Naar hoofdinhoud

ADB:handhavingscollege-brussel-08-01-2026

Beslissingsdetails

🏛️ Handhavingscollege Brussel 📅 2026-01-08 🌐 NL Arrest

Rechtsgebied

Milieu

Geciteerde wetgeving

decreet van 23 december 2011

Samenvatting

HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 8 januari 2026 met nummer in de zaak met rolnummer Verzoekende partij vertegenwoordigd door advocaat , met woonplaatskeuze te Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving en Landbou...

Volledige tekst

HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 8 januari 2026 met nummer in de zaak met rolnummer Verzoekende partij vertegenwoordigd door advocaat , met woonplaatskeuze te Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw vertegenwoordigd door advocaat , met woonplaatskeuze te I. Voorwerp van het beroep Verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 13 januari 2025 de vernietiging van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 3 december 2024 met nummer waarmee haar een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 300 euro wegens schending van artikel 12, §1 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (hierna: Materialendecreet) en artikel 6.11.1 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: VLAREM II). Er wordt haar met name verweten dat ze in een vuurschaal in de tuin van haar woning afval heeft verbrand. II. Rechtspleging Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in. HHC - 1 De kamervoorzitter behandelt de vordering tot vernietiging op de openbare zitting van 4 december 2025. Ze stemmen in met het schriftelijk behandelen en in beraad nemen van de vordering (artikel 41, §3 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges - hierna: Procedurebesluit). III. Feiten 1. Op 3 september 2023 in de ochtend stellen twee inspecteurs van politiezone (hierna: verbalisant), naar aanleiding van een vraag tot bijstand van de brandweer, in de tuin bij de woning van verzoekende partij het volgende vast: “… Vaststellingen: Ter plaatse aangekomen stellen wij vast dat de brandweer … ter plaatse is. Wij worden aangesproken door overste … Betrokkene deelt mee dat zij gevraagd werden om zich te begeven naar … Aldaar zou er een hevige rookontwikkeling te zien zijn vanuit de tuin … Wanneer de brandweer wilde controleren of de vuurhaard gedoofd was, kregen zij geen toelating van (verzoekende partij), bewoner van het pand, om nazicht uit te voeren. Wij vernemen dat (verzoekende partij) verbaal agressief was richting brandweerman … Hierop werden onze diensten gevraagd. Ter plaatse aangekomen spreken wij (verzoekende partij) aan. (Verzoekende partij) is ogenschijnlijk rustig, doch betrokkene is gekend bij onze diensten als een opvliegend persoon. Wij krijgen toelating de tuin te betreden. De tuin ligt overvol met allerhande materialen, ijzer etc... (Verzoekende partij) deelt mee dat hij hout aan het branden was in een vuurschaal. Plots viel er een bol elektriciteitskabels in de vuurschaal, die hevige rook ontwikkelde. Hij poogde dit zelf te blussen met water. Dit genereerde nog meer rookontwikkeling. Wij stellen vast dat er inderdaad as in de vuurschaal zit. Het vuur is volledig gedoofd. Wij kunnen geen kabels zien in de as, maar vermoedelijk brandt hij het plastiek van de kabels om enkel het koper over te houden. … Inlichtingen: Op 23/10/2023 biedt (verzoekende partij) zich aan bij de lokale politie … om te melden dat hij van de brandweer een factuur … ontvangen heeft. Hij doet nogmaals (een ander) relaas van de feiten. Hij meldt dat hij rond 5 uur in de ochtend het vuur in zijn vuurschaal aangestoken heeft. Hij deed dit omdat het wat fris was buiten. Hij was bezig met koperkabels aan het ontmantelen met een HHC - 2 tang. Opeens riep zijn vrouw dat ze weg moesten naar ergens en dat hij het vuur doofde met een emmer water. Aan de overkant van de vaart was op dat moment een brandweerman in burger die de brandweer gebeld heeft. Echter ontstaat er een discussie dat er geen brandweer nodig is met de nodige scheldwoorden heen en weer. De vrouw van (verzoekende partij) belt terug naar de 112 om te melden dat de brandweer niet van doen is en dat het vuur gedoofd is. De calltaker meldt dat de brandweer reeds onderweg is en dat ze sowieso langskomen. (Verzoekende partij) komt nogmaals in discussie met de brandweer zelf en zegt dat ze niet op zijn grond mogen komen. Hierdoor belt de brandweer de politie. …” De brandweer stelt ook een verslag van interventie op, waarin het volgende wordt gesteld: “… Bij aankomst was het even zoeken om het juiste adres te vinden. Toen meneer ons zag liep hij naar binnen. Ik sprak hem aan op het feit dat vuilnis verbranden verboden was tussen de koterijen. Eerst liep het gesprek nog tamelijk rustig, maar al snel jaagde de bewoner zich op. Hij werd verbaal agressief en kwam dicht tegen mij staan. Hierop vroeg ik hem afstand te bewaren omdat ik mij bedreigd voelde. Ik heb hierop de politie laten komen. Vanaf het verwittigen van de politie ging de bewoner naar binnen. Ik had hierbij nog altijd geen toelating gekregen om te controleren of de vuurhaard gedoofd was. Bij aankomst van de politie liet hij de ordediensten eventjes voor de deur wachten alvorens open te doen. Hierbij keerde hij zijn verhaal en zei hij dat hij geen afval aan het verbranden was, maar zuiver hout. De overlast van rook die over de vaart hing was er gekomen doordat oude elektrische kabels 'per ongeluk' op de vuurhaard waren gerold. Er was hier dus duidelijk sprake van afsmetten van isolatie van elektrische kabels. …” Deze vaststellingen, de verklaring van verzoekende partij en het interventieverslag van de brandweer worden opgenomen in het aanvankelijk proces-verbaal nummer van 5 december 2023, dat op 28 januari 2024 wordt afgesloten (hierna: PV) en op 13 maart 2024 wordt verstuurd aan de procureur des Konings. 2. Op 11 juni 2024 ontvangt de gewestelijke entiteit de melding van de procureur des Konings van 4 april 2024 dat het milieumisdrijf niet strafrechtelijk zal worden vervolgd. HHC - 3 3. Op 19 juni 2024 brengt de gewestelijke entiteit verzoekende partij op de hoogte van haar voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen. Ze wijst haar daarbij op de mogelijkheid van een bestuurlijke transactie mits betaling van 240 euro (artikel 6.4.36, §3 DABM). Ze nodigt haar ook uit om bij gebreke van tijdige en volledige betaling van de voorgestelde geldsom een schriftelijk verweer mee te delen, eventueel vergezeld van een vraag tot hoorzitting, en biedt haar de mogelijkheid om inzage te vragen in het administratief dossier. Verzoekende partij gaat niet over tot betaling en bezorgt op 26 november 2024 een schriftelijk verweer aan de gewestelijke entiteit, waarbij ze de feiten betwist. Ze vraagt niet om te worden gehoord. 4. Op 3 december 2024 legt de gewestelijke entiteit een geldboete op, waarvan verzoekende partij met een aangetekende brief van 12 december 2024 in kennis wordt gesteld. Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het middel Standpunt van de partijen 1. Verzoekende partij betwist in essentie dat ze een milieumisdrijf pleegde, dat haar kan worden toegerekend en waarvoor haar een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Ze voert dus feitelijk de schending aan van artikel 16.4.25 DABM en van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, in samenlezing met de volgens de bestreden beslissing geschonden artikelen van het Materialendecreet en VLAREM II. Ze stelt met name dat uit de vaststellingen van de verbalisant in het PV niet blijkt dat ze in de vuurschaal in de tuin van haar woning afval en met name elektriciteitskabels heeft verbrand. Ze stelt dat de juiste versie van de feiten is dat ze kort voor de vaststellingen enkel hout aan het verbanden was en het vuur met een emmer water heeft gedoofd omdat ze weg moest, waardoor er een grote rookontwikkeling is ontstaan, zoals ze op 23 oktober 2023 ook heeft verklaard op het politiekantoor. Ze benadrukt dat deze versie van de feiten steun vindt in de materiële vaststellingen van de verbalisant, die in de vuurschaal enkel assen heeft aangetroffen