Naar hoofdinhoud

ADB:hof-van-beroep-gent-13-01-2026

Beslissingsdetails

🏛️ Hof van Beroep Gent 📅 2026-01-13 🌐 NL Arrest

Rechtsgebied

Economie Werk en Sociale Economie

Geciteerde wetgeving

KB van 31 mei 1933; KB van 31 mei 1933; KB van 31 mei 1933; KB van 31 mei 1933; Koninklijk Besluit van 31 mei 1933; Koninklijk Besluit van 13 mei 1999; Koninklijk Besluit van 13 mei 1933; Koninklijk Besluit van 31 mei 1933; Wet van 7 juni 1994; Wet van 7 juni 1994

Samenvatting

/ 2026 Arrestnummer c;I I fo Repertoriumnummer 2026/ .)JO Datum van uitspraak 13 Januari 2026 Notitienummer griffie Notitienummer parket-generaal 2020/PGG/3437 2024/VJll/ 648 VRIJSPRAAK EENV. SCHULDIGVERKL. Hof van beroep Gent Arrest zesde kamer . correctionel e zaken Hof van beroep Gent - zesde ...

Volledige tekst

/ 2026 Arrestnummer c;I I fo Repertoriumnummer 2026/ .)JO Datum van uitspraak 13 Januari 2026 Notitienummer griffie Notitienummer parket-generaal 2020/PGG/3437 2024/VJll/ 648 VRIJSPRAAK EENV. SCHULDIGVERKL. Hof van beroep Gent Arrest zesde kamer . correctionel e zaken Hof van beroep Gent - zesde kamer - -p. 2 Not.nr. GE.71.LA.042670/20 In de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE tegen 1. nr. 2. nr. 3. nr. RRN geboren wonende te RRN geboren wonende te KKI" geboren wonende te - beklaagden - Hof va n beroep Gent - zesde kamer . p. 3 TENLASTELEGGING( EN) Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek; A Subsidiefraude - ten gevolge van een onjuiste verklaring ivm een aanvraag tot het bekomen van een subsidie, deze vergoeding te hebben ontvangen Bij inbreuk op het K.B. van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, zoals gewijzigd bij de Wet van 7 juni 1994, artikel 2 §3 en 4, ten gevolge van een onju iste of onvolledige verklaring in verband met een aanvraag tot het bekomen of behouden van een subsidie, vergoeding of toelage, die geheel of gedeeltelijk ten laste van de Staat, een andere publiekrechtel ijke rechtspersoon, van de Europese Gemeenschap of een andere openbare instelli ng is, een dergelijke subsidie, vergoeding of toe lage ontvangen of behouden te hebben, namelijk: (artikel 2 §3 en 4, K.B. van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, zoals gewijzigd bij de Wet van 7 juni 1994) 1 te door ~n/of elders in het Rijk in de periode van 30 maart 2020 tot en met 20 juni 2020 onterecht een corona hinderpremie aan te namelijk door voor de onderneming vragen en te verkrijgen, aangezien aeze vennootschap niet beschikt over een publiek vrij recht heeft op een corona hinderpremie toegankelijke locatie en dus geen voor een totaalbedrag van minstens 14.080,00 euro ten nadele van het Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) 2 te door en/of elders in het Rijk in de periode van 20 april 2020 tot en met 15 juli 2021 onterecht corona hinderpremies en het namelijk door voor de onderneming Nieuw Vlaams Beschermingsmechanisme aan te vragen en te verkrijgen, aangezien deze vennootschap geen publiek vrij toeganke lijke locatie heeft en dus geen recht op deze premies voor een totaalbedrag van 27.185,01 euro (hetzij 10.720,00 euro corona hinderpremies en 6.465,01 euro Vlaams Beschermingsmechanisme) ten nadele van het Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) Hof van beroep Gent - zesde kamer - -p. 4 B Schending beroepsverbod K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934 Bij inbreuk op artikel 4 van het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, door op te treden als feitelijk zaakvoerder van terwijl hij/zij bij vonnis van de correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent dd. 9 november 2016 werd veroordeeld tot een beroepsverbod in de zin van artikel 1 van dit K.B., namelijk voor een term ijn van 10 jaar, vonnis dat kracht van gewijsde bekomen heeft op het ogenblik van het plegen van huidige feiten. (artikel 4 van het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934) :!n/of elders in het Rijk in de periode van 1 januari 2018 tot en met 6 juli 2020 g door Wettelijke herhaling het misdrijf heeft gepleegd sedert zij met de omstandigheid dat veroordeeld werd bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent uitgesproken op 9 november 2016, tot een hoofdgevangenisstraf van 40 maanden (met probatie-uitstel voor 5 jaren behalve de voorlopige hechtenis) wegens valsheid in geschrifte, oplichting, ea, vonnis in kracht van gewijsde gegaan op het ogenblik van de nieuwe feiten, en voordat vijf Jaren zijn verlopen sinds zij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is. met de omstandigheid dat het misdrijf heeft gepleegd sedert hij veroordeeld werd bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent uitgesproken op 9 november 2016, tot een hoofdgevangenisstraf van 40 maanden (met probatie-uitstel voor 5 Jaren behalve de voorlopige hechtenis) wegens valsheid in geschrifte, oplichting, ea, vonnis in kracht van gewijsde gegaan op het ogenblik van de nieuwe feiten, en voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is. * * * 1. Procedurele voorgaanden en rechtspleging in hoger beroep 1.1. De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G31DO, besliste bij vonnis van 8 februari 2024 op tegenspraak als volgt: "OP STRAFGEBIED Hof van bero ep Gent - zesde kamer · p. 5 Ten aanzien van eerste beklaagde vrij voor de tenlasteleggingen Al en B. Ten aanzien van tweede beklaagde Spreekt vrij voor de tenlasteleggingen A1 en B. Laat de kosten van de eerste en tweede beklaagde gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie ten laste van de Staat, tot heden begroot op 315,48 EUR. Ten aanzien van derde beklaagde Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen Al en A2 bewezen. Veroordeelt . voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A1 