ADB:rechtbank-eerste-aanleg-leuven-19-12-2025
Beslissingsdetails
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Leuven
📅 2025-12-19
🌐 NL
Vonnis
Rechtsgebied
Woonbeleid
Geciteerde wetgeving
Decreet van 15 juli 1997; Wet van 15 juni 1935
Samenvatting
Vonnisnummer / Griffienummer Repertoriumnummer / Europees Datum van uitspraak 19 december 2025 Naam van de beklaagde(n) Systeemnummer parket 23G64 Rolnummer Notitienummer parket LE66.WI.103100/2019 Rechtbank van eerste aanleg Leuven correctionele zaken Kamer C8 Vonnis Aangeboden op Niet te regist...
Volledige tekst
Vonnisnummer / Griffienummer
Repertoriumnummer / Europees
Datum van uitspraak
19 december 2025
Naam van de beklaagde(n)
Systeemnummer parket
23G64
Rolnummer
Notitienummer parket
LE66.WI.103100/2019
Rechtbank van eerste aanleg
Leuven correctionele zaken
Kamer C8
Vonnis
Aangeboden op
Niet te registreren
Rolnummer
Rechtbank van eerste aanleg Leuven correctionele zaken
Kamer C8
Vonnisnr /
p. 2
In tegenwoordigheid van het openbaar ministerie en
EISER TOT HERSTEL :
Wooninspecteur van het Vlaams-gewest
KBO nummer 0316.380.841, met kantoren te 1000 Brussel, Havenlaan 88 bus 22
vertegenwoordigd door meester
, advocaat te
tegen:
BEKLAAGDE:
, RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
vertegenwoordigd door meester
, advocaat te
.
1 TENLASTELEGGING(EN)
De procureur des Konings vervolgt de beklaagde(n) als dader of mededader in de zin van artikel 66 van
het strafwetboek voor de volgende strafbare feiten:
A een woning of specifieke woonvorm die niet voldoet aan de vereisten van artikel 5 § 1 Vlaamse
Wooncode verhuren, te huur stellen of ter beschikking stellen
als verhuurder, als eventuele onderverhuurder of als persoon die een woning ter beschikking stelt, een
woning of een specifieke woonvorm, als vermeld in artikel 5 § 3 lid 1 van het Decreet van 15 juli 1997
houdende de Vlaamse Wooncode, die niet voldoet aan de vereisten en normen, vastgesteld met toe-
passing van artikel 5 van voornoemd Decreet, rechtstreeks of via tussenpersoon, te hebben verhuurd,
te huur gesteld of ter beschikking gesteld met het oog op bewoning,
(art. 2 § 1, 31°, en 20 § 1 lid 1 Decreet 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode)
thans (sedert 1 januari 2021) strafbaar gesteld in de artikelen 3.34, 3.35 en 3.36 van de gecodifi-
ceerde decreten over het Vlaamse woonbeleid d.d. 17 juli 2020 ("Vlaamse Codex Wonen van 2021"),
namelijk
1 Te
ber 2020
woning
2
tember 2020
woning
3 Te
2020
woning
in de periode van 28 februari 2019 tot en met 15 okto-
in de periode van 28 februari 2019 tot en met 8 sep-
), Kouterstraat 4 in de periode van 28 februari 2019 tot en met 2 januari
Rolnummer
Rechtbank van eerste aanleg Leuven correctionele zaken
Kamer C8
Vonnisnr /
p. 3
2 PROCEDURE
2.1.
De rechtbank nam kennis van:
- het tussenvonnis van deze rechtbank van 7 april 2023,
- de stukken van het onderzoek zoals vervat in het strafdossier,
- de stukken van de rechtspleging waaronder de dagvaarding van de beklaagde,
- de conclusie, de geactualiseerde herstelvordering en de stukken neergelegd door de Woonin-
specteur,
- de conclusie en stukken van de beklaagde,
- de stukken neergelegd ter zitting.
2.2.
De rechtbank hoorde:
- het Openbaar Ministerie,
- de raadsman van de Wooninspecteur,
- de advocaat van de beklaagde die deze ter zitting vertegenwoordigde.
