ADB:raad-van-state-brussel-23-12-2025
Beslissingsdetails
šļø Raad van State Brussel
š
2025-12-23
š NL
Arrest
Rechtsgebied
Dierenwelzijn
Geciteerde wetgeving
koninklijk besluit van 19 november 2024
Samenvatting
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER In zake: A R R E S T nr. van 23 december 2025 in de zaak bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaa...
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
In zake:
A R R E S T
nr.
van 23 december 2025
in de zaak
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van de vordering
1.
De vordering, ingesteld op 15 december 2025, strekt tot de
schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de
bestemmingsbeslissing van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid,
afdeling Dierenwelzijn van 1 december 2025 waarbij 49 in deze beslissing nader
omschreven roofvogels in volle eigendom worden gegeven aan erkende
inrichtingen.
Verzoekster vraagt tevens om bij wijze van voorlopige maatregel
de verwerende partij āte bevelen om de volgens de bestemmingsbeslissing
meegenomen vogels [ā¦] terug te geven aan verzoekende partij en terug te plaatsen
in de kooien van verzoekende partij [ā¦] dit [onder] verbeurte van een dwangsom
van 50.000,00 euro per dag dat alle meegenomen vogels niet worden teruggegeven
aan en teruggeplaatst in de kooien bij verzoekende partij na de datum van het tussen
te komen arrestā.
II. Verloop van de rechtspleging
2.
Bij beschikking van 15 december 2025 werd de
procedurekalender vastgesteld.
De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een
administratief dossier ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 18 december 2025.
Staatsraad
heeft verslag uitgebracht.
Advocaat
, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat
, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur
heeft een met dit arrest eensluidend
advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoƶrdineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1.
Op 3 oktober 2025 doen een inspecteur-dierenarts en twee
controleurs van de afdeling Dierenwelzijn samen met de lokale politie, de Federale
politie en personeelsleden van het agentschap Natuur en Bos vaststellingen inzake
overtredingen op het dierenwelzijn met betrekking tot de roofvogels van
verzoekster.
3.2.
Op 3 oktober 2025 worden āalle roofvogels die in verblijven
gehouden worden die niet voldoen aan de opgelegde normenā van verzoekster
bestuurlijk in beslag genomen.
Deze beslagbeslissing vormt het voorwerp van een beroep tot
nietigverklaring gekend onder nr.
.
3.3.
3.4.
Op 29 oktober 2025 wordt verzoekster strafrechtelijk verhoord.
Op 1 december 2025 beslist het afdelingshoofd Dierenwelzijn
van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid om in toepassing van
artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn de volgende roofvogels in
volle eigendom te geven aan erkende inrichtingen:
ā⢠2 Amerikaanse torenvalken ā Falco sparverius
⢠4 Braziliaanse dwergooruilen ā Glaucidium brasilianum
⢠2 Briluilen ā Pulsatrix perspicillata
⢠10 Cholibaschreeuwuilen ā Megacops chiliba
⢠10 Dwergooruilen ā Otus scops
⢠2 Geparelde dwerguilen ā Glaucidium perlatum
⢠5 Indische dwergooruilen ā Otus bakkamoena
⢠9 Kerkuilen ā Tyto alba
⢠4 Steenuilen ā Athene noctua
⢠1 Westelijke schreeuwuil ā Megacops kennicotti.ā
Dit is de bestreden beslissing.
3.5.
Op 4 december 2025 wordt de aangetekende zending houdende
de bestreden beslissing aangeboden aan verzoekster.
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
4.
Op 17 december 2025, daags voor de terechtzitting, heeft
verzoekster nog vier stukken toegevoegd aan het dossier ā[i]n antwoord op de nota
van het Vlaamse Gewestā.
5.
Ter terechtzitting verzet de verwerende partij zich tegen het
neerleggen van de nieuwe stukken door verzoekster.
De
toepasselijke procedureregeling voorziet niet
in de
mogelijkheid tot de neerlegging van bijkomende stukken in antwoord op de nota
van de verwerende partij. De na het indienen van het verzoekschrift tot schorsing
bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediende stukken zijn niet ontvankelijk en
worden uit het debat geweerd.
V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
6.
Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst
dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde
dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot
nietigverklaring en indien minstens ƩƩn ernstig middel wordt aangevoerd waarvan
het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de
nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord.
Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij
uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien
dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld.
VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid
Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
7.
