ADB:beslagrechter-tongeren-18-12-2025
Beslissingsdetails
🏛️ Beslagrechter Tongeren
📅 2025-12-18
🌐 NL
Rechtsgebied
Ruimtelijke Ordening
Woonbeleid
Geciteerde wetgeving
wet van 15 juni 1935
Samenvatting
Repertorlumnummer 2025/ &312. Vonnlsnummer 2025/80 Datum van uitspraak 18 december 2025 Rolnummer Pro deo nummer 0 Niet aan te bieden aan de ontvanger Uitgif te Uitgereikt aan Uitgereikt aan tJltgerelkt aan op ( op ( op ( Rechtbank van eerste aanl 1eg LIMBURG, Afdeling Tongeren-Borglooan, sectie ...
Volledige tekst
Repertorlumnummer
2025/ &312.
Vonnlsnummer 2025/80
Datum van uitspraak
18 december 2025
Rolnummer
Pro deo nummer
0 Niet aan te bieden aan de
ontvanger
Uitgif te
Uitgereikt aan
Uitgereikt aan
tJltgerelkt aan
op
(
op
(
op
(
Rechtbank van eerste aanl 1eg
LIMBURG,
Afdeling Tongeren-Borglooan,
sectie burgerlijk
Aangeboden op
Niet te registreren
Beslagrechter
Eindbeschikking
Rechtba nk van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeri?r
p. 2
\
INZAKE
geboren
, RR
, wonende te
-eiser-
Ter zitting vertegenwoordigd door mr.
• - ·-- - ·· -;, advocaat te
TEGEN:
DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST, met burelen gevestigd te 1000 Brussel,
Havenlaan 88 bus 22,
- verweerster-
Ter zitting vertegenwoordigd door mr.
advocaat te
·-;,advocate, loco Mr.
VOLGT DE BESCHIKKING
1.
PROCEDURELE VOORGAANDEN
Bij dagvaarding van 10 Juli 2025 betekend door
heeft eisende partij verzet aangetekend tegen:
1, gerechtsdeurwaarder te
De bevelen tot betalen en herstel, betekend door gerechtsdeurwaarder
van 21 augustus 2023, 13 feb ruari 2024, S augustus 2024 en 23 januari 2025,
en dit in opdracht van verwerende partij;
Het bevel voorafgaand aan onroerend beslag van 24 april 2025 en het •~xploot
uitvoerend beslag op onroerend goed van 25
juni 2025 betekendl door
lastens eisende partij, in opdracht van
gerechtsdeurwaarder
verwerende partij;
Op de zitting van 14 augustus 2025 verzochten partijen om een conclusiekalender.
Bij besclilkklng van 14 august us 2025 werden conclusietermijnen bepaald en een pleitdatum
vastgesteld in toepassing van art . 747§2 Ger.W. De zaak werd vastgesteld voor beha1ndeling
op de zitting van 20 november 2025.
Rechtbank va n eerste aa nleg Limburg, afdeling Tongeren - •
-
71
p. 3
Partijen hebben vervolgens leder een {synthese)conclusie en een stukkenbundel neergelegd.
De zaak werd op tegenspraak behandeld op de openbare zitting van 20 november 2025 waar
de raadslieden van partijen in het Nederlands werden gehoord. De zaak werd in beraad
genomen voor uitspraak op 18 december 2025_
De door partijen neergelegde conclusies en stukken, alsook de gezegden ter zitting w,~rden
mee in het beraad betrokken.
2.
RELEVANTE FEITEN EN VORDERINGEN
2.1
Eisend e partij was eigenaar van een onroerend goed, gelegen te
kadastraal gekend
destijds vijf on vergunde appartementen bevonden.
, waarin zich
Deze appartementen werden door eisende partij verhuurd zonder dat voldaan werd aan de
minimale woonkwaliteitsvereisten.
Op 12 december 2017 werd om die reden in het kader van de Vlaamse Wooncode een
herstelvordering geformuleerd, waaraan geen gevolg werd gegeven door eisende partij.
Verwerende partij is vervolgens tot dagvaarding van eisende partij overgegaan.