De rechtbank beslist na tegenspraak.
2.3.
De herstelvordering is ontvankelijk.
3 BEOORDELING
3.1 Reeds uitspraak bij tussenvonnis over de strafvordering
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 7 april 2023 de strafvordering ontvankelijk verklaard en de
feiten van tenlasteleggingen A1 tot en met A3 bewezen verklaard lastens de beklaagde
evenwel met ingang van 10 juli 2019.
bij dit vonnis voor deze bewezen verklaarde feiten A1 tot
De rechtbank heeft de beklaagde
en met A3 samen veroordeeld tot een geldboete van 500 euro met 70 opdeciemen (X8) gebracht op
4.000 euro of een vervangende gevangenisstraf van 3 maanden. De rechtbank verleende uitstel van de
straf aan de beklaagde voor de gehele geldboete gedurende een periode van 3 jaar.
De rechtbank verklaarde voorts de vordering tot verbeurdverklaring van wederrechtelijk verkregen
vermogensvoordelen op grond van de bewezen verklaarde feiten A1 tot en met A3 ten aanzien van de
ontvankelijk en gegrond ten belope van 12.000 euro (zijnde 4.000,00 euro per
beklaagde
woning).
De rechtbank veroordeelde de beklaagde
bovendien tot een bijdrage van 200 euro, zijnde
de som van 25,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds ter hulp aan de
slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders; een bijdrage van 24 euro aan het
Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand; de verplichte vaste vergoeding van 58,24 euro; de
kosten van de strafvordering begroot op 297,08 euro.
Rolnummer
Rechtbank van eerste aanleg Leuven correctionele zaken
Kamer C8
Vonnisnr /
p. 4
De rechtbank heeft tevens bevolen dat het tussenvonnis op de kant van de overgeschreven
dagvaarding of van het overgeschreven exploot zou worden ingeschreven op de wijze bepaald in artikel
84 van de Hypotheekwet. Bij gebreke van overschrijving, vermeld in het eerste lid, diende deze
beslissing ingeschreven te worden op de kant van de overschrijving van de titel van verkrijging. De
in het
rechtbank heeft tot slot bevolen dat het tussenvonnis zou worden
vergunningsregister van de stad waar de onroerende goederen gelegen zijn, namelijk te
ingeschreven
3.2. De burgerrechtelijke vordering
De rechtbank heeft bij tussenvonnis de burgerlijke belangen aangehouden met toepassing van artikel
4 V.T. Sv.
4. DE HERSTELVORDERING
4.1.
De beklaagde wijst erop dat zij inmiddels een stedenbouwkundige regularisatie bekomen heeft van de
desbetreffende panden. Er werd een omgevingsvergunning afgeleverd voor het ongedaan maken van
een onvergunde meergezinswoning.
Dit wordt bevestigd door de Wooninspecteur.
4.2.
De Wooninspecteur geeft aan dat er daarentegen nog geen sprake is van het herstel van de
woonkwaliteit zoals gevraagd in de herstelvordering en waardoor voldaan is aan de minimale
kwaliteitsvereisten.
Er wordt door de Wooninspecteur verwezen naar het navolgend proces-verbaal d.d. 8 april 2025 en
het mailverkeer van 18 november 2025 en voorafgaandelijk daaraan.
In dit proces-verbaal wordt vermeld dat de plaatsgesteldheid gewijzigd is ten opzichte van de
aanvankelijk vaststellingen op 10 juli 2019 maar dat de woonentiteiten
nog steeds niet conform
zijn overeenkomstig de bepalingen van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en/of, voor woonentiteit
wordt overbewoond en wordt verhuurd, te huur gesteld en/of ter beschikking gesteld in de zin van
artikel 3.34 van dezelfde Codex.
De Wooninspecteur stelt in voornoemd proces-verbaal vast dat de woning nummer 2 werd bewoond
door de zoon van de eigenares sinds december 2022, zonder huurcontract en zonder dat hij huurgeld
betaalde. Hij deelde mee soms de nutsvoorzieningen te betalen.