en A2: tot een gevangenisstraf van 1 jaar en tot een geldboete van 1600,00 EUR, zijnde 200,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 1 maand. Veroordeelt tot betaling van: - - - een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor tweedelijns bijstand juridische een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 58,90EUR Hof van beroep Gent - zesde kamer · -p. 6 - de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 34,98 EUR Bijzondere verbeurdverklaring Beveelt de bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 4 van het Koninklijk Besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en zijnde de vermogensvoorde/en die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, in de mate dat de ten onrechte betaalde subsidies niet werden teruggegeven door de eerste, tweede en derde beklaagde. van een bedrag van 14.080,00 EUR, toelangen, Beveelt de bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 4 van het Koninklijk Besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en zijnde de vermogensvoorde/en die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, in de mate dat de ten onrechte betaalde subsidies niet werden teruggegeven door de derde beklaagde. van een bedrag van 27.185,01 EUR, toelangen, Overtuigingsstukken Beveelt de overmaking aan het openbaar ministerie om te handelen als naar recht van de overtuigingsstukken gekend onder de SIN-nummers OP BURGERLIJK GEBIED Teruggave Veroordeelt de derde beklaagde tot de teruggave overeenkomstig art. 3 van het KB van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, aan het Vlaams Gewest (VLA/O) van de onrechtmatig verkregen subsidies voor een totaal bedrag van 14.080,00 EUR (tenlastelegging Al}. Veroordeelt de derde beklaagde tot de teruggave overeenkomstig art. 3 van het KB van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, aan het Vlaams Gewest {VLAIO} van de onrechtmatig verkregen subsidies voor een totaal bedrag van 27.185,01 EUR (tenlastelegging A2). De overige burgerlijke belangen Hof van beroep Gent - zesde kamer· • p. 7 De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan. 11 1.2. Tegen dit vonnis van 8 februari 2024 werd hoger beroep ingesteld op : 28 februari 2024 door het openbaar ministerie tegen de beklaagden 5 maart 2024 door de beklaagde 7 maart 2024 door het openbaar ministerie tegen de beklaagde 1.3. Er werd een verzoekschrift in de zin van artikel 204 van het Wetboek van Strafvordering ingediend op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op: - 28 februari 2024 door het openbaar ministerie, 5 maart 2024 door de advocaat van de beklaagde 7 maart 2024 door het openbaar ministerie. - 1.4. Op de terechtzitting van 8 april 2025 legde het hof overeenkomstig de artikelen 152, § 1 en 209bis, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering, conclusietermijnen vast en bepaalde het hof de rechtsdag op 30 september 2025 . 1.5. Het hof hoorde op de openbare terechtzitting van 30 september 2025 in het Nederlands: in zijn middelen van verdediging bijgestaan door meester - de beklaagde !n meester beiden advocaat met kantoor t1 meester 3dvor::i::it tP - de beklaagde in haar middelen van verdediging bijgestaan door meester - de beklaagde n zijn middelen van verdediging bijgestaan door meester advocaat met kantoor te 1dvocaat met kantoor te - het openbaar ministerie in zijn vordering bij monde van substituut- procureur des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden bij het parket Oost Vlaanderen, aangesteld bij beschikking van de Procureur-Generaal van 24 november 2023 om het ambt van Openbaar M inisterie tijdelijk waar te nemen bij het parket van het hof van beroep te Gent. Partijen zijn het erover eens dat alle neergelegde conclusies in het beraad mogen worden betrokken. 2. De ontvankelijkheid van de hoger beroepen 2.1. Hof van beroep Gent - zesde kamer· p.8 De onderscheiden verklaringen van hoger beroep tegen het vonnis van 8 februari 2024, gedaan op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, werden tijdig en regelmatig naar de vorm gedaan. De verzoekschriften houdende de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, werden eveneens tijdig ingediend. 2.2. In het door het openbaar ministerie op 28 februari 2024 ingediend verzoekschrift als bedoeld in artikel 204 van het Wetboek van Strafvordering (grievenformulier hoger beroep) wordt nauwkeurig bepaald welke grieven tegen het bestreden vonnis worden ingebracht met betrekking tot de beklaagden met name kruiste de substituut-procureur des Konings de rubriek 'de schuld' aan, waarbij zij vermeldde: "Mijn ambt betwist de vrijspraak van de beklaagden 1oor de telastleggingen A1 en B"). 2.3. op 5 maart 2024 ingediend In het door de advocaat van de beklaagde verzoekschrift als bedoeld in artikel 204 van het Wetboek van Strafvordering (grievenformulier hoge r beroep), wordt nauwkeurig bepaald welke grieven tegen het bestreden vonnis worden ingebracht, met name met betrekking tot: de schuld (aankruising van die rubriek met vermelding van zijn schuldigverklaring aan de telastleggingen Al en A2, waarbij als reden(en) is vermeld: "Verzoeker betwist zijn schuld voor voormelde tenlasteleggingen en meent dat hij dient te worden vrijgesproken"), de straf en/of maatregel (aankruising van die rubriek met vermelding van de opgelegde gevangenisstraf en geldboete, waarbij als reden(en) is vermeld: "Verzoeker verzoekt hem in hoofdorde de vrijspraak te verlenen, ondergeschikt een mildere toepassing te maken van de strafwet."), de burgerlijke rechtsvordering (aankruising van die rubriek met vermelding van het ambtsha lve aanhouden van de burgerlijke belangen, waarbij als reden(en ) is vermeld: "gelet op de vrijspraak, zich