2.2
BIJ vonnis van de 13D kamer van de Rechtbank van eerste aanleg van Limburg, afdeling
Hasselt, sectie correctioneel, van 26 februari 2019 werd eisende partij veroordeeld, wegens
een Inbreuk op art. 5 van de Vlaamse Wooncode, om voormeld pand te herbestemm,m dan
wel te slopen binnen een termijn van 15 maanden na betekening van het vonnis, onder
verbeurte van een dwangsom van 150,00 euro per dag vertraging volgend op het verstrijken
van voorm elde hersteltermijn.
Voormeld vonnis van 26 februari 2019 werd op 13 juni 2019 betekend door verweerster aan
eiser, met tot gevolg dat met ingang van 14 september 2020 de dwangsommen opBisbaar
waren .
Lopende de hersteltermljn van vijftien maanden werd door eiser een omgevingsvergunning
aangevraagd 1 waarbij werd gevraagd om het gebouw om te vormen tot een tweewoonst.
Deze omgevingsvergunn ing werd door het College van Burgemeester en Schepenen van
bij beslissing van 31 maart 2020 geweigerd. Hiertegen werd door eiser beroep
Ingesteld bij de Bestendige Deputatie, die eveneens de omgevingsvergunning weigerde op 6
augustus 2020.
Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tonaeren •
\
p. 4
2.3
Verwerende partij heeft in tussentijd de dwangsommen opeisbaar gesteld door middel van
opeenvolgende bevelen t ot betaling en herstel, betekend door gerechtsdeurwaarder
·: van 16 december 2020, 1 september 2021, 9 februari 2022, 9 augustus 2022, 1
februari 2023, 21 augustus 2023 en 3 februari 2024.
Bij exploot van 12 maart 2021 werd daarenboven door verweerster uitvoerend roerend beslag
gelegd lastens eiser voor de op dat ogenbl ik verschuldigde dwangsommen.
2.4
Eiser is vervolgens op 24 maart 2021 tot dagvaarding van verweerster overgegaan in
toepassing van art. 1385 quinquies Ger.W. waarbij door eiser werd verzocht om de looptijd
van de dwangsom op te schorten, ondergeschikt werd verzocht om een herleiding van het
bedrag van de dwangsom.
De Correctionele rechtbank van Hasselt oordeelde In haar vonnis van 29 juni 2021 dat de
'van de Correctionele
looptijd van de dwangsom, zoals bepaald in het vonnis met nr.
rechtbank eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, sectie correctioneel van 26 februar i 2019
werd opgeschort van 4 december 2019 tot op datum van het verlijden van de authentieke
aankoopakte van het perceel
Verweerster tekende hiertegen evenwel hoger beroep aan en bij arrest van het Hof van
Beroep t e Antwerpen van 11 mei 2022 werd het hoger beroep van verweerst er gHgrond
verklaard en werd de opschorting van de dwangsom opnieuw afgewezen.
2.5
In tussentijd werd door eiser een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd, die bij be:slissing
van 22 februari 2022 opnieuw geweigerd werd dom
In hoger beroep oordeelde de Bestendige Deputatie bij beslissing van 9 juni 2022 dat er wel
een omgevingsvergun ning kon worden afgeleverd voor het verbouwen van de woning,
gelegen te
tot een tweewoonst. Eiser zocht een overnemer v,oor het
verbouwingsproject, dat vervolgens door deze overnemer werd uitgevoerd.
2.6
Op 9 februari 2023 werd e-en exploot voorafgaand aan uitvoerend beslag op onroerend
betekend door verweerst er aan eiser, gevolgd door een exploot uit voerend beslag op
onroerend goed van 28 februari 2023, ter invordering van de dwangsommen en dit op het
onroerend goed ge(egen t e
Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren -
p. 5 \
Het beslagen onroerend goed werd met machtiging van de beslagrechter uit de hand verkocht
op 22 maart 2024, en de opbrengst bedroeg 164.881, 77 euro en kwam toe aan verweerster,
en werd aangewend ter aflossing van een gedeelte van de dwangsommen.
Verweerster betekende vervolgens op 5 august us 2024, alsook op 23 januari 2025, opnieuw
een exploot bevel tot betalen met het oog op de inn ing van het nog openstaande saldo van
de dwangsommen.