In het genoemd navolgend proces-verbaal d.d. 8 april 2025 worden op bladzijde 3 de gebreken
concreet en nauwkeurig uiteengezet, gebreken die op die datum nog werden vastgesteld in de woning
nummer
In totaal werden voor deze laatste woning (6 kleine gebreken in categorie I), 4 ernstige
gebreken in categorie II vastgesteld (en geen gebreken in categorie III), zodat de woning als ongeschikt
aangemerkt wordt.
Voor de woning nummer werden (4 kleine gebreken in categorie I), 2 ernstige gebreken in categorie
II en 1 gebrek in categorie III vastgesteld, zodat de woning als ongeschikt en onbewoonbaar aangemerkt
wordt.
Rolnummer
Rechtbank van eerste aanleg Leuven correctionele zaken
Kamer C8
Vonnisnr /
p. 5
Met betrekking tot het gebouw werd 1 ernstig gebrek in categorie II vastgesteld (geen gebrek in
categorie III en 2 kleine gebreken in categorie I).
Aan deze vaststellingen werd een technisch verslag en fotoreportage gevoegd.
De vaststellingen die werden verricht in voornoemd proces-verbaal gelden tot het bewijs van het
tegendeel. Een proces-verbaal van de Wooninspecteur heeft immers bijzondere bewijswaarde
aangezien het werd opgesteld door een opsporingsambtenaar aan wie door bijzondere strafwetgeving
een specifieke opdracht wordt verleend met betrekking tot vaststelling van de misdrijven zoals in die
wetgeving omschreven. In het bijzonder met betrekking tot de technische vaststellingen dient
overigens niet te worden getwijfeld aan de onderlegdheid van de Wooninspecteur.
Er wordt door de beklaagde geen bewijs van het tegendeel geleverd. Het tegendeel van de gedane
vaststellingen wordt immers niet aangetoond door te verwijzen naar een wel heel bijzonder
nauwkeurige manier om op zoek te gaan naar gebreken die eertijds niet vermeld werden op de
oorspronkelijke lijst van gebreken. Er dient te worden aangetoond dat er geen enkel gebrek meer is van
categorie II of III. Dit bewijs wordt niet geleverd en er wordt niet aangetoond dat de herstelmaatregel
uitgevoerd werd.
Een woning is slechts conform wanneer er geen gebreken van categorie II of III werden vastgesteld.
De woonentiteiten moeten geheel voldoen aan de vereisten van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Aangezien dat niet het geval is moet de herstelvordering worden toegekend.
4.3.
Uit de meest recente vaststellingen, in het proces-verbaal hoger uiteengezet, blijkt dat de toestand nog
steeds niet hersteld is zodat de herstelvordering nog van kracht is. De herstelvordering is gegrond zoals
hieronder bepaald. De herstelvordering is immers zowel intern als extern wettig en beoogt op
aangepaste en noodzakelijke wijze het herstel van de gevolgen van de door de beklaagde geleegde
feiten. De herstelvordering is afdoende gemotiveerd en is niet onevenredig in verhouding tot de
beoogde woonkwaliteitsnormen.
Ook de vordering tot het opleggen van een dwangsom is gegrond in de mate hierna bepaald. De
beklaagde heeft immers ruim de mogelijkheid gehad om over te gaan tot het volledig herstel. De
maatschappij heeft er belang bij dat dit snel gebeurt.
De dwangsom is verbeurd per dag vertraging indien niet vrijwillig door de beklaagde wordt overgegaan
tot het uitvoeren van het herstel zoals gevorderd, binnen een hersteltermijn van 18 maanden vanaf de
eerste dag na de hoger vermelde hersteltermijn in zover het huidige vonnis vooraf werd betekend. De
rechtbank zegt tevens dat geen dwangsom zal worden verbeurd boven een bedrag van 500.000 euro.
Aangezien dit bij wet is voorgeschreven worden de Wooninspecteur en het College van burgemeester
en schepenen gemachtigd om het herstel van het betrokken pand ambtshalve uit te voeren wanneer
de herstelmaatregelen door de beklaagde niet binnen de hersteltermijn van 18 maanden worden
uitgevoerd met toepassing van artikel 3.47 van de Vlaamse Codex Wonen 2021, waarbij de
Wooninspecteur en het College van burgemeester en schepenen gemachtigd worden de kosten van
een eventuele herhuisvesting van de bewoners te verhalen op de beklaagde met toepassing van artikel
3.48 van de Vlaamse Codex Wonen 2021.