onbevoegd verklaren. '1, en andere (aankruising van die rubriek met vermelding van de opgelegde teruggave van de onrechtmatig verkregen subsidies, waarbij als reden(en) is vermeld: "gelet op de vrijspraak, geen teruggave te bevelen."). In het door het openbaar ministerie op 7 maart 2024 ingediend verzoekschrift als bedoeld in artikel 204 van het Wetboek van Strafvordering (grievenformulier hoger beroep) wordt nauwkeurig bepaald welke grieven tegen het bestreden vonnis worden ingebracht met met name kruiste de substituut-procureur des betrekking tot de beklaagde Konings de rubriek 'Andere' aan waarbij zij vermeldde: "Gelet op het aangetekende hoger beroep en het neergelegde grievenformulier van de hierboven vermelde beklaagde, tekent het openbaar ministerie hoger beroep aan wat betreft de uitgesproken straffen m.b.t. deze Hof van beroep Gent - zesde kamer - - p. 9 partij. Aangezien de opgelegde straf of maatregel lager ligt of gunstiger is dan de wettelijk bepaalde maximumstraf is het wenselijk een eventuele strengere bestraffing te laten beoordelen door de hogere rechter." 2.3. De hoger beroepen van de beklaagdE ontvankelijk (artike len 203 en 204 van het Wetboek van Strafvordering). en van het openbaar ministerie zijn alle Het hof bes list in het voorliggend arrest binnen de perken van de hoger beroepen en van de grieven zoals bedoeld in artikel 210 van het Wetboek van Strafvordering. In dit verband stelt het hof vast dat er geen redenen zijn om ambtshalve een grief in de zin van het voormeld artikel op te werpen. 3. De bevoegdheid van de strafrechter 3.1. De zaak werd voor wat betreft de telastleggingen Al, A2 en B bij de eerste rechter aanhangig gemaakt bij dagvaarding door het openbaar ministerie. De feiten voorwerp van deze telastleggingen zijn strafbaar met correctionele straffen en behoren tot de bevoegdheid van de correctionele rechtbank. De eerste rechter was en het hof is thans aldus bevoegd om kennis te nemen van de strafvordering. 3.2. 3.2.1. Het hof stelt vast dat de beklaagden onder de telastleggingen Al en A2 worden vervo lgd voor het hebben ontvangen of behouden van een subsidie, vergoeding of toelage, als bedoeld in het kon inklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, zoa ls gewijzigd door de wet van 7 juni 1994 (BS, 8 juli 1994), als gevolg van een onjuiste of onvolledige verklaring in verband met een aanvraag tot het bekomen of behouden van een subsidie, vergoeding of toelage. De telastleggingen Al en A2 hebben betrekking op subsidies met de respectievelijke benam ingen corona hinderpremie en Vlaams Beschermingsmechanisme. Dit maakt een Inbreuk uit op artikel 2, §§ 2 en 4 van het hierboven genoemd koninklijk besluit van 31 mei 1933. Waar in de telastlegging A wordt verwezen naar artikel 2, §§ 3 en 4 van het KB van 31 mei 1933 is dit dan ook kennelijk een materiële vergissing. Het hof verbetert dan ook de telastlegging A door de vermeldingen "artikel 2, §§ 3 en 4 van het KB van 31 mei 1933" te wijzigen door "artikel 2, §§ 2 en 4 van het KB van 31 mei 1933". De partijen we rden hiervan in kenn is gesteld op de zitting van het hof. Het verweer van de partijen had daarop betrekking. Waar hierna sprake is van de voormelde te lastlegging Hof van beroep Gent - zesde kamer - p. 10 dienen deze te worden gelezen en begrepen zoals verbeterd. Deze verbeteringen wijzigen de feiten die aan deze telastlegging ten grondslag liggen niet. 3.2.2. Het hof merkt voor zoveel als nodig op dat de telastlegging A2 opgenomen in het bestreden vonnis een materiële tikfout bevat wat betreft het bedrag van de premies Vlaams Beschermingsmechanisme. Deze materiële tikfout geeft evenwel geen aanleiding tot enige verbetering nu de telastlegging A2 zoals opgenomen in de dagvaarding de correcte tekst bevat. Zowel uit de stukken van het strafdossier, uit de tekst in de inleidende dagvaarding, als uit het verschil tussen het vermeld totaalbedrag en het vermeld bedrag aan corona hinderpremie, blijkt dat 16.465,01 euro als premie Vlaams Beschermingsmechanisme ontving en niet 6.465,01 euro zoals verkeerdelijk geschreven in het bestreden vonnis. De eerste rechter, en bij uitbreiding het hof, is slechts gevat door de telastlegging zoals vermeld in de dagvaarding en niet door de t elastlegging zoals verkeerd geciteerd in het bestreden vonnis, zodat er geen reden is om tot verbetering van de telastlegging over te gaan. 4. De verjaring De strafvordering is niet vervallen door verjaring. 5. Beknopt overzicht van de feiten en te beoordelen kernpunten 5.1. Het hof verwijst voor het verloop van het strafonderzoek en een uiteenzetting van enkele relevante feitelijke gegevens naar de overwegingen onder titel '1. De relevante feiten' van het bestreden vonnis, voor zover daarin geen oordeel wordt geveld over de schu ld. Het hof beschouwt deze kortheidshalve als hier uitdrukkelijk herhaald en maakt deze tot de zijne. Deze feitelijke uiteenzetting wordt door de partijen niet betwist. 