Naar hoofdinhoud

ADB:beslagrechter-tongeren-18-12-2025

Beslissingsdetails

🏛️ Beslagrechter Tongeren 📅 2025-12-18 🌐 NL

Rechtsgebied

Ruimtelijke Ordening Woonbeleid

Geciteerde wetgeving

wet van 15 juni 1935

Samenvatting

Repertorlumnummer 2025/ &312. Vonnlsnummer 2025/80 Datum van uitspraak 18 december 2025 Rolnummer Pro deo nummer 0 Niet aan te bieden aan de ontvanger Uitgif te Uitgereikt aan Uitgereikt aan tJltgerelkt aan op ( op ( op ( Rechtbank van eerste aanl 1eg LIMBURG, Afdeling Tongeren-Borglooan, sectie ...

Volledige tekst

Repertorlumnummer 2025/ &312. Vonnlsnummer 2025/80 Datum van uitspraak 18 december 2025 Rolnummer Pro deo nummer 0 Niet aan te bieden aan de ontvanger Uitgif te Uitgereikt aan Uitgereikt aan tJltgerelkt aan op ( op ( op ( Rechtbank van eerste aanl 1eg LIMBURG, Afdeling Tongeren-Borglooan, sectie burgerlijk Aangeboden op Niet te registreren Beslagrechter Eindbeschikking Rechtba nk van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeri?r p. 2 \ INZAKE geboren , RR , wonende te -eiser- Ter zitting vertegenwoordigd door mr. • - ·-- - ·· -;, advocaat te TEGEN: DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST, met burelen gevestigd te 1000 Brussel, Havenlaan 88 bus 22, - verweerster- Ter zitting vertegenwoordigd door mr. advocaat te ·-;,advocate, loco Mr. VOLGT DE BESCHIKKING 1. PROCEDURELE VOORGAANDEN Bij dagvaarding van 10 Juli 2025 betekend door heeft eisende partij verzet aangetekend tegen: 1, gerechtsdeurwaarder te De bevelen tot betalen en herstel, betekend door gerechtsdeurwaarder van 21 augustus 2023, 13 feb ruari 2024, S augustus 2024 en 23 januari 2025, en dit in opdracht van verwerende partij; Het bevel voorafgaand aan onroerend beslag van 24 april 2025 en het •~xploot uitvoerend beslag op onroerend goed van 25 juni 2025 betekendl door lastens eisende partij, in opdracht van gerechtsdeurwaarder verwerende partij; Op de zitting van 14 augustus 2025 verzochten partijen om een conclusiekalender. Bij besclilkklng van 14 august us 2025 werden conclusietermijnen bepaald en een pleitdatum vastgesteld in toepassing van art . 747§2 Ger.W. De zaak werd vastgesteld voor beha1ndeling op de zitting van 20 november 2025. Rechtbank va n eerste aa nleg Limburg, afdeling Tongeren - • - 71 p. 3 Partijen hebben vervolgens leder een {synthese)conclusie en een stukkenbundel neergelegd. De zaak werd op tegenspraak behandeld op de openbare zitting van 20 november 2025 waar de raadslieden van partijen in het Nederlands werden gehoord. De zaak werd in beraad genomen voor uitspraak op 18 december 2025_ De door partijen neergelegde conclusies en stukken, alsook de gezegden ter zitting w,~rden mee in het beraad betrokken. 2. RELEVANTE FEITEN EN VORDERINGEN 2.1 Eisend e partij was eigenaar van een onroerend goed, gelegen te kadastraal gekend destijds vijf on vergunde appartementen bevonden. , waarin zich Deze appartementen werden door eisende partij verhuurd zonder dat voldaan werd aan de minimale woonkwaliteitsvereisten. Op 12 december 2017 werd om die reden in het kader van de Vlaamse Wooncode een herstelvordering geformuleerd, waaraan geen gevolg werd gegeven door eisende partij. Verwerende partij is vervolgens tot dagvaarding van eisende partij overgegaan. 