Verzoekster zet uiteen dat zij vreest voor permanente schade aan
de gezondheid van de dieren wegens de onttrekking van de dieren aan hun
natuurlijk habitat waarin sommige al verscheidene jaren, sommige tot 10 jaar,
verblijven en wegens de verplaatsing naar een vreemde omgeving. Zij wijst er in
dat verband op dat uilen zeer stressgevoelig zijn. Voorts zet verzoekster uiteen dat
de dieren een latent besmettingsgevaar lopen, met de zich snel verspreidende
vogelgriep, waardoor de uilen een zeer groot risico lopen om te sterven. Zo is
volgens de verspreidingskaart van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van
de Voedselketen (hierna: FAVV) op 16 november 2025 een geval van vogelgriep
vastgesteld in Oudsbergen/Opglabbeek, waar de vzw Natuurhulpcentrum is
gevestigd en waar ongetwijfeld verschillende van de vogels zijn naartoe gebracht.
Verzoekster verwijst naar een bericht op de website van dierengezondheidszorg
Vlaanderen op 20 oktober 2025 dat het FAVV verwacht dat de situatie van
vogelgriep de komende maanden nog zal verergeren. De verplaatsing van in
gevangenschap levende vogels tijdens een door het FAVV afgekondigde
ophokplicht is volgens verzoekster niet alleen biologisch risicovol, maar ook in
strijd met de ratio legis van die maatregel, ingevolge de bijkomende verplaatsingen
en concentraties van vogels in opvangcentra en het samen houden van tamme
vogels en wilde vogels. De vrees voor ernstige gezondheidsrisicoās van de
meegenomen vogels is volgens verzoekster aldus volkomen terecht. Volgens
verzoekster zijn vogelgriep en stressgerelateerde aandoeningen, aandoeningen die
zich niet ontwikkelen op het ritme van een gerechtelijke procedure, maar op dat
van levende organismen. Iedere bijkomende week in een totaal onbekende
omgeving met verhoogde besmettingsrisicoās, andere verzorgingsroutine en
permanente publieke druk, verhoogt de kans op onherstelbare schade exponentieel.
Verzoekster zet voorts uiteen dat zij niet eerder een verzoekschrift kon indienen,
daar zij wilde beschikken over het proces-verbaal dat zij op 3 december 2025 door
een deurwaarder heeft laten opstellen van de exacte kooiafmetingen om aan te
tonen dat er wel degelijk uilen zijn meegenomen uit kooien die qua afmeting wƩl
voldeden aan de norm.
Beoordeling
8.
De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid
houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor
de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een
strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van
verdediging van de verwerende partij.
De aanwending van die procedure moet dan ook zeer
uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele
gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen
zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en
onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van
het koninklijk besluit van 19 november 2024 ātot bepaling van de rechtspleging in
kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor
de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Stateā, bevat het verzoekschrift
waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe āeen
uiteenzetting van de
feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid
rechtvaardigenā.
Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van
precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de
tenuitvoerlegging,
indien ze pas na het afwikkelen van de gewone
schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen
om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te
stellen.
De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet
voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak
een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde
zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone
schorsings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te
verkrijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad.
Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou
zijn, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens
die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende
noodzakelijkheid eraan inherent is.
Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure,
is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten
gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een
toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
9.
Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende
noodzakelijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet
op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden
ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen.
Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot
een theoretische uiteenzetting, doch vereist het aanreiken van concrete, specifiek
op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het
resultaat van de procedure tot nietigverklaring of gewone schorsingsprocedure niet
kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige,
onherroepelijke schadelijke gevolgen, wat, zoals hierna zal blijken, de verzoekende
partij te dezen nalaat te doen.
10.
Uit wat voorafgaat, volgt dat, wie meent in een geval te verkeren
waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de bestreden
beslissing moet worden bevolen, dienovereenkomstig moet handelen. Een
verzoekende partij die zonder afdoende reden talmt met het instellen van de
vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, geeft er blijk van
die uiterst dringende noodzakelijkheid zelf niet ernstig te nemen.
11.
Te dezen stelt de Raad van State vast dat het beslag van de dieren
dateert van 3 oktober 2025. Uit die beslissing tot beslagname blijkt dat binnen een
termijn van zestig dagen het departement de bestemming van de in beslag genomen
dieren bepaalt, alsook welke de mogelijke bestemmingen zijn. Verzoekster
verwijst ter staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid naar berichten over
de vaststelling en verspreiding van de vogelgriep van 20 oktober 2025 en
16 november 2025. Voorts stelt de Raad van State vast dat verzoekster van de
bestreden beslissing kennis nam, minstens kon nemen, op 4 december 2025 zijnde
de dag waarop de bestreden beslissing via een aangetekende zending aan
verzoekster werd aangeboden. Daarenboven werd zij op 2 december 2025, zoals
zij zelf aangeeft in het verzoekschrift, minstens mondeling ingelicht over de
bestemmingsbeslissing, daar op dat ogenblik ā in haar aanwezigheid ā de dieren in
kwestie werden meegenomen door de verwerende partij. Vervolgens wacht
verzoekster tot 15 december 2025 om een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst
dringende noodzakelijkheid in te dienen.
