op de waarde van de landbouwpercelen. Specifiek met betrekking tot de tweede bestreden beslissing wijst verzoeker erop dat door de omzetting naar een natuurbeheerplan type vier, zijn percelen komen te liggen in het globaal kader, waardoor de beperkte procedure van artikel 12, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2017 van toepassing wordt. Dit betekent dat er voortaan geen inspraakmogelijkheid meer bestaat voor de eigenaars van de naburige percelen. Beoordeling 8. Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. Een verzoekende partij beschikt over het rechtens vereiste belang indien zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijdt en tegelijk dat de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaft, hoe miniem ook. Het belang als ontvankelijkheidsvoorwaarde verbiedt beroepen die een zuiver symbolische vernietiging beogen of die enkel strekken tot het vernietigen in het belang van de wet, zonder dat de verzoekende partij enig voordeel, hoe miniem ook, kan halen uit die nietigverklaring. 9. Er wordt niet betwist dat een aantal percelen van verzoeker door de eerste bestreden beslissing opgenomen worden in het aangepaste visiegebied in zake het beheer van het erkend natuurreservaat ‘ ’ dat wordt uitgebreid met een oppervlakte van circa 45 ha. 10. In artikel 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003 ‘tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidies’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003), zoals van toepassing op het ogenblik dat de eerste bestreden beslissing genomen werd, wordt het begrip ‘visiegebied’ omschreven als “een logisch en samenhangend geheel waarvoor een globaal streefbeeld wordt uitgewerkt waarbinnen het beheer van ter erkenning voorgedragen percelen wordt gekaderd”. Voorts bepaalt artikel 10, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003 dat de beslissing over de erkenning als natuurreservaat onder meer rekening houdt met “de oppervlakte van het betreffende terrein en de uitbreidingsmogelijkheden binnen het visiegebied zoals beschreven voor de erkenning als natuurreservaat” en met “het actuele en toekomstige beheer van het betreffende terrein en de kadering van dit beheer binnen een totale visie voor het volledige visiegebied”. Overeenkomstig artikel 11, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003 wordt in het kader van de beoordeling van een aanvraag tot uitbreiding van de erkenning als natuurreservaat “de adviesprocedure gevolgd overeenkomstig artikel 10, § 4, indien de uitbreidingsaanvraag wijzigingen bevat in de beheervisie, in de toegankelijkheidsregeling of in het visiegebied”. Als het visiegebied gelegen is binnen een agrarische bestemming volgens de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen, voorziet het voormelde artikel 10, § 4, in de adviesverlening door de Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling over “onder meer het visiegebied en de beheersvisie in relatie tot de agrarische structuur en de geschiktheid voor normaal landbouwgebruik van het betreffende terrein”. Naar luid van artikel 16bis, § 1, tweede lid, van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: het decreet van 21 oktober 1997) bevat een natuurbeheerplan onder meer “een globaal kader voor de ecologische, de sociale en de economische functie”. Een natuurbeheerplan type vier heeft volgens artikel 16ter, § 1, 4°, van hetzelfde decreet betrekking op het beheer van een erkend natuurreservaat. 11. Anders dan de verwerende partij en de tussenkomende partij het zien, kan verzoeker een persoonlijk belang laten gelden bij de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing, ook al bestaat de draagwijdte van deze beslissing er niet in dat de betrokken percelen worden toegevoegd aan het erkend natuurreservaat zelf. Op grond van de aangehaalde bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003 en het decreet van 21 oktober 1997 kan verzoeker immers terecht vrezen dat de opname van zijn percelen in het visiegebied/globaal kader van het erkend natuurreservaat op termijn de basis kan vormen voor een aantasting van de (normale) agrarische gebruiksmogelijkheden van deze percelen. Bovendien kan niet volledig worden uitgesloten dat de ecologisch samenhangende visie die in een visiegebied/globaal kader wordt uitgedrukt omtrent de vooropgestelde doelstellingen van het natuurbeheer en de verdere ontwikkeling van het erkend natuurreservaat, op termijn in de weg staat van het verlenen van vergunningen die door verzoeker aangevraagd zouden worden voor de uitbreiding of de verdere exploitatie van zijn landbouwbedrijf. De omstandigheid dat met de eerste bestreden beslissing geen wettelijk voorkooprecht wordt geactiveerd, doet aan voormelde vaststellingen geen afbreuk. Hetzelfde geldt voor het feit dat de bestemming of de gebruiksmogelijkheden van de betrokken percelen niet onmiddellijk worden gewijzigd of aangetast vanaf de opname ervan in het visiegebied/globaal kader, noch voor het feit dat thans nog geen zekerheid bestaat over de realisatie van een verdere uitbreiding van het erkend natuurreservaat ‘ die alleszins de medewerking zou vereisen van de houders van zakelijke rechten op de desbetreffende percelen. 12. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de tweede bestreden beslissing waarbij het beheerplan van het erkend natuurreservaat wordt omgezet naar een natuurbeheerplan type 4. Door deze omzetting wordt de globale visie omtrent de ontwikkeling van het erkend natuurreservaat immers bestendigd. 13. De excepties worden verworpen. B. Tijdigheid van het beroep Standpunt van de partijen 14. Volgens de verwerende partij werd het annulatieberoep niet tijdig ingediend. Zij merkt op dat het Agentschap voor Natuur en Bos respectievelijk op 4 oktober 2023 en 15 september 2023 per e-mail is overgegaan tot de kennisgeving van de bestreden beslissingen aan verzoeker, maar dat desalniettemin moet aangenomen worden dat hij deze beslissingen voldoende kende of moest kennen, minstens dat hij niet de nodige diligentie en waakzaamheid aan de dag heeft gelegd om er effectief kennis van te krijgen. De verwerende partij zet uiteen dat de totstandkoming van de eerste bestreden beslissing gepaard is gegaan met de nodige publieke belangstelling. Zo blijkt uit krantenartikelen dat de naamswijziging en de uitbreiding van het natuurreservaat op lokaal niveau een zeer actueel onderwerp was. Het is volgens haar niet geloofwaardig dat verzoeker tijdens de vier jaar tussen het nemen van de eerste bestreden beslissing en de persoonlijke kennisgeving ervan niet op de hoogte zou zijn geweest van de nieuwe ontwikkelingen omtrent het natuurreservaat. Mocht dit toch het geval zijn dan blijkt hieruit een gebrek aan diligentie en waakzaamheid. 15. De tussenkomende partij wijst erop dat op 19 januari 2018 een bericht werd bekendgemaakt op de website van de Vlaamse overheid omtrent een tweede uitbreiding van het erkend natuurreservaat ” te . Voorts verwijst zij naar het projectvoorstel van de provincie een klimaatrobuust watersysteem voor de vallei van - ‘Naar ’. In het projectdocument wordt verwezen naar het visiegebied van het natuurreservaat. Dit project werd op 18 mei 2022 voorgesteld aan Hal, een informatiemoment waarop verzoeker hoogstwaarschijnlijk persoonlijk aanwezig was. Op 20 mei 2022 werd het project nogmaals besproken op een overleg met een vertegenwoordiging van Hal. Ten slotte verscheen op 31 oktober 2022 een bericht in het Belgisch Staatsblad dat de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme de toegankelijkheidsregeling heeft goedgekeurd voor onder meer het erkende natuurreservaat ’. De toegankelijkheidsregelingen lagen ter inzage bij het Agentschap voor Natuur en Bos en werden op het terrein kenbaar gemaakt via infopanelen aan de voornaamste ingangen van het natuurreservaat. Volgens de tussenkomende partij mag het dan ook verbazen dat verzoeker nooit kennis zou hebben gekregen van de tweede uitbreiding van het natuurreservaat. Daarnaast heeft de publieke consultatie over een nieuwe uitbreiding van het natuurreservaat plaatsgevonden van 11 augustus 2023 tot 11 september 2023 waardoor de termijn om beroep in te stellen in elk geval is verstreken op 10 oktober 2023. 16. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat de beroepstermijn enkel is kunnen ingaan vanaf het ogenblik dat hij voldoende kennis had van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden beslissingen en dat het aan de verwerende partij en de tussenkomende partij toekomt om het bewijs te leveren van het tijdstip waarop hij er kennis van had of moest hebben. Pure vermoedens over het tijdstip van de feitelijke kennisname volstaan in dit verband niet. In zoverre gewag wordt gemaakt van de publieke ruchtbaarheid over de naamswijziging en uitbreiding van het bestaande natuurreservaat partij verwijst naar persartikelen die betrekking hebben op een gelijknamig ’, merkt verzoeker op dat de verwerende natuurreservaat te Uit het enkele feit dat hij eigenaar is van enkele percelen die opgenomen werden in het visiegebied, volgt niet dat hij ook op de hoogte behoorde te zijn van de bestreden beslissingen. Voorts wordt evenmin aangetoond, noch aannemelijk gemaakt dat hij kennis had of moest hebben van het bericht dat op 19 januari 2018 op de website werd bekendgemaakt over de tweede uitbreiding van het natuurreservaat . Daarenboven kan uit dat bericht niet afgeleid worden dat hij feitelijke kennis kon hebben van de bestreden beslissingen die pas dateren van 20 december 2019 en 8 december 2021. Met betrekking tot het aanvraagformulier aangaande het projectvoorstel ‘Naar een klimaatrobuust watersysteem voor de vallei van het , ontkent verzoeker in de eerste plaats dat hij van dit formulier kennis had en, mocht