2.2 BIJ vonnis van de 13D kamer van de Rechtbank van eerste aanleg van Limburg, afdeling Hasselt, sectie correctioneel, van 26 februari 2019 werd eisende partij veroordeeld, wegens een Inbreuk op art. 5 van de Vlaamse Wooncode, om voormeld pand te herbestemm,m dan wel te slopen binnen een termijn van 15 maanden na betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 150,00 euro per dag vertraging volgend op het verstrijken van voorm elde hersteltermijn. Voormeld vonnis van 26 februari 2019 werd op 13 juni 2019 betekend door verweerster aan eiser, met tot gevolg dat met ingang van 14 september 2020 de dwangsommen opBisbaar waren . Lopende de hersteltermljn van vijftien maanden werd door eiser een omgevingsvergunning aangevraagd 1 waarbij werd gevraagd om het gebouw om te vormen tot een tweewoonst. Deze omgevingsvergunn ing werd door het College van Burgemeester en Schepenen van bij beslissing van 31 maart 2020 geweigerd. Hiertegen werd door eiser beroep Ingesteld bij de Bestendige Deputatie, die eveneens de omgevingsvergunning weigerde op 6 augustus 2020. Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tonaeren • \ p. 4 2.3 Verwerende partij heeft in tussentijd de dwangsommen opeisbaar gesteld door middel van opeenvolgende bevelen t ot betaling en herstel, betekend door gerechtsdeurwaarder ·: van 16 december 2020, 1 september 2021, 9 februari 2022, 9 augustus 2022, 1 februari 2023, 21 augustus 2023 en 3 februari 2024. Bij exploot van 12 maart 2021 werd daarenboven door verweerster uitvoerend roerend beslag gelegd lastens eiser voor de op dat ogenbl ik verschuldigde dwangsommen. 2.4 Eiser is vervolgens op 24 maart 2021 tot dagvaarding van verweerster overgegaan in toepassing van art. 1385 quinquies Ger.W. waarbij door eiser werd verzocht om de looptijd van de dwangsom op te schorten, ondergeschikt werd verzocht om een herleiding van het bedrag van de dwangsom. De Correctionele rechtbank van Hasselt oordeelde In haar vonnis van 29 juni 2021 dat de 'van de Correctionele looptijd van de dwangsom, zoals bepaald in het vonnis met nr. rechtbank eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, sectie correctioneel van 26 februar i 2019 werd opgeschort van 4 december 2019 tot op datum van het verlijden van de authentieke aankoopakte van het perceel Verweerster tekende hiertegen evenwel hoger beroep aan en bij arrest van het Hof van Beroep t e Antwerpen van 11 mei 2022 werd het hoger beroep van verweerst er gHgrond verklaard en werd de opschorting van de dwangsom opnieuw afgewezen. 2.5 In tussentijd werd door eiser een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd, die bij be:slissing van 22 februari 2022 opnieuw geweigerd werd dom In hoger beroep oordeelde de Bestendige Deputatie bij beslissing van 9 juni 2022 dat er wel een omgevingsvergun ning kon worden afgeleverd voor het verbouwen van de woning, gelegen te tot een tweewoonst. Eiser zocht een overnemer v,oor het verbouwingsproject, dat vervolgens door deze overnemer werd uitgevoerd. 2.6 Op 9 februari 2023 werd e-en exploot voorafgaand aan uitvoerend beslag op onroerend betekend door verweerst er aan eiser, gevolgd door een exploot uit voerend beslag op onroerend goed van 28 februari 2023, ter invordering van de dwangsommen en dit op het onroerend goed ge(egen t e Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren - p. 5 \ Het beslagen onroerend goed werd met machtiging van de beslagrechter uit de hand verkocht op 22 maart 2024, en de opbrengst bedroeg 164.881, 77 euro en kwam toe aan verweerster, en werd aangewend ter aflossing van een gedeelte van de dwangsommen. Verweerster betekende vervolgens op 5 august us 2024, alsook op 23 januari 2025, opnieuw een exploot bevel tot betalen met het oog op de inn ing van het nog openstaande saldo van de dwangsommen. Op 29 oktober 2024 stelde de Woonlnspect eur de uitvoering van de veroordeling tot herstel vast, waardoor er een einde kwam aan de verbeurte van de dwangsom. Het saldo van de dwangsom ten bedrage van 68.511,92 euro blijft