en geen sporen van kabels of afval, die het subjectieve vermoeden van de brandweer en de verbalisant, dat ze het plastiek van kabels verbrandt om het koper over te houden, ondersteunen. Ze meent HHC - 4 dat de aanwezigheid van materialen en afval in de tuin niet impliceert dat ze andere materialen dan hout heeft verbrand. Ze merkt op dat zowel het PV, dat ze nooit heeft ondertekend, als het brandweerverslag, pas drie maanden na de vaststellingen zijn opgemaakt, waardoor er vragen kunnen worden gesteld bij hun accuraatheid, terwijl ze nooit is verhoord over de feiten 2. Verwerende partij betwist het middel. Ze merkt op dat de bewering van verzoekende partij, dat ze kort voor de vaststellingen enkel hout aan het verbanden was en het vuur met een emmer water heeft gedoofd, waardoor er een grote rookontwikkeling is ontstaan, wordt tegengesproken door haar verklaringen ten opzichte van de verbalisant en de brandweer, zoals opgenomen in het PV en het interventieverslag, waarin ze heeft gesteld dat er per ongeluk oude elektrische kabels in de vuurschaal waren terechtgekomen. Ze wijst ook op de vaststelling dat uit het interventieverslag blijkt dat verzoekende partij de brandweer geen toegang heeft verleend tot haar tuin, waar de vuurschaal stond, en er pas na aankomst van de verbalisant een controle van de vuurschaal is kunnen gebeuren, zodat verzoekende partij voldoende tijd had om de sporen van de verbrande elektrische kabels weg te maken. Ze meent dat de andersluidende verklaring van verzoekende partij op 23 oktober 2023 op het politiekantoor, dat ze enkel hout heeft verband en de rookontwikkeling is ontstaan door het blussen van het vuur met water omdat ze weg moest, ongeloofwaardig is. Ze stelt dat het bewijs van het milieumisdrijf en van de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij kan worden geleverd door een geheel van samenhangende feitelijke vaststellingen, en wijst op de overwegingen hierover in de bestreden beslissing onder de titel ‘de toerekenbaarheid aan de overtreder’. Beoordeling door het College 1. De gewestelijke entiteit kan een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor gedragingen die strijdig zijn met de milieuvoorschriften in artikel 16.1.1, lid 1 DABM en die naargelang de keuze van de procureur des Konings ook strafrechtelijk kunnen worden bestraft overeenkomstig de artikelen 16.6.1, 16.6.2, 16.6.3, 16.6.3ter, 16.6.3quater en 16.6.3quinquies DABM (artikel 16.4.27, lid 2 DABM en 16.1.2, 2° DABM). De geschonden artikelen zijn dergelijke milieuvoorschriften (artikel 16.1.1, lid 1, 1° en 10° DABM). Elke opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending van de gehandhaafde regelgeving is in beginsel strafbaar (de artikelen 16.6.1, §1 en 16.6.3, §1 DABM). De geldboete kan enkel worden opgelegd aan de ‘overtreder’, hetzij degene die een milieumisdrijf pleegt of die opdracht geeft om handelingen te stellen die een milieumisdrijf uitmaken (artikel 16.4.25, HHC - 5 lid 1 DABM). De kwalificatie van de feiten als een milieumisdrijf en de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij als overtreder vormt dus de grondslag voor de bevoegdheid van de gewestelijke entiteit om haar een geldboete op te leggen. Een bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het milieumisdrijf en de overtreder berust bij de gewestelijke entiteit. Het bewijs van de feiten en het daderschap kan met het oog op bestuurlijke beboeting, naar analogie met de bewijsvoering in strafzaken, in beginsel met alle middelen van recht worden geleverd. De principieel vrije bewijsvoering betekent dat dit bewijs onder meer kan worden geleverd door een geheel van samenhangende feitelijke vaststellingen, die éénsluidend eenzelfde persoon als pleger van een milieumisdrijf aanduiden. De beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, en het vermoeden van onschuld zoals onder meer bepaald in artikel 6, lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omringen de bewijslevering met waarborgen op procedureel en inhoudelijk vlak. 2. De gewestelijke