dit toch zo zijn, dat uit de inhoud van dit formulier het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden beslissingen kan worden afgeleid. Verzoeker stelt voorts dat hij niet aanwezig was bij de voorstelling van het project ‘ ’, nog daargelaten de bedenking dat deze voorstelling klaarblijkelijk niet handelde over de opname van zijn percelen in het visiegebied van het erkend natuurreservaat. In de beslissing tot goedkeuring van de toegankelijkheidsregeling van het erkend natuurreservaat, zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 oktober 2022, wordt nergens melding gemaakt van de bestreden beslissingen. Tot slot benadrukt verzoeker dat hij bij de aanvang van de publieke consultatie vanaf 11 augustus 2023 over een nieuwe uitbreiding van het natuurreservaat geen kennis had van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden beslissingen, te meer omdat hij in het kader van die consultatie een bezwaarschrift heeft ingediend waarin onder meer uitdrukkelijk wordt opgeworpen dat op basis van de ter inzage gelegde documenten niet kan worden opgemaakt welke wijzigingen aan het visiegebied zullen worden doorgevoerd. Beoordeling 17. Volgens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement), moeten de vernietigingsberoepen worden ingediend binnen zestig dagen nadat de bestreden beslissing of verordening werd bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt, noch betekend dient te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad. Een voldoende feitelijke kennisname vereist niet dat de betrokkene een afschrift heeft verkregen van de genomen beslissing. Opdat de beroepstermijn zou beginnen lopen, is vereist dat hij een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van die beslissing, niet dat hij op dat ogenblik kennis heeft van de precieze inhoud ervan, noch van het griefhoudend karakter ervan, noch van alle mogelijke onwettigheden die er zouden aan kleven. De bewijslast omtrent het werkelijk kennis hebben van een bestuursbeslissing rust op degene die aanvoert dat de verzoekende partij méér dan zestig dagen voor het indienen van het annulatieberoep van die beslissing kennis had. 18. De partijen voeren in casu geen betwisting over het feit dat de toepasselijke wettelijke bepalingen niet voorschrijven dat de bestreden beslissingen moesten worden bekendgemaakt of aan bepaalde derden- belanghebbenden persoonlijk ter kennis moesten worden gebracht. 19. De enkele omstandigheid dat verzoeker in zijn hoedanigheid van exploitant van een vergunningsplichtig landbouwbedrijf, wist of alleszins moest weten dat in de ruimere omgeving van zijn inrichting natuurgebieden gelegen zijn, brengt niet mee dat hem per se een gebrek aan waakzaamheid moet worden verweten wanneer hij beweert niet op de hoogte te zijn van wijzigingen aan die natuurgebieden door administratieve rechtshandelingen die niet aan het publiek bekendgemaakt moeten worden. Met het feit dat verzoeker op 9 september 2023 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het nieuwe ontwerp natuurbeheerplan ‘Markvallei’, wordt niet bewezen dat hij vanaf die datum, of zelfs vroeger, voldoende kennis had of moest hebben van de draagwijdte van de bestreden beslissingen, inzonderheid wat betreft de opname van zijn percelen in het visiegebied/globaal kader van het natuurbeheerplan. Voor het overige steunen de excepties van de verwerende partij en de tussenkomende partij op feitelijke gegevens die elke relevantie missen, dan wel op loutere vermoedens omtrent het tijdstip waarop verzoeker voldoende kennis zou hebben gehad van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden beslissingen. Dergelijk bewijs kan alleszins niet worden afgeleid uit internetberichten waarvan wegens hun algemene aard niet vaststaat dat ze betrekking hebben op het natuurreservaat en het visiegebied waarop de bestreden beslissingen betrekking hebben. De beweerde aanwezigheid van verzoeker op de voorstelling van een project waarbij gestreefd wordt naar een klimaatrobuust watersysteem voor de vallei van het is puur speculatief. Tot slot wordt niet aangetoond dat uit de toegankelijkheidsregelingen die ter inzage hebben gelegen in de betrokken gemeenten, verzoeker kon afleiden dat het aangepaste visiegebied/globaal kader ook betrekking had op zijn percelen. 20. De excepties worden verworpen. VI. Heropening van het debat 21. Aangezien het verslag van de auditeur beperkt is tot het onderzoek van de voormelde excepties, is er aanleiding tot een aanvullend onderzoek. 1. Het verzoek van BESLISSING , tot tussenkomst wordt ingewilligd. 2. De Raad van State heropent het debat. 3. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat met een aanvullend onderzoek van de zaak. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: , , staatsraad, waarnemend voorzitter, staatsraad, staatsraad, bijgestaan door , griffier. De griffier De voorzitter