Op 29 oktober 2024 stelde de Woonlnspect eur de uitvoering van de veroordeling tot herstel
vast, waardoor er een einde kwam aan de verbeurte van de dwangsom. Het saldo van de
dwangsom ten bedrage van 68.511,92 euro blijft volgens verweerster verschuldigd.
Vervolgens werd op 24 april 2025 een exploot betekening bevel voorafgaand beslag op
onroerend goed betekend en dit met betrekking tot het onroerend goed, gelegen te
gevolgd door een exploot uitvoerend beslag op onroerend goed van 25 juni
2025 op voormeld onroerend goed, en dit met het oog op de inning van een saldo aan
dwangsommen ten bedrage van 68.511,92 euro.
2.7
Eiser tekende verzet aan tegen deze daden van tenuit voerlegging van verweerster inzake de
uitvoering voor het saldo van de dwangsommen, en stelt dat verweerster zich schuldig maakt
aan rechtsmisbruik.
Dit verzet maakt het voorwerp uit van huidige procedure.
3. VORDERINGEN
3.1
Eiser vordert in het beschikkend gedeelte van zijn conclusie, neergelegd ter griffie op 12
september 2025:
"De vordering van eiser
·-·· -ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens:
IN HOOFDORDE:
-Te zeggen voor recht dat de tenuitvoerlegging door verweerster DE WOONINSPECTEUR
VAN HET VLAAMS GEWEST ten opzichte van eiser
ten belope van de
dwangsommen en de uitvoeringskosten op basis van het vonnis van 26 februari 2019 van de
130 Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg afdeling Hasselt, sectie correctioneel,
voor een bedrag dat de som van 164.881, 77 EUR overschrijdt, rechtsmisbruik uitmaakt;
-Te zeggen voor recht dat de invordering van de dwangsommen door verweerster wordt
herleid tot zijn normale uitoefening;
Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren ,
-Dienvolgens de invordering van de dwangsommen te beperken tot het op 22 maart
2024 betaalde bedrag van 164.881, 77 EUR;
tt
gerechtsdeurwaarder
- Te zeggen voor recht dat aan de bevelen tot betalen en herstel betekend door het ambt van
In datum van
21/08/2023, 13/02/2024, 05/08/2024 en 23/01/2025 alsook aan het onroerend bevel en
het uitvoerend beslag op onroerend goed betekend door het ambt van
gerechtsdeurwaarder te
25/06/2025, geen gevolg kan worden gegeven voor zover zij ten opzichte van
Invordering doen van een hoger bedrag dan 164.881, 77 EUR aan dwangsommen en
uitvoeringskosten;
, In datum van 24/04/2025 resp.
-Verweerster te veroordelen om binnen de 24 uur na uitspraak van de te vellen beschikking,
vrijwillig ooheffina te verlenen van voornoemd uitvoerend beslag op het onroerend goed
gelegen tE
-Te zeggen voor recht dat bij gebreke aan vrljwl/lige opheffing binnen de gestelde termijn, de
beschikking als opheffing zal gelden;
-Verweerster DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST te veroordelen tot de kosten
van het geding m.i. v. de rechtsp/egingsvergoeding, in hoofde van eiser
begroot op:
- Dagvaardingskosten:
420,16 EUR
- Rechtspfegingsvergoeding: 1.883, 72 EUR
-Verweerster DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST te veroordelen
betaling van de ra/rechten aan de FOD Financiën.
tot
IN ONDERGESCHIKTE ORDE. ALVORENS RECHT TE DOEN:
Aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: schendt het verschil
in behandeling tussen enerzijds een dwangsomschuldenaar die op grond van ort. 3.43
van de Vlaamse Codex Wonen op vordering van de Wooninspecteur tot herstelmaatregelen
op straffe van een dwangsom werd veroordeeld en die zich in een latere fase niet tot de
bevoegde overheid kan richten om af te zien van het geheel of een gedeelte van de opeisbare
dwangsomschuld en anderzijds een dwangsomschuldenaar die op grond van art. 6.3.1 . van de
Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening tot herstelmaatregelen op straffe van een dwangsom
werd veroordeeld en die zich op grond van art. 6.3.4§4 en 6.3.4§5 van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening wéf tot de bevoegde overheid kan richten om hiervan gedeeltelijk of
volledig af te zien, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet?
