ADB:handhavingscollege-brussel-18-12-2025-1
Beslissingsdetails
🏛️ Handhavingscollege Brussel
📅 2025-12-18
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
Milieu
Geciteerde wetgeving
decreet van 22 november 2013; decreet van 5 april 1995; decreet van 22 november 2013; decreet van 23 december 2011; decreet van 4 april 2014; decreet van 5 april 1995; wet van 16 juli 1993; wet van 29 juli 1991; wet van 8 augustus 1980
Samenvatting
HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 18 december 2025 met nummer in de zaak met rolnummer Verzoekende partij vertegenwoordigd door advocaten , met woonplaatskeuze te Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving en Land...
Volledige tekst
HANDHAVINGSCOLLEGE
ARREST
van 18 december 2025 met nummer
in de zaak met rolnummer
Verzoekende partij
vertegenwoordigd door advocaten
, met woonplaatskeuze te
Verwerende partij
het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse
regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving
en Landbouw
vertegenwoordigd door advocaten
, met woonplaatskeuze te
I.
Voorwerp van het beroep
Verzoekende partij vordert door neerlegging van een verzoekschrift in het digitaal loket op 17
januari 2025 de vernietiging van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 17 december
2024 met nummer
, waarmee haar een alternatieve bestuurlijke geldboete van 27.700
euro en een voordeelontneming van 700.000 euro wordt opgelegd wegens schending van
artikel 12, §1 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van
materiaalkringlopen en afvalstoffen (hierna: Materialendecreet) en artikel 5.3.12.1, lid 1 van
het besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams
reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (hierna:
VLAREMA). Er wordt haar met name verweten dat ze tijdens haar festivalevenement in 2024
drank heeft geserveerd in recipiënten voor eenmalig gebruik (hierna: wegwerpbekers),
ondanks het principieel verbod hierop en de vaststelling dat ze daarop geen uitzondering had
verkregen.
HHC - 1
II.
Rechtspleging
Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in.
Verzoekende partij dient een wederantwoordnota in.
De vordering tot vernietiging wordt behandeld op de openbare zitting van 13 november 2025.
Advocaat
voert het woord voor verzoekende partij. Advocaat
voert het woord voor verwerende partij.
III.
Feiten
1.
Op 20 en 26 juli 2024 stellen drie toezichthouders bij de afdeling Handhaving van het
departement Omgeving (hierna: verbalisant), op het terrein waar verzoekende partij een
meerdaags festivalevenement organiseert, lastens verzoekende partij ambtshalve het
volgende vast:
“…
Voorgeschiedenis …
De exploitant vroeg op 9 januari 2024 en verkreeg op 5 februari 2024 van de bevoegde minister
geen uitzondering voor het verplichte gebruik van herbruikbare drankrecipiënten voor de
organisatie van (het festivalevent in) 2024. De exploitant tekende op 14 februari 2024 beroep aan
bij de bevoegde minister. De minister bevestigde op 5 maart 2024 haar weigeringsbeslissing. Na
extra overleg op 22 april 2024 tussen de exploitant en het kabinet van de minister bevestigde de
minister op 30 april 2024 haar weigeringsbeslissing opnieuw (zie bijlage 2).
Op 3 juni 2024 verstuurde Omgevingsinspectie een raadgeving naar de exploitant om tijdens (het
festivalevenement in) 2024 overal gebruik te maken van herbruikbare drankrecipiënten (zie bijlage
3).
Desondanks de verschillende weigeringsbeslissingen van de minister en de raadgeving van
Omgevingsinspectie, vernemen wij via verschillende persinstanties dat de exploitant de geldende
regelgeving naast zich neer zal leggen en toch kiest om dranken te serveren in drankrecipiënten
die voorzien zijn voor eenmalig gebruik.
…
Vaststellingen
Festivalperiode 19, 20 en 21 juli 2024
Op 20 juli 2024 om 13u begeven wij ons naar het (terrein) alwaar de exploitant het festival … 2024
organiseert. Wij worden ontvangen door de heer … en mevrouw … Ze staan ons te woord en
HHC - 2
begeleiden ons tijdens onze rondgang op het terrein van het festival … Wij begeven ons … naar
één van de verschillende drankstanden in één van de drie “food-zones”. Wij stellen vast dat in de
grote tent het publiek gebruik maakt van niet herbruikbare drankrecipiënten. De food-zone is een
zone die vrij toegankelijk is voor al de bezoekers van het festival. Wij stellen vast dat de dranken
op die locatie in recipiënten voor eenmalig gebruik (zogenaamde “PET bekers”) en blik geserveerd
worden. De heer … en mevrouw … geven aan dat de exploitant in de afgebakende zones … wel
gebruik maakt van herbruikbare drankrecipiënten. Op het festivalterrein zelf maakt de exploitant
geen gebruik van herbruikbare drankrecipiënten, maar van PET-bekers. Ze ramen het aantal
benodigde PET-bekers op 2 miljoen stuks per festivalweekend.
…
Festivalperiode 26, 27 en 28 juli 2024
Op 26 juli 2024 om 18u begeven wij ons naar het (terrein) alwaar de exploitant het festival … 2024
organiseert. Wij worden opnieuw ontvangen door de heer … en mevrouw … Ze staan ons te woord
en begeleiden ons tijdens onze rondgang op het festivalterrein … Wij begeven ons naar één van
de verschillende drankstanden aan het hoofdpodium (zogenaamde general access bar). Deze
zone is vrij toegankelijk voor al de bezoekers van het festival. Wij stellen aldaar vast dat de dranken
in niet herbruikbare drankrecipiënten (zogenaamde “PET bekers”) en blik geserveerd worden.
…
Tijdens onze controle wandelen wij tussen de bezoekers op het festivalterrein. Wij stellen vast dat
de bezoekers hun dranken (o.a. bier, wijn, mixed drinks,…) drinken uit een drankrecipiënt voor
eenmalig gebruik (PET-beker) en blik. Wij stellen vast dat deze drankrecipiënten ook in de PMD-
vuilbakken, die aanwezig zijn op het festivalterrein, verzameld worden.
…
Wij stellen vast dat in een boterhammenstand, een plaats waar de medewerkers (crew) hun
boterhammen kunnen opeten, nog gebruik wordt gemaakt van drankrecipiënten voor eenmalig
gebruik.
…
Wij begeven ons naar een magazijn … buiten het (festivalterrein) alwaar de exploitant zijn voorraad
aan drank ed. opslaat. Wij stellen aldaar vast dat de exploitant ook drankrecipiënten voor eenmalig
gebruik hier opslaat om verder te kunnen verdelen over het festivalterrein.
…
Wij stellen vast dat de exploitant tijdens het festival dranken in recipiënten voor eenmalig gebruik
serveert en hierdoor bovenvermelde artikelen overtreedt.
…
Omschrijving van de genomen herstelmaatregelen
Wij manen de exploitant aan om bij de organisatie van toekomstige festivalevenementen in
Vlaanderen op alle plaatsen van het festival gebruik te maken van herbruikbare drankrecipiënten.
…
”
HHC - 3
Deze vaststellingen worden opgenomen in het aanvankelijk proces-verbaal nr.
, dat op 30 juli 2024 wordt afgesloten (hierna: PV) en wordt verstuurd aan de procureur des
Konings, die dit op 6 augustus 2024 ontvangt, en aan verzoekende partij met een beveiligde
zending.
2.
Op 24 augustus 2024 ontvangt de gewestelijke entiteit de melding van de procureur des
Konings van 19 augustus 2024 dat het in het PV vastgestelde milieumisdrijf niet strafrechtelijk
zal worden behandeld.
3.
Op 10 september 2024 brengt de gewestelijke entiteit verzoekende partij op de hoogte van
haar voornemen om op basis van het PV eventueel een alternatieve bestuurlijke geldboete en
een voordeelontneming op te leggen. Ze nodigt verzoekende partij daarbij uit om haar
schriftelijk verweer mee te delen, eventueel vergezeld van een vraag tot hoorzitting, terwijl
deze ook de mogelijkheid krijgt om inzage te vragen in het administratief dossier.
Verzoekende partij vraagt op 17 september 2024 kopie van het administratief dossier, dat haar
op dezelfde datum door de gewestelijke entiteit wordt overgemaakt. Ze maakt op 10 oktober
2024 een schriftelijk verweer over aan de gewestelijke entiteit, waarbij ze vraagt om te worden
gehoord.
4.
De gewestelijke entiteit vraagt ondertussen op 27 september 2024 bijkomende inlichtingen
aan de verbalisant over de correspondentie met verzoekende partij met betrekking tot het PV.
De verbalisant maakt deze inlichtingen over op 30 september 2024.
De gewestelijke entiteit vraagt ook op 11 oktober 2024 bijkomende inlichtingen aan de OVAM.
Ze vraagt met name het standpunt van de OVAM met betrekking tot de wettigheidskritiek in
het schriftelijk verweer van verzoekende partij op het besluit van de Vlaamse regering van 12
mei 2023 tot wijziging van het VLAREMA, waarmee onder meer artikel 5.3.12.1 VLAREMA is
gewijzigd, en op de beslissing van de bevoegde minister van 5 februari 2014 tot weigering van
de door verzoekende partij gevraagde uitzondering overeenkomstig artikel 5.3.12.3 VLAREMA
op het verbod op het serveren van drank in recipiënten voor eenmalig gebruik tijdens het
festivalevenement in 2024, zoals naderhand bevestigd. De OVAM maakt haar standpunt
hierop over op 14 oktober 2024.
HHC - 4
5.
Verzoekende partij wordt op 21 november 2024 door de gewestelijke entiteit gehoord. In
navolging hiervan maakt ze op 7 december 2024 nog een aanvullend schriftelijk verweer over
aan de gewestelijke entiteit met betrekking tot de begroting van het vermogensvoordeel.
6.
De gewestelijke entiteit legt op 17 december 2024 een bestuurlijke geldboete en een
voordeelontneming op, waarvan verzoekende partij met een beveiligde zending van 18
december 2024 in kennis wordt gesteld. Dat is de bestreden beslissing.
IV.
Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij voert de schending aan van:
- de artikelen 16.4.25 en 16.4.27 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene
bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM)
- de artikelen 5.3.12.1, lid 1 en 5.3.12.3 VLAREMA
- de artikelen 10 en 11, 39, 134 en 143, §1 van de Grondwet (hierna: GW)
- artikel 6, §1, II, lid 2, 1° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen (hierna: BWHI)
- de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van
de bestuurshandelingen (hierna: Motiveringswet)
- het motiverings-, het redelijkheids-, het evenredigheids-, het zorgvuldigheids-, het
rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk
bestuur.
Ze betwist in essentie dat er een milieumisdrijf voorligt, dat haar kan worden toegerekend en
waarvoor haar een alternatieve bestuurlijke geldboete en een voordeelontneming kan worden
opgelegd. Ze stelt met name dat de bestreden beslissing niet berust op een wettige grondslag
omdat zowel het geschonden geachte artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA (eerste onderdeel), als
de ministeriële beslissingen om geen uitzondering te verlenen op het daarin opgenomen
verbod op het gebruik van wegwerpbekers met toepassing van artikel 5.3.12.3 VLAREMA
(tweede onderdeel), onwettig zijn en buiten toepassing moeten worden gelaten.
HHC - 5
In een eerste onderdeel betwist ze de wettigheid van artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA, zodat
dit op grond van artikel 159 GW buiten toepassing moet worden gelaten, waardoor de daarop
gesteunde bestreden boetebeslissing geen rechtsgeldige grondslag heeft en er haar op basis
van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel geen milieumisdrijf ten laste kan worden gelegd.
Ze erkent dat de gewestelijke bevoegdheid voor de preventie en bestrijding van de
verschillende vormen van milieuverontreiniging en voor het voeren van een afvalstoffenbeleid
ruim moet worden geïnterpreteerd. Ze stelt dat de vaststelling van productnomen niet onder
deze bevoegdheid ressorteert en een federale aangelegenheid betreft. Ze meent dat het
verbod in artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA op het serveren bij evenementen van drank in
wegwerpbekers feitelijk neerkomt op een verkapt verbod op het op de markt brengen van
dergelijke recipiënten, die bijna uitsluitend voor evenementen worden geproduceerd. Ze stelt
dat de Vlaamse
regering hierdoor de
federaal voorbehouden bevoegdheid voor
productnormen betreedt, dan wel minstens de uitoefening van deze federale bevoegdheid
onmogelijk of overdreven moeilijk maakt, waardoor er een schending voorligt van de
beginselen van evenredigheid en van de federale loyauteit in artikel 143, §1 GW. Ze stelt dat
ze deze schending van de bevoegdheidsverdelende regels ook heeft aangevoerd tijdens de
bestuurlijke boeteprocedure en betwist de motieven van de gewestelijke entiteit in de
bestreden beslissing ter weerlegging hiervan. Ze stelt dat het gebruiksverbod in artikel
5.3.12.1, lid 1 VLAREMA zonder twijfel een marktuitsluitend effect heeft, waarbij ze wijst op de
vaststelling dat de evenementensector de betreffende markt volledig domineert en dat het
argument, dat het gebruik van wegwerpbekers voor het serveren van drank door particulieren
of ondernemingen in een andere context dan een evenement mogelijk blijft, weinig ernstig is.
Ze meent dat dit wordt bevestigd in het verslag aan de Vlaamse regering bij het ontwerp van
besluit dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse regering van 20 november 2024 tot
wijziging van artikel 5.3.12.1, lid 3 VLAREMA. Ze stelt dat de Vlaamse regering de uitzondering
op het verbod op het eenmalig gebruik bij evenementen van petflessen en blikjes tot 1 januari
2025 eerst wilde opheffen, maar de einddatum uiteindelijk, na het advies van de afdeling
Wetgeving van de Raad van State van 11 december 2024, tot 1 januari 2030 heeft verlengd
omdat de markt volledig zou worden verstoord. Gelet op de vaststelling dat de aangehaalde
onwettigheden voortvloeien uit het Materialendecreet, waarop het VLAREMA is gesteund,
vraagt verzoekende partij het College om het Grondwettelijk Hof bij wijze van prejudiciële
vraagstelling te vragen of ‘artikel 5 Materialendecreet artikel 6, §1, II, lid 2, 1° BWHI dan wel
artikel 143, §1 GW schendt, in de mate dat deze bepaling de Vlaamse regering zou toelaten
om een quasi-algemeen gebruiksverbod op recipiënten voor eenmalig gebruik uit te
vaardigen’.
HHC - 6
Ze stelt ook dat het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023 tot wijziging van het
VLAREMA, waarmee het geschonden geachte artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA is ingevoerd,
intrinsiek onwettig is wegens schending van het grondwettelijk verankerde gelijkheidsbeginsel
en
van
het motiverings-,
het
zorgvuldigheids-,
het
redelijkheids-
en
het
evenredigheidsbeginsel. Ze stelt dat ze deze kritiek ook heeft aangevoerd tijdens de
bestuurlijke boeteprocedure, maar dat deze door de gewestelijke entiteit ten onrechte ter zijde
is geschoven. Wat betreft de schending van het gelijkheidsbeginsel, stelt ze dat het verbod op
het gebruik van wegwerpbekers enkel de evenementensector viseert, waardoor er een
ongelijke behandeling ontstaat ten opzichte van vergelijkbare sectoren in het licht van de
doelstellingen van de regelgeving, die ook wegwerpbekers gebruiken, zoals de horeca, de
scholen en de overheid. Ze merkt op dat de evenementensector op vlak van afvalpreventie en
zwerfvuil in de regel beter presteert dan deze andere sectoren omdat ze zelf instaat voor de
opkuis van haar terrein en de gevolgen van haar activiteiten, en wellicht de enige sector is die
geen aanleiding geeft tot zwerfvuil. Specifiek wat betreft scholen, stelt ze dat de meer dan één
miljoen schoolgaande kinderen in Vlaanderen vijfmaal per week een veelal in plastic verpakt
tussendoortje nuttigen, inclusief het gebruik van drankverpakkingen, met veelal petflesjes of
blikjes. Ze stelt dat er geen objectieve verantwoording bestaat waarom er niet eerst aan die
scholen, eerder dan alleen aan de evenementensector, een dergelijk verbod wordt opgelegd.
Ze meent dat dit veel logischer, doeltreffender en economisch minder schadelijk zou zijn, te
meer omdat de meeste scholen worden uitgebaat of gesubsidieerd door de Vlaamse overheid.
In dezelfde zin stelt ze dat ze ook ongelijk wordt behandeld in vergelijking met de horeca, waar
er frequent gebruik wordt gemaakt van recipiënten voor eenmalig gebruik, die veel meer
afvalstoffen genereren. Wat betreft de schending van het zorgvuldigheids- en
motiveringsbeginsel, stelt ze dat de verstrengde regelgeving getuigt van een gebrek aan
kennis van de evenementensector en dat de redenering van de Vlaamse regering niet
deugdelijk is onderbouwd. Ze betwist dat deze regelgeving blijkens de nota’s en verslagen aan
de Vlaamse regering zorgvuldig is voorbereid. Ze meent dat het tegendeel blijkt uit het besluit
van de Vlaamse regering van 20 december 2024 tot wijziging van het VLAREMA. Ze stelt dat
het door de Vlaamse regering vooropgestelde gefaseerde beleid in de praktijk onhaalbaar
bleek omdat de noodzakelijke alternatieven nog onvoldoende waren ontwikkeld of nog niet
beschikbaar waren op de markt, waardoor de uitzondering voor petflessen en blikjes tot 2030
is verlengd. Ze stelt dat hieruit blijkt dat de toestand van de markt initieel niet in rekening is
gebracht en dat de achterliggende motieven van de regelgeving feitelijk onjuist bleken te zijn.
In een tweede onderdeel betwist ze de wettigheid van de ministeriële beslissingen van 5
februari 2024 en 30 april 2024, waarmee de door haar, op basis van artikel 5.3.12.3 VLAREMA
gevraagde uitzondering in 2024 op het verbod op het gebruik van wegwerpbekers in artikel
HHC - 7
5.3.12.1, lid 1 VLAREMA, is geweigerd. Ze verwijt de bevoegde minister dat deze daarbij een
voorwaarde heeft toegevoegd aan de uitzonderingsregeling, door het bewijs te eisen van
‘ernstige inspanningen’ om een retoursysteem met herbruikbare bekers te realiseren. Ze stelt
ook dat uit deze weigeringsbeslissingen niet blijkt op basis van welke criteria de in artikel
5.3.12.3 VLAREMA bedoelde ‘milieuwinst’ is beoordeeld en welk niveau aan ‘milieuwinst’ er
moet worden bereikt. Ze stelt dat ze naar aanleiding van de eerste weigeringsbeslissing van
5 februari 2024 een milieudeskundige heeft aangesteld, die concludeerde dat het gebruik van
herbruikbare bekers in het licht van de concrete omstandigheden geen milieuwinst
garandeerde, terwijl de tweede weigeringsbeslissing van 30 april 2024 hiervan ten onrechte
abstractie heeft gemaakt. Ze meent dat de motieven in de bestreden beslissing om haar
beroepsargumenten ter zake te verwerpen niet draagkrachtig zijn. Ze stelt dat de bevoegde
minister haar rechtmatige verwachtingen heeft geschonden, doordat er met de beslissing van
16 juni 2023, op basis van de algemene uitzonderingsregeling in artikel 5.3.12.3 VLAREMA,
wel een uitzondering is verleend omwille van haar grote stock aan wegwerpbekers, terwijl
dezelfde reden in 2024 niet langer een uitzondering verantwoordt. Ze meent dat iedere
redelijke verantwoording ontbreekt voor het plots gewijzigde standpunt van de bevoegde
minister.
2.