5.2. Uit de door de eerste rechter weergegeven relevante feitelijke gegevens en de stukken van het strafdossier blijkt samengevat onder meer het volgende: Naar aanleiding van enkele controles op de naleving van de wettelijke bepalingen met JP betrekking tot het verstrekken van sterke/alcoholische drarki:>n in de horecazaak meermaals inbreuken vast. stelden inspecteurs van de politie Deze horecazaak werd uitgebaat door de beklaagden aanvankelijk via een eenmanszaak op naam van de beklaagde en vervolgens - na faillissement van deze eenmanszaak- via een eenmanszaak op naam van de Gelet op de vaststellingen verzocht de politie de politierechtbank beklaagde om een machtiging tot visitatie in het voornoemd pand waarbij t evens de niet voor publiek toegankelijke delen doorzocht konden worden. Hof van beroep Gent - zesde kamer - - p. 11 Tijdens deze visitatie vonden de onderzoekers verschillende facturen op naam van de wettelijke zaakvoerder was/is. De onderzoekers waarvan de beklaagde en dat de vermoedden daarom dat de uitbating in werkelijkheid gebeurde door beklaagden informeel deze vennootschap gebruikten en er zaakvoerder van waren. Omdat deze beide beklaagden naar aanleiding van een eerdere strafzaak een verbod opgelegd kregen om als bestuurder van vennootschappen op te treden, vermoedden de onderzoekers dat zij op die manier dit beroepsverbod omzei lden en aldus schonden. Met het oog op verder onderzoek naar een eventuele schending van hun beroepsverbod werden onder meer leveranciers, door de beklaagden interimwerkkrachten, informatie onderzocht interimkantoren, enz. bevraagd evenals bekomen via bankonderzoek en onderzoek van fiscale dossiers. Ook de drie beklaagden legden een verklaring af. In het kader van het onderzoek stelden de onderzoekers tot slot tevens vast dat twee vennootschappen van de beklaagde en coronapremies ontvingen waarop deze geen recht hadden. met name Het openbaar ministerie vervolgde de drie beklaagden voor de eerste rechter op verdenking van het plegen van volgende misdrijven: :telastlegging A1); de drie beklaagden voor het onterecht aanvragen en ontvangen van een corona hinderpremie voor de beklaagde hinderpremies en premies Vlaams Beschermingsmechanisme voor (telastlegging A2): de beklaagden voor het schenden van het beroepsverbod dat de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent hen op 9 november 2016 had opgelegd. voor het onterecht aanvragen en ontvangen van corona De eerste rechter oordeelde dat het niet afdoende bewezen was dat de beklaagden het hen opgelegd bestuurdersverbod hadden geschonden en dat deze beklaagden een rechtstreekse instructie hadden gegeven aan de beklaagde om onterecht coronapremies aan te vragen voor De eerste rechter sprak deze beklaagden dan ook vrij van de hen te last gelegde feiten onder de telastleggingen Al en B. De eerste rechter achtte het wel bewezen dat de beklaagde ten onrechte coronapremies voor twee van zijn vennootschappen aanvroeg en ontving. Ue beklaagde werd schuldig bevonden aan de feiten van de telastleggingen Al en A2 en de eerste rechter veroordeelde hem tot een effectieve gevangenisstraf van één jaar en een geldboete. Het openbaar ministerie kon zich niet vinden in de vrijspraak van de bek la agden terwijl de beklaagde gegriefd was door zijn veroordeling voor de telastleggingen Al en A2. Zowel het openbaar ministerie als de Hof van beroep Gent - zesde kamer· -p. 12 beklaagde tekenden dan ook hoger beroep aan tegen het bestreden vonnis wat de schuldvragen betreft. Het openbaar ministerie tekende wat betreft de beklaagde ook hoger beroep aan om het hof de mogelijkheid te geven de aan deze beklaagde opgelegde straffen te verhogen. In zijn conclusie maakte de beklaagde daarenboven opmerkingen over het gevoerd opsporingsonderzoek. Zo zou hij onvoldoende in kennis zijn gesteld van de feiten waarover hij verhoord werd (schending van de cautieplicht), zouden er stukken ontbreken in het strafdossier en zou een getuigenverhoor nodig zijn . met Nadat het hof in wat hierna volgt de opmerkingen van de beklaagde betrekking tot het gevoerd onderzoek zal hebben beoordeeld, zal het zich vervolgens uitspreken over de vraag of de beklaagden zich schuld ig maakten aan de hen respectievelijk verweten feiten, en zo ja, welke bestraffing hen voor de bewezen feiten moet worden opgelegd. Bij deze beoordeling behoren ook alle beslissingen die onlosmakelijk met de schuldvraag en/of de bestraffing zijn verbonden. Omdat het aanvankelijk onderzoek deed vermoeden dat de beklaagden hun beroepsverbod schonden door bestuurder te zijn van en zij tevens vervolgd worden als dader en/of mededader voor het onterecht aanvragen en ·, zal het hof bij de beoordeling van de bekomen van coronasubsidies voor schuldvragen eerst de schuld van de beklaagden aan de feiten van de telastlegging B bespreken en nadien de feiten van de telastleggingen Al en A2 in hoofde van de drie beklaagden. Daarna bespreekt het hof de op te leggen bestraffing voor de feiten die bewezen worden verklaard . 6. Juridische analyse van de te beoordelen kernpunten 6.1. Voorafgaandelijk - De door de beklaagde betrekking tot het gevoerd opsporingsonderzoek 6.1.1. Werd de cautieplicht geschonden in hoofde van de beklaagde vraagt voor het eerst in conclusie voor het hof dat 'zijn verhoor' De beklaagde van 19 mei 2020 uit de debatten zou worden geweerd, minstens meent hij dat di t niet in zijn nadeel mag worden geïnterpreteerd, bij gebrek waaraan zijn recht op een eerlijk proces geschonden zou zijn. opgeworpen bezwaren met :? werd tijdens het strafonderzoek onde rworpen aan twee afzonderlijke verhoren, waarbij het ene verhoor betrekking heeft op het onderzoek naar de mogelijke en schending van het beroepsverbod door de beklaagder het tweede verhoor betre kking heeft op de mogelijke fraude bij het aanvragen van coronasubsidies . Beide verhoren vonden op dezelfde dag, met name 19 mei 2020, plaats. niet preciseert welke van zijn verhoren uit Het hof stelt vast dat de beklaagde de debatten zou moeten worden geweerd, laat staan stelt dat beide verhoren uit de debatten zouden moeten worden geweerd. Er bestaat aldus onduidel ijkhe id over de Hof van beroep Gent - zesde kamer • -p. 13 concrete invulling van het verzoek van deze beklaagde, zodat dit verzoek in principe geen antwoord behoeft. Evenwel merkt het hof op dat er, nog los van de vraag van welke van deze verhoren de de wering vraagt, in elk geval geen enkele reden is om één van beklaagde uit de debatten te weren. beide dan wel beide