Dat tijdsinterval spreekt op zich reeds de uiterst dringende
noodzakelijkheid tegen. Het laat zich des te minder verantwoorden in het licht van
het concrete nadeel dat verzoekster laat gelden, met name de stress van het
verplaatsen van de dieren en ingevolge het onderbrengen van de dieren in een
andere omgeving, alsook het volgens verzoekster zeer imminente risico op
besmetting met de vogelgriep. Indien verzoekster de verplaatsing van de dieren en
de huisvesting van de dieren in een vreemde omgeving had willen vermijden, had
zij al veel eerder kunnen handelen.
Het argument van verzoekster dat zij heeft gewacht om de
vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen, omdat
zij wou beschikken over het proces-verbaal dat zij op 3 december 2025 door een
gerechtsdeurwaarder heeft laten opstellen over de exacte kooiafmetingen, doet niet
anders oordelen. Er valt immers prima facie niet in te zien hoe de afmetingen van
de kooien ruim na de beslagbeslissing en na de bestemmingsbeslissing dermate
relevant zou zijn om de wettigheid van die beslissingen te betwisten ā wettigheid
die wordt beoordeeld op het tijdstip waarop de beslissingen zijn genomen ā dat ze
het gebrek aan diligentie zouden rechtvaardigen.
12.
Voorts stelt de Raad van State, in de mate dat verzoekster de
uiterst dringende noodzakelijkheid staaft met verwijzing naar de stress en risicoās
verbonden aan de verplaatsing van de dieren en de huisvesting van de dieren in een
andere omgeving, vast dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden
beslissing deze nadelen niet meer kan verhelpen, daar zij intussen werden
ondergaan. Het opnieuw verplaatsen van mogelijk besmette dieren staat haaks op
wat verzoekster met haar vordering wenst te bekomen.
13.
Wat het risico op besmetting met de vogelgriep betreft, blijft
verzoekster voorts erg vaag in haar uiteenzetting. Met het loutere gegeven dat er
op verschillende plaatsen in het land sprake is van vogelgriep, alsook in de
omgeving van het natuurhulpcentrum waar een deel van de vogels zou zijn
ondergebracht, maakt verzoekster niet concreet aannemelijk dat de vogels een
āzeer groot risicoā lopen om te sterven. Van de erkende inrichtingen, waaraan de
vogels ingevolge de bestreden beslissing zijn toegewezen, mag overigens worden
verwacht dat zij de richtlijnen ter bestrijding van de vogelgriep naleven, zoals de
verwerende partij terecht onderstreept. Verzoekster toont alleszins niet het
tegendeel aan.
14.
In de mate dat verzoekster erop wijst dat quasi alle kooien
intussen aan de norm voldoen, stelt de Raad van State vast dat dit argument de
grond van de zaak betreft en derhalve de uiterst dringende noodzakelijkheid niet
verantwoordt. De ernst van de middelen is een voorwaarde die apart van de uiterst
dringende noodzakelijkheid wordt beoordeeld. De eventuele ernst van de middelen
toont de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aan.
VII. Conclusie
15.
Er is niet voldaan aan ten minste ƩƩn van de voorwaarden gesteld
in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die
cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst
dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
VIII. Voorlopige maatregel
Vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel
16.
Verzoekster vraagt dat de Raad van State bij wijze van
voorlopige maatregel zou bevelen dat de verwerende partij de ingevolge de
bestemmingsbeslissing meegenomen vogels moet teruggeven aan verzoekster en
moet terugplaatsen in de kooien van verzoekster onder verbeurte van een
dwangsom van 50.000 euro per dag.
Beoordeling
17.
Daar uit wat voorafgaat, blijkt dat niet is voldaan aan de
voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid en op grond daarvan de
voorliggende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet
worden verworpen, moet de accessoire vordering tot het opleggen van een
voorlopige maatregel hetzelfde lot ondergaan.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende
noodzakelijkheid.
2. De Raad van State verwerpt de vordering tot het opleggen van voorlopige
maatregelen.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieƫntwintig december tweeduizend
vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
,
staatsraad, waarnemend voorzitter
bijgestaan door
griffier.
De griffier
De voorzitter