Verwerende partij betwist het middel. Ter weerlegging van het eerste onderdeel, stelt ze dat
productnormen regels zijn, die op dwingende wijze bepalen aan welke eisen een product bij
het op de markt brengen moet voldoen, onder meer ter bescherming van het milieu, en dat de
federale bevoegdheid voor productnormen niet de vaststelling omvat van regels voor het
gebruik van producten, zodra die op de markt zijn gebracht. Ze stelt dat de gewestelijke entiteit
in de bestreden beslissing diligent heeft geoordeeld dat artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA geen
productnorm omvat, maar enkel gebruiksbeperkingen oplegt voor wegwerpbekers en geen
marktuitsluitend effect heeft. Ze stelt dat de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing ook
omstandig heeft gemotiveerd dat de federale bevoegdheid voor productnormering niet
onmogelijk wordt gemaakt, of de uitoefening hiervan ernstig wordt bemoeilijkt. Ze merkt op dat
wegwerpbekers op het grondgebied van het Vlaamse Gewest nog altijd op de markt mogen
worden gebracht en dat hun gebruik voor het serveren van drank door particulieren of
ondernemingen, in een andere context dan een evenement, mogelijk blijft. Ze stelt dat
verzoekende partij haar bewering, dat de markt voor wegwerpbekers wordt gedomineerd door
de evenementensector, niet bewijst en dat deze bewering bovendien onjuist is omdat er ook
in vele andere sectoren, zoals scholen, hotels, fastfood restaurants, bedrijfskantines, etc. nog
wegwerpbekers worden gebruikt. Ze stelt dat verzoekende partij zich niet moet vergelijken met
andere sectoren, maar wel met andere organisatoren die een evenement organiseren, terwijl
HHC - 8
het verbod op het gebruik van wegwerpbekers van toepassing is op iedereen die een
evenement organiseert, ongeacht de sector waartoe de organisator behoort. Ze meent dat de
evenementensector en andere sectoren, zoals scholen en horecazaken, hoe dan ook geen
vergelijkbare gevallen zijn wat betreft het serveren van drank. Ze betwist ook de bewering van
verzoekende partij, dat er op de markt geen alternatieven voor wegwerpbekers bestaan.
Ze betwist voorts de aangevoerde onwettigheid van het besluit van de Vlaamse regering van
12 mei 2023 tot wijziging van het VLAREMA, waarmee het geschonden geachte artikel
5.3.12.1, lid 1 VLAREMA is ingevoerd. Ze wijst ter weerlegging hiervan naar de overwegingen
hierover van de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing, waarmee de gelijkaardige
argumentatie van verzoekende partij
tijdens de bestuurlijke boeteprocedure wordt
beantwoord. Ter weerlegging van de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel,
herhaalt ze dat het verbod op het gebruik van wegwerpbekers op gelijke wijze van toepassing
is op iedereen die een evenement organiseert. In de rand hiervan merkt ze nog op dat de
argumentatie van verzoekende partij intern tegenstrijdig is, in zoverre ze, weliswaar ten
onrechte, stelt dat het gebruiksverbod in VLAREMA een algemeen marktverbod omvat, maar
tegelijkertijd hekelt dat scholen en andere sectoren niet onder het gebruiksverbod ressorteren,
waarmee ze feitelijk erkent dat er geen algemeen marktverbod op wegwerpbekers bestaat. Ze
stelt dat het gebruiksverbod een legitieme doelstelling nastreeft, met name afvalpreventie en
het inzetten op maatregelen vooraan in de keten, met minder materialengebruik en -verlies,
waardoor de overgang naar een meer circulaire economie wordt gestimuleerd, zodat
verzoekende partij ten onrechte wijst op de aanpak van zwerfvuil als doelstelling. Ze betwist
dat de invoering van het verbod op het gebruik van wegwerpbekers bij evenementen niet
zorgvuldig is voorbereid en meent dat het tegendeel blijkt uit de nota’s en verslagen aan de
Vlaamse regering, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen en waaruit blijkt dat
er hiervoor deugdelijke, afdoende en draagkrachtige motieven bestaan.
Wat betreft het tweede onderdeel, betwist ze vooreerst dat verzoekende partij hierbij belang
heeft. Ze wijst op de vaststelling, dat het verlenen van een uitzondering op het verbod op het
gebruik van wegwerpbekers in artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA, op basis van artikel 5.3.12.3
VLAREMA, behoort tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de bevoegde Vlaamse
minister, die niet is verplicht om een uitzondering te verlenen. Ze stelt dat de bevoegde
minister, in de hypothese dat de vraag van verzoekende partij tot uitzondering van het verbod
op het gebruik van wegwerpbekers ten onrechte is geweigerd, hierdoor kan beslissen om een
volgende aanvraag opnieuw te weigeren, te meer omdat de bevoegde minister meermaals en
uitdrukkelijk aangaf dat 2023 een overgangsjaar was en er vanaf 2024 in beginsel geen
uitzonderingen meer zouden worden toegestaan op het verbod op het gebruik van
HHC - 9
wegwerpbekers, omwille van een bestaande stock. Verwerende partij benadrukt daarbij dat
verzoekende partij tegen de betwiste ministeriële weigeringsbeslissingen geen beroep tot
vernietiging bij de Raad van State heeft ingesteld, waardoor deze definitief zijn geworden. Ten
gronde betwist ze dat de bevoegde minister een bijkomende voorwaarde heeft toegevoegd
aan artikel 5.3.12.3 VLAREMA, door het bewijs van ernstige inspanningen te vereisen. Ze
meent dat de weigeringsbeslissingen behoorlijk zijn gemotiveerd, terwijl verzoekende partij ten
onrechte aanvoert dat ze er rechtmatig mocht op vertrouwen dat ze ook in 2024 nog een
uitzondering zou krijgen op het verbod op het gebruik van wegwerpbekers.
3.
Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoordnota in hoofdorde in de argumentatie in
haar verzoekschrift. Wat betreft het eerste onderdeel, herhaalt ze dat de Vlaamse regering
haar bevoegdheid in verhouding met deze van de federale overheid wel degelijk heeft
overschreden. Ze verwijst ter ondersteuning hiervan nog naar de parallel met een onwettig
bevonden quasi algemeen verbod op het gebruik van neonicotinoïden, dat volgens de Raad
van State neerkwam op een verbod op het op de markt brengen van dit product, met schending
van het beginsel van de federale loyauteit. Ze herhaalt in dit kader dat wegwerpbekers quasi
uitsluitend worden gebruikt voor evenementen. Wat betreft de schending van het
gelijkheidsbeginsel, meent ze dat scholen, horecazaken en evenementenorganisatoren, op
basis van hun doelstelling en werking, ten onrechte worden bestempeld als onvergelijkbare
categorieën. Ze stelt dat er in het licht van de beleidsfinaliteit van afvalpreventie geen
onderscheidend criterium bestaat tussen de evenementensector en andere sectoren die
evenementen organiseren en er wel degelijk sprake is van vergelijkbare categorieën, die
ongelijk worden behandeld, waarbij de ongelijke behandeling niet pertinent is om het
nagestreefde doel te bereiken, en niet in redelijk verband staat tot dat doel. Ze volhardt daarbij
in de voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof.
Wat betreft het tweede onderdeel, betwist ze de exceptie van belang omdat ze bij de
gebeurlijke onwettigheid van de ministeriële weigeringsbeslissingen in aanmerking komt voor
een nieuwe beoordeling van haar aanvraag tot uitzondering van het verbod op het gebruik van
wegwerpbekers, waarbij er bovendien een reële kans op een gunstigere uitkomst bestaat. Ze
meent dat de vaststelling, dat ze indertijd geen beroep bij de Raad van State tot vernietiging
van deze ministeriële weigeringsbeslissingen heeft ingesteld, daaraan geen afbreuk doet. Ze
herhaalt dat de gegrondheid van de exceptie van onwettigheid van deze ministeriële
weigeringsbeslissingen tot gevolg heeft dat de wettelijke grondslag voor de vaststelling van
het betwiste milieumisdrijf ontbreekt, en er haar hiervoor geen boete en voordeelontneming
kan worden opgelegd.
HHC - 10
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit kan een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor
gedragingen die strijdig zijn met de milieuvoorschriften in artikel 16.1.1, lid 1 DABM en die
naargelang de keuze van de procureur des Konings ook strafrechtelijk kunnen worden bestraft
overeenkomstig de artikelen 16.6.1, 16.6.2, 16.6.3, 16.6.3ter, 16.6.3quater en 16.6.3quinquies
DABM (artikel 16.4.27, lid 2 DABM en 16.1.2, 2° DABM). De geschonden artikelen zijn
dergelijke milieuvoorschriften (artikel 16.1.1, lid 1, 1° en 10° DABM). Elke opzettelijke of door
gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending van de gehandhaafde
regelgeving is in beginsel strafbaar (de artikelen 16.6.1, §1 en 16.6.3, §1 DABM). De geldboete
kan enkel worden opgelegd aan de ‘overtreder’, hetzij degene die een milieumisdrijf pleegt of
die opdracht geeft om handelingen te stellen die een milieumisdrijf uitmaken (artikel 16.4.25,
lid 1 DABM). De kwalificatie van de feiten als een milieumisdrijf en de toerekenbaarheid
hiervan aan verzoekende partij als overtreder vormt dus de grondslag voor de bevoegdheid
van de gewestelijke entiteit om haar een geldboete op te leggen.
Een bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het milieumisdrijf
en de overtreder berust bij de gewestelijke entiteit. Het bewijs van de feiten en het daderschap
kan met het oog op bestuurlijke beboeting, naar analogie met de bewijsvoering in strafzaken,
in beginsel met alle middelen van recht worden geleverd. De principieel vrije bewijsvoering
betekent dat dit bewijs onder meer kan worden geleverd door een geheel van samenhangende
feitelijke vaststellingen, die éénsluidend eenzelfde persoon als pleger van een milieumisdrijf
aanduiden. De beginselen van behoorlijk bestuur en
in het bijzonder het
zorgvuldigheidsbeginsel, en het vermoeden van onschuld zoals onder meer bepaald in artikel
6, lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, omringen de bewijslevering met waarborgen op procedureel en
inhoudelijk vlak.
2.
De gewestelijke entiteit overweegt
in de bestreden beslissing, onder de
titel
‘de
toerekenbaarheid aan de overtreder’, met betrekking
tot het milieumisdrijf en de
toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij als overtreder, onder meer het volgende:
“4.1.4 Inzake het bestaan van een milieumisdrijf
Artikel 12, §2 van het Materialendecreet verbiedt om materialen te gebruiken of te verbruiken
in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan.
HHC - 11
Artikel 5.3.12.1, eerste lid van het VLAREMA bepaalt dat het serveren van drank in recipiënten voor
eenmalig gebruik bij evenementen verboden is, met uitzondering van petflessen en blikjes als de
eventorganisator daarvoor in een systeem voorziet dat garandeert dat minstens 95% van die
eenmalige recipiënten gescheiden wordt ingezameld voor recyclage.
Uit de vaststellingen en het fotodossier van de verbalisant blijkt dat zowel tijdens het eerste
festivalweekend (19 tot 21 juli 2024) als tijdens het tweede festivalweekend (26 tot 28 juli 2024)
van het evenement … 2024 op de voor het publiek toegankelijke gedeeltes van het festivalterrein
(m.u.v. de afgebakende zones … ) drank werd geserveerd in recipiënten voor eenmalig gebruik.
Uit de vaststellingen en het fotodossier blijkt verder dat tijdens het tweede festivalweekend ook in
een niet-publiek
toegankelijke zone (boterhammenstand waar medewerkers
(crew) hun
boterhammen kunnen opeten) nog gebruik werd gemaakt van drankrecipiënten voor eenmalig
gebruik.
Bovenstaande feiten houden een schending in van artikel 12, §2 van het Materialendecreet en
artikel 5.3.12.1, eerste lid van het VLAREMA. Deze milieuvoorschriften worden gehandhaafd met
toepassing van Titel XVI DABM en de schending ervan is strafbaar gesteld in hoofdstuk VI van titel
XVI van het DABM. Er is bijgevolg sprake van een milieumisdrijf in de zin van artikel 16.1.2, 2°
van het DABM, waarvoor conform artikel 16.4.27 van het DABM een alternatieve bestuurlijke
geldboete kan worden opgelegd.
Het milieumisdrijf staat vast in hoofde van de overtreder.
…”
Verzoekende partij betwist niet dat ze tijdens haar festivalevenement in 2024 nog
wegwerpbekers heeft gebruikt, ondanks het principieel verbod hierop en de vaststelling dat ze
daarop van de bevoegde minister geen uitzondering had verkregen. Ze voert op zich ook geen
ernstige betwisting over de vaststelling dat dit op basis van de geldende regelgeving een
milieumisdrijf uitmaakt, waarvoor er in beginsel een alternatieve bestuurlijke geldboete en een
voordeelontneming kan worden opgelegd. Ze betwist enkel de wettigheid van het verbod op
het gebruik van wegwerpbekers in artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA (eerste onderdeel) en van
de ministeriële beslissingen om daarop geen uitzondering te verlenen met toepassing van
artikel 5.3.12.3 VLAREMA (tweede onderdeel), waardoor de bestreden beslissing niet zou
berusten op een wettige grondslag.
3.
Verzoekende partij vraagt om artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA (eerste onderdeel), dan wel de
ministeriële beslissingen van 5 februari 2024 en 30 april 2024 tot weigering van een
uitzondering op dit artikel met toepassing van artikel 5.3.12.3 VLAREMA (tweede onderdeel),
buiten toepassing te laten op basis van artikel 159 GW wegens hun onwettigheid. Ze stelt dat
HHC - 12
het gegrond verklaren van deze excepties van onwettigheid betekent dat de bestreden
beslissing niet berust op een wettige grondslag, waardoor er haar geen milieumisdrijf kan
worden verweten en ze hiervoor niet kan worden gesanctioneerd met een boete en een
voordeelontneming.
Artikel 159 GW bepaalt dat de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke
besluiten en verordeningen alleen toepassen, in zoverre ze met de wetten overeenstemmen.
Deze bepaling geldt voor de met eigenlijke rechtspraak belaste organen, zoals het College, en
niet voor organen van actief bestuur. Het staat dan ook niet aan de gewestelijke entiteit om op
eigen gezag besluiten of verordeningen wegens onwettigheid buiten toepassing te laten. In
die optiek is de discussie of de gewestelijke entiteit de door verzoekende partij tijdens de
bestuurlijke boeteprocedure aangevoerde excepties van onwettigheid in de bestreden
beslissing met deugdelijke motieven heeft verworpen, dan wel verkeerd heeft begrepen, niet
van belang. Het staat aan verzoekende partij om het College te overtuigen van de gegrondheid
van (één van) de aangevoerde excepties van onwettigheid.
4.
De Vlaamse regering kan op grond van artikel 5, lid 1 Materialendecreet, met het oog op het
bereiken van de in artikel 4 vermelde doelstellingen, materialen aanduiden en voorwaarden
bepalen voor het gebruik of verbruik ervan. De op het geding toepasselijke versie van artikel
5.3.12.1, leden 1 en 3 VLAREMA bepaalt dat ‘het serveren van drank in recipiënten voor
eenmalig gebruik bij evenementen vanaf 15 juni 2023 is verboden, met uitzondering van
petflessen en blikjes, als de eventorganisator daarvoor in een systeem voorziet dat garandeert
dat minstens 95% van die eenmalige recipiënten gescheiden wordt ingezameld voor
recyclage’, waarbij ‘de uitzondering, vermeld in het eerste lid, vervalt vanaf 1 januari 2025’.
Artikel 12, §2 Materialendecreet bepaalt dat het is verboden om materialen te gebruiken of te
verbruiken, in strijd met de voorschriften van het decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan.
5.
Verzoekende partij steunt de in het eerste onderdeel aangevoerde on(grond)wettigheid van
artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA in eerste instantie tevergeefs op de vaststelling dat dit artikel
een productnorm bevat. Ze stelt ten onrechte dat hierdoor de gewestelijke bevoegdheid voor
de bescherming van het
leefmilieu wordt overschreden en dat minstens het
evenredigheidsbeginsel en het in artikel 143, §1 GW vervatte beginsel van de federale
loyauteit worden geschonden. De in dit kader door verzoekende partij gesuggereerde
prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof over artikel 5 Materialendecreet behoeven geen
antwoord.
HHC - 13
5.1.
Artikel 5, lid 1 Materialendecreet bevat een machtiging aan de Vlaamse regering. Dergelijke
machtiging moet grondwetsconform worden uitgelegd, zodat er niet mag worden uitgegaan
van de veronderstelling dat de decreetgever de Vlaamse regering heeft gemachtigd om regels
uit te vaardigen in aangelegenheden die zijn voorbehouden aan de federale overheid. De
grondwettigheid van de in artikel 5, lid 1 Materialendecreet vervatte machtiging moet dan ook
worden beoordeeld vanuit de hypothese dat ze door de Vlaamse regering correct wordt
uitgevoerd.
Hoewel verzoekende partij stelt dat de ‘onwettigheden schuilen in het Materialendecreet’,
viseert haar inhoudelijke kritiek uitsluitend het door de Vlaamse regering ingestelde verbod op
het gebruik van wegwerpbekers in artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA en licht ze nergens toe
waarom artikel 5, lid 1 Materialendecreet ongrondwettig is. De gesuggereerde prejudiciële
vragen vertonen geen relevantie voor de beoordeling van de exceptie van onwettigheid van
artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA.
5.2.
Artikel 6, §1, II, lid 1, 1° en 2° en lid 2, 1° BWHI voorziet als ‘de aangelegenheden bedoeld in
artikel 39 van de Grondwet’, ‘wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft’, zowel ‘de
bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en
de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder’ als ‘het
afvalstoffenbeleid’, terwijl ‘de federale overheid echter bevoegd is voor het vaststellen van de
productnormen’. Productnormen, waarvoor de federale overheid bevoegd blijft, zijn regels die
op dwingende wijze bepalen aan welke eisen, onder meer ter bescherming van het milieu, een
product moet voldoen bij het op de markt brengen hiervan. Ze bepalen met name welk niveau
van verontreiniging of hinder in de samenstelling of bij de emissies van een product niet mag
worden overschreden, en kunnen specificaties bevatten over de eigenschappen, de
beproevingsmethoden, het verpakken, het merken en het etiketteren van producten (G.H., 28
februari 2019, nr. 38/2019, overweging B.13.2). De parlementaire voorbereiding van de
bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur licht toe dat
alleen voorschriften, waaraan producten vanuit milieuoogpunt moeten beantwoorden ‘bij het
op de markt brengen’, moeten worden beschouwd als ‘productnormen’, waarvan het
vaststellen wordt voorbehouden aan de federale overheid (Parl.St. Senaat, 1992-93, nr. 558/1,
20; Parl.St. Kamer, 1992-93, nr. 1063/7, p. 37-39, p. 42-44). Een productnorm bepaalt dus
waaraan een product moet voldoen, vooraleer het op de markt mag worden gebracht, zodat
het regels betreft die ‘bij het op de markt brengen’ moeten worden nageleefd. Artikel 5.3.12.1,
lid 1 VLAREMA voorziet geen eisen waaraan wegwerpbekers moeten voldoen om op de markt
HHC - 14
te mogen worden gebracht. Het verbiedt enkel het gebruik van wegwerpbekers voor het
serveren van drank op ‘evenementen’, zodat het geen productnorm omvat.
5.3.
Artikel 143, §1 GW verplicht de federale overheid en de deelentiteiten wel om de federale
loyauteit in acht te nemen bij de uitoefening van hun bevoegdheden. Het beginsel van de
federale loyauteit, in samenhang gelezen met het evenredigheidsbeginsel, betekent dat elke
wetgever is gehouden om er in de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid over te waken, dat
de uitoefening van de bevoegdheden van de andere wetgevers door zijn optreden niet
onmogelijk of overdreven moeilijk wordt gemaakt. Het Grondwettelijk Hof verduidelijkt daarbij
dat een algemeen gebruiksverbod op het hele grondgebied van het Vlaamse gewest een
marktuitsluitend effect kan creëren, dat de uitoefening van de bevoegdheid voor
productnormen door de federale wetgever in de praktijk onmogelijk zou maken (G.H., 28
februari 2019, nr.
Artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA vestigt geen dergelijk algemeen gebruiksverbod. Het verbod
op het gebruik van wegwerpbekers is enkel van toepassing ‘bij evenementen’. Een
‘evenement’ wordt daarbij volgens artikel 1.2.1, §6, 6° VLAREMA gedefinieerd als ‘een
eenmalige of een periodieke gebeurtenis op het gebied van kunst, cultuur, sport, festiviteit of
volksvermaak’, die ‘publiek wordt aangekondigd en voor iedereen toegankelijk is, al dan niet
tegen betaling’, en die ‘doorgaat op een welbepaald tijdstip en tijdelijk is’, waarbij ‘de locatie
zich zowel op publiek als op privaat terrein kan bevinden’ en waarbij ‘het evenement zowel in
de open lucht als in een gesloten ruimte kan doorgaan’. Het verbod op het gebruik van
wegwerpbekers treft dan ook enkel eenmalige of periodieke publiek aangekondigde en
toegankelijke gebeurtenissen op het gebied van kunst, cultuur, sport, festiviteit of
volksvermaak, ongeacht wie het evenement organiseert, zodat het gebruik van
wegwerpbekers niet op het hele grondgebied en voor elke mogelijke gelegenheid wordt
verboden.
5.4.