volgens verweerster verschuldigd. Vervolgens werd op 24 april 2025 een exploot betekening bevel voorafgaand beslag op onroerend goed betekend en dit met betrekking tot het onroerend goed, gelegen te gevolgd door een exploot uitvoerend beslag op onroerend goed van 25 juni 2025 op voormeld onroerend goed, en dit met het oog op de inning van een saldo aan dwangsommen ten bedrage van 68.511,92 euro. 2.7 Eiser tekende verzet aan tegen deze daden van tenuit voerlegging van verweerster inzake de uitvoering voor het saldo van de dwangsommen, en stelt dat verweerster zich schuldig maakt aan rechtsmisbruik. Dit verzet maakt het voorwerp uit van huidige procedure. 3. VORDERINGEN 3.1 Eiser vordert in het beschikkend gedeelte van zijn conclusie, neergelegd ter griffie op 12 september 2025: "De vordering van eiser ·-·· -ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens: IN HOOFDORDE: -Te zeggen voor recht dat de tenuitvoerlegging door verweerster DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST ten opzichte van eiser ten belope van de dwangsommen en de uitvoeringskosten op basis van het vonnis van 26 februari 2019 van de 130 Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg afdeling Hasselt, sectie correctioneel, voor een bedrag dat de som van 164.881, 77 EUR overschrijdt, rechtsmisbruik uitmaakt; -Te zeggen voor recht dat de invordering van de dwangsommen door verweerster wordt herleid tot zijn normale uitoefening; Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren , -Dienvolgens de invordering van de dwangsommen te beperken tot het op 22 maart 2024 betaalde bedrag van 164.881, 77 EUR; tt gerechtsdeurwaarder - Te zeggen voor recht dat aan de bevelen tot betalen en herstel betekend door het ambt van In datum van 21/08/2023, 13/02/2024, 05/08/2024 en 23/01/2025 alsook aan het onroerend bevel en het uitvoerend beslag op onroerend goed betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder te 25/06/2025, geen gevolg kan worden gegeven voor zover zij ten opzichte van Invordering doen van een hoger bedrag dan 164.881, 77 EUR aan dwangsommen en uitvoeringskosten; , In datum van 24/04/2025 resp. -Verweerster te veroordelen om binnen de 24 uur na uitspraak van de te vellen beschikking, vrijwillig ooheffina te verlenen van voornoemd uitvoerend beslag op het onroerend goed gelegen tE -Te zeggen voor recht dat bij gebreke aan vrljwl/lige opheffing binnen de gestelde termijn, de beschikking als opheffing zal gelden; -Verweerster DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST te veroordelen tot de kosten van het geding m.i. v. de rechtsp/egingsvergoeding, in hoofde van eiser begroot op: - Dagvaardingskosten: 420,16 EUR - Rechtspfegingsvergoeding: 1.883, 72 EUR -Verweerster DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST te veroordelen betaling van de ra/rechten aan de FOD Financiën. tot IN ONDERGESCHIKTE ORDE. ALVORENS RECHT TE DOEN: Aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: schendt het verschil in behandeling tussen enerzijds een dwangsomschuldenaar die op grond van ort. 3.43 van de Vlaamse Codex Wonen op vordering van de Wooninspecteur tot herstelmaatregelen op straffe van een dwangsom werd veroordeeld en die zich in een latere fase niet tot de bevoegde overheid kan richten om af te zien van het geheel of een gedeelte van de opeisbare dwangsomschuld en anderzijds een dwangsomschuldenaar die op grond van art. 6.3.1 . van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening tot herstelmaatregelen op straffe van een dwangsom werd veroordeeld en die zich op grond van art. 6.3.4§4 en 6.3.4§5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wéf