ADB:hof-van-cassatie-brussel-06-01-2026-0
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Cassatie Brussel
📅 2026-01-06
🌐 NL
Arrest
Cassatie
Rechtsgebied
Ruimtelijke Ordening
Samenvatting
6 JANUARI 2026 Hof van Cassatie van België Arrest I-II Nr. burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. , advocaat bij de balie tegen 1. 0 , beklaagde, , met kantoor te , ON 2. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II laan 20/7, beklaagde, verweerd...
Volledige tekst
6 JANUARI 2026
Hof van Cassatie van België
Arrest
I-II
Nr.
burgerlijke partij,
eiser,
met als raadsman mr.
, advocaat bij de balie
tegen
1.
0
,
beklaagde,
, met kantoor te
, ON
2. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, met kantoor
te 1000 Brussel, Koning Albert II laan 20/7,
beklaagde,
verweerders.
6 JANUARI 2026
I.
RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent,
correctionele kamer, van 12 september 2025.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
De eiser doet afstand van het cassatieberoep I.
Raadsheer
heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal
heeft geconcludeerd.
II.
BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van de op 3 december 2025 ter griffie van het Hof ontvangen
stukken
1. Volgens artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kan de eiser na
verloop van twee maanden die volgen op de verklaring van cassatieberoep geen
stukken meer indienen, met uitzondering van akten van afstand of hervatting van
het geding, akten waaruit blijkt dat het cassatieberoep doelloos is geworden en
noten bedoeld in artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek.
2. De door de eiser per post aan de griffie van het Hof toegestuurde stukken,
die er werden ontvangen op 3 december 2025, dit is buiten de voormelde termijn
van twee maanden na de verklaring van het cassatieberoep II van 26 september
2025, zijn niet ontvankelijk.
Middel
3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 5
Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van de rechtsregels “iura novit curia”
en “da mihi factum, dabo tibi ius”: met het oordeel dat het helemaal onduidelijk is
welke feiten in de op verzoek van de eiser betekende rechtstreekse dagvaarding
ten laste worden gelegd aan de verweerders en dat er sprake is van een duistere
6 JANUARI 2026
vordering, verantwoordt het arrest niet naar recht dat de burgerlijke vordering van
de eiser onontvankelijk is; een vordering van een rechtszoekende die niet wordt
bijgestaan door een advocaat mag niet zomaar onontvankelijk worden verklaard
omdat ze onvoldoende precies zou zijn, aangezien hierdoor het recht op toegang
tot de rechter wordt miskend; procedurevoorschriften mogen dan ook niet op een
onevenredige wijze worden toegepast, waarbij rekening moet worden gehouden
met de positie van de eiser als juridische leek; de rechter dient, gelet op het verbod
van rechtsweigering, de werkelijke bedoeling van de partijen na te gaan, waarbij
hij de aangevoerde feiten juridisch dient te kwalificeren, ongeacht de juridische
kwalificatie die een partij eraan geeft; de eiser had aangevoerd dat de verweerders
zich schuldig hadden gemaakt aan machtsafwending, machtsoverschrijding en
miskenning van het beginsel van behoorlijk bestuur, alsook van strafrechtelijke
inbreuken via de dwangsom en afzetterij, aangezien zij het BPA van 1984 hebben
verzwegen en het vonnis van 5 februari 2014 hebben misbruikt, waardoor hij het
slachtoffer is van de gemeenrechtelijk beteugelde praktijken van afzetterij,
oplichting en bedrog; de vordering is wel degelijk duidelijk, zodat het arrest niet
naar recht kon oordelen dat eisers vordering duister en bijgevolg onontvankelijk
is; de appelrechters konden zich niet beperken tot de rechtstreekse dagvaarding
maar dienen een poging te doen om eisers vordering inhoudelijk te begrijpen of te
verduidelijken.