verklaringen van de beklaagde Het hof verwijst daarvoor naar het volgende. Vooraleer wordt overgegaan tot het verhoor van een verdachte, dient aan deze op beknopte wijze kennis te worden gegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord 1. Niet vereist is dat aan de verdachte de wettel ijke omschrijving wordt gegeven van de feiten waarvoor hij wordt verhoord. Het volstaat daarenboven dat de mededeling op beknopte wijze gebeurt zodat een uitgebreide toelichting geenszins nodig is. Van belang is dat de te verhoren persoon weet in welk soort dossier hij zal worden ondervraagd en over welk feit hij zal worden verhoord. Ingeval de verhoorde schriftelijk wordt uitgenodigd om verhoord te worden, kan deze beknopte mededeling eveneens gebeuren in de schriftelij ke uitnodiging. Uit het strafdossier blijkt dat het verhoor van de beklaagde visitatie die op 10 december 2019 werd uitgevoerd in het pand gelegen aan volgde op de :. De beklaagde werd tijdens deze visitatie ter plaatse geroepen omdat hij over de sleutels beschikte van een afgesloten ruimte op de eerste verdieping en van de zolderruimte. Met een kantschrift van 31 maart 2020 verzocht het openbaar ministerie aan zou de onderzoekers om verder onderzoek te voeren waarbij de beklaagde worden verhoord en er een hercontrole zou plaatsvinden. In navolging van dit kantschrift voerden de onderzoekers een hercontrole uit op 13 en 15 mei 2020 en werd de beklaagde schriftelijk uitgenodigd voor verhoor op 19 mei 2020. In de schriftelijke enerzijds zijn rechten mee uitnodiging deelden de onderzoekers de beklaagde en anderzijds brachten zij hem ter kennis dat hij zou verhoord worden over de schending van een beroepsverbod op het adres was er bijgevolg van op de hoogte dat hij rekenschap moest afleggen over een mogelijk misdrijf dat in het door hem gehuurd/verhuurd pand en naar aanleiding van de uitbating op dat adres gepleegd werd. Hij werd op die manier dus in elk geval op beknopte wijze in kennis gesteld van de feiten waarover hij zou worden verhoord zodat werd voldaan aan de wettelijke vereiste. .. De beklaagde Uit de inlichtingen verstrekt door de het proces-verbaal onderzoeker blijkt dat naar aanleiding van de hercontrole in mei 2020 ook contact werd opgenomen met VLAIO 2 en dat hij daarbij vernam dat er mogelijk ook fraude was gebeurd bij het aanvragen van coronapremies op dat adres. Naar aanleiding van zijn verhoor in het kader van de schending van het beroepsverbod werd de beklaagde hiervan blijkbaar ingelicht. Er werd hem gevraagd om ook hieromtrent een verklaring af te in 1 Artikel 47bis, §2 van het Wetboek van Strafvordering 2 Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen Hof van beroep Gent - zesde kamer - - p. 14 leggen, waarmee hij instemde. Hij werd in kennis gesteld van zijn rechten en tekende tevens een afstandsverklaring waarin uitdrukkelijk is vermeld: "u hebt mij vóór aanvang van mijn verhoor in kennis gesteld van mijn rechten en beknopt kennis gegeven van de feiten waarover ik zal worden verhoord". In het proces-verbaal van verhoor werd vervolgens genoteerd dat het verhoor zou handelen over oplichting zonder internet in de periode van de aanvragen voor de prem ies. Gelet op het feit dat het verhoor met betrekking tot de coronapremies onmiddellijk volgde op het verhoor met betrekking tot de schending van het beroepsverbod die mogelijks In het kader van werd gepleegd, en de onderzoekers in het kader van dat onderzoek ken nis kregen van de problematiek van de coronapremies, kennis had van de feiten waarover twijfelt het hof er niet aan dat de beklaagde hij verhoord zou worden en dat hij dus de wettelijk vereiste beknopte mededeling kreeg. Hij erkende in de door hem ondertekende afstandsverklaring trouwens uitdrukkelijk deze maakt in conclusies niet mededeling gekregen t e hebben. De beklaagde aannemelijk dat hij de afstandsverklaring zonder kennis van zaken zou ondertekend hebben. Ook wat dit verhoor betreft blijkt dan ook dat de wettelijke vereiste van beknopte mededeling werd nageleefd. In antwoord op de verwijzing van de beklaagde naar de inhoud van artikel 47bis, §6, 9) van het Wetboek van Strafvordering, wijst het hof er tot slot ten overvloede op dat deze bepaling niet stelt dat verklaringen uit de debatten moeten worden geweerd wanneer deze zijn afgelegd in strijd met de in dat artikel vermelde bepalingen. Dit artikel bepaalt enkel dat tegen een persoon die een verklaring aflegde in strijd met deze bepaling geen veroordeling kan worden uitgesproken op grond van een aldus afgelegde verklaring. Het hof wijst erop dat zelfs indien zou worden geoordeeld dat de verklaring/één van de verklaringen van 19 mei 2020 werd(en) afgelegd in strijd met deze bepalingen, de veroordeling van de beklaagde in elk geval niet gesteund is op zijn verklaring maar op een samenlezing van verschillende objectieve elementen van het strafdossier zodat er geenszins sprake is van een schending van artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering en zijn rechten van verdediging geenszins geschonden zijn. Er is bijgevolg geen enkele reden om één van de beide verhoren of beide verhoren van de beklaagde uit de debatten te weren. 