Naar hoofdinhoud

ADB:handhavingscollege-brussel-18-12-2025-0

Beslissingsdetails

🏛️ Handhavingscollege Brussel 📅 2025-12-18 🌐 NL Arrest Vernietiging

Rechtsgebied

Natuur en Bos

Geciteerde wetgeving

decreet van 21 oktober 1997; decreet van 4 april 2014

Samenvatting

HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 18 december 2025 met nummer in de zaak met rolnummer Verzoekende partij met woonplaatskeuze te Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw vertegenwoordigd door advocaa...

Volledige tekst

HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 18 december 2025 met nummer in de zaak met rolnummer Verzoekende partij met woonplaatskeuze te Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw vertegenwoordigd door advocaat met woonplaatskeuze te I. Voorwerp van het beroep Verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 18 januari 2025 de vernietiging van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 20 december 2024 met nummer waarmee haar een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 700 euro wegens schending van artikel 13, §§4 en 5 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: Natuurdecreet) en van artikel 8, §2 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het Natuurdecreet (hierna: Natuurbesluit). Er wordt haar met name verweten dat ze een klein landschapselement of de vegetatie hiervan zonder vergunning heeft gewijzigd door langs de oever van een poel vier hoogstammige wilgen te kappen en een meidoornstruik te rooien. II. Rechtspleging Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in. HHC - 1 Partijen worden opgeroepen voor de openbare zitting van 4 december 2025. Ze stemmen in met het schriftelijk behandelen en in beraad nemen van de vordering (artikel 41, §3 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges - hierna: Procedurebesluit). III. Afstand van geding 1. Als een verzoekende partij uitdrukkelijk afstand doet van het ingediende beroep, stelt de kamer de afstand van het beroep onmiddellijk bij arrest vast. Stilzwijgende afstand mag daarbij alleen worden afgeleid uit akten of uit bepaalde met elkaar overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat verzoekende partij afstand wil doen van haar beroep (artikel 10 Procedure besluit). 2. Verzoekende partij stelt met een mailbericht van 19 juni 2025 dat ze de procedure niet wenst verder te zetten en verschijnt ter zitting schriftelijk. Hieruit blijkt redelijkerwijze met zekerheid dat ze afstand van geding wenst te doen. Er zijn geen redenen die zich verzetten tegen de inwilliging hiervan. IV. Kosten 1. De kosten van het geding worden ten laste gelegd van verzoekende partij, die door de afstand van geding wordt beschouwd als de partij die in het ongelijk wordt gesteld (artikel 33 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges - hierna: DBRC-decreet). Ze dient het door haar betaalde rolrecht dus zelf te dragen en is gehouden tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding. 2. Verwerende partij vordert een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die wordt toegekend ten belope van 168 euro. Het College kan, op verzoek van een partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die in het gelijk wordt gesteld (artikel 31/1, §5 DBRC-decreet). HHC - 2 Het basisbedrag van deze vergoeding bedraagt 840 euro en kan op gemotiveerde wijze door het College worden verlaagd tot minimum 168 euro of verhoogd tot maximum 1.680 euro. Het College houdt daarbij rekening met de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen, de complexiteit van de zaak en de kennelijk onredelijke aard van de situatie (artikel 31/1, §5, lid 3 DBRC-decreet en artikel 20/1, §1 Procedurebesluit). Het bedrag van de bestreden boete bedraagt 140 euro minder als het bedrag van de gevorderde basisrechtsplegingsvergoeding. Het toekennen hiervan in voorliggend dossier, dat ook niet complex is en waarin verzoekende partij voor de zitting afstand van geding deed, zou dan ook kennelijk onredelijk zijn. Het zou er feitelijk toe leiden dat verzoekende partij, aan wie de bestuurlijke geldboete met een punitief karakter is opgelegd, in het kader van de vereiste toegang tot een rechter met volle rechtsmacht, wordt geconfronteerd met buitensporige potentiële rechtsplegingskosten, die hoger zijn dan het boetebedrag en die er feitelijk op neerkomen dat de toegang tot het College op overdreven wijze wordt beperkt. Het komt het College daarom passend voor om de rechtsplegingsvergoeding, in het licht van de concrete omstandigheden van het dossier, te verlagen tot het minimumbedrag van 168 euro. V. Beslissing 1. De afstand van geding wordt vastgesteld. 2. De kosten van het beroep, begroot op 100 euro rolrecht en 168 euro rechtsplegingsvergoeding voor verwerende partij, zijn ten laste van verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken op 18 december 2025 door de eerste kamer. De griffier, De voorzitter van de eerste kamer, HHC - 3