Rechtbank van eerste aanleg Urn burg, afdeling Tongeren•
3.2
Verweerster vordert in het besch ikkend gedeelte van haar samenvattende conclusle,
neergelegd ter griffie via e-deposit op 29 september 2025:
"Het verzet van de eisende partij als ontvankelijk te weerhouden doch als ongegrond af te
wijzen, zowel in hoofdorde als In ondergeschikte ordei
Dienvolgens te zeggen voor recht dat de uitvoering van het vonnis van 26.02.2019 van de 130
kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg afdeling Hasselt, sectie correctioneel, voor
een bedrag dat de som van 164.881,77 € overschrijdt, geen rechtsmisbruik uitmaakt en
derhalve rechtsaeldig geschiedt op basis van de bevPIPn tnt betalen en herstel betekend door
het ambt vari
in datum van
21/08/2023, 13/02/2024, 05/08/2024 en 23/01/2025 alsook aan het onroerend bevel en het
uitvoerend beslag op onroerend aoed betekend door het ambt van
gerechtsdeurwaarder te
25/06/2025.
in datum van 24/04/2025 resp.
1erechtsdeurwaarder tE
Eiser op verzet dfenvofgens te veroordelen tot de gerechtskosten, In hoofde van concluante te
begroten op een baslsrechtsplegingsvergoeding van 1.8831 72 €. '1
4.
BEOORDELING
4.1
De ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van het verzet wordt niet betwist.
Ook de rechtb ank bemerkt geen redenen die aanleiding geven tot een ambtshalve op te
werpen exceptie van onbevoegdheid of onontvankelijkheid.
Het verzet van eisende partij Is ontvankelijk.
4.2
De gegrondheid
4.2.1 Toepasselijl<e principes
De beslagrechter, die overeenkomstig artikel 1395 Ger. W. kennisneemt van de vorderingen
betreffende middelen tot tenuitvoerlegging, is bevoegd voor het executiegeschil dat rijst
wanneer de schu ldeiser tot tenuitvoerlegging van de dwangsom overgaat, maar de
veroordeelde de verbeuring van de dwangsom of de begroting van de verbeurde
dwangsommen betwist.
Rechtbank van eerste aanleg Urn burg, afdellng Tongeren
\
p. 8
Inzake betwistingen omtrent de al dan niet verbeurte van een dwangsom bestaat de taak van
de beslagrechter erin te onderzoeken of de hoofdveroordeling al dan niet werd nagekomen.
De beslagrechter moet dus enkel vaststellen of aan de hoofdveroordellng is voldaan.
De beantwoording van die vraag onderstelt een toetsing van de opgelegde verplichting aan
de uitvoering die hieraan gegeven is. De dwangsom is enkel verbeurd wanneer de gewraakte
handelswijze klaarblijkelijk, d.w.z. zonder redelijke discussie, een inbreuk op de opgelegde
verplichting oplevert. Enkel in dat geval is er sprake van een inbreuk en wordt de dwangsom
verbeurd . Is een redelijke discussie mogelijk, dan is de dwangsom niet verbeurd .
Als maatstaf van deze toetsing van de ter uitvoering van het vonnis verrichte handelingen;
dient men het doel en de strekking van de veroordeling als richtsnoer te nemen, met dien
verstande dat de veroordeling geacht moet worden niet verder te strekken dan tot het
bereiken van het daarmee beoogde doel.
De beslagrechter kan bovendien niet om billijkheidsredenen de opeising van de dwangsom
verhinderen, bijvoorbeeld omdat het bedrag buiten verhouding tot de gevolgen van de
inbreuk is opgelopen. Wanneer de hoofdveroordeling niet wordt nagekome , dan is de
dwangsom verschuldigd.
Zodoende kan hij/zij de verbeurde dwangsommen niet opheffen, verminderen of anderszins
milderen op grond van een onmogelijkheid waarmee de veroordeelde geconfronteerd werd.