6.1.2. Moeten er stukken worden bijgevoegd aan het strafdossier? De beklaagde verzoekt voor het eerst in conclusie voor het hof dat het openbaar ministerie zou worden uitgenodigd om de onderliggende stukken te voegen op grond waarvan "de mail van 14 juni 2022" werd opgesteld, bij gebrek waaraan zijn recht op t egenspraak en zijn recht op een eerlijk proces zou geschonden zijn. Waar deze vraag enkel wordt gesteld in het beschikkend gedeelte van de besluiten en niet in het motiverend dat hij met gedeelte, bl ijkt uit de inhoud van de conclusie van de beklaagde "de mail van 14 juni 2022" verwijst naar een e-mail van 14 j uni 2022 van hoofdinspecteur van de politiezone taan , inspecteur bij VLAIO. Hof van beroep Gent - zesde kamer - - p. 15 Het hof gaat niet in op de vraag van de beklaagde om het strafdossier te laten aanvu llen met de beweerde 'onderliggende stukken' die aanleiding zouden geweest zijn voor het opstellen van de hiervoor vermelde e-mail. Het hof merkt vooreerst op dat de beklaagde in conclusie ten onrechte stelt dat het administratief onderzoek door VLAIO louter het e-mailbericht van 14 juni 2022 zou bevatten. Uit de stukken van het strafdossier blijkt dat er uitvoerig e-mailverkeer is geweest in het kader van het administratief onderzoek en dat het e-mai lbericht van 14 j uni 2022 slechts een onderdeel hiervan is. Het administratief dossier bevat ook een inspectieverslag van VLAIO, de vragen gesteld door VLAIO en de antwoorden hierop namens enz. Het e-mailbericht van 14 juni 2022 is bijgevolg slechts één onderdeel van het dossier lasten~ De inhoud van het e-mailbericht bet reft daarenboven slechts inlichtingen die de politie aan VLAIO ve rschaft na een vraag hiernaar. Deze e-mail met inlichtingen werd ook opgenomen in het strafdossier. Het loutere feit dat de beklaagde hier tijdens het onderzoek niet meer mee werd geconfronteerd, schendt geenszins zijn recht op tegenspraak noch zijn recht op een eerlijk proces. Het recht op een eerlijk proces dient beoordeeld te worden over het ganse procedureverloop. Door deze inlichtingen op te nemen in het strafdossier beschikt de beklaagde net over de mogelijkheid tot tegenspraak, wat hij trouwens ook uitdrukkelijk doet. Hij brengt immers stu kken bij op grond waarvan hij het hof ervan wil overtuigen dat de inlichtingen die de politie in de e-mail verschafte onjuist zijn, minstens dat deze niet vo lledig in overeenstemming zijn met de feiten. Daarbij komt dat versch illende van de gegeven inlichtingen slechts visuele vaststellingen zij n die door de pol itie zelf zijn gebeurd, zodat er wat deze vaststellingen betreft on mogelijk sprake kan zijn van 'onderliggende stukken'. Deze vaststell ingen worden trouwens zelfs bevest igd door de beklaagde waar hij onder meer toegeeft dat er geen permanent gebruik was van de ruimte zodat de vaststelling van de politie dat de ruimte op het ogenblik van het nazicht niet in gebruik was, hier niet tegenstrijdig mee is. Daarnaast vermeldt de pol itie wel degelijk dat er op een tafeltje een brief aanwezig is met de gegevens om de ru imte te huren, wat door de beklaagde met zijn stu k 15 ook effectief wordt aangetoond . Of het briefje groot is (zoals de beklaagde stelt) dan wel klein (zoals de politie vermeldt) en of dit nu staat op een tafeltje (zoals de pol itie vermeldt) dan wel op kast (zoals blijkt uit de neergelegde foto), doet geen afbreuk aan de correctheid van de vaststell ing dat dit briefje aldaar aanwezig was. Niet alleen bevestigt het verwee r va n de beklaagde meerdere van de door de politie gegeven inlichtingen, daarenboven stelt het hof vast dat de beklaagde ook niet aannemelijk maakt dat er 'onderliggende stukken' zouden zijn die de inlichtingen van de wijkinspecteur aan de hoofdinspecteur onderbouwen, t emeer dergelijke inlicht ingen eveneens mondeling kunnen zijn verstrekt aan de hoofd inspecteu r. Ook hier beschikt de beklaagde echter over de mogelijkheid om tegenspraak te voeren en doet hij dit ook door aan de hand van stukken Hof van beroep Gent - zesde kamer• -p.16 te trachten aan te tonen dat er - meegedeeld - wel een exploitatie zou zijn geweest. in strijd met wat de wijkinspecteur zou hebben Tot slot merkt het hof op dat de politie onmogelijk negatief bewijs kan voorbrengen in de zin dat het niet mogelijk is aan te tonen dat er geen drankvergunning werd aangevraagd, dat er geen toelating tot gebruik was door de brandweer of dat er geen advertising of website terug te vinden is. De beklaagde voert ook omtrent dit laatste tegenspraak door te verwijzen naar een factuur met een bedrijf dat websites maakt. Het hof merkt daarbij echter op dat uit niets blijkt dat deze factuur ook effectief werd betaald, wat nochtans noodzakelijk was om het project in de planning van het bedrijf te laten opnemen. Voor de beklaagde kan het nochtans niet moeilijk zijn om bewijs te leveren dat er effectief een website of advertising werd gemaakt. Integendeel maakt hij zijn bewering zelfs niet aannemelijk. Gelet op dit alles is het voor het hof dan ook duidelijk dat de beklaagde niet aannemelijk maakt dat er onderliggende stukken aan de basis liggen van "de mail van 14 juni 2022", laat staan dat het opportuun is onderzoek te laten uitvoeren naar het bestaa n van maakt evenm in aannemelijk dat hij niet In de dergelijke stukken. De beklaagde mogelijkheid was/is om tegenspraak te voeren over de inlicht ingen die in deze e-mail opgenomen werden, terwijl het duidelijk is dat hij deze tegenspraak wel effectief voerde. Er is bijgevolg geen enkele reden om in te gaan op het verzoek van de beklaagde om het openbaar ministerie opdracht te geven om stukken te voegen aan het strafdossier. 