ADB:hof-van-cassatie-brussel-06-01-2026
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Cassatie Brussel
📅 2026-01-06
🌐 NL
Arrest
Cassatie
Rechtsgebied
Woonbeleid
Samenvatting
6 JANUARJ 2026 Hof van Cassatie van België Arrest 1 , met zetel te , wonende te wonende te geboren , nationaliteit: Nederland, RRN 1. 2. beklaagde, onbekend, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. , advocaat bij de balie 6 JANUARJ 2026 II , met zetel te beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door ...
Volledige tekst
6 JANUARJ 2026
Hof van Cassatie van België
Arrest
1
, met zetel te
, wonende te wonende te
geboren
, nationaliteit: Nederland, RRN
1.
2.
beklaagde,
onbekend,
beklaagde,
eisers,
met als raadsman mr.
, advocaat bij de balie
6 JANUARJ 2026
II
, met zetel
te
beklaagde,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr.
, advocaat bij het Hof van
Cassatie, met kantoor te
woonplaats kiest,
, waar de eiseres
111
wonende te
, geboren
, nationaliteit: Nederland,
RRN onbekend,
beklaagde,
eiser,
vertegenwoordigd door mr.
, advocaat bij het Hof van
Cassatie, met kantoor te
woonplaats kiest,
alle cassatieberoepen tegen
, waar de eiser
WOONINSPECTEUR, met kantoor te 1000 Brussel, Havenlaan 88 bus 22,
eiser tot herstel,
verweerder.
1.
RECHTSPLEGING VOOR HET BOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te
Antwerpen, correctionele kamer, van 6 februari 2025.
De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
De eisers II en III voeren geen middel aan.
6 JANUARJ 2026
De eisers Il en III doen afstand van hun cassatieberoepen in zoverre gericht tegen
de beslissing waarbij met betrekking tot de herstelvordering van de verv.1eerder
wordt vastgesteld dat deze zonder voorwerp is.
Raadsheer
he.eft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal
heeft geconcludeerd.
Il.
BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Afstand
1.
Het arrest oordeelt bij verstek ten aanzien van de verweerder dat de
herstelvordering van die laatste zonder voorwerp is. De eisers II en 111 doen
zonder berusting afstand van hun cassatieberoepen in zoverre gericht tegen die
beslissing, waarbij zij zich het recht voorbehouden om hiertegen opnieuw
cassatieberoep aan te tekenen. De afstand wordt door de eisers II en III
geformuleerd omdat de voonnelde beslissing ten aanzien van de verweerder bij
verstek werd gewezen en de cassatieberoepen werden ingesteld vooraleer de
gewone termijn van verzet voor de verweerder is verstreken, alsook omdat
"getwijfeld (kan) worden aan het belang van ( de) eisers (Il en JIJ)".
2.
Volgens artikel 416 Wetboek van Strafvordering kunnen partij en slechts
cassatieberoep instellen indien zij daartoe hoedanigheid en belang hebben.
3. De eisers II en III hebben geen belang om op te komen tegen de beslissing
die de tegen hen ingestelde herstelvordering zonder voorwerp verklaart. Bijgevolg
wordt er geen akte verleend van de zonder berusting gedane afstand van de
cassatieberoepen in zoverre gericht tegen die beslissing.
Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
4.
Het arrest oordeelt dat de herstelvordering van de verweerder zonder
voorwerp 1s.
6 JANUARI 2026
In zoverre tegen die beslissing gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan
belang niet ontvankelijk.
Middel
Eerste onderdeel
5.
Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 3.34 en 3.36, 1 °,
Vlaamse Codex Wonen van 2021: met het oordeel dat de eisers Ivan het verhuren
of ter beschikking stellen van een niet-conforme of overbewoonde woning een
gewoonte hebben gemaakt en die verzwarende omstandigheid bijgevolg bewezen
is, verantwoordt het arrest de veroordeling van de eisers J niet naar recht; van een
dergelijke gewoonte kan geen sprake zijn, aangezien de eisers I hier slechts
worden veroordeeld op grond van een geïsoleerde, eenmalige verhuring aan één
enkele huurder met betrekking tot één enkel pand.
6.