Verzoekende partij, die de bewijslast draagt van de door haar aangevoerde onwettigheid, toont
het tegendeel niet aan. Ze laat na om haar beweringen, dat ‘de evenementensector de markt
in kwestie volledig domineert’, er geen alternatieven bestaan en de markt ‘volledig wordt
verstoord’, te onderbouwen. Ze verwijst daarbij tevergeefs naar het uitstel van de vervaldatum
in artikel 5.3.12.1, lid 3 VLAREMA van 1 januari 2025 naar 1 januari 2030 (door artikel 1 van
het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 2024 tot wijziging van het VLAREMA)
HHC - 15
omdat dit enkel betrekking heeft op de in artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA bepaalde
uitzondering voor petflessen en blikjes.
6.
Verzoekende partij steunt de aangevoerde onwettigheid van artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA
ook tevergeefs op de vaststelling dat dit artikel om meerdere redenen ‘intrinsiek onwettig’ is.
Ze stelt daarbij ten onrechte dat er zowel een schending voorligt van het gelijkheidsbeginsel
als van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
6.1.
De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie, die zijn vervat in de
artikelen 10 en 11 GW, vereisen dat iedereen die zich in eenzelfde toestand bevindt op gelijke
wijze wordt behandeld. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden als in rechte en in feite
vergelijkbare situaties zonder objectieve en redelijke verantwoording ongelijk worden
behandeld. Het staat aan verzoekende partij om de beweerde schending van het
gelijkheidsbeginsel met concrete en precieze gegevens aan te tonen, en daarbij te preciseren
welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken en in welk opzicht de
betwiste regeling een verschil in behandeling teweegbrengt, dat discriminerend is.
Het verslag aan de Vlaamse regering kadert het in artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA opgelegde
verbod op het gebruik van wegwerpbekers bij evenementen in de beleidsvisie over
‘afvalpreventie, met een versterking van maatregelen vooraan in de keten, om een daling van
het materialengebruik - en verlies en zo ook de overgang naar een meer circulaire economie
te stimuleren’. Het gebruiksverbod is luidens dit verslag een bewuste keuze ‘voor
afvalpreventie en het stimuleren van hergebruik en niet voor het stimuleren van de inzameling
van drankrecipiënten voor eenmalig gebruik’ (VR 2023 1002 DOC.0136/3BIS, p. 1 en p. 4).
Verzoekende partij voert op zich geen betwisting over de legitimiteit van deze doelstelling.
Het in artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA opgenomen verbod is enkel van toepassing bij
‘evenementen’ in de zin van artikel 1.2.1, §6, 6° VLAREMA. Het richt zich dus niet tot de
evenementensector als dusdanig of tot welke sector ook, maar enkel tot al wie een
‘evenement’ organiseert in de reglementaire betekenis van dat begrip. Het is zonder
onderscheid van toepassing op evenementen, ongeacht de sector - evenementensector of
een andere sector - waartoe de organisator of de initiatiefnemer behoort. Dit betekent dat
hieronder ook evenementen ressorteren die worden georganiseerd door scholen of door de
horeca. In antwoord op de kritiek van verzoekende partij dat er in het licht van de met de
maatregel beoogde afvalpreventie
‘geen onderscheidend criterium
is
tussen de
HHC - 16
evenementensector en andere sectoren’, moet dan ook worden opgemerkt dat de regeling
geen dergelijk criterium van onderscheid hanteert. De Vlaamse regering brengt alle
evenementen onder het verbod, zonder te voorzien in een differentiatie naargelang de sector
waartoe de organisator van het evenement behoort. Wat betreft de Vlaamse overheid en de
lokale besturen geldt het totaalverbod in artikel 5.3.12.2 VLAREMA. De kritiek van
verzoekende partij, dat de evenementensector ‘als eerste en enige’ wordt geviseerd en
discriminatoir wordt behandeld omdat ‘precies de evenementensector’ als ‘doelgroep’ wordt
uitgekozen, terwijl andere sectoren niet worden geconfronteerd met een verbod op het gebruik
wegwerpbekers, getuigt van een foutieve opvatting over artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA.
Er wordt nog opgemerkt dat het betoog van verzoekende partij blijk geeft van inconsistentie.
Terwijl ze in het kader van de aangevoerde bevoegdheidsoverschrijding door de Vlaamse
regering stelt dat het verbod op het gebruik van wegwerpbekers bij evenementen een
‘marktuitsluitend effect’ heeft, waardoor de hele markt wordt ‘verstoord’, stelt ze in het kader
van de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel dat sectoren zoals scholen, horeca
en
‘aanverwante sectoren’ worden ontzien, waarmee ze haar betoog over een
‘marktuitsluitend effect’ ondergraaft.
6.2.
Verzoekende partij stelt ook tevergeefs dat de Vlaamse regering met het verbod op het gebruik
van wegwerpbekers het zorgvuldigheidsbeginsel en de plicht tot materiële motivering schendt
omdat de ‘verstrengde regelgeving’ zou getuigen van ‘een gebrek aan kennis van de
evenementensector’ en er geen ‘deugdelijke onderbouwing van (haar) redenering’ zou zijn. Ze
doelt met de ‘verstrengde regelgeving’ op artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering
van 12 mei 2023 tot wijziging van het VLAREMA, waarmee het in voorliggende procedure
toepasselijke artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA is ingevoerd.
Er wordt herhaald dat artikel 159 GW zich richt tot de rechter en niet tot het bestuur, zodat de
gewestelijke entiteit de geldende rechtsnormen in beginsel, als orgaan van actief bestuur,
moet toepassen, zonder dat ze artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA omwille van de onwettigheid
hiervan buiten toepassing kan laten. In die optiek is de beoordeling door de gewestelijke entiteit
in de bestreden beslissing van de argumentatie hierover van verzoekende partij tijdens de
bestuurlijke boeteprocedure niet relevant en kan dit niet leiden tot de onwettigheid van de
bestreden beslissing. Het staat aan verzoekende partij om haar wettigheidskritiek op het
verbod op het gebruik van wegwerpbekers uiteen te zetten voor het College. Het College is
daarbij niet gehouden om uit te zoeken wat verzoekende partij tijdens de bestuurlijke
boeteprocedure heeft aangevoerd en zodoende het middel in haar plaats te construeren.
HHC - 17
Verzoekende partij toont niet aan dat het verbod op het gebruik van wegwerpbekers tijdens
evenementen onzorgvuldig is voorbereid of niet steunt op in rechte en in feite aanvaardbare
motieven. Het middel is daartoe gebrekkig uiteengezet, waarbij als enig argument wordt
verwezen naar het uitstel van het verval van de uitzondering in artikel 5.3.12.1, lid 3 VLAREMA
van 1 januari 2025 naar 1 januari 2030. Dit heeft enkel betrekking op het verval van de
uitzondering voor petflessen en blikjes, zoals bepaald in artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA.
Verzoekende partij grijpt dit uitstel tevergeefs aan als bewijs dat ‘de toestand van de markt’
niet in rekening is gebracht en dat het ‘gefaseerde beleid niet haalbaar bleek’ wegens gebrek
aan alternatieven.
7.
Verzoekende partij betwist in het tweede onderdeel tevergeefs de wettigheid van de
ministeriële beslissingen van respectievelijk 5 februari 2024 en 30 april 2024, waarmee de
door haar met toepassing van artikel 5.3.12.3 VLAREMA gevraagde uitzondering op het
verbod op het gebruik van wegwerpbekers tijdens haar festivaleditie in 2024 telkens is
geweigerd.
De bevoegde minister kan op basis van artikel 5.3.12.3 VLAREMA een uitzondering verlenen
op (onder meer) het verbod op het gebruik van wegwerpbekers tijdens evenementen in artikel
5.3.12.1, lid 1 VLAREMA, als dit verbod niet zal leiden tot milieuwinst. De bestreden beslissing
legt aan verzoekende partij een boete op omdat ze dit verbod tijdens twee festivalweekends
in 2024 heeft geschonden, terwijl ze op dat ogenblik niet beschikte over een door de bevoegde
minister verleende uitzondering.
De bestreden boete steunt niet op de door de bevoegde minister geweigerde uitzondering op
het verbod op het gebruik van wegwerpbekers in 2024, maar op de schending van dit verbod
zelf. Gelet op de ontstentenis van een voorafgaande uitzondering op dit verbod, stond het aan
verzoekende partij om geen wegwerpbekers te gebruiken tijdens haar evenement in 2024. In
de hypothese dat de door verzoekende partij aangevoerde exceptie van onwettigheid van de
ministeriële weigeringsbeslissingen gegrond is, betekent dit niet dat ze (alsnog) beschikt over
de vereiste uitzondering op het verbod op het gebruik van wegwerpbekers in 2024, en al zeker
niet over een uitzondering die de in het PV vastgestelde feiten, waarop de bestreden boete is
gesteund, voorafgaat.
In die optiek stelt verzoekende partij, in antwoord op de exceptie van belang bij het middel, ten
onrechte dat de gegrondverklaring van de door haar aangevoerde exceptie van onwettigheid
van de ministeriële weigeringsbeslissingen haar perspectief biedt op een herbeoordeling van
HHC - 18
haar aanvraag, om een uitzondering te verkrijgen in 2024 op het verbod op het gebruik van
wegwerpbekers, met een ‘reële kans op een gunstigere uitkomst’. Ze had enkel baat bij de
onwettigheidsverklaring van deze ministeriële besluiten voorafgaand aan de haar ten laste
gelegde feiten. Ze houdt ten onrechte voor dat het haar toegerekende milieumisdrijf geen
wettelijke grondslag meer heeft, als de ministeriële weigeringsbesluiten onwettig worden
bevonden en door het College buiten toepassing worden verklaard. Zoals gesteld, berust de
boete niet op de weigering van de bevoegde minister om de gevraagde uitzondering te
verlenen, maar op de schending van het verbod op het gebruik van wegwerpbekers. Het
gebeurlijk buiten toepassing laten van de ministeriële weigeringsbesluiten laat de rechtsgrond
van het milieumisdrijf onverlet.
Het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij voert de schending aan van:
-
-
-
-
de artikelen 16.4.4 en 16.4.29 DABM
de artikelen 10 en 11 GW
de artikelen 2 en 3 Motiveringswet
het motiverings-, het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel
als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Ze betwist in essentie de hoogte en het effectieve karakter van de boete, en vraagt om de
boete maximaal te herleiden en minstens deels op te leggen met uitstel van tenuitvoerlegging.
Ze verwijt de gewestelijke entiteit met name dat de beoordeling in de bestreden beslissing van
de waarderingscriteria om het boetebedrag te bepalen, hetzij zowel de ernst van het
milieumisdrijf als de frequentie en de omstandigheden waarin dit is gepleegd of beëindigd,
foutief of kennelijk onredelijk is en minstens niet afdoende is gemotiveerd in het licht van de
argumentatie hierover in haar schriftelijk verweer tijdens de bestuurlijke boeteprocedure.
1.1.
Wat betreft het eerste waarderingscriterium van de ernst van het milieumisdrijf, stelt ze dat de
beoordeling hiervan in de bestreden beslissing ten onrechte vooral steunt op een ontoereikend
theoretisch betoog en niet op de concrete vaststellingen in het PV en de argumentatie hierover
tijdens de bestuurlijke boeteprocedure. Ze verwijt de gewestelijke entiteit dat deze hierbij ten
HHC - 19
onrechte geen rekening houdt met verschillende elementen, die het beweerde ernstig karakter
van de feiten sterk nuanceren, waarbij ze meermaals steunt op de argumentatie in het eerste
middel.
Ze herhaalt dat er geen milieumisdrijf voorligt en dat er hierover minstens serieuze discussie
bestaat, dat de ernst van het gebeurlijk milieumisdrijf ondermijnt.
Ze wijst ook op het feit dat de procureur des Konings heeft beslist om het dossier te seponeren,
zodat dit volgens het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie geen prioritair karakter
heeft.
Ze betwist voorts dat er sprake is van een systematisch milieumisdrijf of een milieumisdrijf met
een langdurig karakter omdat de feiten slechts een beperkt tijdsverloop kenden van in totaal
zes dagen gedurende twee festivalevenementen tijdens achtereenvolgende weekends. In de
rand hiervan wijst ze op de korte tijdspanne waarbinnen de transitie naar 100% herbruikbare
bekers moet worden gerealiseerd. Ze wijst ook op het feit dat niet alle festivalbezoekers
hebben gedronken uit wegwerpbekers omdat ze heeft gekozen voor een tweeledig systeem,
met zowel herbruikbare drankbekers in bepaalde strategische afgesloten zones, als
wegwerpbekers met een performant inzamelingssysteem, waarbij ze conform artikel 5.3.12.1
VLAREMA 95% van de petflessen en blikken en van de wegwerpbekers gescheiden heeft
ingezameld.
Ze stelt tenslotte vooral dat de feiten in het licht van de concrete omstandigheden geen
ernstige nefaste gevolgen hadden voor de mens en het leefmilieu, en dat het tegendeel niet
blijkt uit het PV of de bestreden beslissing. Ze wijst in dit kader opnieuw op de maximale
inzameling en recyclage van de wegwerpbekers, die ze in 2024 nog op stock had. Ze betwist
daarbij het standpunt van de gewestelijke entiteit, dat de afbouw van haar stock
wegwerpbekers en de recyclage hiervan strijdig is met de afvalhiërarchie in artikel 4, §3, 1°
Materialendecreet omdat afvalpreventie de voorkeur geniet en stelt dat er hierdoor is
vermeden dat deze stock moest worden verwijderd en/of gestort. Ze wijst ook op de conclusie
van een studie door een onafhankelijke milieudeskundige duurzaamheid, dat het niet
gebruiken van deze stock en de volledige transitie naar herbruikbare bekers in het licht van de
concrete omstandigheden niet zou hebben geleid tot milieuwinst, maar integendeel tot een
grotere milieubelasting, terwijl uit de carbon footprint-studie van de festivaleditie 2023
bovendien blijkt dat ‘Waste’ slechts 1% uitmaakt van de totale carbon footprint, zodat niet
herbruikbare drankbekers hiervan slechts 0,003% uitmaken. Ze verwijt de gewestelijke entiteit
dat deze ten onrechte voorbijgaat aan deze studie en geen rekening houdt met het gewicht en
HHC - 20
de stock van wegwerpbekers en met de milieu-impact van de productie van herbruikbare
bekers. Ze meent dat de studies waarnaar de gewestelijke entiteit verwijst, waaruit blijkt dat
de milieu-impact van recycleerbare bekers groter is dan deze van herbruikbare bekers, niet
anders doen besluiten omdat er moet worden uitgegaan van de concrete milieu-impact in
voorliggend dossier. Ze betwist ten slotte het oordeel van de gewestelijke entiteit, dat ze het
verbod op het gebruik van wegwerpbekers en de weigering van de bevoegde minister om
hierop in 2024 een uitzondering toe te staan bewust naast zich heeft neergelegd omdat zowel
het verbod zelf als de weigeringsbeslissing van de bevoegde minister onregelmatig zijn.
1.2.
Wat betreft het waarderingscriterium van de frequentie, stelt ze dat de gewestelijke entiteit in
de bestreden beslissing ten onrechte oordeelt dat het niet betwist eenmalig karakter van het
milieumisdrijf alleen tot gevolg heeft dat er geen aanleiding bestaat voor een boeteverhoging.
Ze meent dat de ontstentenis van een structureel probleem bij de naleving van de
milieuvoorschriften, en het feit dat ze nooit eerder is gesanctioneerd voor gelijkaardige feiten,
aanleiding moesten geven tot een boeteverlaging.
1.3.
Wat betreft het waarderingscriterium van de omstandigheden, betwist ze vooreerst de
beoordeling door de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing van de verzachtende
omstandigheden. Ze verwijt de gewestelijke entiteit met name dat deze enkel rekening houdt
met de omstandigheid dat ze vanaf haar festivaleditie 2025 enkel nog gebruik zal maken van
herbruikbare bekers met RFID-chip. Ze meent dat de gewestelijke entiteit daarbij ten onrechte
niet ook rekening houdt met haar voortdurend streven naar duurzaamheid en zorg voor de
mens en het milieu. Ze wijst in dit kader, in navolging van haar argumentatie met betrekking
tot de ernst van het milieumisdrijf, op de vaststelling dat ze is geconfronteerd met een zeer
korte periode voor de realisatie van de volledige transitie naar herbruikbare bekers, waarbij ze
in het licht van de studie door een onafhankelijke milieudeskundige duurzaamheid bovendien
niet overtuigd was van de milieuwinst hiervan, zodat ze in 2024 nog heeft geopteerd voor een
tweeledig systeem met herbruikbare bekers in strategische zones en wegwerpbekers in
andere zones. Ze merkt daarbij op dat ook andere organisatoren van evenementen haar
bekommernissen deelden, zoals onder meer blijkt uit de gemeenschappelijke
vernietigingsprocedure bij de Raad van State tegen de regeling voor petflessen en blikjes en
de wijziging hiervan. Ze benadrukt dat ze hierover altijd veelvuldig en transparant heeft
gecommuniceerd met de betrokken overheden en vanaf 2025 enkel nog met herbruikbare
bekers zal werken.
HHC - 21
Ze betwist ook de beoordeling door de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing van de
verzwarende omstandigheid van haar grootte en daarmee gerelateerd haar financiële
draagkracht. Ze verwijt de gewestelijke entiteit met name dat deze het boetebedrag om die
reden zonder afdoende motivering en op willekeurige wijze met ongeveer 200% verhoogt, en
dat deze boeteverhoging disproportioneel is. Ze stelt dat het beslissingskader ‘bestuurlijke
beboeting milieuschendingen door de gewestelijke beboetingsentiteit’ voorziet dat de grootte
en financiële middelen van een overtreder aanleiding kunnen geven tot een boeteverhoging
van 50% of meer, zodat er bij grotere verhogingen een verscherpte motiveringsplicht bestaat,
die door de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing wordt miskend. Ze staaft het niet
gemotiveerd en onredelijk karakter van de boeteverhoging aan de hand van de verwijzing naar
een eerdere boetebeslissing van de gewestelijke entiteit, waarbij de boete slechts 50% werd
verhoogd, hoewel de drempelwaarden uit artikel 1:24, §1 van het wetboek van
vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 (hierna: WVV) bij de betrokken
overtreder substantieel hoger waren dan deze in haar jaarrekening. Ze meent dat ze hierdoor
ook zonder afdoende reden ongelijk wordt behandeld ten opzichte van deze overtreder.
1.4.
Ze betwist tenslotte het oordeel van de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing om de
boete niet minstens deels op te leggen met uitstel van tenuitvoerlegging. Ze herhaalt in dit
kader haar kritiek op de bestreden beslissing, in het bijzonder wat betreft de beoordeling door
de gewestelijke entiteit van de ernst van het milieumisdrijf.
2.
Verwerende partij stelt in essentie dat verzoekende partij niet aantoont, dat de beoordeling
door de gewestelijke entiteit
in de bestreden beslissing van de verschillende
waarderingscriteria om het boetebedrag te bepalen, waarbij deze beschikt over een ruime
discretionaire bevoegdheid, foutief of kennelijk onredelijk is en niet afdoende is gemotiveerd
in het licht van haar argumentatie tijdens de bestuurlijke boeteprocedure.
2.1.
Ter weerlegging van de kritiek van verzoekende partij op de beoordeling door de gewestelijke
entiteit van het waarderingscriterium van de ernst van het milieumisdrijf, wijst ze op de
overwegingen hierover in de bestreden beslissing. Ze benadrukt dat er in het licht van de
huidige kennis redelijkerwijze niet kan worden betwist dat afvalpreventie, via het voldoende
hergebruiken van bekers, milieuvriendelijker is dan het gebruik van wegwerpbekers en deze
daarna te recycleren.
HHC - 22
In zoverre verzoekende partij aanvoert dat er geen milieumisdrijf voorligt en dat er hierover
minstens serieuze discussie bestaat, stelt ze, in navolging van haar argumentatie ter
weerlegging van het eerste middel, dat er wel degelijk een milieumisdrijf voorligt wegens
schending van artikel 12, §2 Materialendecreet en artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA, dat kan
worden toegerekend aan verzoekende partij en waarvoor er haar een boete kan worden
opgelegd.