entiteit overweegt met betrekking tot de toerekenbaarheid van het milieumisdrijf aan verzoekende partij als overtreder in de bestreden beslissing, onder de titel ‘de toerekenbaarheid aan de overtreder’, het volgende: “… Overeenkomstig artikel 12, §1 van het Materialendecreet en artikel 6.11.1 van VLAREM II is het verboden om afvalstoffen te verbranden in open lucht. Uit de vaststellingen en de verklaringen in het dossier blijkt dat er op 3 september 2023 in de tuin van de woning … een verbranding met hevige rookontwikkeling aan de gang was. De brandweer werd ter plaatse geroepen. Wanneer de brandweer wilde controleren of de vuurhaard gedoofd was, weigerde vermoedelijke overtreder toegang tot de tuin, waarop verbalisant eveneens ter plaatse werd geroepen. Verbalisant kreeg toegang tot de tuin en stelde vast dat de tuin overvol lag met allerhande materialen, ijzer etc... Vermoedelijke overtreder haalt tijdens de tussenkomst van de verbalisant op 3 september 2023 mondeling aan dat hij hout aan het branden was in een vuurschaal toen er plots een bol elektriciteitskabels in de vuurschaal viel. Hij geeft aan dat deze verbranding niet opzettelijk gebeurde. Verbalisant kon vaststellen dat er as in de vuurschaal aanwezig was, echter konden er geen kabels in de as gezien worden. HHC - 6 Op 23 oktober 2023 biedt vermoedelijke overtreder zich aan bij de lokale politie te Oudenburg naar aanleiding van de ontvangen factuur van de brandweer. Op dat moment zegt vermoedelijke overtreder dat hij om 5 uur ’s ochtends het vuur in zijn vuurschaal had aangestoken omdat het wat fris was buiten en hij daar koperkabels aan het ontmantelen was met een tang. Opeens riep zijn vrouw dat ze weg moesten waarop hij het vuur dan gedoofd had met een emmer water. Dit zorgde voor rookontwikkeling waarop een brandweer in burger, die aan de overkant van de vaart liep, de brandweer gebeld heeft. In het schriftelijk verweer benadrukt de raadsman van vermoedelijke overtreder nogmaals dat er geen effectieve sporen van het verbranden van kabels aangetroffen werden en verbalisant enkel subjectief oordeelde dat vermoedelijke overtreder een fout beging. Ze benadrukt eveneens dat zij deze betwisting omtrent de vastgestelde feiten reeds voeren sinds de verhoogde facturatie van de brandweerdiensten. De vaststellingen in het proces-verbaal en haar bijlagen gelden als titel van inlichting, de gewestelijke entiteit baseert haar oordeel dan ook louter op de gedane vaststellingen. De gewestelijke entiteit acht het, gelet op volgende samenhangende elementen in het dossier: • de brandweer werd ter plaatse geroepen, n.a.v. een hevige rookontwikkeling uit de tuin van vermoedelijke overtreder; • de tegenstrijdige verklaringen van vermoedelijke overtreder in het dossier waarop op het ogenblik van de feiten werd gezegd dat de elektriciteitskabels per ongeluk in het vuur waren gevallen, waardoor er hevige rook werd ontwikkeld. En nadien, na ontvangst van de factuur van de brandweer, er gezegd werd dat er enkel hout in de vuurschaal gebrand werd en de rook ontwikkeld werd door het doven van het vuur met water; • dat vermoedelijke overtreder zelf aangaf dat hij buiten koperkabels aan het ontmantelen was met een tang en hij het hout in de vuurschaal aanstak omdat het fris was; dat hieruit moet besloten worden dat er elektriciteitskabels aanwezig waren in de onmiddellijk nabijheid van de vuurschaal; • het feit dat de brandweer geen onmiddellijke toegang tot het terrein kreeg van vermoedelijke overtreder om te kijken of de vuurhaard gedoofd was, maar pas na tussenkomst van de verbalisant toegang tot de tuin werd verleend; • dat gezien de brandweer verbalisant pas ter plaatse riep, op het moment dat hen de toegang tot de tuin geweigerd werd, en er dus enige tijd verstreek tussen de aankomst van de brandweerdiensten en het moment waarop verbalisant aankwam; dat vermoedelijke overtreder kennis had van het gegeven dat verbalisant ter plaatse zou komen omtrent de verbranding in zijn tuin; dat vermoedelijke overtreder verbalisant nog even liet wachten