Het komt niet noodzakelijk voor om de uitvoerbaarheid bij voorraad te bevelen.
Rolnummer
Rechtbank van eerste aanleg Leuven correctionele zaken
Kamer C8
Vonnisnr /
p. 6
5 TOEGEPASTE WETTELIJKE BEPALINGEN
Bij deze uitspraak past de rechtbank onder meer de volgende wettelijke bepalingen toe:
-11, 12, 14, 16, 31 tot 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;
- de artikelen genoemd in het vonnis
- de artikelen zoals opgenomen onder punt 1 Tenlasteleggingen; artikelen 3.1, 3.34, 3.35, 3.36, 3.47,
3.49, 3.50 van de Vlaams Codex Wonen 2021;
- artikel 4 V.T.Sv.;
6 UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak na tegenspraak en in eerste aanleg.
Rechtdoende over de herstelvordering na tussenvonnis van deze rechtbank van 7 april 2023.
De rechtbank verklaart de herstelvordering betreffende het pand gelegen te
,
kadastraal gekend te
ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.
De rechtbank veroordeelt de beklaagde tot het uitvoeren van renovatie-, verbeterings- en/of
aanpassingswerken aan het voornoemd pand, met name het herstel van de conformiteit zoals
beschreven in artikel 1.3, §1, 8° Vlaamse Codex Wonen, waardoor het pand voldoet aan de minimale
kwaliteitsvereisten en de woning geen gebreken van categorie II of III meer vertoont en er evenmin
sprake is van overbewoning.
De rechtbank veroordeelt de beklaagde tot het uitvoeren van het herstel bedoeld in de voorgaande
paragraaf binnen een termijn van 18 maanden die ingaat de dag na de betekening van huidig vonnis
en dit op straffe van een dwangsom van 150 euro per dag vertraging, dwangsom die ingaat vanaf de
eerste dag vertraging na afloop van de periode van 18 maanden tot het uitvoeren van het herstel zoals
gevorderd, in zoverre huidig vonnis voorafgaandelijk werd betekend, doch met dien verstande dat geen
dwangsom zal worden verbeurd boven een bedrag van 500.000 euro.
De rechtbank machtigt de Wooninspecteur, handelend in naam van het Vlaamse Gewest, en het
College van burgemeester en schepenen van de gemeente Kortenberg om het herstel van het
voornoemd pand ambtshalve uit te voeren wanneer de herstelmaatregelen door de beklaagde niet
binnen de hersteltermijn van 18 maanden worden uitgevoerd met toepassing van artikel 3.47 van de
Vlaamse Codex Wonen 2021.
De rechtbank machtigt de Wooninspecteur, handelend in naam van het Vlaamse Gewest, en het
College van burgemeester en schepenen van de gemeente Kortenberg om de kosten van een eventuele
herhuisvesting van de bewoners te verhalen op de beklaagde met toepassing van artikel 3.48 van de
Vlaamse Codex Wonen 2021.
De rechtbank wijst het meer en anders gevorderde af.
Rolnummer
Rechtbank van eerste aanleg Leuven correctionele zaken
Kamer C8
Vonnisnr /
p. 7
INSCHRIJVING EN OVERSCHRIJVING
De rechtbank beveelt dat deze beslissing op de kant van de overgeschreven dagvaarding of van het
overgeschreven exploot ingeschreven wordt op de wijze bepaald in artikel 84 van de Hypotheekwet.
Bij gebrek aan overschrijving, vermeld in het eerste lid, dient deze beslissing ingeschreven op de kant
van de overschrijving van de titel van verkrijging.
De rechtbank beveelt tot slot dat deze beslissing wordt ingeschreven in het vergunningsregister van de
stad waar de onroerende goederen gelegen zijn, namelijk te Kortenberg.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 19 december 2025 door de Rechtbank
van eerste aanleg Leuven correctionele zaken, kamer C8:
-
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting, met bijstand van griffier
, rechter
.