tot de bevoegde overheid kan richten om hiervan gedeeltelijk of volledig af te zien, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet? Rechtbank van eerste aanleg Urn burg, afdeling Tongeren• 3.2 Verweerster vordert in het besch ikkend gedeelte van haar samenvattende conclusle, neergelegd ter griffie via e-deposit op 29 september 2025: "Het verzet van de eisende partij als ontvankelijk te weerhouden doch als ongegrond af te wijzen, zowel in hoofdorde als In ondergeschikte ordei Dienvolgens te zeggen voor recht dat de uitvoering van het vonnis van 26.02.2019 van de 130 kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg afdeling Hasselt, sectie correctioneel, voor een bedrag dat de som van 164.881,77 € overschrijdt, geen rechtsmisbruik uitmaakt en derhalve rechtsaeldig geschiedt op basis van de bevPIPn tnt betalen en herstel betekend door het ambt vari in datum van 21/08/2023, 13/02/2024, 05/08/2024 en 23/01/2025 alsook aan het onroerend bevel en het uitvoerend beslag op onroerend aoed betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder te 25/06/2025. in datum van 24/04/2025 resp. 1erechtsdeurwaarder tE Eiser op verzet dfenvofgens te veroordelen tot de gerechtskosten, In hoofde van concluante te begroten op een baslsrechtsplegingsvergoeding van 1.8831 72 €. '1 4. BEOORDELING 4.1 De ontvankelijkheid De ontvankelijkheid van het verzet wordt niet betwist. Ook de rechtb ank bemerkt geen redenen die aanleiding geven tot een ambtshalve op te werpen exceptie van onbevoegdheid of onontvankelijkheid. Het verzet van eisende partij Is ontvankelijk. 4.2 De gegrondheid 4.2.1 Toepasselijl<e principes De beslagrechter, die overeenkomstig artikel 1395 Ger. W. kennisneemt van de vorderingen betreffende middelen tot tenuitvoerlegging, is bevoegd voor het executiegeschil dat rijst wanneer de schu ldeiser tot tenuitvoerlegging van de dwangsom overgaat, maar de veroordeelde de verbeuring van de dwangsom of de begroting van de verbeurde dwangsommen betwist. Rechtbank van eerste aanleg Urn burg, afdellng Tongeren \ p. 8 Inzake betwistingen omtrent de al dan niet verbeurte van een dwangsom bestaat de taak van de beslagrechter erin te onderzoeken of de hoofdveroordeling al dan niet werd nagekomen. De beslagrechter moet dus enkel vaststellen of aan de hoofdveroordellng is voldaan. De beantwoording van die vraag onderstelt een toetsing van de opgelegde verplichting aan de uitvoering die hieraan gegeven is. De dwangsom is enkel verbeurd wanneer de gewraakte handelswijze klaarblijkelijk, d.w.z. zonder redelijke discussie, een inbreuk op de opgelegde verplichting oplevert. Enkel in dat geval is er sprake van een inbreuk en wordt de dwangsom verbeurd . Is een redelijke discussie mogelijk, dan is de dwangsom niet verbeurd . Als maatstaf van deze toetsing van de ter uitvoering van het vonnis verrichte handelingen; dient men het doel en de strekking van de veroordeling als richtsnoer te nemen, met dien verstande dat de veroordeling geacht moet worden niet verder te strekken dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De beslagrechter kan bovendien niet om billijkheidsredenen de opeising van de dwangsom verhinderen, bijvoorbeeld omdat het bedrag buiten verhouding tot de gevolgen van de inbreuk is opgelopen. Wanneer de hoofdveroordeling niet wordt nagekome , dan is de dwangsom verschuldigd. Zodoende kan hij/zij de verbeurde dwangsommen niet opheffen, verminderen of anderszins milderen op grond van een onmogelijkheid waarmee de veroordeelde geconfronteerd werd. Evenmin kan hij/zij aan de debiteur de uitvoeringstermij n zoals opgelegd door de