In zoverre verzoekende partij aanvoert dat de procureur des Konings heeft beslist om het
dossier te seponeren en dit geen prioritair karakter heeft, wijst ze op het tweesporenstelsel bij
de behandeling van milieumisdrijven. Ze stelt dat de procureur des Konings daarbij, op basis
van een opportuniteitsafweging, beslist om al dan niet over te gaan tot strafrechtelijke
behandeling, waarbij seponering alsdan een mogelijkheid is, dan wel om het dossier over te
maken aan de gewestelijke entiteit in functie van een bestuurlijke sanctionering. Ze stelt dat
deze beslissing van de procureur des Konings geen waardeoordeel omvat van de ernst van
het milieumisdrijf. Ze erkent dat er een prioriteitennota vervolgingsbeleid en een sorteernota
bestaan maar benadrukt dat deze niet bindend zijn.
In zoverre verzoekende partij aanvoert dat er geen sprake is van een systematisch
milieumisdrijf of een milieumisdrijf met een langdurig karakter, stelt ze dat het beperkte
tijdsverloop van de twee festivalevenementen in 2024 niet impliceert dat er geen grote
hoeveelheid wegwerpbekers is gebruikt. Ze wijst in dit kader op de vaststelling dat uit de cijfers
van verzoekende partij zelf blijkt dat er tijdens deze periode 1.820.000 wegwerpbekers zijn
gebruikt, zodat er geen sprake is van feiten met een beperkte omvang.
In zoverre verzoekende partij aanvoert dat de feiten in het licht van de concrete
omstandigheden geen ernstige nefaste gevolgen hadden voor de mens en het leefmilieu, stelt
ze dat de ernst van de feiten kan worden beoordeeld aan de hand van het opzet en het belang
van de geschonden milieuvoorschriften, zonder dat de gewestelijke entiteit daarbij moet
aantonen dat er hierdoor effectieve milieuschade is veroorzaakt. Ze stelt dat het doel om te
streven naar milieuwinst, via afvalpreventie door het gebruik van hernieuwbare bekers, wordt
ondermijnd door het gebruik van 1.820.000 wegwerpbekers door de 400.000 bezoekers, terwijl
de vaststelling dat verzoekende partij de gebruikte wegwerpbekers nog op stock had en
maximaal selectief heeft ingezameld en gerecycleerd niet anders doet besluiten. Wat betreft
de opmerking van verzoekende partij dat ze 95% van de petflessen en blikjes heeft ingezameld
in functie van recyclage wijst ze op de verplichting hiertoe overeenkomstig artikel 5.3.12.1, lid
1 VLAREMA, terwijl dit percentage niet relevant is voor de wegwerpbekers omdat deze niet
mochten worden gebruikt. Ze stelt dat verzoekende partij daarbij tevergeefs verwijst naar de
HHC - 23
conclusie van een studie door een door haar aangestelde milieudeskundige duurzaamheid,
waaruit blijkt dat de volledige transitie naar herbruikbare bekers in 2024 zou hebben geleid tot
een grotere milieubelasting in plaats van tot milieuwinst. Ze wijst in dit kader op de vaststelling
dat het verbod tot het gebruik van wegwerpbekers bij publieke evenementen niet betekent dat
verzoekende partij haar stock hiervan moet verwijderen of storten, maar dat ze deze bekers
nog altijd kan aanwenden voor andere activiteiten of evenementen, waar hun gebruik niet is
verboden. Ze verwijt verzoekende partij dat ze feitelijk kritiek uit op het gekozen beleid in
functie van milieuwinst in artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA, en zonder uitzondering hierop van
de bevoegde minister niet kon kiezen voor een tweeledig systeem’ van zowel herbruikbare als
wegwerpbekers. Ze stelt dat het daarin opgenomen verbod om wegwerpbekers te gebruiken
afvalpreventie en een vermindering van de afvalberg beoogt en wil voorkomen dat primaire
grondstoffen worden verbruikt, in functie waarvan het van belang is dat de beschikbare
herbruikbare bekers voldoende vaak worden gebruikt.
2.2.
Ter weerlegging van de kritiek van verzoekende partij op de beoordeling door de gewestelijke
entiteit van het waarderingscriterium van de frequentie, stelt ze dat het oordeel in de bestreden
beslissing, dat de vaststelling dat verzoekende partij nooit eerder gelijkaardige feiten pleegde
of daarvoor is gesanctioneerd enkel tot gevolg heeft dat er geen boeteverhoging wordt
toegepast, niet foutief of kennelijk onredelijk is en aansluiting vindt bij de parlementaire
voorbereiding van artikel 16.4.29 DABM.
2.3.
Ter weerlegging van de kritiek van verzoekende partij op de beoordeling door de gewestelijke
entiteit van het waarderingscriterium van de omstandigheden, stelt ze wat betreft de
verzachtende omstandigheden dat verzoekende partij tevergeefs aanvoert dat de gewestelijke
entiteit ten onrechte enkel rekening houdt met haar bereidheid om tijdens de festivaleditie 2025
enkel herbruikbare bekers met RFID-chip te gebruiken. In zoverre verzoekende partij aanvoert
dat de gewestelijke entiteit daarbij ten onrechte niet ook rekening houdt met haar voortdurend
streven naar duurzaamheid en zorg voor de mens en het milieu, stelt ze dat dit gegeven geen
uitstaans heeft met de schending van het verbod in artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA om nog
wegwerpbekers te gebruiken. In zoverre verzoekende partij verwijst naar de korte periode voor
de transitie naar 100% herbruikbare bekers, stelt ze dat 2023 een overgangsjaar was en alle
festivalorganisatoren in 2024 voldoende voorbereid waren of konden zijn. In zoverre
verzoekende partij betwist dat de volledige transitie naar herbruikbare bekers in 2024 niet zou
hebben geleid tot milieuwinst, stelt ze dat verzoekende partij hiermee opnieuw kritiek uit op
artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA, terwijl dit geen afbreuk doet aan haar plicht tot naleving
HHC - 24
hiervan. Ze merkt daarbij op dat de procedure bij de Raad van State door onder meer
verzoekende partij enkel betrekking had op de wettigheid van de tijdelijke uitzondering voor
petflessen en blikken, en niet op het verbod op het gebruik van wegwerpbekers. Ze merkt
daarbij ook op dat het door verzoekende partij opgezette tweeledig systeem, waarbij
herbruikbare bekers enkel zijn gebruikt in bepaalde afgebakende zones, en wegwerpbekers
in de overige zones, gekoppeld aan een degelijk inzamelsysteem, niet relevant is, omdat dit
strijdig was met artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA en het voorwerp van het misdrijf vormt. In
zoverre verzoekende partij wijst op haar veelvuldige en transparante communicatie met de
betrokken overheden, stelt ze dat deze enkel kaderde in het streven naar een uitzondering in
2024 op artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA van de bevoegde minister, waarna men bij de
weigering hiervan in de pers heeft verkondigd dit artikel niet te zullen naleven.
Wat betreft de verzwarende omstandigheid van de grootte en daarmee gerelateerd de
financiële draagkracht van verzoekende partij, stelt ze dat het in het licht van het punitief
karakter van de boete op zich niet foutief of kennelijk onredelijk is om dit element mee in
rekening te brengen bij de begroting van de boete. Ze stelt dat het ook niet foutief of kennelijk
onredelijk is om daarbij te steunen op de aan de hand van de jaarrekening controleerbare
criteria balanstotaal, jaaromzet en personeelsbestand en op de drempelwaarden in de
artikelen 1:24, §1 en 1:25, §1 WVV. Ze wijst op de vaststelling dat verzoekende partij de drie
drempelwaarden in artikel 1:24, §1 WVV overschrijdt, terwijl ze op zich geen betwisting voert
over de juistheid van de objectieve beoordeling in de bestreden beslissing van haar financiële
draagkracht, aan de hand van haar grootte volgens haar jaarrekening, en deze beoordeling
niet aan de hand van stukken weerlegt. Ze stelt dat verzoekende partij ook niet aantoont dat
de daarop gesteunde boeteverhoging kennelijk onredelijk en disproportioneel is in het licht van
haar grootte en het sanctiedoel. Ze meent dat verzoekende partij tevergeefs wijst op de
vaststelling, dat er volgens het uitgangspunt in ‘het beslissingskader bestuurlijke beboeting
milieuschendingen door de gewestelijke beboetingsentiteit’, in de versie ten tijde van de feiten,
op basis van de financiële draagkracht van een overtreder in beginsel wordt voorzien in een
boeteverhoging van hoogstens 50%, zodat er bij een uitzonderlijke ruimere boeteverhoging
een verstrengde motiveringsplicht geldt. Ze stelt dat dit beslissingskader, dat evolutief is,
hooguit een richtinggevende leidraad vormt, die dient als achtergrondinformatie voor
vermoedelijke overtreders, die dit kunnen raadplegen op de website van het departement
Omgeving, maar waaruit geen rechten kunnen worden geput, zoals daarin ook duidelijk wordt
aangegeven. Ze stelt dat de gewestelijke entiteit in die zin niet moet motiveren op welke manier
ze daarmee rekening houdt en de boete enkel moet motiveren op basis van de concrete
omstandigheden van het dossier. Ze wijst op de vaststelling dat de gepubliceerde versie van
het beslissingskader op het ogenblik van de bestreden beslissing voorzag dat de financiële
HHC - 25
draagkracht van een rechtspersoon aanleiding kan geven tot een verhoging met 50 % of meer,
zodat daaruit niet blijkt dat een verhoging van 50% de norm is en een verhoging van meer dan
50% de uitzondering. Ze stelt dat de gewestelijke entiteit, bij verhoging van de boete wegens
de financiële draagkracht van een overtreder, niet enkel rekening houdt met het aantal
overschreden drempelwaarden, in functie van het bepalen van de grootte van de
onderneming, maar ook met de mate waarin deze zijn overschreden. Ze wijst op de vaststelling
dat verzoekende partij de drie drempelwaarden ruimschoots overschrijdt.
2.4.
Ter weerlegging van de kritiek van verzoekende partij op de beoordeling door de gewestelijke
entiteit van het al dan niet effectieve karakter van de boete, stelt ze dat verzoekende partij niet
aantoont dat het niet toestaan van minstens een gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging van
de boete kennelijk onredelijk is. Ze meent dat de gewestelijke entiteit terecht rekening houdt
met de voorbeeldfunctie van verzoekende partij bij de naleving van de milieuregelgeving, als
organisator van één van de grootste festivals, en met haar bewuste keuze om ook bij het
festival in 2024 nog te werken met wegwerpbekers, ondanks het verbod hierop en de weigering
door de bevoegde minister om daarop een uitzondering te verlenen. Ze stelt dat verzoekende
partij hierdoor wetens en willens het risico heeft genomen om te worden blootgesteld aan
strafrechtelijke vervolging en/of bestuurlijke sanctionering.
3.
Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoordnota in hoofdorde in de argumentatie in
haar verzoekschrift.
3.1.
Wat betreft het waarderingscriterium van de ernst van het milieumisdrijf, benadrukt ze nog dat
de gewestelijke entiteit daarbij wel degelijk rekening moet houden met geringe concrete milieu-
impact hiervan, te meer omdat ze hierop heeft gewezen in haar schriftelijk verweer tijdens de
bestuurlijke boeteprocedure. Ze herhaalt in dit kader onder meer dat de gebruikte
wegwerpbekers, die ze nog op stock had, maximaal zijn ingezameld en gerecycleerd en dat
er bij het werken met 100% herbruikbare bekers geen milieuwinst zou zijn geweest.
3.2.
Wat betreft het waarderingscriterium van de verzachtende omstandigheden, betwist ze nog
dat haar argumentatie feitelijk neerkomt op loutere kritiek op het geldende verbod op het
gebruik van wegwerpbekers. Ze stelt dat haar kritiek op dit verbod is gesteund op een
HHC - 26
wetenschappelijk onderbouwde juridische en praktische bezorgdheid over de proportionaliteit
en de toepasselijkheid hiervan.
Wat betreft de verzwarende omstandigheid van haar grootte en daarmee gerelateerd haar
financiële draagkracht, herhaalt ze dat de verdrievoudiging van het boetebedrag
redelijkerwijze niet is verantwoord, te meer gelet op de wijze waarop de gewestelijke entiteit in
andere dossiers heeft geoordeeld. Ze herhaalt ook dat de opening in het beslissingskader, om
een boeteverhoging door te voeren van meer dan 50%, geen afbreuk doet aan de vereiste
zorgvuldige motivering bij een afwijking van het richtinggevende vermeerderingspercentage
van 200% omdat het uitgangspunt nog altijd een maximale verhoging van 50% is.
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit moet bij het opleggen van een bestuurlijke geldboete zorgen dat er
geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de opgelegde boete en de feiten die daaraan
ten grondslag liggen (artikel 16.4.4 DABM), zodat de boete evenredig moet zijn tot de feiten.
Dit wordt nader gepreciseerd door de vereiste dat de hoogte van de bestuurlijke geldboete
wordt afgestemd op de ernst van het milieumisdrijf, terwijl er ook rekening wordt gehouden
met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder dit heeft gepleegd of beëindigd
(artikel 16.4.29 DABM). De gewestelijke entiteit beschikt hierbij in het licht van het
maximumbedrag van een alternatieve bestuurlijke geldboete (artikel 16.4.27, lid 2 DABM) over
een ruime discretionaire bevoegdheid, waarbij ze onder bepaalde voorwaarden in beginsel
ook de mogelijkheid heeft om de boete geheel of gedeeltelijk op te leggen met uitstel van
tenuitvoerlegging (artikel 16.4.29, §2 DABM).
Het College zal bij het toezicht hierop, aan de hand van de argumentatie die regelmatig en in
het bijzonder door verzoekende partij wordt voorgelegd, nagaan of de gewestelijke entiteit is
uitgegaan van de juiste feitelijke en juridische gegevens, deze correct heeft beoordeeld en op
grond daarvan de waarderingscriteria om het boetebedrag te bepalen niet foutief of kennelijk
onredelijk heeft toegepast. Dit zal met name moeten blijken uit de juridische en feitelijke
motieven die aan de boetebeslissing ten grondslag liggen en die daarin worden vermeld en
afdoende moeten zijn, vermits de beslissing als individuele bestuurshandeling ressorteert
onder de Motiveringswet. De beslissing moet dus een concrete, precieze en pertinente of
draagkrachtige motivering bevatten, waaruit de keuze van de gewestelijke entiteit voor een
boete en voor een welbepaald boetebedrag blijkt, zodat de overtreder hiertegen met kennis
van zaken kan opkomen. De beoordelingselementen in het ‘Beslissingskader bestuurlijke
HHC - 27
beboeting milieuschendingen door de gewestelijke entiteit’ (hierna: beslissingskader) zijn
daarbij ‘enkel richtinggevend’ en vormen dus slechts een leidraad voor de gewestelijke entiteit,
die de boetebeslissing steeds moet motiveren op basis van de concrete elementen van het
dossier en die niet moet motiveren op welke manier ze met dit kader rekening houdt.
2.
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de gewestelijke entiteit bij het bepalen van het
boetebedrag rekening houdt met de ernst van het milieumisdrijf, de frequentie en de
omstandigheden waarin het is gepleegd of beëindigd. Ze overweegt daarover onder de titel
‘de hoogte van de geldboete’ met name het volgende:
“4.2.1. De ernst van de feiten
Het Vlaamse materialen- en afvalstoffenbeleid heeft tot doel om een circulaire economie te
bevorderen en om materiaalkringlopen tot stand te brengen waarbij de gezondheid van de mens
en het milieu beschermd worden door afvalproductie en de negatieve gevolgen van afvalproductie
en- beheer te voorkomen of te verminderen en waarbij de uitputting van hernieuwbare en niet-
hernieuwbare energiebronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen en de
schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik, worden
tegengegaan.
Om die reden wordt er in het kader van het Vlaams materialen- en afvalbeleid steeds gestreefd
naar het beste resultaat voor milieu en gezondheid, rekening houdend met de effecten die opreden
tijdens de volledige levenscyclus (o.a. vermeden milieu-effecten ten gevolge van besparing op
aansnijden van primaire grondstoffen); De preventie van afvalstoffen en een efficiënter en minder
-milieubelastend gebruik en verbruik van materialen via aangepaste productie- en
consumptiepatronen geniet hierbij prioriteit.
Hergebruik van voorwerpen die nog niet de status van afvalstof hebben bereikt, wordt beschouwd
als een mogelijke vorm van preventie. Het vermijden en hergebruiken van grondstoffen is op
milieuvlak te verkiezen boven recyclage van afvalstoffen. Elke recyclagecyclus gaat namelijk
gepaard met een verlies aan kostbare materialen. Voor producten met een korte levensduur, zoals
drank- en voedselverpakkingen, betekent dit een verlies aan grondstoffen.
Onderzoek wijst uit dat het hergebruiken van cateringmateriaal altijd milieuvriendelijker is dan het
gebruik van éénmalige verpakkingen op voorwaarde dat er voldoende hergebruikscycli
gerealiseerd worden (o.a. ‘Studie draaiboek drink- en eetgerei op evenementen’ (OVAM 2017),
bevestigd in de ‘Update studie: drink- en eetgerei op evenementen’ (OVAM 2020); ‘Packaging Life
Cycle Assessment: A study of the waste free cup systems at events as commissioned by
Rijkswatersstaat in cooperation with Plastic Promise’ (The LCA Center, 2020), ‘Reusable VS
HHC - 28
single-use packaging: a review of environmental impact (Zero Impact Europe, 2020) en ‘Adressing
Single-use plastic products pollution, using a life cycle approach’ (United Nations Environment
Programme, 2021).
De Europese SUP-richtlijn heeft op haar beurt tot doel om de effecten van bepaalde
kunststofproducten op het milieu, in het bijzonder het aquatisch milieu, en op de menselijke
gezondheid te voorkomen en te verminderen, en de overgang naar een circulaire economie met
innovatieve en duurzame bedrijfsmodellen, producten en materialen te bevorderen, en zo ook bij
te dragen aan een efficiënte werking van de interne markt. Zij verplicht de lidstaten met het oog op
het bereiken van deze doelstelling onder meer om tussen 2022 en 206 de consumptie te
verminderen van een aantal eenmalige kunststofproducten, waaronder plastic drinkbekers voor
eenmalig gebruik en eenmalige plastic verpakkingen van voeding.
Het verbod op het gebruik van het serveren van drank in recipiënten voor eenmalig gebruik bij
evenementen geeft invulling aan de Vlaamse beleidsvisie inzake afvalpreventie, draagt bij tot een
daling van het materialengebruik – en verlies en stimuleert de overgang naar een meer circulaire
economie. Het draagt, in combinatie met het federale marktverbod voor eenmalig plastic
drinkbekers, eveneens bij tot een effectieve consumptievermindering van eenmalige plastic
wegwerkbekers in uitvoering van de SUP-richtlijn. Door het ingestelde verbod op het serveren van
dranken in recipiënten voor eenmalig gebruik bij evenementen niet te beperken tot plastic
wegwerpbekers heeft de Vlaamse regelgever bovendien willen vermijden dat het federale
marktverbod een verschuiving teweegbrengt van eenmalige plastic bekers naar het gebruik van
andere wegwerpverpakkingen, zodat de regelgeving bijdraagt aan een effectieve vermindering van
het gebruik van eenmalige drankrecipiënten en een toename van het hergebruik van herbruikbare
alternatieven. Een overschakeling naar herbruikbare recipiënten draagt eveneens bij tot de netheid
van het terrein en een afname van de totale afvalberg en zwerfvuil.
Het evenement … is een van de grootste festivals van België en geniet internationaal aanzien.
Gedurende de twee festivalweekends in juli 2024 hebben ruim 400.000 bezoekers het festival
bezocht en zijn ruim 1.820.000 niet-herbruikbare bekers (rPET-bekers) gebruikt voor het serveren
van drank. Het gaat bijgevolg geenszins om feiten met een beperkte omvang.
Door meer dan 1.820.00 niet-herbruikbare bekers te gebruiken voor het serveren van drank wordt
de doelstelling van een effectieve vermindering van het gebruik van eenmalig drankrecipiënten en
een toename van het hergebruik van herbruikbare alternatieven en de hiermee samenhangende
milieuwinst te bewerkstelligen, ondermijnd. Er vindt geen consumptievermindering van niet-
herbruikbare recipiënten plaats.
De loutere omstandigheid dat bij de festivaleditie 2024 niet-herbruikbare rPET-bekers zouden zijn
gebruikt die de overtreder nog in stock had, doet hieraan geen afbreuk. Niet-herbruikbare rPET-
HHC - 29
bekers komen weliswaar in aanmerking voor recyclage na selectieve inzameling. Afvalpreventie
draagt conform de afvalstoffenhiërarchie in artikel 4 van het Materialendecreet (dat op zijn beurt de
afvalstoffenhiërarchie uit artikel 4 van de Kaderrichtlijn Afval omzet) evenwel de voorkeur weg
boven recyclage. Bovendien bevestigen ook verschillende studies dat rPET-bekers een grotere
milieu-impact hebben dan herbruikbare bekers waarbij voldoende hergebruikscycli worden
gerealiseerd (zie o.a. Update studie: drink- en eetgerei op evenementen’ (OVAM 2020); en
‘Packaging Life Cycle Assessment: A study of the waste free cup systems at events as
commissioned by Rijkswatersstaat in cooperation with Plastic Promise’ (The LCA Center, 2020).