De appelrechters verklaren de
telastlegging, met
inbegrip van de
verzwarende omstandigheid dat van de betrokken activiteit een gewoonte wordt
gemaakt, bewezen met betrekking tot de volledige incriminatieperiode tussen 1
mei 2020 en 2 september 2021 , op grond van artikel 20, § 1, eerste en derde lid,
1 °, Vlaamse Wooncode voor de periode tot 31 december 2020 en op grond van de
artikelen 3.34 en 3.36, 1 °, Vlaamse Codex Wonen van 2021 voor de periode vanaf
1 januari 2021. Het arrest oordeelt in dit verband op grond van eigen redenen
(arrest, p. 16-21 en 23, nr. 5.2) en mede op grond van de overgenomen redenen
van het beroepen vonnis (arrest, p. 16, nr. 5.2, nr. 1, tweede alinea; beroepen
vonnis p. 8-10 en p. 16) als volgt:
- bij een controle in het pand, dat een ééngezinswoning betrof, op 2 mei 2020,
wat de aanvangsdatum van de incriminatieperiode uitmaakt, stelde de politie
vast dat er meerdere stapelbedden aanwezig waren in de woonkamer, die was
ingericht als slaapplaats, waarbij er achttien Roemeense werknemers werden
aangetroffen;
- het pand werd gebruikt als kamerwoning;
- de woning voldeed vanaf 2 mei 2020 niet aan de vereiste woonkwaliteiten en
was derhalve niet-conform. Alleen al gelet op de aanwezigheid van de
6 JANUARI 2026
stapelbedden en slaapzalen, staat het vast dat de woning effectief werd
ingericht, zij het uiterst rudimentair, en voorzien was op grote aantallen
bewoners, ver boven de bezettingsnorm van acht personen, en dit gedurende de
gehele incriminatieperiode, zodat er aldus sprake was van overbewoning;
- de oorspronkelijke medebekl aagde
. is de eigenaar van het bewuste pand, dat
hij verhuurde aan de eiseres 1.1 , met als verantwoordelijke de eiser 1.2, voor
1.250,00 euro per maand, terwijl de eiseres I. 1 het pand op haar beurt
verhuurde aan de eiseres II, met als verantwoordelijke de eiser III, voor een
bedrag van 3.3 11 ,00 euro;
- uit het dossier blijkt dat de eiser I.2 zich ook gedroeg al s feitelijke
vertegenwoordiger van de eiseres Il, aangezien hij communiceerde met een e-
mailadres van
, waartoe de eiseres Il behoort;
- de woning werd vervolgens door middel van een zusterbedrijf van de eiseres II,
de
dan wel door de eiseres II zelf, verhuurd aan werknemers van de
, waarbij de huur van gemiddeld 334,00 euro per maand rechtstreeks
werd afgehouden van het loon;
het gegeven dat het slechts om één woning gaat binnen de ganse grote
organisatie waarmee het mis zou zijn gegaan, doet aan de vaststellingen in dit
dossier geen afbreuk;
- de eiser I.2 wist zeer goed dat de woonst zou dienen voor het huisvesten van
grote hoeveelheden werknemers van
, die in het slachthuis
werkzaam waren, en was bekend met de staat van de woning;
- de eiser l.2 handelde middels zijn firma, de eiseres 1.1 , waarvan de activiteit
erin bestond als tussenpersoon op zoek te gaan naar huisvesting, waarbij hij
met huisvesting voor arbeidsmigranten een jarenlange ervaring had opgebouwd
vanuit zijn verleden als werknemer bij
De huurovereenkomst met
de eiseres II werd gesloten namens de eiseres 1.1. De feiten vielen intrinsiek
onder het maatschappelijk doel van deze rechtspersoon of kaderden in de
waarneming van haar belangen en werden voor haar rekening gepleegd;
- de eiser I.2 verklaarde dat hij al tweeëntwintig jaar verhuurde en verkocht om
buitenlandse werknemers te huisvesten en dat hij verantwoordelijk was voor de
hui svesting van de werknemers van de eiseres Il;
6 JANUARJ 2026
- gelet op de aanwezigheid van stapelbedden in samenhang beschouwd met de
1
herhaalde vaststellingen en de overgemaakte lijsten van de bewoners, is het
niet geloofwaardig dat de bewoners zelf, zonder toestemming, anderen zouden
hebben laten slapen in de woning maar staat het vast dat de eisers I hiervoor
hebben gezorgd;
- de eiser 1.2 moet kennis hebben gehad van de huurprijzen die aan de