4. Het arrest (p. 10, eerste alinea) oordeelt dat het “niettegenstaande de
omstandige uiteenzetting van (de eiser) van allerlei elementen en volgens hem
geldende (rechts)beginselen, eveneens onmogelijk (is) aan de hand van de
dossiergegevens uit te maken en te preciseren welke feitelijke gedragingen als
fouten, die bij hem zouden hebben geleid tot schade, worden aangevoerd”. Hieruit
blijkt dat de appelrechters hebben gepoogd om na te gaan wat de eiser precies
heeft bedoeld met de rechtstreekse dagvaarding die hij aan de verweerders heeft
laten betekenen, alsook welke strafrechtelijke feiten daarin zouden kunnen zijn
aangevoerd, waarbij de appelrechters de onontvankelijkheid van die rechtstreekse
dagvaarding niet louter baseren op de bewoordingen waarin ze is opgesteld.
In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het
feitelijke grondslag.
6 JANUARI 2026
5. De rechter oordeelt op grond van de omschrijving van de feiten in de akte
van aanhangigmaking en van de stukken waarop deze is gebaseerd en die aan de
tegenspraak zijn onderworpen, onaantastbaar wat precies het feit is dat het
voorwerp van de in die akte bedoelde telastlegging of telastleggingen uitmaakt,
alsook of dit voldoende duidelijk is zodat de beklaagde kan weten waartegen hij
zich dient te verweren.
6. Wanneer de rechter op grond van dit oordeel niet kan uitmaken wat precies
het voorwerp van de akte van aanhangigmaking uitmaakt, dient hij de
strafvordering en de erop gebaseerde burgerlijke vordering onontvankelijk te
verklaren. De omstandigheid dat de akte van aanhangigmaking uitgaat van een
rechtstreeks dagende burgerlijke partij die niet wordt bijgestaan door een
raadsman, doet hieraan geen afbreuk en houdt geen miskenning in van het recht
op toegang tot de rechter van die burgerlijke partij.
7. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen
afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
8. Het arrest (p. 9-10) oordeelt als volgt:
- het is duidelijk dat de eiser met zijn rechtstreekse dagvaarding poogt terug te
komen op het strafdossier dat ten grondslag ligt aan zijn eerdere veroordeling,
zowel op strafgebied als wat betreft de opgelegde herstelmaatregelen;
- die veroordeling is echter definitief. Het hof van beroep heeft hierover geen
enkele beslissingsbevoegdheid en saisine. Ook het door de eiser bij herhaling
en met nadruk aangehaalde adagium “fraus omnia corrumpit” biedt het hof van
beroep geen mogelijkheid de vroegere zaak opnieuw te vatten;
- verder is het helemaal onduidelijk welke feiten, die kunnen omschreven
worden als misdrijven, de eiser ten laste legt aan de verweerders;
- de eiser heeft het over opzettelijke verzwijging van magistraten om via
vonnissen burgers gelden afhandig te maken, maar de verweerders zijn geen
magistraat;
- verder heeft de eiser het erover dat de verweerders “systematisch en
intentioneel en met opzet de beroepsmagistraten door het verzwijgen en
6 JANUARI 2026
achterhouden van stukken op het verkeerde been hebben gezet”, waardoor ze
volgens hem rechters hebben misleid. Hij heeft het over bedrog;
-
terecht stelde de eerste rechter dat de verweerders niet kunnen weten op welke
concrete feiten en telastleggingen zij zich hebben te verdedigen. De eiser heeft
zijn (thans nog enkel burgerlijke) vordering op een gebrekkige wijze feitelijk
onderbouwd. Het is het hof van beroep, niettegenstaande de omstandige
uiteenzetting van de eiser van allerlei elementen en volgens hem geldende
(rechts)beginselen, eveneens onmogelijk aan de hand van de dossiergegevens
uit te maken en te preciseren welke feitelijke gedragingen als fouten, die bij
hem zouden hebben geleid tot schade, worden aangevoerd.
Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat er sprake is van een
duistere vordering en dat die vordering niet-ontvankelijk is.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
9. Voor het overige is het middel afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde
onwettigheid en is het niet ontvankelijk.
Dictum
Het Hof,
Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep I.
Verwerpt het cassatieberoep II.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 119,01 euro, waarvan 49,01 euro is verschuldigd.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,
samengesteld uit voorzitter
, als voorzitter, sectievoorzitter
en in openbare rechtszitting van 6 januari 2026 uitgesproken door
voorzitter
, in aanwezigheid van advocaat-generaal
, met bijstand van griffier
.