De conclusies van de door de overtreder aangestelde milieudeskundige dat het gebruik van deze
niet-herbruikbare rPET-bekers de meest duurzame keuze was op het vlak van milieuwinst kunnen
niet worden bijgetreden. Deze conclusies berusten onder meer op een vergelijking met
herbruikbare bekers die nog niet op de markt zijn en nemen de milieueffecten van grondstoffen en
de productiefase mee in aanmerking, terwijl uit een bevraging van de markt die eind 2023 door de
OVAM werd uitgevoerd blijkt dat er op dat ogenblik meer dan voldoende stock herbruikbare bekers
beschikbaar was op de privé-markt voor huur.
De niet-naleving van het verbod is des te strafwaardiger nu de minister herhaaldelijk een
uitzondering op het verbod heeft geweigerd aan de overtreder, maar deze er desondanks wetens
en willens voor geopteerd heeft om te volharden in het gebruik van wegwerpbekers bij de
festivaleditie 2024 en zelfs publiekelijk heeft verkondigd het verbod bij de festivaleditie 2024 hoe
dan ook niet te zullen naleven.
Het milieumisdrijf werd gepleegd in professioneel verband.
De feiten zijn, gelet op voormelde elementen, voldoende ernstig om te worden gesanctioneerd met
een alternatieve bestuurlijke geldboete van 12.960 euro.
4.2.2. De frequentie
Het betreft een eenmalige schending. Er zijn minstens geen indicaties die erop wijzen dat bij de
overtreder reeds eerder vergelijkbare feiten werden vastgesteld. Het criterium frequentie geeft
derhalve geen aanleiding tot een hogere geldboete.”
4.2.3. De omstandigheden
Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete wordt vooreerst rekening gehouden met de
bereidheid van de overtreder om voor de vastgestelde schendingen maatregelen te nemen. Uit de
door de overtreder overgemaakt stavingstukken, in het bijzonder stuk 3 bij haar aanvullende nota,
blijkt dat zij voorafgaand aan de vaststellingen die het voorwerp uitmaken van huidige
boeteprocedure reeds een aanvang had genomen met het plannen en uitwerken van een
festivaleditie 2025 waarbij integraal gebruik wordt gemaakt van herbruikbare bekers met RFIT-chip.
HHC - 30
Dit wordt als verzachtende omstandigheid meegenomen bij het bepalen van de hoogte van de
geldboete, wat leidt tot een verlaging van de bestuurlijke geldboete tot 9.072 euro.
De bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie met leedtoevoeging als primair doel. Het
afstemmen van de op te leggen bestuurlijke geldboete op de grootte van de onderneming en,
hiermee samenhangend, de financiële draagkracht, is essentieel om dit sanctiedoel te kunnen
realiseren. De gewestelijke entiteit bepaalt de grootte en financiële draagkracht van de overtreder
op basis van de criteria balanstotaal, jaaromzet en personeelsbestand, terug te vinden in de meest
recente jaarrekening zoals publiek gemaakt op de website van de National bank, volgens de
drempelwaarden uit de artikelen 1:24, §1 en 1:25, §1 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen van 23 maart 2019 (hierna WVV). Uit de meest recente jaarrekening blijkt dat het
balanstotaal van de overtreder 96.105.873 euro is, de jaaromzet 129.022.099 euro en het
personeelsbestand 141,6 voltijds equivalenten (jaargemiddelde). Aangezien de overtreder alle drie
de drempelwaarden vermeld in artikel 1:24, §1 WVV ruimschoot overschrijdt, acht de gewestelijke
entiteit het, gelet op haar grootte en financiële draagkracht, passend en kennelijk redelijk om de
bestuurlijke geldboete te verhogen tot 27.200 euro teneinde het sanctiedoel te realiseren.
Voor het overige zijn er, wat dit milieumisdrijf betreft, geen bijzondere omstandigheden die in
rekening worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de boete.
Tot slot acht de gewestelijke entiteit het niet opportuun om de bestuurlijke geldboete in dit dossier
geheel of gedeeltelijk met uitstel op te leggen. Een bestuurlijke geldboete kan conform artikel
16.4.29, §2, van het DABM geheel of gedeeltelijk worden opgelegd met uitstel van
tenuitvoerlegging. Uitstel bij de alternatieve bestuurlijke geldboete is enkel mogelijk voor zover
geen bestuurlijke geldboete noch een strafrechtelijke geldboete of gevangenisstraf werd opgelegd
voor he plegen van een milieumisdrijf en/of milieu-inbreuk gedurende vijf jaar voorafgaand aan het
milieumisdrijf.
De overtreder is organisator van het evenement … dat jaarlijks gedurende twee festivalweekends
in juli plaatsvindt … Het betreft een van de grootste festivals van België met een totaal van ruim
400.000 bezoekers verspreid over de twee festivalweekends dat eveneens internationaal aanzien
geniet. De overtreder heeft in die hoedanigheid als eventorganisator een voorbeeldfunctie inzake
naleving van de milieuregelgeving bij het organiseren van evenementen. In casu heeft zij ondanks
herhaalde weigeringen van de minister voor een uitzondering op het verbod volhard in het gebruik
van wegwerpbekers bij de festivaleditie 2024 en zelfs voorafgaand publiekelijk verkondigd het
verbod niet te zullen naleven. Zij heeft daardoor wetens en willens het risico genomen en zich
blootgesteld aan strafrechtelijke vervolging en/of bestuurlijke sanctionering. Finaal zijn er
gedurende de twee festivalweekends van de festivaleditie 2024 ruim 1.800.000 wegwerpbekers
gebruikt voor het serveren van drank in strijd met het verbod. Het komt in het licht van voormelde
HHC - 31
elementen dan ook passend voor om een effectieve alternatieve bestuurlijke geldboete op te
leggen.”
3.
Wat betreft de ernst van het milieumisdrijf, als eerste waarderingscriterium om het
boetebedrag te bepalen, toont verzoekende partij niet aan de hand van concrete en pertinente
argumenten aan dat de motieven hierover in de bestreden beslissing ontoereikend zijn, en dat
de begroting door de gewestelijke entiteit van het basisboetebedrag op 12.960 euro kennelijk
onredelijk is en dit bedrag disproportioneel is in het licht van de in het PV vastgestelde feiten.
3.1.
Verzoekende partij betwist, in navolging van haar eerste middel, tevergeefs opnieuw dat er
een milieumisdrijf voorligt, waarvoor haar een boete kan worden opgelegd. Zoals blijkt uit de
beoordeling van het eerste middel, heeft ze volgens de niet betwiste vaststellingen in het PV,
tijdens haar zesdaagse festivaleditie in 2024, 1.820.000 niet herbruikbare drankbekers
gebruikt, in strijd met het verbod hierop vanaf 15 juni 2023 in artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA,
terwijl ze niet beschikte over een uitzondering op dit verbod in de zin van artikel 5.3.12.3
VLAREMA.
Ze stelt ten onrechte dat de ernst van dit milieumisdrijf wordt ondermijnd, doordat er daarover
serieuze discussie bestaat. De ernst van het milieumisdrijf is enkel relevant voor de begroting
van de boete die daarvoor aan de overtreder wordt opgelegd. Ze moet worden onderscheiden
van het bestaan en de toerekenbaarheid van het milieumisdrijf, die betrekking hebben op de
strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de overtreder, en waarmee de ernst hiervan op zich
geen uitstaans heeft. Uit de voorliggende stukken blijkt overigens dat verzoekende partij ruim
voor de vaststelling van de feiten in het PV kennis had van het verbod om nog wegwerpbekers
te gebruiken op haar evenement, maar dit verbod bewust naast zich heeft neergelegd, terwijl
de draagwijdte daarvan bezwaarlijk vatbaar was voor ernstige discussie. De vaststelling dat
verzoekende partij het oneens is met de weigering van de bevoegde minister om haar ook
voor de festivaleditie van 2024 een uitzondering op dit verbod toe te staan, doet hieraan geen
afbreuk en betreft feitelijk opportuniteitskritiek op deze ministeriële beslissing.
3.2.
Verzoekende partij stelt tevergeefs dat de beslissing van de procureur des Konings om het
milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelden impliceert dat dit niet ernstig is.
HHC - 32
Het staat in beginsel aan de procureur des Konings om zich binnen een welbepaalde termijn
uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het milieumisdrijf en om de
gewestelijke entiteit in kennis te stellen van zijn beslissing hierover. Tijdens deze periode kan
de gewestelijke entiteit geen bestuurlijke geldboete opleggen, terwijl dit ook is uitgesloten als
de procureur des Konings beslist om het milieumisdrijf strafrechtelijk te behandelen of als hij
nalaat om zijn beslissing hierover tijdig mee te delen aan de gewestelijke entiteit (artikelen
16.4.31, 16.4.32, 16.4.33, 16.4.34 en 16.4.35 DABM). Deze beslissing van de procureur des
Konings is dan ook gerelateerd aan de bevoegdheid van de gewestelijke entiteit om een
bestuurlijke boeteprocedure op te starten, waarbij een beslissing om het milieumisdrijf niet
strafrechtelijk te behandelen het verval van de strafvordering inhoudt. Ze heeft geen uitstaans
met een beslissing van de procureur des Konings tot seponering, waarbij de procureur des
Konings omwille van uiteenlopende redenen beslist om de vermoedelijke overtreder niet te
vervolgen en het strafdossier zonder gevolg wordt geklasseerd, en dus ook niet wordt
overgemaakt aan de gewestelijke entiteit met het oog op bestuurlijke beboeting.
Zoals blijkt uit het administratief dossier, heeft de procureur des Konings op 19 augustus 2024,
na ontvangst van het PV op 6 augustus 2024, tijdig beslist om het milieumisdrijf niet
strafrechtelijk te behandelen, waarna de gewestelijke entiteit de bestuurlijke boeteprocedure
heeft opgestart. In tegenstelling tot de bewering van verzoekende partij, heeft de procureur
des Konings het dossier dan ook niet geseponeerd wegens de geringe ernst van het
milieumisdrijf. Uit het PV en de beslissing van de procureur des Konings blijkt bovendien dat
het milieumisdrijf een prioritair karakter heeft volgens de ‘Prioriteitennota vervolgingsbeleid
milieurecht
in het Vlaamse gewest’ omdat dit voor de overtreder een belangrijk
vermogensvoordeel met zich meebrengt.
3.3.
Verzoekende partij stelt voorts tevergeefs dat het milieumisdrijf niet ernstig is omdat de feiten
zich slechts uitstrekken over een korte tijdspanne van zes dagen gedurende twee
achtereenvolgende weekends, en er geen sprake is van een systematisch milieumisdrijf.
Zoals blijkt uit de bestreden beslissing en door verzoekende partij op zich niet wordt betwist,
telde het festival in 2024 over de twee weekends ruim 400.000 bezoekers en zijn er daarbij
ruim 1.820.000 wegwerpbekers gebruikt. Ze maakt niet aannemelijk dat het standpunt van de
gewestelijke entiteit, dat de feiten hierdoor geen beperkte omvang hebben, kennelijk onredelijk
is. De vaststelling, dat de schending van het verbod op het gebruik van wegwerpbekers zich
slechts uitstrekt over een periode van zes dagen, is hierbij niet relevant omdat dit verbod geldt
voor evenementen in de zin van artikel 1.2.1, §6, 6° VLAREMA, die per definitie tijdelijk zijn en
HHC - 33
slechts gedurende een korte periode worden georganiseerd. Wel relevant is dat verzoekende
partij dit verbod gedurende de festivaleditie van 2024 heeft geschonden en er daarbij door de
ruim 400.000 bezoekers ruim 1.820.000 wegwerpbekers zijn gebruikt in plaats van
herbruikbare bekers. De vaststelling dat er tijdens deze festivaleditie in bepaalde afgesloten
zones ook herbruikbare bekers zijn gebruikt, doet hieraan geen afbreuk.
Uit de voorliggende stukken blijkt bovendien dat verzoekende partij het verbod op het gebruik
van wegwerpbekers tijdens de festivaleditie van 2024 bewust heeft genegeerd. Ze stelt in haar
verzoekschrift dat de invulling van het festivalterrein, waarbij het gebruik van herbruikbare
bekers door de organisatorische impact hiervan een belangrijk element vormt, steeds goed
wordt overdacht, en dat de terreininrichting van de festivaleditie 2024 al in het najaar van 2023
wordt beslist. Dit impliceert dat, op het ogenblik dat ze op 9 januari 2024 aan de bevoegde
minister een uitzondering vroeg op het verbod op het gebruik van wegwerpbekers, ze feitelijk
al had beslist dat ze alleszins ook in 2024 en ondanks dit verbod nog wegwerpbekers zou
gebruiken, ongeacht de beslissing van de bevoegde minister over de hierop gevraagde
uitzondering. Ze heeft vervolgens tegen de weigering van de bevoegde minister, om op basis
van artikel 5.3.12.3 VLAREMA een uitzondering toe te staan op het verbod op het gebruik van
wegwerpbekers, ook geen verzoek tot vernietiging ingediend bij de Raad van State. Haar
opmerking, dat de periode voor de omschakeling naar het exclusief gebruik van herbruikbare
bekers overeenkomstig artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA te kort was, betreft feitelijk kritiek op
de datum van inwerkingtreding van dit artikel. Deze kritiek moet in het licht van de voorliggende
stukken bovendien worden genuanceerd omdat het verbod op het gebruik van wegwerpbekers
tijdens de festivaleditie van 2024 al in juni 2023 in werking is getreden. Gelet op de vastlegging
in het najaar van 2023 van de terreininrichting van de festivaleditie 2024, beschikte
verzoekende partij minstens over een half jaar om haar organisatie hieraan aan te passen. Ze
was bovendien ook vertegenwoordigd op een vergadering
tussen de OVAM en
vertegenwoordigers van de eventsector op 16 februari 2023, die betrekking had op de
invoering van de op het ogenblik van de feiten toepasselijke artikelen 5.3.12.1, lid 1 en 5.3.12.3
VLAREMA, respectievelijk via de artikelen 6 en 7 van het besluit van de Vlaamse regering van
12 mei 2023 tot wijziging van het VLAREMA. Uit het verslag van deze vergadering blijkt dat
de sector met betrekking tot het verbod op het gebruik van wegwerpbekers “vraagt om een
aanvaardbare overgangsperiode in te voeren en tijd te geven tot na de zomer of tot 2024 om
de regel toe te passen of tot een goede regel te komen”. Verzoekende partij heeft in haar
verzoekschrift bij de Raad van State, waarbij ze samen met andere eventorganisatoren de
vernietiging nastreefde van artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 mei 2023
tot wijziging van het VLAREMA, ook geen wettigheidskritiek geuit op het daarin opgenomen
principieel verbod op het gebruik van wegwerpbekers.
HHC - 34
3.4.
Verzoekende partij stelt ten slotte tevergeefs dat het milieumisdrijf niet ernstig is omdat het
gebruik in 2024 van wegwerpbekers geen ernstige nefaste gevolgen had voor de gezondheid
van de mens en het leefmilieu, en dat het tegendeel ook niet blijkt uit het PV of de bestreden
beslissing.
Zoals blijkt uit de bestreden beslissing en door verzoekende partij op zich niet ernstig wordt
betwist, kadert het verbod op het gebruik van wegwerpbekers in artikel 5.3.12.1, lid 1
VLAREMA in het streven met het Vlaamse materialen- en afvalbeleid naar afvalpreventie en
een daling van het materialengebruik -en verlies, waardoor de overgang naar een meer
circulaire economie wordt gestimuleerd. Het draagt ook bij
tot een effectieve
consumptievermindering van onder meer plastic wegwerkbekers en een toename van het
hergebruik van herbruikbare alternatieven, waardoor de netheid van het terrein verbetert en
de totale afvalberg en zwerfvuil afnemen. Het geschonden milieuvoorschrift beoogt dan ook
vooral om afval en overmatig materialengebruik -en verlies, met een risico op termijn op
schade voor de mens of het leefmilieu, maximaal te vermijden, en niet zozeer om rechtstreekse
effectieve milieuschade te voorkomen. Verzoekende partij wijst in die optiek tevergeefs op de
ontstentenis in het PV of in de bestreden beslissing van aangetoonde concrete milieuwinst,
doordat ze wegwerpbekers heeft gebruikt, die ze nog op stock had en die anders moesten
worden verwijderd en/of gestort en die ze naderhand maximaal heeft ingezameld en
gerecycleerd, in plaats van herbruikbare bekers, die nog moesten worden geproduceerd,
waarbij ze steunt op de conclusies van een door haar aangestelde milieudeskundige. Ze uit
hiermee feitelijk opnieuw kritiek op de vaststelling dat het verbod op het gebruik van
wegwerpbekers van toepassing was voor haar festivaleditie in 2024 en dat ze daarop geen
uitzondering heeft gekregen van de bevoegde minister overeenkomstig artikel 5.3.12.3
VLAREMA, dat vereist dat er afdoende wordt aangetoond dat het verbod in de concrete
omstandigheden niet zal leiden tot milieuwinst. De verbalisant kon in die optiek in het PV
vaststellen dat er een schending voorlag van artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA, zonder dat hij
daarbij ook vaststellingen moest doen met betrekking tot de milieuwinst in de zin van artikel
5.3.12.3 VLAREMA. Verzoekende partij toont niet aan dat het oordeel van de gewestelijke
entiteit op basis van dit PV, dat de doelstelling van een effectieve vermindering van het gebruik
van eenmalige drankrecipiënten en een toename van het hergebruik van herbruikbare
alternatieven, en de daarmee samenhangende en in studies aangetoonde milieuwinst, door
het gebruik van ruim 1.820.000 wegwerpbekers is ondermijnd, kennelijk onredelijk is. Ze
vertrekt bovendien ten onrechte van het uitgangspunt dat ze haar stock aan wegwerpbekers,
die ze overigens heeft gekocht op een ogenblik dat de verplichte transitie naar herbruikbare
bekers volop evolueerde en onafwendbaar was, bij gebreke aan het gebruik hiervan in 2024
HHC - 35
noodzakelijk moest verwijderen en/of storten omdat deze bekers in bepaalde situaties wel nog
mogen worden gebruikt.
4.
Wat betreft het waarderingscriterium van de frequentie, toont verzoekende partij niet aan de
hand van concrete en pertinente argumenten aan dat de motieven hierover in de bestreden
beslissing ontoereikend zijn en de beoordeling door de gewestelijke entiteit foutief of kennelijk
onredelijk is.
De gewestelijke entiteit oordeelt in de bestreden beslissing dat de boete niet wordt verhoogd
omwille van de frequentie omdat er geen indicaties zijn dat verzoekende partij eerder al
gelijkaardige feiten heeft gepleegd. Het oordeel van de gewestelijke entiteit, binnen haar ruime
discretionaire bevoegdheid bij het begroten van de boete, om het waarderingscriterium van de
frequentie bij het bepalen van het boetebedrag enkel als boeteverzwarende omstandigheid in
aanmerking te nemen, als vaststaat dat de overtreder al eerder gelijkaardige feiten pleegde,
ligt in de lijn van de parlementaire voorbereiding van artikel 16.4.29 DABM (Parl. St., Vl. P.,
2006-07, nr. 1249/1, 59). Er wordt daarin met name gesteld dat ‘het vanuit het
proportionaliteitsbeginsel belangrijk is om bij de bepaling van de bestuurlijke geldboeten
rekening te houden met zowel positieve (de omstandigheden waarin de vermoedelijke
overtreder milieu-inbreuken of milieumisdrijven pleegt of beëindigt) als negatieve factoren
(ernst van de milieu-inbreuk of de milieumisdrijffrequentie van de gepleegde feiten)’.
Verzoekende partij, die aanvoert dat ze nooit eerder is geverbaliseerd of beboet voor
gelijkaardige feiten, toont niet aan dat dit oordeel foutief of kennelijk onredelijk is, en dat het
eenmalige karakter van de schending noodzakelijk moest leiden tot een vermindering van het
basisboetebedrag.
5.