Evenmin kan hij/zij aan de debiteur de uitvoeringstermij n zoals opgelegd door de
bodemrechter, verlengen of aanpassen .
Volgens artikel 1385quinqules Ger. W. is enkel de dwangsomrechter bevoegd om te oordelen
over een vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom.
3.2.2. In casu
3.2.2.1
Tussen partijen Is er geen betwisting over het feit dat een herstelmaatregel werd opgelegd en
dat eiser uite indelijk pas op 29 oktober 2024 alle herstelmaatregelen heeft uitgevoerd.
Eiser erkent ook uitdrukkelijk dat verweerster in beginsel recht heeft op de Invordering van
de dwangsommen.
Eisende partij stelt dat verweerster zich schuldig maakt aan rechtsmisbruik, omwille van het
feit dat verweerster ook het resterende saldo van de dwangsommen van 68.511,92 euro In
hoofdsom int, terwijl eiser reeds een bedrag van 164.881, 77 euro aan dwangsommen heeft
betaald.
Rechtbank va n eerste aanleg Limburg, afdellng Tongeren
\
p. 9
3,2.2.2
Aangezien de beslagrechter kennis moet nemen van all e betwistingen die kunnen rijzen tegen
de uitvoering van de beslissing die de dwangsom uitspreekt 1 kan hij/zij wel beoordelen of de
invordering van de dwangsom
in de gegeven omstandigheden aanle iding geeft tot
rechtsmisbruik.
Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen
te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en voorzichtig persoon .
Dat is onder meer het geval wanneer het veroorzaakte nadeel buiten verhouding staat tot het
voordeel dat de houder van het recht nastreeft of heeft verkregen .
Het loutere feit dat verwerende partij tot betekening van een bevel In betaling van de
dwangsommen is overgegaan, en tot het leggen van een uitvoerend onroerend beslag, nadat
reeds was gedagvaard voor de bodemrechter, waarbij een vonnis werd uitgesproken1
betekent niet dat er sprake Is van rechtsmisbruik.
Eisende partij dient aa n te tonen ln welke zin hij hierdoor benadeeld wordt alsook dat het zou
gaan om een dlsproportioneet nadeel.
Hierbij mag niet uit het oog verloren worden dat verwerende partij de uitvo.ering van
herstelmaatregelen nastreeft1 die werden opgelegd door de strafrechter omwille van het feit
dat eisende partij meerdere appartementen die niet vergund wa ren en niet voldeden aan de
minimum kwaliteitsnormen verhuurde, waardoor het voordeel dat zij wenst te bekomen van
overwegend belang is op tiet mogelijke nadeel in hoofde van eisende partij, namelijk de
betaling van dwangsommen die precies zijn opgelegd omwille van de meerdere inbreuken
door eiser dewelke zich al meerdere jaren voordeden .
3.2.2.3
Eiser op zjjn beurt wijst vooreerst naar de door hem geleverde inspanningen om gevolg te
geven aan een herbestemming, waarbij hij naar eigen zeggen werd geconfronteerd met een
onredelijke en zelfs kwaadwillige houding van de gemeente Zonhoven 1 die de
omgevingsvergunning tot tweemaal toe weigerde. Eiser meent dat hij alles in het werk heeft
gesteld en dat het eindresultaat van de herbestemming en de verbouwing mag gezien
worden.
Ondanks dit eindresultaat en de inspanningen die hij heeft gedaan, wordt hij naar eigen
zeggen ten onrechte geconfronteerd met dwangsommen voor de periode van 14 september
2020 tot en met 28 oktober 2024 en dit voor een totaalbedrag van 225 .900,00 euro.
Rechtbank van eerst e aanleg Limburg, afdeling Tongeren
p.10 \
3.2.2.4
De rechtbank volgt deze stelling van eiser niet.
Eisende partij is in casu immers zelf verantwoordelijk is voor het feit dat een en ander geruime
tijd in beslag heeft genomen. Een eerste aanvraag werd pas Ingediend op 5 december 2019,
terwijl het vonnis inzake de herstelmaatregelen reeds dateerde van 26 februari 2019 en eiser
zelfs reeds sedert 12 december 2017 kennis had van de herstelvordering.