voor de deur alvorens te openen en hen toegang tot de tuin te verschaffen; • dat de tuin overvol lag met allerhande materialen, ijzer, etc.; • dat vermoedelijke overtreder op het moment van vaststelling aan verbalisant aangaf dat er per ongeluk een bol elektriciteitskabels in de vuurschaal viel, maar verbalisant enkel kon zien dat er as HHC - 7 in de vuurschaal zat, het vuur volledig gedoofd was en verbalisant geen kabels zag in de as; dat dit eveneens wijst op een inconsistentie in de verklaring van vermoedelijke overtreder; afdoende bewezen dat er niet enkel zuiver hout maar ook afvalstoffen, in casu elektriciteitskabels, verbrand werden op 3 september 2023. Bovenvermelde feiten zijn een schending van: • Materialendecreet: artikel 12, §1; • VLAREM II: artikel 6.11.1. Deze feiten vallen daarmee onder de definitie van een milieumisdrijf als bedoeld in artikel 16.1.2, 2° DABM. Ze zijn strafbaar gesteld in hoofdstuk VI van titel XVI van het DABM en op grond van artikel 16.4.27 kan een bestuurlijke geldboete opgelegd worden. Uit het interventieverslag van de brandweer blijkt dat vermoedelijke overtreder bij hun aankomst in de tuin aanwezig was. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van vermoedelijke overtreder zowel ter plaatse als nadien bij de lokale politie dat hij hout aan het branden was / dat hij het vuur in de vuurschaal aanstak. Het daderschap staat derhalve afdoende vast in hoofde van vermoedelijke overtreder. Verder is het voor de toerekenbaarheid van het milieumisdrijf aan de vermoedelijke overtreder niet vereist dat de feiten met opzet werden gepleegd. Artikel 16.6.1, §1 van het DABM voorziet dat ook elke door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending strafbaar wordt gesteld en derhalve aanleiding kan geven tot een alternatieve bestuurlijke geldboete. Van een voorzichtig persoon mag verwacht worden, dat wanneer deze vuur maakt met zuiver hout, er zich in de nabijheid geen andere voorwerpen (zoals in casu elektriciteitskabels) bevinden die per ongeluk in het vuur kunnen terecht komen. Het milieumisdrijf, met name het verbranden van afvalstoffen, staat vast in hoofde van overtreder. …” 3. Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de procedurestukken niet aan dat het gemotiveerd oordeel van de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing, dat de vastgestelde feiten moeten worden beschouwd als een milieumisdrijf dat haar kan worden toegerekend, foutief dan wel kennelijk onredelijk is en dat er ter zake (minstens) gerede twijfel bestaat. 3.1 Op basis van artikel 12, §1 Materialendecreet is het verboden om afvalstoffen achter te laten of te beheren in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan, terwijl artikel 6.11.1 VLAREM II als milieuvoorwaarde voor niet-ingedeelde inrichtingen een HHC - 8 principieel verbod voorziet voor de verbranding in open lucht van eender welke stoffen. Verzoekende partij betwist op zich niet dat het op basis van deze bepalingen in beginsel is verboden om afval te verbranden in open lucht en dat ze niet ressorteert onder de daarbij voorziene uitzonderingen. Ze voert ook niet aan dat ze hiervan niet op de hoogte was en dat er sprake is van onoverwinnelijke (rechts)dwaling. 3.2. Zoals blijkt uit het PV en door partijen niet wordt betwist, heeft verzoekende partij op 3 september 2023 in de ochtend ‘iets’ verbrand in de vuurschaal in de tuin bij haar woning, waarbij er op een bepaald ogenblik een hevige rookontwikkeling is ontstaan, die voor een derde de aanleiding vormde om de brandweer op te roepen. Het wordt ook niet betwist dat verzoekende partij heeft geweigerd om de brandweer toegang te verlenen tot haar tuin met de vuurschaal, zodat er enige tijd is verstreken tussen het ogenblik van de rookontwikkeling en de vaststellingen van de verbalisant. De betwisting tussen partijen heeft betrekking op de aard van de materialen die verzoekende partij in de vuurschaal in haar tuin heeft verbrand, waarvan er door het tijdsverloop tussen de rookontwikkeling en de aankomst van de verbalisant geen