Wat betreft het waarderingscriterium van de verzachtende omstandigheden,
toont
verzoekende partij niet aan de hand van concrete en pertinente argumenten aan dat de
motieven hierover in de bestreden beslissing ontoereikend zijn, en dat de meetbare herleiding
door de gewestelijke entiteit van het basisboetebedrag met 30% tot 9.072 euro kennelijk
onredelijk is en dit percentage disproportioneel is in het licht van haar inspanningen.
De gewestelijke entiteit oordeelt in de bestreden beslissing dat de boete wordt verlaagd omdat
verzoekende partij het nodige deed om bij de volgende festivaleditie in 2025 enkel nog
herbruikbare bekers te gebruiken, gekoppeld aan een performant inzamelingssysteem.
Verzoekende partij voert hierover op zich geen betwisting, zodat ze niet betwist dat de
HHC - 36
herleiding van de boete evenredig is met haar bereidheid om voortaan enkel nog met
herbruikbare bekers te werken. In dit kader wordt opgemerkt dat de bereidheid van
verzoekende partij om maatregelen te nemen feitelijk niet meer omvat dan de naleving vanaf
2025 van de artikelen 5.3.12.1, lid 1 en 5.3.12.3 VLAREMA, die het gebruik van herbruikbare
bekers en een performant inzamelingssysteem vereisen, en normaal is in het licht van een
zorgvuldige bedrijfsvoering. Verzoekende partij is door de verbalisant, in het kader van de
kennisgeving van het PV, overigens ook aangemaand om deze milieuvoorschriften voortaan
na te leven, zodat haar niet betwiste inspanningen ook om die reden niet vrijblijvend waren.
Ze verwijt de gewestelijke entiteit tevergeefs dat deze hierbij ten onrechte ook geen rekening
houdt met haar onophoudelijk streven naar duurzaamheid en zorg voor de mens en het milieu,
in functie waarvan ze in 2024 nog heeft geopteerd voor een tweeledig systeem van zowel
herbruikbare bekers in strategische zones als wegwerpbekers in andere zones. Zoals gesteld
bij de ernst van de feiten, staat vast dat verzoekende partij het verbod op het gebruik van
wegwerpbekers in 2024 bewust heeft genegeerd, zodat het bestaan van het milieumisdrijf
vaststaat, terwijl ze ter zake tevergeefs wijst op de korte periode voor de overgang naar
herbruikbare bekers en de bevindingen van haar milieudeskundige over de ontstentenis van
milieuwinst op dat ogenblik. De vaststelling dat verzoekende partij hierover steeds veelvuldig
en transparant heeft gecommuniceerd doet niet anders besluiten.
6.
Wat betreft het waarderingscriterium van de omstandigheid van de financiële draagkracht,
toont verzoekende partij niet aan de hand van concrete en pertinente argumenten aan dat de
motieven hierover in de bestreden beslissing ontoereikend zijn, en dat de meetbare verhoging
door de gewestelijke entiteit van het boetebedrag met 200% tot 27.200 euro kennelijk
onredelijk is en dit percentage disproportioneel is in het licht van haar grootte en daarmee
gerelateerd haar financiële draagkracht.
De gewestelijke entiteit oordeelt in de bestreden beslissing dat de boete wordt verhoogd omdat
uit het balanstotaal, de jaaromzet en het personeelsbestand van verzoekende partij volgens
haar meest recente jaarrekening blijkt dat ze de drie drempelwaarden in artikel 1:24, §1 WVV
overschrijdt. Verzoekende partij toont niet aan dat het standpunt van de gewestelijke entiteit,
in het kader van haar ruime discretionaire bevoegdheid om de hoogte van de boete te bepalen,
dat er bij de begroting van de boete rekening moet worden gehouden met de financiële
draagkracht van de overtreder op het ogenblik van de bestreden beslissing, foutief of kennelijk
onredelijk is. Ze voert op zich geen ernstige betwisting over het principe dat een bestuurlijke
geldboete, in het licht van haar sanctionerend doel, dient te worden afgestemd op de grootte
en daarmee gerelateerd de financiële draagkracht van de overtreder. Ze voert op zich ook
HHC - 37
geen betwisting over het principe dat de grootte en de financiële draagkracht van een
onderneming op objectieve wijze kunnen worden bepaald op basis van de criteria balanstotaal,
jaaromzet en personeelsbestand, die kunnen worden afgeleid uit de op de website van de
Nationale Bank publiek raadpleegbare jaarrekening van de onderneming, volgens de
richtinggevende drempelwaarden uit de artikelen 1:24, §1 en 1:28, §1 WVV. Ze voert ten slotte
op zich geen betwisting over de
juistheid van haar balanstotaal,
jaaromzet en
personeelsbestand, die door de gewestelijke entiteit zijn afgeleid uit haar meest recente
jaarrekening en in de bestreden beslissing expliciet worden vermeld, en over de vaststelling
van de gewestelijke entiteit, dat daaruit blijkt dat de drie drempelwaarden in artikel 1:24, § 1
WVV ruimschoots zijn overschreden en ze op het ogenblik van de bestreden beslissing dan
ook niet voldoet aan de voorwaarden om te worden beschouwd als een kleine vennootschap.
Verzoekende partij maakt in het licht van de concrete omstandigheden niet aannemelijk dat
de toegepaste verhoging van de boete, omwille van haar financiële draagkracht op het
ogenblik van de bestreden beslissing, kennelijk onredelijk is in het licht van haar balanstotaal,
jaaromzet en personeelsbestand, waarvan ze de juistheid zoals gesteld niet betwist. De
gewestelijke entiteit doet met de concrete verwijzing naar deze actuele boekhoudkundige
gegevens op controleerbare wijze blijken hoe ze komt tot de verhoging van het boetebedrag,
zodat de bestreden beslissing ter zake afdoende is gemotiveerd. Verzoekende partij maakt
niet aannemelijk dat de beoordeling hiervan door de gewestelijke entiteit foutief of kennelijk
onredelijk is en dat de opgelegde boete daardoor disproportioneel is in het licht van haar
financiële draagkracht en de overige gegevens van het dossier. Verzoekende partij verwijst
tevergeefs naar het principe in het publiek raadpleegbare beslissingskader, dat de grootte en
financiële middelen van een rechtspersoon, die worden vastgesteld op basis van zijn meest
recente jaarrekening, aanleiding kunnen geven tot een verhoging van het boetebedrag met
50% of meer. Hoewel deze vork zeer ruim is opgevat en niet nader wordt gedetailleerd
naargelang het aantal overschreden drempelwaarden in artikel 1:24, §1 WVV en de mate
waarin deze worden overschreden, terwijl er bij de andere boetemodulerende elementen
zowel een minimum als een maximum boeteverlaging of -verhoging wordt vermeld, is ze nog
altijd slechts richtinggevend. De boeteverhoging omwille van de financiële draagkracht van de
overtreder moet dan ook steeds worden gesteund op en gemotiveerd aan de hand van de
concrete dossiergegevens, zonder dat de gewestelijke entiteit daarbij, in het licht van de
leidraad in haar beslissingskader, specifiek moet motiveren waarom de boete met meer dan
50% wordt verhoogd. Verzoekende partij verwijst ook tevergeefs naar de beoordeling door de
gewestelijke entiteit van de omstandigheid van de financiële draagkracht in andere
boetebeslissingen omdat de begroting van de boete in elk dossier moet gebeuren aan de hand
HHC - 38
van de criteria in de artikelen 16.4.4 en 16.4.29 DABM en met inachtneming van de specifieke
feitelijke gegevens van het dossier.
7.
Wat betreft het opleggen van een boete zonder geheel of gedeeltelijk uitstel van
tenuitvoerlegging hiervan, toont verzoekende partij niet aan de hand van concrete en
pertinente argumenten aan dat de motieven hierover in de bestreden beslissing ontoereikend
zijn en de beoordeling door de gewestelijke entiteit foutief of kennelijk onredelijk is.
Een alternatieve bestuurlijke geldboete ‘kan geheel of gedeeltelijk worden opgelegd met uitstel
van tenuitvoerlegging, voor zover geen bestuurlijke geldboete noch een strafrechtelijke
geldboete of gevangenisstraf werd opgelegd voor het plegen van een milieumisdrijf en/of
milieu-inbreuk gedurende vijf jaar voorafgaand aan het milieumisdrijf’ (artikel 16.4.29, §2, lid 1
DABM). Zoals blijkt, heeft de gewestelijke entiteit hiertoe de mogelijkheid, maar is ze daartoe
niet verplicht.
Verzoekende partij verwijt de gewestelijke entiteit tevergeefs dat deze de geldboete niet al dan
niet gedeeltelijk met uitstel van tenuitvoerlegging oplegt. Gelet op de vraag hiertoe van
verzoekende partij in haar schriftelijk verweer tijdens de bestuurlijke boeteprocedure, heeft de
gewestelijke entiteit deze mogelijkheid onderzocht, maar achtte ze dit volgens de motivering
hierover in de bestreden beslissing niet opportuun in het licht van de ernst van de feiten, in het
bijzonder het bewust negeren door verzoekende partij tijdens de festivaleditie van 2024 van
het verbod op het gebruik van wegwerpbekers door ruim 1.820.000 wegwerpbekers te
gebruiken. Verzoekende partij toont niet aan dat deze gemotiveerde opportuniteitsbeoordeling
1
van de gewestelijke entiteit kennelijk onredelijk is. Zoals gesteld, maakt ze niet aannemelijk
dat de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de ernst van de feiten, als eerste
waarderingscriterium om het boetebedrag te bepalen, foutief of kennelijk onredelijk is. Zelfs in
de veronderstelling dat ze voldoet aan de voorwaarden om te kunnen genieten van een uitstel,
brengt ze tijdens voorliggende procedure geen overtuigende pertinente en draagkrachtige
redenen aan om de bestuurlijke geldboete alsnog op
te
leggen met uitstel van
tenuitvoerlegging.
Het middel wordt verworpen.
C. Derde middel
Standpunt van de partijen
HHC - 39
1.
Verzoekende partij voert de schending aan van:
-
-
-
artikel 16.4.26 DABM
de artikelen 2 en 3 Motiveringswet
het motiverings-, het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel
als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Ze betwist in essentie de degelijkheid van de beoordeling door de gewestelijke entiteit in de
bestreden beslissing van de voordeelontneming, in het licht van haar argumentatie hierover
tijdens de bestuurlijke boeteprocedure. Ze betwist zowel het opleggen van de
voordeelontneming op zich (eerste onderdeel) als de berekening hiervan (tweede onderdeel).
In een eerste onderdeel stelt ze dat er geen grondslag is en ook geen noodzaak bestaat om
bovenop de boete ook nog een voordeelontneming op te leggen van 700.000 euro. Ze merkt
op dat het opleggen van een voordeelontneming op basis van artikel 16.4.26 DABM mogelijk
is, maar niet verplicht, en dat de discretionaire bevoegdheid ter zake van de gewestelijke
entiteit wordt begrensd door de beginselen van behoorlijk bestuur. Ze verwijt de gewestelijke
entiteit dat deze ten onrechte geen rekening houdt met de vaststelling dat er geen bewezen
milieumisdrijf voorligt. Ze verwijt de gewestelijke entiteit ook dat deze ten onrechte geen
rekening houdt met de omstandigheden en met name de ernst en het eenmalig karakter van
het milieumisdrijf. Ze stelt dat de gewestelijke entiteit bij haar beoordeling ten onrechte
voorbijgaat aan de argumentatie hierover in haar schriftelijk verweer en haar aanvullend
schriftelijk verweer, zoals toegelicht tijdens de hoorzitting, hoewel ze in het licht hiervan een
verstrengde motiveringsplicht heeft.
In een tweede onderdeel stelt ze dat de gewestelijke entiteit bij de berekening van het
vermogensvoordeel ten onrechte geen rekening houdt met de inkomsten die ze zou hebben
genoten bij het gebruik van herbruikbare bekers, en met de kosten die ze heeft uitgespaard
om te werken met recycleerbare wegwerpbekers, terwijl er bij de berekening van het
vermogensvoordeel zowel met opbrengsten, besparingen als kosten rekening moet worden
gehouden. Ze stelt dat de gewestelijke entiteit hierdoor het wettelijk begrip
‘vermogensvoordeel’ heeft geschonden, waarbij er voor de berekening van het bruto-voordeel
een vergelijking moet worden gemaakt tussen de brutovermogenssituatie van de overtreder
bij het begaan van het milieumisdrijf, en de brutovermogenssituatie van de overtreder in de
veronderstelling dat deze het milieumisdrijf niet zou hebben gepleegd. Ze stelt dat uit artikel
16.4.26 DABM en voorbereidende werken hiervan niet blijkt dat er bij de begroting van het
vermogensvoordeel geen rekening mag worden gehouden met de kosten die het vermeende
HHC - 40
milieumisdrijf heeft veroorzaakt. Ze meent dat zowel de reëel uitgespaarde kosten, die ze heeft
uitgespaard door op bepaalde plaatsen recycleerbare wegwerpbekers te gebruiken, als de
niet-gerealiseerde inkomsten, die ze zou hebben gerealiseerd bij het gebruik van herbruikbare
bekers, in rekening moeten worden gebracht. Ze stelt dat deze niet-gerealiseerde inkomsten,
die voortvloeien uit de financiële waarborg die ze mag inhouden als de festivalbezoekers
nalaten om de herbruikbare bekers terug in te leveren, kunnen worden begroot op 379.586,19
euro, terwijl de kosten voor het gebruik van recycleerbare bekers kunnen worden begroot op
119.981,11 euro. Ze komt op basis van haar berekeningen, die vertrekken van het verschil
tussen het door de gewestelijke entiteit begrote vermogensvoordeel van 758.828,28 euro en
de staffelkortingen van 58.828,28 euro, en die daarvan nog de niet-gerealiseerde inkomsten
uit de inhouding van de waarborg van 379.586,19 euro en kosten voor het gebruik van
recycleerbare bekers van 119.981,11 euro aftrekken, tot een vermogensvoordeel van
200.432,70 euro.
2.
Verwerende partij stelt dat verzoekende partij, door tijdens haar festivaleditie 2024 ook nog te
werken met wegwerpbekers, de kosten heeft uitgespaard die gepaard gaan met het opzetten
van een (retour)systeem voor herbruikbare bekers. Ze verwijst naar de uitgebreide motivering
in de bestreden beslissing met betrekking tot zowel het bestaan als de berekening van het
vermogensvoordeel en meent dat verzoekende partij niet aantoont dat de beoordeling foutief
of kennelijk onredelijk is.
Ter weerlegging van het eerste onderdeel, stelt ze dat verzoekende partij wel degelijk een
milieumisdrijf heeft gepleegd en verwijst ze naar de argumentatie ter weerlegging van het
eerste middel. Ze stelt dat verzoekende partij tevergeefs wijst op haar argumentatie tijdens de
bestuurlijke boeteprocedure over de geringe ernst van het eenmalig milieumisdrijf en de
vaststelling dat ze dit bij de volgende festivaleditie heeft geremedieerd, zodat er geen nood is
aan een voordeelontneming als bijkomende sanctie. Ze stelt dat de beslissing om al dan niet
een voordeelontneming op te leggen ressorteert binnen de discretionaire bevoegdheid van de
gewestelijke entiteit, die bovenop de boete nog een voordeelontneming kan opleggen als de
overtreder een vermogensvoordeel heeft genoten. Ze meent dat de gewestelijke entiteit
daarbij enkel moet motiveren dat er uit het milieumisdrijf effectief een brutovermogensvoordeel
is verkregen en dit uitgespaarde voordeel moet begroten, zoals in de bestreden beslissing ook
is gebeurd. Ze stelt dat de gewestelijke entiteit enkel bij de begroting van de boete rekening
moet houden met elementen als verzachtende omstandigheden, en deze elementen niet
relevant zijn bij de voordeelontneming, zodat de bestreden beslissing niet kennelijk onredelijk
is omdat er daarmee geen rekening is gehouden.
HHC - 41
Ter weerlegging van het tweede onderdeel, stelt ze dat het brutovermogensvoordeel, dat is
verkregen door het plegen van het milieumisdrijf, het verschil bedraagt tussen de niet-
normconforme situatie en de normconforme situatie, zonder aftrek van eventuele opbrengsten
als men normconform zou hebben gehandeld, zoals BTW en de opbrengst van
waarborggelden van niet-geretourneerde herbruikbare bekers, en zonder aftrek van de kosten
die men voor het plegen van het milieumisdrijf heeft gemaakt. Ze stelt dat de gewestelijke
entiteit bij de begroting van het vermogensvoordeel is voortgegaan op de berekening van het
vermogensvoordeel door verzoekende partij, in antwoord op de berekening van de verbalisant
in het PV, en de begroting van het vermogensvoordeel in de bestreden beslissing afdoende
wordt gemotiveerd. In zoverre verzoekende partij meent dat de gewestelijke entiteit ten
onrechte geen rekening heeft gehouden met de inkomsten van 379.586,19 euro, die ze zou
hebben genoten door het waarborgsysteem bij het gebruik van herbruikbare bekers, stelt ze
dat opbrengsten, die enkel zouden zijn genoten bij een normconform handelen, niet in
mindering worden gebracht bij een bruto-voordeelontneming omdat het bedrag van het
voordeel moet worden berekend aan de uitgespaarde bruto-kostprijs, ongeacht of men in een
normconforme situatie al dan niet een deel had kunnen recupereren. Ze stelt dat opbrengsten,
die enkel en alleen zijn genoten in een normconforme situatie, geen opbrengsten zijn die
verband houden met het plegen van het milieumisdrijf. In zoverre verzoekende partij meent
dat de gewestelijke entiteit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de kosten van
119.981,11 euro, die ze heeft gemaakt voor het gebruik van wegwerpbekers, stelt ze dat deze
kosten zijn gemaakt voor het plegen van het milieumisdrijf en ook niet in mindering moeten
worden gebracht.
3.
Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoordnota in hoofdorde in de argumentatie in
haar verzoekschrift. Wat betreft het eerste onderdeel, meent ze dat de opgelegde
voordeelontneming, door de hoogte van het bedrag, een zeer ingrijpende maatregel is,
waardoor de bestreden beslissing ter zake bijzonder zorgvuldig en concreet moet zijn
onderbouwd, wat niet het geval is. Ze stelt dat er zich, in de hypothese dat het College meent
dat er bij een voordeelontneming geen ruimte bestaat voor een matigings- en
milderingsbevoegdheid, waardoor het bedrag niet lager kan worden vastgesteld dan het
geschatte voordeel, een prejudiciële vraag opdringt aan het Grondwettelijk Hof wegens een
ongelijkheid met de bevoegdheid van de strafrechter. Ze stelt dat de decreetgever de
bestuurlijke voordeelontneming met het wijzigingsdecreet van 22 november 2013 bewust
nauwer heeft willen doen aansluiten bij het systeem van de strafrechtelijke verbeurdverklaring
in artikel 43bis, laatste lid Strafwetboek, dat sinds 2014 voorziet in een matigingsbevoegdheid
door de strafrechter van het vermogensvoordeel, om de veroordeelde geen onredelijk zware
HHC - 42
straf op te leggen, waarbij de strafrechter onder meer verzachtende omstandigheden in
rekening kan brengen. Ze stelt dat er een ongerechtvaardigd verschil in behandeling ontstaat
met de strafrechter, in strijd met het gelijkheidsbeginsel in de artikelen 10 en 11 GW en met
artikel 6 EVRM en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, als het College
zou oordelen dat artikel 44 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de
rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet), in
samenlezing met 16.4.26 DABM, geen vergelijkbare matigingsmogelijkheid inhoudt, omdat
zowel het College als de strafrechter oordelen met volle rechtsmacht en de verdachte van een
strafrechtelijk beteugeld misdrijf zich in wezenlijk dezelfde situatie bevindt als de verdachte
van een administratiefrechtelijk vervolgd (milieu)misdrijf. Ze stelt dat de volle rechtsmacht van
het College gepaard gaat met een hervormingsbevoegdheid en dus met een mogelijkheid om
te moduleren of te verzachten.
Wat betreft het
tweede onderdeel, herhaalt ze dat ook de berekening van het
brutovermogensvoordeel een volledige vergelijking vereist tussen de vermogenssituatie met
en deze zonder het vermeende milieumisdrijf, waarbij alle brutovermogensaspecten worden
betrokken. Ze verwijt de gewestelijke entiteit dat deze bij haar berekening willekeurig bepaalde
vermogenscomponenten, zoals de uitgespaarde kosten voor huur en transport, wel heeft
meegenomen, maar andere even relevante aspecten ten onrechte heeft uitgesloten. Ze stelt
dat het uitsluiten van niet-gerealiseerde inkomsten en gemaakte kosten, in het licht van de
beginselen van behoorlijk bestuur, minstens moest leiden tot een substantiële vermindering
van het vermogensvoordeel.
