ADB:hof-van-cassatie-brussel-13-01-2026
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Cassatie Brussel
📅 2026-01-13
🌐 NL
Arrest
Cassatie
Rechtsgebied
Ruimtelijke Ordening
Samenvatting
13 JANUARI 2026 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. , advocaat bij de balie , tegen 1. vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te , ON , burgerlijke partij, verweerster, 2. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN ...
Volledige tekst
13 JANUARI 2026
Hof van Cassatie van België
Arrest
Nr.
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr.
, advocaat bij de balie
,
tegen
1.
vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en
schepenen, met
kantoor
te
,
ON
,
burgerlijke partij,
verweerster,
2. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN DE
AFDELING HANDHAVING, met kantoor te
ON
13 JANUARI 2026
eiser tot herstel,
verweerder,
met als raadsman mr.
, advocaat bij de balie
,
met kantoor te
woonplaats kiest.
, waar de verweerder 2
I.
RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel,
correctionele kamer, van 13 februari 2025.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.
Raadsheer
heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal
heeft geconcludeerd.
II.
BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
1. Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ontvankelijk en de
vordering van de verweerster 1 ongegrond.
In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang
niet ontvankelijk.
Derde middel
Eerste onderdeel
2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 4.2.1,
4°, 6.2.1, eerste lid, 1°, en 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsook
miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: met
13 JANUARI 2026
het oordeel dat de ophoging van de reeds aanwezige bermen “kan” leiden tot een
verstoring van de waterhuishouding in de onmiddellijke omgeving en dat niet is
aangetoond dat het water op het eigen perceel kan worden gehouden, verantwoordt
het arrest niet naar recht dat de eiser schuldig is aan het in de telastlegging A
bedoelde misdrijf van het zonder voorafgaande vergunning aanmerkelijk wijzigen
van het reliëf van de bodem, onder meer door de bodem aan te vullen, op te hogen,
uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt;
gelet op het ontbreken van het bewijs dat de waterhuishouding wordt verstoord, kon
het arrest de telastlegging A niet wettig bewezen verklaren noch op grond hiervan
een herstelmaatregel bevelen; de bewijslast wordt aldus ten onrechte op de eiser
gelegd, die als beklaagde immers niet ertoe gehouden is om dienaangaande het
tegendeel te bewijzen.
3. Artikel 4.2.1, 4°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat niemand
zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen
het reliëf van de bodem aanmerkelijk mag wijzigen, onder meer door de bodem aan
te vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie
van het terrein wijzigt. Uit die bepaling volgt dat niet de omvang van de hoogte- of
dieptewijziging maar wel de invloed van deze wijziging op de bestemming, het
feitelijk gebruik of het uitzicht van het terrein determinerend is voor de vereiste van
een voorafgaande vergunning.
4.
Een aanmerkelijke wijziging van het bodemreliëf die kan leiden tot een
verstoring van de waterhuishouding, wat als zodanig een wijziging van de functie
van het terrein inhoudt, is vergunningsplichtig in de zin van de voormelde bepaling.
De omstandigheid dat die reliëfwijziging niet
tot een onmiddellijke en
daadwerkelijke verstoring van de waterhuishouding heeft geleid, doet hieraan geen
afbreuk.
5.
In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar
recht.
6. Met het oordeel dat bestaande geluidsbermen op een betekenisvolle wijze
werden opgehoogd en die ophoging kan leiden tot een verstoring van de
waterhuishouding in de onmiddellijke omgeving (arrest, p. 9-10), verantwoordt het
13 JANUARI 2026
arrest naar recht de beslissing dat het reliëf van de bodem aanmerkelijk werd
gewijzigd in de zin van artikel 4.2.1, 4°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
7. De in het onderdeel aangevoerde grief over de bewijslast en de erin
aangevoerde miskenning van het vermoeden van onschuld zijn afgeleid uit de
voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheid.
In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
Tweede onderdeel
8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 159
Grondwet en artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: door uit te gaan
van onzekerheden in verband met de draagwijdte van de stedenbouwkundige
misdrijven, met name wat de ophoging van de dam en de verstoring van de
waterhuishouding betreft, en de bewijslast van de impact op de plaatselijke
ruimtelijke ordening op de eiser te leggen, verantwoordt het arrest niet naar recht
dat er geen reden is om aan te nemen dat het positieve advies van de Hoge Raad
voor de Handhavingsuitvoering onwettig is; op grond hiervan konden de
appelrechters ook niet overgaan tot een beoordeling van de redelijkheid van het
herstel, zodat het arrest ook een onwettige toepassing maakt van de bij de te bevelen
herstelmaatregelen in acht te nemen rangorde.