Eisende partij heeft er vervolgens zelf voor gekozen om niet terug te keren naar de
oorspronkelijk vergunde toestand maar een herbestemm ing tot tweewoonst aan te vragen,
met tot gevolg dat de regularisatie niet mogelijk was binnen de aan hem verleende
hersteltermijn.
Uiteraard is dit zijn vrije keuze, maar had hij moeten en kunnen weten dat deze realisatie niet
mogelijk was binnen de herstelt ermijn.
een onredelijke houding zou
Eiser toont daarenboven niet aan dat
hebben aangenomen, die aan de oorzaak ligt van de vertraging bij het bekomen van een
omgevlngsvergun n ing.
Eiser verwijst meermaals naar tegenslagen, maar toont niet aan dat deze tegenslagen te
wijten zijn aan derden, laat staan aan verweerster. Verweerster heeft in casu niet onredelijk
gehandeld.
Deze dwangsommen werden opgelegd als geldelijke prikkel om nakom ing van de veroordeling
te verzekeren . De beslagrechter kan niet om billijkheidsredenen de opeising van de dwangsom
verhinderen, bijvoorbeeld omdat het bedrag buiten verhouding tot de gevolgen van de
inbreuk is opgelopen.
Wanneer de hoofdveroordeling niet wordt nagekomen, dan is de dwangsom verschuldigd. Het
feit dat de dwangsommen hoog zijn opgelopen, heeft op zich dus niet tot gevolg dat er
besloten kan worden dat verwerende partij buitenproportionele dwangsommen heeft geïnd.
Te meer daar de bodemrechter geoordeeld heeft om In casu geen maximum aan
dwangsommen op te leggen én de vordering van eiser op grond van art. 1385 quinquies
Ger.W. als ongegrond heeft afgewezen, zodat het dwangmiddel zijn uitwerking behield.
3.2.2.5
De rechtbank benadrukt daarbij nogmaals dat deze dwangsommen worden gevorderd op
grond van een in kracht van gewijsde getreden vonnis van de correctionele rechtbank, waarin
eiser werd veroordeeld tot een herstelverplichting en het dus de verplichting van eiser was
om tot uitvoering van deze verplichtingen over te gaan binnen de vooropgestelde termijn.
Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren -
p.11
Er werden hiertoe gedurende jaren meerdere exploten betekening bevel betekend aan eiser,
waarin de.ze dwangsommen opeisbaar werden gesteld. In weerwil hiervan werd door eiser
niet, alleszins niet tijdig, het nodige gedaan om tijdig tot uitvoering van de opgelegde
herstelmaatregelen over te gaan.
Ook het feit dat het resultaat dat eiser uiteindelijk heeft bereikt, de moeite waard zou zijn, is
geen reden om te oordelen dat verweerster respectloos zou zijn voor de inspanningen van
eisende partij.
Enkel relevant dienaangaande is de datum waarop dit resultaat werd bereikt, aldus de datum
waarop eiser zich heeft geconfirmeerd aan de opgelegde herstelmaatregelen.
De rechtbank Is in casu dan ook van oordeel dat er in de gegeven omstandigheden geen sprake
Is van enig rechtsmisbruik in hoofde van verwerende partij.
3.2.2.6
Eiser stelt In ondergeschikte orde dat er ten onrechte aan een dwangsomschuldenaar bij
herstelmaatregelen inzake stedenbouwkundige overtredingen geen mogelijkheid wordt
gegeven om een gedeeltelijke kwijtschelding van zijn opeisbare dwangschuld te vragen, nu de
Vlaamse Code>< Wonen niet voorziet in deze mogelijkheid. Eiser betwist niet dat de wetgever
In deze mogelijkheid niet heeft voorzien.
Eiser stelt wel dat er dienaangaande ten onrechte een onderscheid wordt gemaakt tussen een
overtreder van de bepalingen van de Vlaamse Codex Wonen en een overtreder van de
bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke ordening.