bodemrechter, verlengen of aanpassen . Volgens artikel 1385quinqules Ger. W. is enkel de dwangsomrechter bevoegd om te oordelen over een vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom. 3.2.2. In casu 3.2.2.1 Tussen partijen Is er geen betwisting over het feit dat een herstelmaatregel werd opgelegd en dat eiser uite indelijk pas op 29 oktober 2024 alle herstelmaatregelen heeft uitgevoerd. Eiser erkent ook uitdrukkelijk dat verweerster in beginsel recht heeft op de Invordering van de dwangsommen. Eisende partij stelt dat verweerster zich schuldig maakt aan rechtsmisbruik, omwille van het feit dat verweerster ook het resterende saldo van de dwangsommen van 68.511,92 euro In hoofdsom int, terwijl eiser reeds een bedrag van 164.881, 77 euro aan dwangsommen heeft betaald. Rechtbank va n eerste aanleg Limburg, afdellng Tongeren \ p. 9 3,2.2.2 Aangezien de beslagrechter kennis moet nemen van all e betwistingen die kunnen rijzen tegen de uitvoering van de beslissing die de dwangsom uitspreekt 1 kan hij/zij wel beoordelen of de invordering van de dwangsom in de gegeven omstandigheden aanle iding geeft tot rechtsmisbruik. Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en voorzichtig persoon . Dat is onder meer het geval wanneer het veroorzaakte nadeel buiten verhouding staat tot het voordeel dat de houder van het recht nastreeft of heeft verkregen . Het loutere feit dat verwerende partij tot betekening van een bevel In betaling van de dwangsommen is overgegaan, en tot het leggen van een uitvoerend onroerend beslag, nadat reeds was gedagvaard voor de bodemrechter, waarbij een vonnis werd uitgesproken1 betekent niet dat er sprake Is van rechtsmisbruik. Eisende partij dient aa n te tonen ln welke zin hij hierdoor benadeeld wordt alsook dat het zou gaan om een dlsproportioneet nadeel. Hierbij mag niet uit het oog verloren worden dat verwerende partij de uitvo.ering van herstelmaatregelen nastreeft1 die werden opgelegd door de strafrechter omwille van het feit dat eisende partij meerdere appartementen die niet vergund wa ren en niet voldeden aan de minimum kwaliteitsnormen verhuurde, waardoor het voordeel dat zij wenst te bekomen van overwegend belang is op tiet mogelijke nadeel in hoofde van eisende partij, namelijk de betaling van dwangsommen die precies zijn opgelegd omwille van de meerdere inbreuken door eiser dewelke zich al meerdere jaren voordeden . 3.2.2.3 Eiser op zjjn beurt wijst vooreerst naar de door hem geleverde inspanningen om gevolg te geven aan een herbestemming, waarbij hij naar eigen zeggen werd geconfronteerd met een onredelijke en zelfs kwaadwillige houding van de gemeente Zonhoven 1 die de omgevingsvergunning tot tweemaal toe weigerde. Eiser meent dat hij alles in het werk heeft gesteld en dat het eindresultaat van de herbestemming en de verbouwing mag gezien worden. Ondanks dit eindresultaat en de inspanningen die hij heeft gedaan, wordt hij naar eigen zeggen ten onrechte geconfronteerd met dwangsommen voor de periode van 14 september 2020 tot en met 28 oktober 2024 en dit voor een totaalbedrag van 225 .900,00 euro. Rechtbank van eerst e aanleg Limburg, afdeling Tongeren p.10 \ 3.2.2.4 De rechtbank volgt deze stelling van eiser niet. Eisende partij is in casu immers zelf verantwoordelijk is voor het feit dat een en ander geruime tijd in beslag heeft genomen. Een eerste aanvraag werd pas Ingediend op 5 december 2019, terwijl het vonnis inzake de herstelmaatregelen reeds dateerde van 26 februari 2019 en eiser zelfs reeds sedert 12 december 2017 kennis had van de herstelvordering. Eisende partij heeft er vervolgens zelf voor gekozen om niet terug te keren