uitzendkrachten werden aangerekend en hij wist dat voor de kennelijk
overdreven prijs van 3.311 ,00 euro waaraan hij de woning verhuurde, die
woning bewoond zou moeten worden door meer personen dan de toegestane
acht personen, wou de woning enigszins rendabel en niet manifest verlieslatend
zijn;
- het gegeven dat het uiteindelijk was die, als dochtervennootschap van de
eiseres II, instond voor de verhuring aan de arbeidsmigranten en dat deze partij
niet werd vervolgd, is voor de beoordeling van de eigen strafrechtelijke
gehoudenheid van de eisers I irrelevant;
- de strafverzwarende omstandigheid dat van de activiteit van het huren of ter
beschikking stellen van een niet-confonne woning een gewoonte werd
gemaakt, is ten aanzien van elke eiser bewezen. Hoewel de oorspronkelijke
medebeklaagde
en de eisers I door de politie werden gecontacteerd en in
kennis werden gesteld van de politionele vaststellingen op 2 mei 2020,
ondernamen zij niets en bleven zij gewoon verder verhuren, waarbij de eiser 1.2
ook voor rekening van de eiseres II handelde. De eisers I kregen vervolgens
een afschrift van de vaststellingen van de wooninspecteur, waarbij zij weerom
bleven verder verhuren. Ook op 10 en 11 juli 2021 kreeg de politie vragen om
tussen te komen op het adres van het bewuste pand, waarbij werd vastgesteld
dat er acht bewoners aanwezig waren;
- de overheid ging op 1 september 2021 over tot gedwongen ontruiming.
Met die redenen oordeelt het arrest niet dat de eisers I schuldig zijn aan een
eenmalige verhuring of terbeschikkingstelling van een niet-confonne en
overbewoonde woning aan één enkele huurder, met name aan de eiseres 11, maar
wel dat zij strafrechtelijk verantwoordelijk zijn om tijdens de geïncrimineerde
periode de niet-conforme en overbewoonde woning via de eiseres II ter
6 JANUARJ 2026
beschikking te hebben gesteld en ook na politionele tussenkomsten te zijn blijven
stellen aan diverse buitenlandse werknemers, die daarin werden gehuisvest.
Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke
grondslag.
Tweede onderdeel
7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de
veroordeling van de eisers I wegens het verhuren of ter beschikking stellen van
een niet-conforme of overbewoonde woning met de ver2Warende omstandigheid
dat van die activiteit een gewoonte werd gemaakt, is niet regelmatig met redenen
omkleed; het arrest antwoordt immers niet op de appelconclusie van de eisers I
waarin zij hebben gewezen op de concrete omstandigheden waardoor hun
tussenkomst om in België een woning ter beschikking te stellen eenmalig was en
zij allerminst een gewoonte hadden gemaakt van een activiteit zoals bedoeld in
artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021.
8. Met de in het antwoord op de in het eerste onderdeel aangehaalde redenen
verwerpt en beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Derde onderdeel
9.
Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 3.34 en 3.36, l 0
,
Vlaamse Codex Wonen van 202 1 : het oordeel dat het door de eisers I gepleegde
misdrijf van het verhuren of ter beschikking stellen van een niet-conforme of
overbewoonde woning werd gepleegd met de verzwarende omstandigheid dat zij
van die activiteit een gewoonte hebben gemaakt, is niet naar recht verantwoord;
de hier bedoelde gewoonte wordt door het arrest onjuist beoordeeld; er blijkt niet
dat de eisers I verschillende panden of meerdere woningen zouden hebben
verhuurd of hierbij zouden zijn tussengekomen; de loutere omstandigheid dat de
eiser 1.2 via de eiseres 1.1 als tussenpersoon op zoek ging naar huisvesting voor
arbeidsmigranten en hieromtrent een jarenlange ervaring had opgebouwd, evenals
de omstandigheid dat dit ook kadert in het maatschappelijk doel van de eiseres I. l,
6 JANUARJ 2026
volstaan niet om hieruit af te leiden dat er sprake is van een activiteit waarvan een
gewoonte wordt gemaakt.