Beoordeling door het College
1.
Artikel 16.4.26 DABM voorziet dat er door de gewestelijke entiteit, ‘samen met een bestuurlijke
geldboete, een voordeelontneming kan worden opgelegd’, die ‘een sanctie is waarbij een
overtreder verplicht wordt een al dan niet geschat geldbedrag te betalen, ter waarde van het
brutovermogensvoordeel dat uit het milieumisdrijf is verkregen’.
Artikel 16.4.26 DABM bepaalde als waarde van het te betalen geldbedrag initieel het
‘nettovermogensvoordeel’ dat uit het milieumisdrijf is verkregen, totdat dit met artikel 30 van
het decreet van 22 november 2013 tot wijziging van titel XVI DABM werd aangepast naar het
‘brutovermogensvoordeel’. Deze wijziging wordt in de memorie van toelichting (ontwerp van
decreet tot wijziging van titel XVI DABM, VL.PARL., 2013-2014, 2 oktober 2013, nr. 2197/1,
24) toegelicht als volgt:
HHC - 43
“De verbeurdverklaring die uitgesproken wordt door de strafrechter komt steeds overeen met de
geschatte brutowaarde van het voordeel dat de overtreder genoten heeft door het plegen van het
milieumisdrijf. De bestuurlijke voordeelontneming wordt met deze aanpassing van nettowaarde
naar brutowaarde meer op hetzelfde spoor gebracht van de strafrechtelijke verbeurdverklaring. Het
afschrikkingseffect dat de mogelijkheid tot het opleggen van een vermogensvoordeel moet
meebrengen, wordt hierdoor voor iedereen van in het begin duidelijker.”
Het verslag namens de Commissie voor Leefmilieu, Natuur, Ruimtelijke Ordening en
Onroerend Erfgoed (VL.PARL., 2013-2014, 4 november 2013, nr. 2197/2, 4) stelt hierover het
volgende:
“Daarnaast wordt de bestuurlijke sanctionering aangepast doordat de netto-voordeelontneming
wordt omgevormd tot een bruto-voordeelontneming. Dit komt overeen met de geschatte
brutowaarde van het voordeel dat de overtreder heeft genoten door het plegen van het
milieumisdrijf. Door deze aanpassing wordt de bestuurlijke sanctionering volgens de minister meer
gelijklopend met de strafrechtelijke verbeurdverklaring, waardoor het afschrikkingseffect van in het
begin duidelijker is. Dit zijn aanpassingen die de bestuurlijke sanctionering nog meer slagkracht
zullen geven.”
De bevoegde minister stelde hierover tijdens de parlementaire gedachtewisseling naar
aanleiding van de evaluatie van de toentertijd bestaande titel XVI DABM (verslag namens de
Commissie voor Leefmilieu, Natuur, Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed, VL.PARL.,
2012-2013, 9 november 2012, nr. 1800/1) het volgende:
“Ook zal de nettovoordeelontneming worden omgevormd tot een brutovoordeelontneming,
teneinde dit instrument vlotter toepasbaar te maken. Bij de nettovoordeelontneming mogen de
kosten om het vermogensvoordeel te realiseren niet meegerekend worden bij de bepaling van het
verworven vermogensvoordeel. Deze verplichte correcte verrekening van de kosten die de
overtreder heeft moeten maken voor het plegen van het misdrijf maakt het instrument moeilijk
hanteerbaar en gemakkelijk aanvechtbaar. Het voordeel van de brutovoordeelontneming is dat
deze kosten niet meer in rekening hoeven gebracht te worden en de handhaver bijgevolg meer
bewegingsvrijheid krijgt.”
Uit geciteerde tekstfragmenten blijkt dat de decreetgever, met de wijziging van artikel 16.4.26
DABM in 2013, beoogde om de voordeelontneming in het DABM af te stemmen op de
strafrechtelijke verbeurdverklaring. Daar geldt het principe dat bij de begroting van de
verbeurdverklaring van vermogensvoordelen, die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen,
moet worden uitgegaan van de bruto verkregen voordelen en niet van de nettowinst of
verrijking
(Cass. 27 september 2006,
Bij de begroting van de
HHC - 44
vermogensvoordelen die uit het misdrijf zijn verkregen, dient geen aftrek te worden gedaan
van de kosten die zijn verbonden aan de realisatie van het misdrijf (Cass. 14 oktober 2014,
Het vermogensvoordeel dat rechtstreeks uit een misdrijf is verkregen in de zin
van artikel 42, 3° Strafwetboek 1867, omvat elk voordeel dat voortvloeit uit een misdrijf, zonder
dat aftrek moet worden gedaan van de kosten die verbonden zijn aan het plegen van het
misdrijf. Bij de bepaling van de uit een bewezen verklaard misdrijf verkregen
vermogensvoordelen, is de strafrechter er ook niet toe verplicht om de kosten in mindering te
brengen, die de beklaagde heeft gemaakt om de gevolgen van het misdrijf ongedaan te maken
of om het plegen van een misdrijf in de toekomst te vermijden (Cass. 24 september 2024,
).
Een strafrechtelijke verbeurdverklaring kan sinds 2014 ook niet meer worden opgelegd met
uitstel van tenuitvoerlegging. De strafrechter kan, op basis van artikel 43bis, lid 7 Strafwetboek
1867, het bedrag van de vermogensvoordelen zo nodig wel verminderen, om de veroordeelde
geen onredelijk zware straf op te leggen. De strafrechter beoordeelt het ‘redelijke karakter’
daarbij in concreto, onder meer op basis van de financiële draagkracht van de veroordeelde
(tenzij deze zich opzettelijk insolvabel heeft gemaakt om zich te onttrekken aan de
strafuitvoering) en de ernst van de gepleegde feiten. De strafrechter moet er over waken aan
de beklaagde geen straf op te leggen, die dermate afbreuk doet aan zijn financiële toestand,
dat ze een miskenning inhoudt van het eigendomsrecht (Cass. 3 mei 2022, P.22.0040.N).
De federale wetgever heeft de rechtspraak van het Hof van Cassatie ondertussen verankerd
in het nieuwe Strafwetboek van 29 februari 2024. De memorie van toelichting verwijst daarbij
naar deze rechtspraak, en stelt dat voor het bepalen van het bedrag van de
vermogensvoordelen of hun equivalent het brutoresultaat wordt geviseerd, en niet het netto
voordeel dat door het misdrijf wordt voortgebracht (wetsontwerp tot invoering van Boek I van
het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 23 mei 2023, nr. 55-3374/001, 212). Op basis van
artikel 65, §1, lid 2 Strafwetboek 2024 kan de verbeurdverklaring niet worden opgelegd met
uitstel van tenuitvoerlegging. De matigingsbevoegdheid van de strafrechter is overgenomen in
artikel 53, §6 Strafwetboek 2024, op basis waarvan de strafrechter de verbeurdverklaring van
het bedrag van de vermogensvoordelen indien nodig vermindert, teneinde de veroordeelde
niet te onderwerpen aan een onredelijk zware straf.
Met de term ‘vermogensvoordeel’ worden ook kostenbesparingen bedoeld (Cass. 22 oktober
2003,
). Bespaarde kosten zijn kosten die een overtreder noodzakelijkerwijze zou
moeten hebben gemaakt om een activiteit wetsconform te kunnen uitvoeren. Door bepaalde
HHC - 45
uitgaven niet te verrichten, die wel noodzakelijk zijn om wetsconform te handelen, houdt een
overtreder immers bedragen in zijn vermogen, waarop hij in feite geen recht heeft.
Doordat de voordeelontneming, zowel in het kader van het federale strafrecht als het DABM,
is gebaseerd op de brutovermogensvoordelen, gaat ze verder dan een louter herstel van de
vermogensrechtelijke toestand van de overtreder, waardoor er niet louter een vergelijking kan
worden gemaakt tussen de vermogenssituatie met en deze zonder het bewezen verklaarde
milieumisdrijf. Ook de voordeelontneming heeft een punitief karakter. De decreetgever heeft
dit bij de totstandkoming van de huidige versie van artikel 16.4.26 DABM ook bevestigd, en
wou de bestuurlijke handhaving meer slagkracht geven. Dit staat er evenwel niet aan in de
weg dat er een vereiste van causaal verband geldt tussen het ten laste gelegde milieumisdrijf
en het genoten voordeel. Er moet met name worden nagegaan welke verplichting de
overtreder heeft genegeerd, of welk verbod hij heeft overtreden, en vervolgens welk voordeel
of welke kostenbesparing er daaruit voor hem voortvloeit.
2.
De gewestelijke entiteit legt verzoekende partij in de bestreden beslissing, naast een boete,
ook een voordeelontneming op. Ze motiveert het opleggen van de voordeelontneming en de
begroting hiervan in de bestreden beslissing als volgt:
“…
Door gedurende de twee festivalweekends van het evenement … 2024 nog wegwerpbekers te
gebruiken op de voor het publiek toegankelijke gedeeltes van het festivalterrein, in plaats van
herbruikbare bekers, heeft de overtreder de kosten uitgespaard die gepaard gaan met het opzetten
van een (retour)systeem voor herbruikbare bekers. De uitgespaarde kosten omvatten onder meer
de kosten die zij had moeten maken voor de huur en afwas van herbruikbare bekers, de opslag
(warehouse), het transport naar de festivalsite en on site, en de hiermee samenhangende
personeelskosten. Deze uitgespaarde kosten zijn wederrechtelijk verkregen vermogensvoordelen
die niet in het vermogen van de overtreder mogen worden gelaten.
Deze uitgespaarde kosten zijn door de verbalisant in het aanvankelijk proces-verbaal geraamd op
1.636.000 euro, op basis van de gegevens die de overtreder heeft vermeld in haar aanvraag voor
een uitzondering op het verbod voor haar evenement … 2024. Bij deze raming is voortgegaan op
de door de overtreder aangegeven cijfers van 3.500.000 benodigde drankrecipiënten en een
verliespercentage van 18% (630.000 bekers). Bij deze raming is nog geen rekening gehouden met
de commerciële kortingen en het bestaan van eventuele partnerships, sponsor- en/of
leveranciersdeals die de overtreder geniet.
HHC - 46
De overtreder heeft in haar stuk 20 bij de verweernota een naar haar oordeel concrete en
realistische raming bijgebracht van de uitgespaarde kost. Zij begroot de vermeden kosten voor
herbruikbare bekers op 385.434,33 euro. In de aanvullende verweernota wordt dit bedrag
gemotiveerd herleid naar 379.242,09 euro. De aantallen herbruikbare bekers zijn in beide
berekeningen hetzelfde, enkel de kost wordt voor bepaalde bedragen bijgesteld. De overtreder
geeft aan dat deze cijfers zijn gebaseerd op een extrapolatie van een aantal locaties op het
evenement waar wel met herbruikbare bekers werd gewerkt naar het volledige evenement, met
dien verstande dat zij bij inzet van herbruikbare bekers op het gehele evenement vermoedelijk
grotere staffelkortingen zou hebben verkregen omwille van afname van grotere hoeveelheden. Bij
haar aanvullende verweernota werden de nodige stavingstukken overgemaakt (bestelbonnen,
facturen,…). Deze stavingstukken laten toe om bij raming van het vermogensvoordeel rekening te
houden met door de overtreder onderhandelde commerciële kortingen en met partnerships,
sponsor- en/of leveranciersdeals, die de overtreder geniet. Het bedrag van 379.242,09 euro wordt
bijgevolg door de gewestelijke entiteit als uitgangspunt genomen voor begroting van het
vermogensvoordeel.
Het bedrag van 379.242,09 euro is bekomen door van het totale bedrag van de uitgespaarde
kosten een post van 379.586,19 euro af te trekken. Deze post heeft betrekking op de inkomsten
die de overtreder bij het werken met herbruikbare bekers zou hebben genoten uit de waarborg voor
niet-ingeleverde herbruikbare bekers.
In tegenstelling tot hetgeen de overtreder voorhoudt, moeten de inkomsten die zij bij het werken
met herbruikbare bekers zou hebben genoten uit de waarborg voor niet-ingeleverde herbruikbare
bekers niet in mindering worden gebracht van de uitgespaarde kosten. Dit zijn geen voordelen die
verkregen zijn uit het plegen van het milieumisdrijf, maar wel opbrengsten die zij gebeurlijk zou
hebben genoten in de hypothese dat zij normconform met een systeem van herbruikbare bekers
had gewerkt. Dergelijke hypothetische opbrengsten moeten niet in mindering worden gebracht bij
begroting van het vermogensvoordeel. Het louter gegeven dat zij in een normconforme situatie een
deel van de kosten verbonden aan het werken met een systeem van herbruikbare bekers had
kunnen recupereren door opbrengsten uit de waarborg voor niet-ingeleverde herbruikbare bekers
doet hieraan geen afbreuk. Het bedrag van de uitgespaarde kosten wordt bijgevolg begroot op het
bedrag voor aftrek van de 379.586,19 euro, zijnde 758.828,28 euro (379.242,09 + 379.586,19).
Het bekomen bedrag van 758.828,28 dient evenmin verminderd te worden met de kosten die de
overtreder heeft gemaakt voor het gebruik van niet-herbruikbare bekers (rPET-bekers) bij de
festivaleditie 2024 en die door haar worden begroot op 113.981,11 euro. Dit zijn kosten die de
overtreder heeft gemaakt voor het plegen van het milieumisdrijf. Dergelijke kosten moeten bij de
begroting van een brutovermogensvoordeelontneming niet in mindering worden gebracht. Artikel
30 van het decreet 22 november 2013 tot wijziging van titel XVI van het decreet van 5 april 1995
houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid heeft artikel 16.4.26 DABM met ingang van
HHC - 47
31 januari 2014 gewijzigd, waardoor sindsdien rekening moet worden gehouden met het
brutovermogensvoordeel en niet meer met het nettovermogensvoordeel. Deze regelgevende
aanpassing vloeit voort uit een evaluatie van het Milieuhandhavingsdecreet. In het verslag aan het
Vlaams Parlement uitgebracht op 9 november 2012 namens de Commissie voor Leefmilieu,
Natuur, Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed over de evaluatie van het
Milieuhandhavingsdecreet, wordt het volgende gesteld:
“(…) zal de nettovoordeelontneming worden omgevormd tot een brutovoordeelontneming,
teneinde dit instrument vlotter toepasbaar te maken. Bij de nettovoordeelontneming mogen de
kosten om het vermogensvoordeel te realiseren niet meegerekend worden bij de bepaling van
het verworven vermogensvoordeel. Deze verplichte correcte verrekening van de kosten die de
overtreder heeft moeten maken voor het plegen van het misdrijf maakt het instrument moeilijk
hanteerbaar en gemakkelijk aanvechtbaar. Het voordeel van de brutovoordeelontneming is dat
deze kosten niet meer in rekening hoeven gebracht te worden en de handhaver bijgevolg meer
bewegingsvrijheid krijgt.” (Verslag Comm. Leefmilieu Vl. Parl. 9 november 2012, Parl. St. 2012-
2013, nr. 1800/1, p. 18).
De gewestelijke entiteit kan de overtreder wel bijtreden waar zij stelt dat zij bij gebruik van
herbruikbare bekers voor het volledige evenement vermoedelijk grotere staffelkortingen zou
hebben verkregen omwille van afname van grotere hoeveelheden. Deze vermoedelijke grotere
staffelkorting geldt evenwel niet voor alle uitgespaarde kostenposten (bv. uitgespaarde kost voor
crew), maar enkel voor de kosten die gerelateerd zijn aan afname van bepaalde hoeveelheden.
Het bedrag van de voor staffelkorting in aanmerking komende uitgespaarde kostenposten bedraagt
maximaal 300.000 euro van de uitgespaarde kosten van 758.828,28 euro. De gewestelijke entiteit
acht het, rekening houdend met voormelde elementen, redelijk en billijk om het geraamde
totaalbedrag van de uitgespaarde kosten van 758.828,28 euro omwille van de vermoedelijk grotere
staffelkortingen die de overtreder bij gebruik van herbruikbare bekers voor het volledige evenement
zou kunnen bedongen, te herleiden tot 700.000 euro.
Het vermogensvoordeel voor de overtreder om zich niet aan de vigerende regelgeving te houden,
kan, gelet op voormelde elementen, uiterst minimaal, naar billijkheid en redelijkheid, geraamd
worden op 700.000 euro. Dit bedrag wordt conform artikel 16.4.26 DABM naast de alternatieve
bestuurlijke geldboete als voordeelontneming opgelegd.
...”
3.
Verzoekende partij stelt tevergeefs dat er geen grondslag bestaat om een voordeelontneming
op te leggen omdat er geen bewezen milieumisdrijf voorligt, dat haar kan worden toegerekend.
Ze herhaalt hiermee feitelijk haar argumentatie onder het eerste middel. Het College verwijst
dan ook naar de beoordeling van het eerste middel, waarin deze argumentatie is verworpen.
HHC - 48
4.
Verzoekende partij verwijt de gewestelijke entiteit ook tevergeefs dat deze bij de beoordeling
van de noodzaak van een voordeelontneming ten onrechte voorbijgaat aan de ernst en het
eenmalig karakter van het milieumisdrijf.
4.1.
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de gewestelijke entiteit een voordeelontneming oplegt
omdat er uit het milieumisdrijf een vermogensvoordeel
is voortgevloeid en dat
vermogensvoordeel niet in het vermogen van de overtreder mag worden gelaten. Ze wijst met
name op de vaststelling dat verzoekende partij, door het gebruik van wegwerpbekers op de
voor het publiek toegankelijke gedeeltes tijdens haar festivalevenement in 2024, kosten heeft
uitgespaard, die gepaard gaan met het opzetten van een (retour)systeem voor herbruikbare
bekers, en dat deze uitgespaarde kosten wederrechtelijk verkregen vermogensvoordelen zijn,
die niet in het vermogen van verzoekende partij mogen worden gelaten. Verzoekende partij
toont niet aan dat deze motivering voor het opleggen van een voordeelontneming niet
afdoende is, terwijl ze op zich ook niet betwist dat ze door het gebruik van wegwerpbekers
kosten heeft uitgespaard. Het College wijst daarbij op de vaststelling, dat de federale wetgever
in het Strafwetboek 2024 de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen verplicht heeft
gemaakt, waarmee wordt aangegeven dat het evident is dat de overtreder niet in het bezit
wordt gelaten van het voordeel dat hij door het plegen van een misdrijf heeft genoten.
4.2.
Artikel 16.4.26 DABM voorziet dat een voordeelontneming, als bestuurlijke sanctie, samen
wordt opgelegd met een bestuurlijke geldboete. Terwijl een bestuurlijke geldboete is gericht
op leedtoevoeging omwille van het gepleegde milieumisdrijf, is de voordeelontneming vooral
gericht op het ontnemen van het in wezen ongeoorloofd voordeel dat de overtreder heeft
behaald uit het milieumisdrijf. Zoals hoger gesteld (onder het tweede middel), moet de
gewestelijke entiteit bij het opleggen van een boete zorgen dat er geen kennelijke
wanverhouding bestaat tussen de opgelegde boete en de feiten die daaraan ten grondslag
liggen (artikel 16.4.4 DABM), zoals nader wordt gepreciseerd door de vereiste dat de hoogte
van de boete wordt afgestemd op de ernst van het milieumisdrijf, terwijl er ook rekening wordt
gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder dit heeft gepleegd
of beëindigd (artikel 16.4.29 DABM). Dit is niet van toepassing bij het opleggen van de
voordeelontneming, die in beginsel enkel moet worden begroot op basis van het voordeel dat
de overtreder heeft genoten door het plegen van het milieumisdrijf. Verzoekende partij verwijt
de gewestelijke entiteit dan ook
tevergeefs dat deze bij de begroting van de
voordeelontneming geen rekening heeft gehouden met ‘verzachtende omstandigheden’ of
HHC - 49
daarover in de bestreden beslissing geen motivering heeft opgenomen omdat deze enkel
relevant kunnen zijn bij de begroting van de boete.
5.
Verzoekende partij toont afdoende aan dat de begroting in de bestreden beslissing van de
voordeelontneming foutief of kennelijk onredelijk is, in zoverre de gewestelijke entiteit daarbij
geen rekening houdt met de opbrengsten die bij het gebruik van herbruikbare bekers zouden
zijn gegenereerd uit het waarborgsysteem voor niet ingeleverde herbruikbare bekers.
5.1.