In artikel 6.3.4§4 en 6.3.4§5 VCRO wordt wel in de mogelijkheid voorzien om de gestelde
handellngen en de genomen engagementen rnet het oog op een correcte uitvoering van de
hoofdveroordeling, alsook de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel aan te tonen,
waarbij door de gewestelijk stedenbouwkund ig inspecteur kan worden afgezien van het
geheel of een gedeelte van de opeisbare dwangsomschuld . Deze mogelijkheid Is niet voorzien
bij een overtreding van de artikelen 3.43 tot en met 3.48 van de Vlaamse Codex Wonen van
2021.
Hij vraagt om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof nu hij meent dat dit
een schending uitmaakt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Een prejudiciële vraag kan gesteld worden wanneer een door de wet gemaakt ond rscheid
gemaakt wordt tussen personen die zich in dezelfde juridische toestand bevinden en waarop
verschillende regels van toepassing zijn.
Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdell g Tongere n -
p. 12 ~
De rechtbank Is evenwel van oordeel dat personen die veroordeeld worden wegens een
Inbreuk op de Vlaamse Wooncode zich niet in dezelfde juridische toestand bevinden als
personen die veroordeeld worden wegens inbreuken op de Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening. Herstelvord eringen in uitvoering van de Vlaamse Wooncode, zoals in casu
opgelegd, hebben tot doel om te voorkomen dat woningen die niet aan de minimum
kwaliteitsnormen voldoen, zouden worden verhuurd of ter beschikking gesteld.
Een herstelvordering op grond van de VCRO heeft het herstel van een goede ruimtelijke
ordening tot doel.
Nu er wel degelijk een onderscheid bestaat tussen de beide regelgevingen, en de
rechtsonderhorigen die onder deze verschillende regelgevingen vallen zich niet In dezelfde
juridische toestand bevinden, kan het feit dat verschillende regels van toepassing zijn niet
worden aangeklaagd, zodat de prejudiciële vraag niet gesteld dient te worden.
3.2.2.7
Voor het overige worden door eisende partij geen middelen aangehaald die betrekking
hebben op de onregelmatigheid en/of onrechtmatigheid van de uitvoering, zodat dient beslist
dat, aangezien de hoofdveroordeling niet tijdig is nagekomen, de gevorderde dwangsommen
zijn verbeurd en verwerende partij terecht en regelmatig tot uitvoering Is overgegaan middels
de betekende exploten.
Zodoende is het ven:et van eisende partij ongegrond.
4.
GERECHTSKOSTEN
Aangezien het verzet van eisende partij ongegrond Is dient hij veroordeeld te worden tot de
l<osten verbonden aan huidige procedure.
Verwerende partij vordert opz ichtens eisende partij een rechtsplegingsvergoeding van
1.883, 72 euro.
Huidige betwisting betreft de rege lmatigheid en rechtmatigheid van een uitvoering door
middel van betekende exploten en een uitvoerend beslag op onroerend goed voor gevorderde
dwangsommen zodat het gaat om een niet in geld waardeerbare vordering en de
desbetreffende tarieven van toepassing zijn.
Overeenkomstig het K.B. van 26 oktober 2007 bedraagt de basisrechtsplegingsvergoeding na
de meest recente indexatie voor een niet In geld waardeerbare vordering 1.883, 72 euro.
***
Gelet op de arti kelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in
gerechtszaken.
Rechtbank van eerste aanleg Umburg, afdellng Tongeren -
p.13
OM DEZE REDENEN
Wij,
beslagrechter, bijgestaan door
~rlffler,
Uitspraak doende op tegenspraak.
Verklaart het verzet van eisende partij ontvankelijk doch ongegrond .
Veroordeelt eisen de partij tot betalin g van de kosten van huidig geding, die in zijnen hoofde
niet moeten worden vastgesteld nu deze eigen blijven.
Veroordeelt
rechtsplegingsvergoeding van 1.883, 72 euro.
eisende
partij
tot betaling
aan
verwerende
partij
van
een
Veroordeelt eisende partij tevens tot betaling van het rolrecht van 165,00 euro betaalbaar
op eerste verzoek vanwege de FOD Fin anciën.
Aldus gevonnist en uitgesproken In openbare zitting in het gerechtsgebouw te Tongeren
Borgloon op 18 december 2025.