10.
In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de eisers I schuldig worden
verklaard op grond van een eenmalige verhuring of terbeschikkingstelling van een
niet-conforme en overbewoonde woning aan één enkele huurder, kan het om de in
het antwoord op het eerste onderdeel vermelde reden niet worden aangenomen.
11. Het arrest leidt de schuld van de eisers I aan het verhuren of ter beschikking
stellen van een niet-conforme of overbewoonde woning met de verzwarende
omstandigheid dat zij van die activiteit een gewoonte hebben gemaakt, niet af uit
de omstandigheid dat de eiser 1.2 via de eiseres 1. J als tussenpersoon op zoek ging
naar huisvesting voor arbeidsmigranten en hieromtrent een jarenlange ervaring
had opgebouwd, noch uit de omstandigheid dat dit ook kadert in het
maatschappelijk doel van de eiseres 1.1.
In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het
feitelijke grondslag.
12. De in artikel 3.36, 1°, Vlaamse Codex Wonen van 2021 bedoelde
verzwarende omstandigheid dat van de betrokken activiteit een gewoonte wordt
gemaakt, veronderstelt het herhaaldelijk en geregeld stellen van de door
artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021 strafbaar gestelde handeling
gedurende een zekere tijdsperiode, maar niet dat die activiteit noodzakelijk
betrekking heeft op meerdere panden. Een gewoonte in de zin van die bepaling
kan ook voortvloeien uit de omstandigheid dat in eenzelfde pand meerdere niet
conforme woongelegenheden worden ingericht die aan onderscheiden personen en
op onderscheiden tijdstippen worden verhuurd of ter beschikking worden gesteld.
13. De rechter oordeelt onaantastbaar of van de door artikel 3.34 Vlaamse
Codex Wonen van 2021 bedoelde activiteit een gewoonte is gemaakt zoals
bedoeld door artikel 3.36, 1 °, Vlaamse Codex Wonen van 2021. Het Hof gaat wel
na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan
onmogelijk kunnen worden verantwoord.
14.
In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar
recht.
6 JANUARJ 2026
15. Op grond van de in het antwoord op het eerste onderdeel vennelde redenen
kan het arrest wettig oordelen dat de eisers I van de betrokken activiteit een
gewoonte hebben gemaakt.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Vierde onderdeel
16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 2 Strafwetboek, alsook
miskenning van het legaliteitsbeginsel: het arrest kon niet zonder miskenning van
het legaliteitsbeginsel oordelen dat het door de eisers I gepleegde misdrijf van het
verhuren of ter beschikking stellen van een niet-conforme of overbewoonde
woning werd gepleegd met de verzwarende omstandigheid dat zij van die
activiteit een gewoonte hebben gemaakt; hoewel de rechter die gewoonte
onaantastbaar in feite beoordeelt, mag hij hierbij de wet niet schenden; de
activiteit waarvan een gewoonte wordt gemaakt in de zin van artikel 3.36, 1 °,
Vlaamse Codex Wonen van 2021, verwijst naar de in artikel 3.34 Vlaamse Codex
Wonen van 2021 bedoelde gedraging en wijst op herhaling van hetzelfde strafbare
gedrag, dit is het herhaaldelijk verhuren van niet-conforme woningen; mocht het
de bedoeling van de wetgever zijn geweest om de verzwarende omstandigheid
ook toe te passen op professionele verhuurders, dan had dit uitdrukkelijk moeten
blijken uit de wet, wat nu niet het geval is.
17. Het onderdeel is volledig afgeleid uit de in het eerste en het derde onderdeel
vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is bijgevolg niet ontvankelijk.
Ambtshalve onderzoek
18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen
zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
6 JANUARI 2026
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten in het geheel op 253,62 euro, waarvan de eisers I 86,74 euro
zijn verschuldigd, eiseres II 83,44 euro is verschuldigd .en eiser 111 83,44 euro is
verschuldigd.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,
samengesteld uit voorzitter
, als voorzitter, sectievoorzitter
, en in openbare rechtszitting van 6 januari 2026 uitgesproken door
voorzitter
in aanwezigheid van advocaat-generaal
met bijstand van griffier