ADB:handhavingscollege-brussel-18-12-2025-2
Beslissingsdetails
๐๏ธ Handhavingscollege Brussel
๐
2025-12-18
๐ NL
Arrest
Rechtsgebied
Milieu
Ruimtelijke Ordening
Geciteerde wetgeving
decreet van 4 april 2014
Samenvatting
HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 18 december 2025 met nummer in de zaak met rolnummer Verzoekende partijen 1. 2. vertegenwoordigd door , met woonplaatskeuze te , Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving en Land...
Volledige tekst
HANDHAVINGSCOLLEGE
ARREST
van 18 december 2025 met nummer
in de zaak met rolnummer
Verzoekende partijen
1.
2.
vertegenwoordigd door
, met woonplaatskeuze
te
,
Verwerende partij
het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse
regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving
en Landbouw
vertegenwoordigd door advocaat
, met
woonplaatskeuze te
I.
Voorwerp van het beroep
Verzoekende partijen vorderen met een aangetekende brief van 17 februari 2025 de
vernietiging van de beslissingen van de gewestelijke entiteit van 7 januari 2025 met nummers
waarmee hen elk een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van
2.125 euro wegens schending van de artikelen 6.2.1, 1ยฐ en 2ยฐ en 4.2.1, 1ยฐ van de Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Er wordt hen met name verweten dat ze, als
mede-eigenaars van een woning, enkele voorwaarden van de brandweer, zoals opgelegd in
een regulariserende omgevingsvergunning van het college van burgemeester en schepenen
van
van 6 januari 2020, niet hebben nageleefd, en dat ze de volledige
achtertuin hebben verhard.
HHC - 1
II.
Rechtspleging
Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in.
Verzoekende partijen dienen geen wederantwoordnota in, maar melden wel nog dat de
wederrechtelijke toestand ondertussen is geregulariseerd.
Partijen worden opgeroepen voor de openbare zitting van 4 december 2025. Ze stemmen in
met het schriftelijk behandelen en in beraad nemen van de vordering (artikel 41, ยง3 van het
besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige
Vlaamse bestuursrechtscolleges - hierna: Procedurebesluit).
III.
Afstand van geding
1.
Als een verzoekende partij uitdrukkelijk afstand doet van het ingediende beroep, stelt de kamer
de afstand van het beroep onmiddellijk bij arrest vast. Stilzwijgende afstand mag daarbij alleen
worden afgeleid uit akten of uit bepaalde met elkaar overeenstemmende feiten, waaruit met
zekerheid blijkt dat verzoekende partij afstand wil doen van haar beroep (artikel 10
Procedurebesluit).
2.
Uit de betaling zonder voorbehoud van de bestreden boetes tijdens voorliggende
jurisdictionele procedure, de bevestiging dat de boetes zijn betaald en de schriftelijke
verschijning ter zitting, blijkt redelijkerwijze met zekerheid dat verzoekende partijen afstand
van geding wensen te doen.
Verzoekende partijen dienen met een aangetekende brief van 17 februari 2025 jurisdictioneel
beroep in tegen de bestreden boetebeslissingen, waardoor deze worden geschorst (artikel
16.4.39, lid 1 DABM). Ze zijn hierdoor, in afwachting van een arrest van het College, niet
gehouden om de bestreden boetes te betalen. Verwerende partij stelt het College, na de
uitwisseling van de procedurestukken, door neerlegging van een brief via het digitaal loket op
17 oktober 2025, in kennis van het feit dat verzoekende partijen ondertussen zonder
voorbehoud zijn overgegaan tot betaling van de boetes. Ze leidt daaruit af dat verzoekende
partijen geen belang meer hebben bij voorliggend beroep. Verzoekende partijen bevestigen
naar aanleiding van de zitting met een mailbericht van 21 november 2025 dat ze de boetes
hebben betaald en stemmen vervolgens in met een schriftelijke behandeling van de zaak.
HHC - 2
Hieruit blijkt dat ze het standpunt van verwerende partij met betrekking tot de gevolgen van de
onvoorwaardelijke betaling van de boetes niet betwisten. Uit deze met elkaar
overeenstemmende gegevens, dient noodzakelijk te worden afgeleid dat verzoekende partijen
afstand van geding wensen te doen. Er zijn geen redenen die zich verzetten tegen de
inwilliging hiervan.
IV.
Kosten
De kosten van het geding worden ten laste gelegd van verzoekende partijen, die door de
afstand van geding worden beschouwd als de partij die in het ongelijk wordt gesteld (artikel 33
van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige
Vlaamse bestuursrechtscolleges - hierna: DBRC-decreet). Ze dienen de door hen betaalde
rolrechten dus zelf te dragen.
V.
Beslissing
1. De afstand van geding wordt vastgesteld.
2. De kosten van het beroep, begroot op 200 euro rolrechten, zijn ten laste van verzoekende
partijen.
Dit arrest is uitgesproken op 18 december 2025 door de eerste kamer.
De griffier,
De voorzitter van de eerste kamer,
HHC - 3