6.1.3. Moet er een getuigenverhoor bevolen worden? Pas voor het eerst in het beschikkend gedeelte van de conclusie van de beklaagde voor het hof stelt deze dat wijkinspecteur moet worden opgeroepen om gehoord te worden "aangaande de bevraging van de uitbater van het pand gelegen te tijdens de controle van januari 2020" . Deze vraag werd in het motiverend deel van de conclusie niet gesteld noch toegelicht, maar uit de inhoud van de conclusie blijkt dat deze vraag betrekking kan hebben op de inhoud van het proces dat werd gevoegd in de kaft met betrekking tot de verbaal coronapremies aangevraagd namen~ Het is op basis van dit proces-verbaal dat aanvankelijk tot schrapping van de inschrijving van op het werd overgegaan, wat op een later tijdstip blijkbaa r opnieuw werd rechtgezet. Dit proces-verbaal werd op 25 januari 2020 opgesteld na een controle op 13 januari 2020 nog activiteiten had op dat De vraag of door de wijkinspecteur op dat ogenblik het gebouw nog gebruikte, is voor de beoordeling ogenblik en/of van de telastlegging Al evenwel niet relevant (zie hieronder randnummer 6.3.2.). De vraag die zich opdringt is of op het ogenblik van de aanvraag van de coronapremies over een voor het publiek toegankelijke ruimte beschikte op dat adres. Bij de beoordeling hiervan in het proces-verbaal baseert het hof zich geenszins op de vermeldingen noch op de onterechte schrapping van de inschrijving die er blijkt te Hof van beroep Gent - zesde kamer • -p.17 zijn geweest, maar op andere vaststellingen die betrekking hebben op de uitbating van de handelszaak op het adres Waar het hof dan ook geen rekening houdt met wat is vermeld in het voornoemd proces verbaal is het dan ook niet nuttig tot getuigenverhoor van inspecteur over te gaan zodat het recht op een eerlijk proces hierdoor evenmin geschonden is. het hen opgelegd 6.2. Beoordeling van de schuldvragen 6.2.1. Hebben de beklaagden beroepsverbod geschonden?-telastlegging B Bij vonnis van 9 november 2016 verklaarde de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent de beklaagden schuldig aan valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, oplichting, misbruik van vennootschapsgoederen en ontdraging van in beslag genomen goederen. De rechtbank veroordeelde beiden naast een gevangenisstraf van veertig maanden en een geldboete van 18.000 euro (beide deels met uitstel) tot een verbod om gedurende tien jaar persoonlijk of door tussenpersoon bestuurder te zijn van een handelsvennootschap. Dit bestuurdersverbod nam een aanvang op datum van het vonnis en loopt aldus tot 9 november 2026. Het openbaar ministerie stelt dat de beide beklaagden dit bestuurdersverbod hebben geschonden omdat zij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 6 juli 2020 (feitelijke) bestuursbevoegdheid hadden in Na hernieuwd onderzoek van het strafdossier en rekening houdend met alle elementen zoals deze blijken uit het strafdossier, de conclusies van de partijen en de behandeling op de terechtzitting van het hof, oordeelt het hof dat de eerste rechter de beklaagden terecht vrijsprak voor de feiten van de telastlegging B. Ook voor het hof is hun schuld aan deze feiten niet afdoende bewezen. Het hof stelt vast dat er bij de start van het dossier heel wat verwarring bestond over wie al dan niet de handelszaak uitbaatte. Dit blijkt uit de afhandelingsfiche opgemaakt naar aanleiding van de diverse controles die werden uitgevoerd als gevolg van de aanvraag tot het bekomen van een horeca-attest voor de handelszaak ' Uit proces-verbaal eenmanszaak op naam van januari 2019 volgt hier noodzakelijkerwijze uit dat de aanvraag door de beklaagde blijkt dat deze aanvraag gebeurde door de . Aangezien de eerste controle gebeurde op 31 ' op de gebeurde uiterlijk in de loop van januari 2019 en dat zij op dat ogenblik bijgevolg de handelszaak 'a l uitbaatte. Volgens de bij voornoemd proces-verbaal gevoegde afhandelingsfiche blijkt evenwel dat werd aangevraagd, daar waar het horeca-attest op naam van de beklaagde . Of dit een de drankvergunning werd aangevraagd op naam van de beklaagde recente aanvraag was dan wel een aanvraag voorafgaand aan de uitbating door de beklaagde blijkt uit de gegevens van het strafdossier niet. Uit de afhandelingsfiche blijkt echter wel dat op dat ogenbl ik alle facturen (gas, elektriciteit, e.d.m.) Hof van beroep Gent - zesde kamer · -p. 18 •• - --· - ------------ -------------- op de eenmanszaak van de beklaagde stonden en dat het personeel op haar firma ingeschreven was. Op basis van de aanwezige stukken in het strafdossier kan het hof andermaal niet vastste llen of dit werd genoteerd op basis van de verklaring van de beklaagde dan wel of de aanwezige inspecteurs dit op het ogenblik van hun controle effectief hebben vastgesteld . Behalve het feit dat er verwarring bestond, kan er dus uit de eerste onderzoeksdaden niet uitgemaakt worden wie verantwoordelijk is voor de verwarring en of het een bewust gecreëerde verwarring was. Volgens de beklaagden bestond die verwarring ook bij bepaalde leveranciers die facturen bleven opmaken op naam van Terecht stelde het openbaar ministerie dat wat deze verwarring betreft de beklaagden zelf ook verantwoordelijkheid dragen. Evenwel ligt de verant woordelijkheid hiervoor volgens het hof slecht s deels bij de beklaagden. Dat de beklaagden zelf vera ntwoordelijkheid dragen voor de verwarring blijkt niet alleen uit zou zijn het fe it dat bijvoorbeeld de drankvergunning op naam van aangevraagd, minstens zijn drankvergunning aanvankelijk zou zijn gebruikt, maar tevens uit naar de interimkantoren liet uitschijnen - minstens het feit dat de beklaagde Daarbij komt dat uit het niet tegensprak - dat hij de cont actpersoon was voor strafdossier niet bl ijkt dat de beklaagden naar de leveranciers toe een vraag stelden tot aanpassing van de facturen of hen in kennis stelden maar door van de gewijzigde situatie waarbij de uitbating niet langer gebeurde door henzelf onder hun eigen eenmanszaak. Het hof is er echter niet van overtuigd dat de verwarring enke l en al leen aan de beklaagden te wijten is, en stelt op basis van de resultat en van het strafonderzoek vast dat ook de fe itel ijke situatie oorzaak van de verwarring was nu de beklaagden pand waarvan de uitbating deden van de handelszaak voorheen uitgebaat door en in een de hoofdhuurder bleef. Immers, uit contactname met