materiële vaststellingen zijn. Terwijl verzoekende partij beweert dat ze enkel hout heeft verbrand, vermoeden zowel de verbalisant als de brandweer in het licht van de feitelijke omstandigheden dat ze ook elektriciteitskabels heeft verbrand, om het plastiek te scheiden van het koper. Dit vermoeden wordt door de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing onderschreven. Verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat de gewestelijke entiteit, op basis van het geheel van de voorliggende samenhangende feitelijke vaststellingen, redelijkerwijze niet kon oordelen dat ze op 3 september 2023 in de vuurschaal in de tuin bij haar woning (ook) afval heeft verbrand. Ongeacht de argumentatie van verzoekende partij over de juiste versie van haar verklaring over de oorzaak van de rookontwikkeling, blijkt uit het PV alleszins dat ze ter zake tegenstrijdige verklaringen heeft gedaan. Terwijl ze op het ogenblik van de vaststellingen door de verbalisant heeft verklaard dat er per ongeluk elektriciteitskabels in de vuurschaal waren gevallen, met hevige rookontwikkeling tot gevolg, heeft ze naderhand op 23 oktober 2023 spontaan verklaard dat ze enkel hout in de vuurschaal heeft verbrand omdat ze koud had tijdens het ontmantelen van koperkabels met een tang, en dat de rookontwikkeling is ontstaan doordat ze het vuur met een emmer water heeft gedoofd omdat ze weg moest. Verzoekende partij betwist dan ook klaarblijkelijk niet dat er in de onmiddellijke nabijheid van de vuurschaal alleszins elektriciteitskabels lagen, met de bedoeling om het plastiek te scheiden van het koper. De verbalisant heeft in die zin overigens vastgesteld dat de tuin van verzoekende partij overvol lag met allerhande materialen, waaronder ijzer. In zoverre verzoekende partij beweert HHC - 9 dat enkel haar verklaring op 23 oktober 2023 de juiste versie van de feiten weergeeft, en dat er dus geen rekening mag worden gehouden met haar eerdere verklaring op het ogenblik van de vaststellingen op 3 september 2023, wordt vastgesteld dat ze geenszins aannemelijk maakt waarom deze verklaring in tempore non suspecto onjuist was. Ze gaat daarbij overigens nogal gemakkelijk voorbij aan het feit, dat ze beweert dat ze haar vuurschaal al vanaf 5u in de ochtend had aangestoken omdat het buiten fris was. Dit is een op zijn minst vreemd uur, terwijl ook niet blijkt dat verzoekende partij de koperkabels niet binnen kon ontmantelen met een tang, als het buiten te koud was. In de veronderstelling dat ze alsdan effectief enkel hout heeft verbrand in de vuurschaal, valt bovendien niet in te zien waarom ze de brandweer niet onmiddellijke toegang tot haar tuin heeft verleend. Het wordt niet betwist dat er door haar toedoen pas na de aankomst van de verbalisant materiële vaststellingen konden gebeuren bij de vuurschaal, waardoor er sinds de hevige rookontwikkeling al enige tijd was verstreken, waarbinnen ze gebeurlijk (half)verbrand afval uit de vuurschaal kon verwijderen. De vaststelling, dat de verbalisant enkel as in de vuurschaal heeft zien liggen, vormt dan ook geen pertinent argument om het milieumisdrijf van afvalverbranding te betwisten. Er wordt daarbij voor zoveel als nodig nog opgemerkt dat er ook in de hypothese, dat er per ongeluk elektriciteitskabels in de vuurschaal zijn terechtgekomen, een milieumisdrijf voorligt omdat er hiervoor geen opzet is vereist en een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid volstaan. Het kan redelijkerwijze niet ernstig worden betwist, dat het getuigt van grove onzorgvuldigheid als er elektriciteitskabels in een brandende vuurschaal kunnen terechtkomen. 