Zoals gesteld, bepaalt artikel 16.4.26 DABM dat de voordeelontneming moet worden
afgestemd op het brutovermogensvoordeel dat door de overtreder uit het milieumisdrijf is
verkregen, zodat er geen aftrek mag gebeuren van de kosten die zijn verbonden aan de
realisatie van het misdrijf. De gewestelijke entiteit moet dit bedrag begroten, maar kan het
desnoods schatten, als het niet kan worden berekend op basis van objectieve gegevens in het
administratief dossier. De decreetgever beoogt hiermee aansluiting te vinden bij de
strafrechtelijke verbeurdverklaring en het afschrikkingseffect van de voordeelontneming te
verduidelijken.
5.2.
Zoals blijkt uit de bestreden beslissing en door partijen niet wordt betwist, heeft de gewestelijke
entiteit haar begroting van het vermogensvoordeel in hoofdzaak gesteund op de gegevens die
door verzoekende partij in dit kader tijdens de bestuurlijke boeteprocedure zijn bijgebracht. De
gewestelijke entiteit heeft daarbij ook aangegeven op welke punten ze de eigen berekening
van verzoekende partij niet volgt. Ze motiveert met name waarom ze geen rekening houdt met
de inkomsten die verzoekende partij zou hebben verkregen, als ze had gewerkt met een
(retour)systeem voor herbruikbare bekers, en met de kosten die verzoekende partij heeft
gemaakt door het gebruik van wegwerpbekers. Ze motiveert ook waarom ze, in navolging van
het standpunt hierover van verzoekende partij, oordeelt dat het genoten vermogensvoordeel
redelijk en billijk moet worden herleid, in het licht van de veronderstelling dat verzoekende
partij bij het gebruik van herbruikbare bekers op het hele festivalterrein vermoedelijk grotere
staffelkortingen zou hebben verkregen.
5.3.
Verzoekende partij toont niet aan dat het oordeel van de gewestelijke entiteit in de bestreden
beslissing, dat er geen rekening wordt gehouden met de kosten voor het gebruik van
wegwerpbekers, foutief of kennelijk onredelijk is. Het kan redelijkerwijze niet ernstig worden
HHC - 50
betwist, dat de kosten voor de aankoop en de verplichte recyclage van de gebruikte
wegwerpbekers ressorteren onder de kosten die verzoekende partij heeft gemaakt voor het
plegen van het milieumisdrijf en kosten betreffen om het vermogensvoordeel te realiseren.
Haar standpunt, dat deze kosten moeten worden afgetrokken van het te ontnemen
vermogensvoordeel, miskent het begrip ‘brutovermogensvoordeel’ dat uit het milieumisdrijf is
verkregen in artikel 16.4.26 DABM, waarmee in essentie de opbrengst uit het milieumisdrijf,
als voordeel of als kostenbesparing, wordt beoogd, en niet de nettowinst of de verrijking van
de overtreder.
5.4.
Verzoekende partij maakt wel redelijkerwijze afdoende aannemelijk, dat het oordeel van de
gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing, dat er ook geen rekening wordt gehouden met
de opbrengsten die bij het gebruik van herbruikbare bekers zouden zijn gegenereerd uit het
waarborgsysteem voor niet ingeleverde gebruikte herbruikbare bekers, foutief of kennelijk
onredelijk is.
Zoals gesteld, heeft verzoekende partij bij de organisatie van haar festivalevenement in 2024
een milieumisdrijf gepleegd, door op de voor het publiek toegankelijke gedeeltes van het
festivalterrein wegwerpbekers te gebruiken, in strijd met artikel 5.3.12.1, lid 1 VLAREMA. Ze
heeft hierdoor kosten uitgespaard, die ze in de hypothese dat ze wetsconform had gehandeld,
en met name op het volledige festivalterrein enkel herbruikbare bekers had gebruikt,
noodzakelijkerwijze moest hebben gemaakt. Zoals blijkt uit het administratief dossier en door
partijen op zich niet betwist, betreft het met name onder meer kosten voor de huur van de
herbruikbare bekers, kosten om de gebruikte herbruikbare bekers te wassen, kosten om de
niet teruggebrachte gebruikte herbruikbare bekers te vervangen, opslag- en transportkosten
en personeelskosten. De discussie tussen partijen heeft betrekking op de opbrengst van de
ingehouden waarborgen voor de niet teruggebrachte gebruikte herbruikbare bekers, in de
hypothese dat verzoekende partij wetsconform zou hebben gehandeld.
Het wetsconform handelen van verzoekende partij, door het exclusief gebruik van herbruikbare
bekers, was in het licht van artikel 5.3.12.4 VLAREMA onlosmakelijk verbonden met het
opzetten van een systeem, dat in het kader van de daarmee beoogde afvalpreventie
garandeert dat minstens 90% van de gebruikte herbruikbare bekers wordt ingezameld voor
hergebruik, waarvoor de eventorganisator verantwoordelijk is. Dit wordt door de gewestelijke
entiteit in de bestreden beslissing ook bevestigd, met de overweging dat verzoekende partij
‘de kosten heeft uitgespaard die gepaard gaan met het opzetten van een (retour)systeem voor
herbruikbare bekers’. De wettelijke plicht van de eventorganisator, om een performant systeem
HHC - 51
te voorzien voor het inzamelen van de herbruikbare bekers na hun gebruik, in functie van de
doelstelling om hiervan vervolgens minstens 90% opnieuw te kunnen gebruiken, vereist niet
noodzakelijk dat er voor het gebruik van de herbruikbare bekers een waarborg wordt gevraagd
aan de gebruikers, opdat deze de bekers na gebruik opnieuw zouden inleveren. Het werken
door een eventorganisator met een waarborgsysteem vormt wel een gebruikelijk en
ingeburgerd performant systeem in de zin van artikel 5.3.12.4 VLAREMA. Het is inherent aan
dergelijk wettelijk verplicht ‘(retour)systeem’, dat de voor de niet teruggebrachte bekers
betaalde waarborg door de eventorganisator wordt ingehouden. De opbrengst van de
ingehouden waarborgen maakt dan ook een onlosmakelijk onderdeel uit van het wettelijk
verplicht op te zetten ‘systeem’, zodat er hiervan bij de begroting van de uitgespaarde kosten
voor dit (retour)systeem geen abstractie kan worden gemaakt en deze opbrengst daarvan niet
kan worden afgesplitst. Uit de vaststelling dat de eventorganisator is verplicht om een systeem
op te zetten, waarmee een inzamelingspercentage van de gebruikte herbruikbare bekers wordt
gegarandeerd van minstens 90%, volgt dat er mogelijks tot 10% van de gebruikte herbruikbare
bekers niet wordt ingezameld. In die optiek is het niet hypothetisch, dat de eventorganisator
door het wettelijk waarborgsysteem een opbrengst genereert uit de ingehouden waarborgen
voor hoogstens 10% van de gebruikte herbruikbare bekers. Deze opbrengst maakt dan ook
integraal deel uit van de berekening van het brutovermogensvoordeel, dat voortvloeit uit het
bewezen milieumisdrijf en dat aan verzoekende partij wordt ontnomen omdat ze niet
wetsconform heeft gehandeld.
6.
Verzoekende partij toont niet aan dat de opgelegde voordeelontneming dermate hoog is, dat
er sprake is van een onredelijk zware straf en dat het bedrag van de voordeelontneming (ook)
om die reden moet worden verminderd.
6.1.
Verzoekende partij stelt dat de gewestelijke entiteit, in het licht van het doel van de
decreetgever om de voordeelontneming in het DABM af te stemmen op de strafrechtelijke
verbeurdverklaring, bij de beslissing tot het opleggen van een voordeelontneming beschikt
over een matigings- of milderingsbevoegdheid, zoals de strafrechter bij de strafrechtelijke
verbeurdverklaring. Zoals gesteld, beschikt de strafrechter over een matigingsbevoegdheid,
waarbij hij erover moet waken dat er aan de beklaagde geen straf wordt opgelegd die dermate
afbreuk doet aan zijn financiële toestand, dat ze een miskenning inhoudt van zijn
eigendomsrecht. Het College meent dat de gewestelijke entiteit beschikt over eenzelfde
matigingsbevoegdheid als de strafrechter, zodat het binnen zijn volle rechtsmacht toezicht kan
houden op de uitoefening van die matigingsbevoegdheid door de gewestelijke entiteit.
HHC - 52
Er bestaat hierdoor geen noodzaak om de door de verzoekende partij gesuggereerde
prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, wegens een ongelijkheid met de bevoegdheid
van de strafrechter, te stellen.
6.2.
Verzoekende partij voert niet aan dat een voordeelontneming op zich, dan wel een bepaald
bedrag van voordeelontneming, een onredelijk zware straf inhoudt, waardoor haar
eigendomsrecht wordt geschonden, zodat ze dit evident ook niet aantoont.
Uit het administratief dossier blijkt dat ze in haar verweernota en aanvullende verweernota
tijdens de bestuurlijke boeteprocedure enkel wijst op bepaalde
‘verzachtende
omstandigheden’ en aanvoert dat er geen rekening mag worden gehouden met bepaalde
kosten, terwijl er wel rekening moet worden gehouden met bepaalde inkomsten. Ze voert
daarin echter niet aan dat een welbepaalde voordeelontneming een onredelijk zware straf zou
impliceren, die haar eigendomsrecht schendt. Ook voor het College voert ze niet aan dat de
opgelegde voordeelontneming dermate hoog is, dat er sprake is van een onredelijk zware straf
met implicaties op haar eigendomsrecht, zodat de voordeelontneming ook om die reden moet
worden verminderd.
Het middel is in de aangegeven mate gegrond.
V.
Verzoek tot indeplaatsstelling
Verzoekende partij vraagt het College om, na de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de
bestreden beslissing, en ter vervanging hiervan, zelf een beslissing te nemen over het
boetebedrag en de voordeelontneming. Ze vraagt daarbij in hoofdorde om vast te stellen dat
er geen milieumisdrijf voorligt, dat haar kan worden toegerekend, en om geen geldboete en
geen voordeelontneming op te leggen. Ze vraagt in ondergeschikte orde om de boete te
herleiden tot het minimum en om deze minstens deels op te leggen met uitstel van
tenuitvoerlegging, en ook om geen voordeelontneming op te leggen en dit minstens te
herberekenen op basis van de door haar voorgestelde informatie en berekeningswijze.
Beoordeling door het College
1.
Het College kan na de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing zelf
een beslissing nemen over het bedrag van de boete en bepalen dat zijn uitspraak daarover de
HHC - 53
vernietigde beslissing vervangt (artikel 44 DBRC-decreet). Deze bevoegdheid strekt zich ook
uit tot de voordeelontneming, die door de gewestelijke entiteit samen met de bestuurlijke
geldboete kan worden opgelegd (artikel 16.4.26 DABM).
Gelet op de beoordeling van de middelen, wordt de bestreden beslissing enkel vernietigd wat
betreft de begroting door de gewestelijke entiteit van de voordeelontneming, zodat de
indeplaatsstelling zich enkel uitstrekt tot de voordeelontneming.
2.
Het College raamt de voordeelontneming, ter compensatie van de door verzoekende partij
uitgespaarde kosten door in 2024 niet op het volledige festivalterrein te werken met
herbruikbare bekers, in het licht van de concrete omstandigheden en de voorliggende stukken
ex aequo et bono op 451.352,12 euro
2.1.
Het College onderschrijft de gemotiveerde beoordeling van de gewestelijke entiteit in de
bestreden beslissing, dat de voordeelontneming kan worden geraamd op basis van de door
verzoekende partij tijdens de bestuurlijke boeteprocedure in haar aanvullende verweernota
(stuk 21a) aangeleverde gegevens en stukken. De bedragen in deze aanvullende
verweernota, waaronder het totaalbedrag van de ‘vermeden kosten herbruikbare bekers’,
worden dan ook opnieuw als uitgangspunt genomen voor de begroting van het
vermogensvoordeel.
2.2.
Het College oordeelt, in navolging van de beoordeling van het derde middel, dat er bij de
begroting van de voordeelontneming rekening moet worden gehouden met de wettelijke plicht
van de eventorganisator overeenkomstig artikel 5.3.12.4 VLAREMA, in de hypothese dat
verzoekende partij wetsconform had gehandeld en met name tijdens haar festivalevenement
in 2024 enkel drank had geserveerd in herbruikbare bekers. Zoals gesteld, was verzoekende
partij alsdan verantwoordelijk om een ‘retoursysteem’ op te zetten. Het College oordeelt dan
ook dat de opbrengst van de ingehouden waarborgen voor de herbruikbare bekers die door
de gebruikers na gebruik niet zijn ingeleverd, die een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van
het wettelijk verplicht retoursysteem, ‘principieel’ in rekening moet worden gebracht bij de
begroting van de uitgespaarde kosten voor dit (retour)systeem. Het College oordeelt echter
ook dat deze opbrengst moet worden geraamd op basis van de plicht van de eventorganisator
overeenkomstig artikel 5.3.12.4 VLAREMA, om een inzamelingspercentage van de gebruikte
herbruikbare bekers te garanderen van minstens 90%, zodat hoogstens 10% van de gebruikte
HHC - 54
herbruikbare bekers een opbrengst kunnen genereren door de daarop ingehouden
waarborgen.
Uit de aanvullende verweernota van verzoekende partij tijdens de bestuurlijke boeteprocedure
(‘inkomsten non-refunded herbruikbare bekers - 12% (obv verlies)’, blijkt dat ze de opbrengst
uit het waarborgsysteem in 2024 begroot op 379.586,19 euro. Dit bedrag vormt het product
van de vermenigvuldiging van 208.564 stuks niet ingeleverde gebruikte herbruikbare bekers
met 1,82 euro waarborg per stuk. Het aantal niet ingeleverde gebruikte herbruikbare bekers
wordt daarbij begroot op basis van een geschat verliespercentage van gebruikte herbruikbare
bekers van 12%, dat impliceert dat er maar 88% van de gebruikte herbruikbare bekers opnieuw
is ingezameld. Artikel 5.3.12.4 VLAREMA vereist echter dat de eventorganisator voorziet in
een systeem, dat garandeert dat minstens 90% van de gebruikte herbruikbare bekers opnieuw
wordt ingezameld, in functie van hun hergebruik, zodat het verliespercentage volgens dit
artikel maximaal 10% mag bedragen. In die optiek impliceert het door verzoekende partij
geschatte (en door de gewestelijke entiteit overgenomen) verliespercentage van gebruikte
herbruikbare bekers van 12% feitelijk een schending van artikel 5.3.12.4 VLAREMA, dat op
zich ook een milieumisdrijf uitmaakt, zodat het College noodzakelijk moet uitgaan van een
lager verliespercentage. Dezelfde vaststelling geldt ook wat betreft de door verzoekende partij
geschatte verlieskost van gebruikte herbruikbare bekers, die evident evenredig is met het
aantal bekers dat niet wordt ingeleverd en ook ten onrechte uitgaat van een verliespercentage
van 12%, zodat het College moet uitgaan van een lagere verlieskost. Dezelfde vaststelling
geldt ten slotte ook wat betreft de door verzoekende partij geschatte kost voor het wassen van
de gebruikte herbruikbare bekers, die opnieuw evenredig is met het aantal bekers dat wordt
ingeleverd en opnieuw ten onrechte uitgaat van een inzamelpercentage van 88%, zodat het
College moet uitgaan van een hogere waskost.
Het College schat het verliespercentage van gebruikte herbruikbare bekers ex aequo et bono
op 6% van de gebruikte herbruikbare bekers. Dit percentage valt binnen het volgens artikel
5.3.12.4 VLAREMA te garanderen inzamelingspercentage van de gebruikte herbruikbare
bekers van minstens 90%, dat een verliespercentage impliceert van hoogstens 10%. Uit de
raming van verzoekende partij blijkt dat de waarborg per herbruikbare beker 1,82 euro
bedraagt, zodat dit aanzienlijk bedrag, dat de verlieskost van de beker aanzienlijk overschrijdt,
veel mensen ertoe aanzet om hun bekers of deze van anderen terug in te leveren. Uit de
raming van verzoekende partij blijkt ook dat ze de benodigde herbruikbare bekers huurt van
partners en dat het merendeel hiervan door deze partners wordt gesponsord, zodat er voor
sommige bezoekers van het festivalevenement weinig tot geen aanleiding bestaat om hun
HHC - 55
gebruikte herbruikbare beker mee te nemen als aandenken. Een geschat verliespercentage
van 6% is dan ook verantwoordbaar.
Het College komt op basis van een verliespercentage van gebruikte herbruikbare bekers van
6%, aan de hand van een pro rata herberekening van de door verzoekende partij tijdens de
bestuurlijke boeteprocedure in haar aanvullende verweernota aangeleverde gegevens, tot
volgende ‘vermeden kosten’:
verlies 12%
verlies 6%
eenheidsbedrag totaal in euro verschil
opbrengst waarborg
208.564
104.282
1,82
189.793,24
189.792,95
waskost bekers
1.593.522,00
1.702.171,23
0,06
102.130,27
6.518,92
waskost bekers SV
10.746,00
11.478,68
0,10
1.147,86
73,29
verlieskost bekers
216.011,00
108.005,50
0,60
64.803,30
64.803,25
verlieskost koffiebekers 1.288,00
644,00
verlieskost bekers SV
1.465,00
732,50
1,00
0,00
644,00
0,00
643,60
0,00
2.3.
Op basis van voormelde overwegingen, wordt de voordeelontneming van 451.352,12 euro
bekomen door: het door de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing begroot
brutovermogensvoordeel van 700.000 euro te verminderen met de ‘voor het eerst
meegerekende’ opbrengst uit de waarborgen voor de herbruikbare bekers die door de
gebruikers na gebruik niet zijn ingeleverd, waarvan het aantal wordt geraamd op 6% (in plaats
van 12%) van de gebruikte herbruikbare bekers; door dit bedrag te vermeerderen met de
‘verhoogde’ kosten voor het wassen van de ingezamelde gebruikte herbruikbare bekers,
waarvan het aantal wordt geraamd op 94% (in plaats van 88%) van de gebruikte herbruikbare
bekers; en door dit bedrag te verminderen met de ‘verlaagde’ kosten voor het vervangen van
de gebruikte herbruikbare bekers, die niet zijn ingezameld en waarvan het aantal wordt
geraamd op 6% (in plaats van 12%) van de gebruikte herbruikbare bekers.
HHC - 56
-
-
-
-
-
voordeelontneming bestreden beslissing: 700.000 euro
vermindering met opbrengst waarborgen: 189.793,24 euro
vermeerdering door hogere waskost: 6.592,21 euro
vermindering door lagere verlieskost: 65.446,85 euro
totaal:
451.352,12 euro
VI.
Kosten
1.
De kosten van het geding worden geheel of deels ten laste gelegd van de partij die in het
ongelijk wordt gesteld (artikel 33 DBRC-decreet). Het College kan daarbij, op verzoek van een
partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de
kosten en honoraria van de advocaat van de partij die in het gelijk wordt gesteld (artikel 31/1,
§5 DBRC-decreet). Het basisbedrag van deze vergoeding bedraagt 840 euro
Verzoekende partij vordert, naast het betaalde rolrecht, een rechtsplegingsvergoeding ten
belope van het basisbedrag van 840 euro,
terwijl ook verwerende partij deze
rechtsplegingsvergoeding vordert.
2.
Zoals blijkt uit de beoordeling van de middelen, wordt de vordering van verzoekende partij tot
vernietiging van de bestreden beslissing, waarmee haar zowel een boete als een
voordeelontneming wordt opgelegd, slechts deels ingewilligd, en met name enkel wat betreft
de begroting van de opgelegde voordeelontneming. Het College acht het daarom, in het licht
van de concrete omstandigheden van het dossier, passend om de kosten tussen partijen te
verdelen. Partijen dienen dan ook elk de helft te betalen van het rolrecht, terwijl de
rechtsplegingsvergoeding wordt gecompenseerd.
HHC - 57
VII.
Beslissing
1. De bestreden beslissing wordt vernietigd, in zoverre daarin een voordeelontneming wordt
opgelegd van 700.000 euro.
2. Het College legt ter vervanging van de vernietigde beslissing aan verzoekende partij, naast
de alternatieve bestuurlijke geldboete van 27.500 euro, een voordeelontneming op van
451.352,12 euro.
3. De kosten van het beroep, begroot op 100 euro rolrecht, zijn ten laste van zowel
verzoekende partij als verwerende partij, elk voor de helft,
terwijl de
rechtsplegingsvergoeding van 840 euro tussen beiden wordt gecompenseerd.
Dit arrest is uitgesproken op 18 december 2025 door de achtste kamer, samengesteld uit:
, voorzitter van de achtste kamer
, bestuursrechter
, bestuursrechter
De griffier,
De voorzitter van de achtste kamer,
HHC - 58