naar de oorspronkelijk vergunde toestand maar een herbestemm ing tot tweewoonst aan te vragen, met tot gevolg dat de regularisatie niet mogelijk was binnen de aan hem verleende hersteltermijn. Uiteraard is dit zijn vrije keuze, maar had hij moeten en kunnen weten dat deze realisatie niet mogelijk was binnen de herstelt ermijn. een onredelijke houding zou Eiser toont daarenboven niet aan dat hebben aangenomen, die aan de oorzaak ligt van de vertraging bij het bekomen van een omgevlngsvergun n ing. Eiser verwijst meermaals naar tegenslagen, maar toont niet aan dat deze tegenslagen te wijten zijn aan derden, laat staan aan verweerster. Verweerster heeft in casu niet onredelijk gehandeld. Deze dwangsommen werden opgelegd als geldelijke prikkel om nakom ing van de veroordeling te verzekeren . De beslagrechter kan niet om billijkheidsredenen de opeising van de dwangsom verhinderen, bijvoorbeeld omdat het bedrag buiten verhouding tot de gevolgen van de inbreuk is opgelopen. Wanneer de hoofdveroordeling niet wordt nagekomen, dan is de dwangsom verschuldigd. Het feit dat de dwangsommen hoog zijn opgelopen, heeft op zich dus niet tot gevolg dat er besloten kan worden dat verwerende partij buitenproportionele dwangsommen heeft geïnd. Te meer daar de bodemrechter geoordeeld heeft om In casu geen maximum aan dwangsommen op te leggen én de vordering van eiser op grond van art. 1385 quinquies Ger.W. als ongegrond heeft afgewezen, zodat het dwangmiddel zijn uitwerking behield. 3.2.2.5 De rechtbank benadrukt daarbij nogmaals dat deze dwangsommen worden gevorderd op grond van een in kracht van gewijsde getreden vonnis van de correctionele rechtbank, waarin eiser werd veroordeeld tot een herstelverplichting en het dus de verplichting van eiser was om tot uitvoering van deze verplichtingen over te gaan binnen de vooropgestelde termijn. Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren - p.11 Er werden hiertoe gedurende jaren meerdere exploten betekening bevel betekend aan eiser, waarin de.ze dwangsommen opeisbaar werden gesteld. In weerwil hiervan werd door eiser niet, alleszins niet tijdig, het nodige gedaan om tijdig tot uitvoering van de opgelegde herstelmaatregelen over te gaan. Ook het feit dat het resultaat dat eiser uiteindelijk heeft bereikt, de moeite waard zou zijn, is geen reden om te oordelen dat verweerster respectloos zou zijn voor de inspanningen van eisende partij. Enkel relevant dienaangaande is de datum waarop dit resultaat werd bereikt, aldus de datum waarop eiser zich heeft geconfirmeerd aan de opgelegde herstelmaatregelen. De rechtbank Is in casu dan ook van oordeel dat er in de gegeven omstandigheden geen sprake Is van enig rechtsmisbruik in hoofde van verwerende partij. 3.2.2.6 Eiser stelt In ondergeschikte orde dat er ten onrechte aan een dwangsomschuldenaar bij herstelmaatregelen inzake stedenbouwkundige overtredingen geen mogelijkheid wordt gegeven om een gedeeltelijke kwijtschelding van zijn opeisbare dwangschuld te vragen, nu de Vlaamse Code>< Wonen niet voorziet in deze mogelijkheid. Eiser betwist niet dat de wetgever In deze mogelijkheid niet heeft voorzien. Eiser stelt wel dat er dienaangaande ten onrechte een onderscheid wordt gemaakt tussen een overtreder van de bepalingen van de Vlaamse Codex Wonen en een overtreder van de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke ordening. In artikel 6.3.4§4 en 6.3.4§5 VCRO wordt wel in de mogelijkheid voorzien om de gestelde handellngen en de genomen engagementen rnet het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel aan te tonen, waarbij door de gewestelijk stedenbouwkund ig inspecteur kan