9. Het onderdeel is volledig afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs
aangevoerde onwettigheden en is bijgevolg niet ontvankelijk.
Eerste middel en tweede middel
10. Het eerste middel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM, artikel
1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, de artikelen 13 en 144 Grondwet en de
artikelen 6.3.1, § 1, en 6.3.4 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsook
miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten: met het
oordeel dat het niet aangewezen is om een dwangsom te koppelen aan de uitvoering
van de herstelmaatregel met betrekking tot het verwijderen van de nieuw
aangevoerde grond tegen de bestaande geluidsberm omdat niet blijkt in welke mate
13 JANUARI 2026
dit het geval was, verantwoorden de appelrechters het bevelen van die
herstelmaatregel niet naar recht; de rechter moet de precieze herstelvordering op
zijn interne en externe wettigheid kunnen toetsen, wat de veroordeelde de
mogelijkheid moet bieden om die maatregel wegens willekeur, onredelijkheid of
wegens een gebrek aan bewijskrachtige gegevens te betwisten; de eiser wordt
veroordeeld tot een herstel waarvan niet blijkt waaruit dit precies bestaat; door te
bevelen dat, als de plaats niet binnen de gestelde termijn in de vorige staat wordt
hersteld, de verweerder 2 en de burgemeester van de verweerster 1 ambtshalve in
de uitvoering van dat herstel kunnen voorzien in de plaats en op kosten van de eiser,
wordt de uiteindelijke draagwijdte van de herstelmaatregel aan de willekeur van
deze gemachtigde overheden overgelaten, die aldus ook eenzijdig de door de eiser
te dragen kosten voor het herstel kunnen bepalen, waardoor de eiser verstoken
wordt van een effectief rechtsmiddel en van rechterlijke bescherming; een geschil
over de draagwijdte van het herstel dient door de rechter te worden beslecht en kan
niet worden overgelaten aan de overheid.
Het eerste onderdeel van het tweede middel voert schending aan van artikel 1138,
2°, Gerechtelijk Wetboek: door
te oordelen dat de verweerder 2 als
herstelvorderende overheid naliet om de gevorderde herstelmaatregel voldoende te
preciseren maar vervolgens toch het herstel te bevelen, vult het arrest die
gebrekkige herstelvordering aan en miskent dit het beschikkingsbeginsel.
Het tweede onderdeel van het tweede middel voert schending aan van artikel 149
Grondwet: het arrest kan niet enerzijds oordelen dat het niet aangewezen is om een
dwangsom te koppelen aan de uitvoering van de herstelmaatregel met betrekking
tot het verwijderen van de nieuw aangevoerde grond tegen de bestaande
geluidsberm omdat niet blijkt in welke mate dit het geval was, en anderzijds de eiser
veroordelen tot een herstel waarvan de specifieke modaliteiten voor de uitvoering
onvoldoende gespecificeerd zijn; de bevolen herstelmaatregel is dan ook
onvoldoende gemotiveerd en ook niet naar recht verantwoord.
11. De rechter die het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand beveelt
bij toepassing van artikel 6.3.1, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening, dient niet de uitvoeringswijze en de uitvoeringsmodaliteiten van die
herstelmaatregel te preciseren.
13 JANUARI 2026
12. De rechter kan een herstelmaatregel evenwel niet bevelen wanneer hij
oordeelt dat het voorwerp ervan onvoldoende duidelijk is.
13. Het arrest (p. 18) oordeelt dat:
- uit de stukken met zekerheid blijkt dat de dam achteraan de tuin van de eiser op
een betekenisvolle wijze werd opgehoogd, maar dat niet blijkt in welke mate dat
het geval is;
- de verbalisant ruimtelijke ordening ter plaatse (nog) geen opmetingen heeft
verricht;
- er in die omstandigheden in dit stadium van de procedure geen aanleiding is om
de uitvoering van de maatregel, strekkend tot het verwijderen van de nieuw
aangevoerde grond, te koppelen aan de verbeurte van een dwangsom;
- het niet aangewezen is om een dwangsom te koppelen aan de uitvoering van een
maatregel wanneer de specifieke modaliteiten voor de uitvoering onvoldoende
gespecificeerd zijn.