3.3. Verzoekende partij maakt niet aannemelijk, dat het tijdsverloop van drie maanden tussen de feiten en de opmaak van het PV door de verbalisant en het interventieverslag door de brandweer, tot gevolg heeft dat de vaststellingen van de verbalisant en van de brandweer niet accuraat zijn, waardoor ook de bestreden beslissing niet steunt op accurate feitelijke vaststellingen. Ze toont niet aan dat het PV, dat de waarde heeft van een inlichting of een begin van bewijs, hierdoor onregelmatig is. Dezelfde vaststelling geldt wat betreft haar opmerking dat ze het PV nooit heeft ondertekend en dat ze nooit is verhoord over de feiten. Verzoekende partij heeft zowel tijdens de vaststellingen van de verbalisant op 3 september 2023 als op het politiekantoor op 23 oktober 2023 een verklaring gegeven voor de hevige rookontwikkeling vanuit de vuurschaal in haar tuin, zodat niet valt in te zien waarom ze daarover nogmaals moest worden verhoord. Ze kon bovendien zowel tijdens de bestuurlijke boeteprocedure in haar schriftelijk verweer als tijdens voorliggende jurisdictionele procedure haar relaas van de feiten geven, terwijl ze daarbij enkel verwijst naar haar spontane verklaring op 23 oktober 2023, die is opgenomen in het PV. HHC - 10 Uit het PV en uit het interventieverslag blijkt overigens dat de feiten van 3 september 2023 geenszins complex waren, zodat niet valt in te zien dat de verstreken tijd tussen deze feiten en de opmaak van het PV heeft geleid tot onjuiste vaststellingen. 3.4. Verzoekende partij stelt tenslotte tevergeefs, dat het gebruik door de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing van de term ‘vermoedelijke overtreder’, tegenstrijdig is met het oordeel van de gewestelijke entiteit dat er voldoende bewijs bestaat voor het milieumisdrijf waarop de bestreden boete steunt. De gewestelijke entiteit gebruikt de term ‘vermoedelijke overtreder’ enkel bij haar beoordeling van ‘de toerekenbaarheid aan de overtreder’, waarna ze op basis hiervan uiteindelijk stelt dat verzoekende partij kan worden beschouwd als de ‘overtreder’ die het milieumisdrijf heeft gepleegd. Het middel wordt verworpen. V. Kosten 1. De kosten van het geding worden ten laste gelegd van verzoekende partij, die door het verwerpen van het verzoek tot vernietiging wordt beschouwd als de partij die in het ongelijk wordt gesteld (artikel 33 DBRC-decreet). Ze moet haar rolrecht van 100 euro dus zelf dragen, terwijl haar verzoek om verwerende partij te veroordelen tot ‘de kosten van haar verdediging’ ten belope van 1.800 euro wordt verworpen. Verwerende partij vordert een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die wordt toegekend ten belope van 200 euro. 2. Het College kan, op verzoek van een partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die in het gelijk wordt gesteld (artikel 31/1, §5 DBRC-decreet). Het basisbedrag van deze vergoeding bedraagt 840 euro en kan op gemotiveerde wijze door het College worden verlaagd tot minimum 168 euro of verhoogd tot maximum 1.680 euro. Het College houdt daarbij rekening met de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen, de complexiteit van de zaak en de kennelijk onredelijke aard van de situatie (artikel 31/1, §5, lid 3 DBRC-decreet en artikel 20/1, §1 Procedurebesluit). HHC - 11 Gelet op de vaststelling dat het bedrag van de bestreden boete aanzienlijk minder bedraagt dan het bedrag van de basisrechtsplegingsvergoeding, zou het toekennen van de basisrechtsplegingsvergoeding in voorliggend dossier, dat bovendien niet complex is, kennelijk onredelijk zijn. Het zou er feitelijk toe leiden dat verzoekende partij, aan wie de bestuurlijke geldboete met een punitief karakter is opgelegd, in het kader van de vereiste toegang tot een rechter met volle rechtsmacht, wordt geconfronteerd met buitensporige potentiële rechtsplegingskosten, die het boetebedrag ruimschoots overschrijden en die er feitelijk op neerkomen dat de toegang tot het College op overdreven wijze wordt beperkt. Het komt het College daarom passend voor om de rechtsplegingsvergoeding, in het licht van de concrete omstandigheden van het dossier, te verlagen tot 200 euro. VI. Beslissing 1. Het beroep wordt verworpen. 2. De kosten van het beroep, begroot op 100 euro rolrecht en 200 euro rechtsplegingsvergoeding voor verwerende partij, zijn ten laste van verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken op 8 januari 2026 door de eerste kamer. De griffier, De voorzitter van de eerste kamer, HHC - 12