worden afgezien van het geheel of een gedeelte van de opeisbare dwangsomschuld . Deze mogelijkheid Is niet voorzien bij een overtreding van de artikelen 3.43 tot en met 3.48 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. Hij vraagt om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof nu hij meent dat dit een schending uitmaakt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Een prejudiciële vraag kan gesteld worden wanneer een door de wet gemaakt ond rscheid gemaakt wordt tussen personen die zich in dezelfde juridische toestand bevinden en waarop verschillende regels van toepassing zijn. Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdell g Tongere n - p. 12 ~ De rechtbank Is evenwel van oordeel dat personen die veroordeeld worden wegens een Inbreuk op de Vlaamse Wooncode zich niet in dezelfde juridische toestand bevinden als personen die veroordeeld worden wegens inbreuken op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Herstelvord eringen in uitvoering van de Vlaamse Wooncode, zoals in casu opgelegd, hebben tot doel om te voorkomen dat woningen die niet aan de minimum kwaliteitsnormen voldoen, zouden worden verhuurd of ter beschikking gesteld. Een herstelvordering op grond van de VCRO heeft het herstel van een goede ruimtelijke ordening tot doel. Nu er wel degelijk een onderscheid bestaat tussen de beide regelgevingen, en de rechtsonderhorigen die onder deze verschillende regelgevingen vallen zich niet In dezelfde juridische toestand bevinden, kan het feit dat verschillende regels van toepassing zijn niet worden aangeklaagd, zodat de prejudiciële vraag niet gesteld dient te worden. 3.2.2.7 Voor het overige worden door eisende partij geen middelen aangehaald die betrekking hebben op de onregelmatigheid en/of onrechtmatigheid van de uitvoering, zodat dient beslist dat, aangezien de hoofdveroordeling niet tijdig is nagekomen, de gevorderde dwangsommen zijn verbeurd en verwerende partij terecht en regelmatig tot uitvoering Is overgegaan middels de betekende exploten. Zodoende is het ven:et van eisende partij ongegrond. 4. GERECHTSKOSTEN Aangezien het verzet van eisende partij ongegrond Is dient hij veroordeeld te worden tot de l<osten verbonden aan huidige procedure. Verwerende partij vordert opz ichtens eisende partij een rechtsplegingsvergoeding van 1.883, 72 euro. Huidige betwisting betreft de rege lmatigheid en rechtmatigheid van een uitvoering door middel van betekende exploten en een uitvoerend beslag op onroerend goed voor gevorderde dwangsommen zodat het gaat om een niet in geld waardeerbare vordering en de desbetreffende tarieven van toepassing zijn. Overeenkomstig het K.B. van 26 oktober 2007 bedraagt de basisrechtsplegingsvergoeding na de meest recente indexatie voor een niet In geld waardeerbare vordering 1.883, 72 euro. *** Gelet op de arti kelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Rechtbank van eerste aanleg Umburg, afdellng Tongeren - p.13 OM DEZE REDENEN Wij, beslagrechter, bijgestaan door ~rlffler, Uitspraak doende op tegenspraak. Verklaart het verzet van eisende partij ontvankelijk doch ongegrond . Veroordeelt eisen de partij tot betalin g van de kosten van huidig geding, die in zijnen hoofde niet moeten worden vastgesteld nu deze eigen blijven. Veroordeelt rechtsplegingsvergoeding van 1.883, 72 euro. eisende partij tot betaling aan verwerende partij van een Veroordeelt eisende partij tevens tot betaling van het rolrecht van 165,00 euro betaalbaar op eerste verzoek vanwege de FOD Fin anciën. Aldus gevonnist en uitgesproken In openbare zitting in het gerechtsgebouw te Tongeren Borgloon op 18 december 2025.