Uit die redenen blijkt dat het arrest oordeelt dat de op de bewezenverklaarde
telastlegging A gebaseerde herstelmaatregel, in zoverre deze betrekking heeft op
het verwijderen van de nieuw aangevoerde grond tegen de bestaande geluidsberm,
onvoldoende duidelijk is, aangezien die maatregel niet toelaat na te gaan in welke
mate de opgehoogde berm moet worden afgegraven om het beoogde herstel te
verwezenlijken. Het bevelen van het herstel door het verwijderen van de nieuw
aangevoerde grond tegen de bestaande geluidsberm is dan ook niet naar recht
verantwoord.
De middelen zijn in zoverre gegrond.
Vierde middel
14. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 4.2.1, 5°,
a, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: met het oordeel dat uit de luchtfoto’s
blijkt dat er reeds vanaf de winterperiode begin 2020 onder meer talrijke containers
op het perceel aanwezig waren en er dus moet worden aangenomen dat er sprake is
van een gewoonlijk gebruik, verantwoordt het arrest niet naar recht dat de eiser
schuldig is aan het in de telastlegging B bedoelde misdrijf van het zonder
13 JANUARI 2026
vergunning gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het
opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen of van allerlei materialen, materieel
of afval; een gewoonlijk gebruik vereist een zekere regelmaat en een zekere
duurtijd, wat niet blijkt uit het arrest, dat louter verwijst naar luchtfoto’s uit de
winterperiode begin 2020; bovendien blijkt uit het arrest dat de goederen op het
terrein louter werden gebruikt met het oog op de verwezenlijking van de in de
telastlegging A bedoelde reliëfwijziging, wat niet als een gewoonlijke opslag kan
worden beschouwd; aldus wordt het gebruik van de materialen verward met het
gewoonlijke gebruik van de grond, zodat het arrest niet naar recht verantwoord is.
15. Het arrest oordeelt niet dat de aanwezigheid van containers op het perceel
louter bestemd is voor het uitvoeren van de reliëfwijziging. Het arrest (p. 9, nr. 6 en
p. 10, nr. 7) verwijst wel naar het aanvankelijk proces-verbaal van 28 juni 2020,
opgesteld naar aanleiding van een plaatsbezoek op 22 juni 2020, waaruit blijkt dat
door de verbalisant werd vastgesteld dat de containers die hiervoor gebruikt
“zouden worden” reeds verspreid zijn opgeslagen over de percelen en dat het in het
totaal ongeveer een tiental, grotendeels versleten, bureaucontainers betreft, alsook
dat de percelen ook gewoonlijk worden gebruikt voor de opslag van tal van
materiaal, materieel en afval, zoals autowrakken, tuinmachines, hout, metalen,
containeronderdelen en steenpuin. Op grond van die vaststellingen, waaruit blijkt
dat de appelrechters van oordeel zijn dat de grond met een zekere regelmaat over
een zekere periode werd gebruikt voor de opslag van de voormelde goederen,
oordeelt het arrest dat de telastlegging B, die betrekking heeft op het zonder
vergunning gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het
opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen of van allerlei materialen, materieel
of afval, namelijk de opslag van onder meer autowrakken, tuinmachines, hout,
metalen, steenpuin en containeronderdelen, in de periode tussen 1 januari 2020 en
22 juni 2020, bewezen is.
Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.
Ambtshalve onderzoek voor het overige
16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn
in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
13 JANUARI 2026
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot het verwijderen
van de nieuw aangevoerde grond tegen de bestaande geluidsberm en in zoverre het
oordeelt over de door de verweerder 2 aan dit punt van de herstelvordering
gekoppelde dwangsom.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het
gedeeltelijk vernietigde arrest.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten.
Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op
verwijzing.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, anders
samengesteld.
Bepaalt de kosten op 376,56 euro, waarvan 283,47 euro is verschuldigd.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,
samengesteld uit voorzitter
, als voorzitter, de raadsheren
rechtszitting van 13 januari 2026 uitgesproken door voorzitter
,
in aanwezigheid van advocaat-generaal
, met bijstand van griffier
, en in openbare