leveranci er aanvankelijk werd en vanaf midden juli blijkt dat voor bestellingen door de beklaagde gefactureerd aan de eenmanszaak van de beklaagde 2019 aan de eenmansza.ak van de beklaagde stelde dat er na leveringen aan beklaagde gelezen als de eerste helft van 2019) op naam van de eenmanszaak van de beklaagde werd geleverd op naam van de eenmanszaak van de en sedert 'anderhalf jaar' (wat volgens het hof moet worden (stuk 20) . Leverancier (stuk 20). De beweringen van de beklaagden dat er verwarring bestond bij de stonden, is leveranciers en dat hierdoor facturen verkeerdelijk op naam van bijgevolg aannemelijk. Deze verwarring die er bestond, enerzijds gecreëerd door de beklaagden, anderzijds ook door de hierboven vermelde specifieke sit uatie, is naar het oordeel van het hof evenwel niet voldoende om te beslu iten dat de beklaagden Hof van beroep Gent - zesde kamer - • p. 19 -------- - - - - ------------------- bestuursbevoegdheden uitoefenden bestuurdersverbod schonden. ir en hierdoor het hen opgelegd Bestuursdaden stellen is het nemen van die beslissingen die het commerciële en f inanciële lot van de onderneming bepalen. Wie daden van bestuu r stelt op dezelfde wijze als een bestuurder dat zou doen, is een feitelijk bestuurder. Essentieel aan een bestuurder is dat hij onafhankelijk van enig orgaan of gezag kan optreden. Het feitelijk bestuur veronderstelt een gelijkaardige onafhankelijkheid. Op grond van het gevoerde strafonderzoek staat niet zonder redelijke twijfel vast dat de beslissingen namen/konden nemen die het beklaagden bepaalden. Het loutere feit dat er tijdens de commerciële en financiële lot van en dat leveranciers stellen dat visitatie facturen werden aangetroffen op naam van de beklaagde de contactpersoon voor de vennootschap was, doet hieraan geen afbreuk gelet op de al vermelde vaststellingen. Het hof wijst er ook op dat daar waar de onderzoekers in hun proces-verbaal vermeldden dat zij achter de toog facturen ·, het strafdossier slechts een zeer beperkt aantal aantroffen op naam van voorbeelden van dergelijke facturen bevat. Het is bijgevolg niet zeker dat alle facturen voor diensten of goederen bruikbaar voor de uitbating van de handelszaak op naam van stonden. Het hof moet er zich voor hoeden uit enkele documenten algemene conclusies te trekken zoals de onderzoekers dat blijkbaar wel deden. Dit geldt des te meer nu hierboven al werd verwezen naar de afhandelingsfiche waarin werd geschreven dat alle factu ren op de eenmanszaak van stonden, maar tevens nu uit de Dimona-aangiftes blijkt dat na 31 oktober 2018 geen werknemers meer inschreef (stuk 9). Uit het strafdossier blijkt dat het de bedoeling was dat de beklaagden ', gelegen oi: de handelszaak , verder wilden de uitbating niet wenste verder te zetten. Het hof verwijst hiervoor uitbaten en dat andermaal naar de afhandelingsfiche met betrekking tot de eerste controles waaruit blijkt tijdens een tweede bezoek al stelde dat hij en de beklaagde dat de beklaagde geen vennootschap konden besturen en bijgevolg de uitbating deden als zelfstandigen zonder verantwoordelijkheid voor de vennootschap en dit tot het ogenblik dat zij in de mogelijkheid zouden zijn om de vennootschap over te nemen. De beklaagde bood zich drie dagen na dit bezoek trouwens nog aan op het politiebureau om mee te delen dat de overname niet onmiddellijk mogelijk zou zijn zodat hij de handelszaak via zijn eenmanszaak zou overnemen en verder uitbaten. Uit de stukken die de beklaagden voor de eerste rechter en thans in hoger beroep neerlegden blijkt dat er effectief ook een uitbatingsovereenkomst werd gesloten tussen de ee nmanszaak van de beklaagde , met ingang van 1 juli 2019. Het hof twijfelt er op grond van de resultaten van het strafonderzoek niet aan dat voor deze datum de uitbating eveneens al en vervolgens de eenmanszaak van plaatsvond via de eenmanszaak var Hof van beroep Gent - zesde kamer · -p. 20 ·. Waar zij dan ook de handelszaak uitbaatten deden zij dit via hun eenmanszaak en niet als bestuurder van Ten overvloede wijst het hof er nog op dat uit het strafdossier geenszins blijkt dat de enige beslissing hebben genomen met beklaagden enig betrekking tot de commerciële of financiële belangen van gevolg zou hebben gegeven aan een overeenkomst of factuur die op haar naam werd opgesteld maar betrekking had op de uitbating door de beklaagden noch dat . De beklaagde ooit enige factuur v zou hebben gestaan en stelt dat hij deze steeds werd betaald die verkeerdelijk op overmaakte aan de beklaagden waarbij hij hen erop wees dat zij het nodige moesten doen zodat dit niet meer gebeurde. Het tegendeel van zijn verklaring blijkt geenszins uit het strafdossier. Het hof twijfelt niet aan de oprechtheid van zijn verklaring. ontkent dat door Het hof verwijst voor het overige naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter die het overneemt en tot de zijne maakt In zoverre niet in strijd met wat hierboven werd uiteengezet. Het is voor het hof dan ook niet afdoende bewezen dat de bekla agden bij het uitbaten van de handelszaak ' handelden als bestuurder van minstens bestaat hierover gerede twijfel die hen tot voordeel moet strekken. De dan ook terecht eerste rechter heeft de beklaagden vrijgesproken voor de feiten van de telastlegging B zodat het bestreden vonnis op dat punt wordt bevestigd. 6.2.2. Hebben de beklaagden mededader subsidiefraude gepleegd? - telastlegging A 6.2.2.1. Algemeen De drie beklaagden worden vervolgd voor het bekomen of behouden van een subsidie, vergoeding of toelage als gevolg van een onjuiste of onvolledige verklaring in verband met de aanvraag tot het bekomen of het behouden ervan, als volgt: als dader of de beklaagden onterecht een corona hinderpremie aan te vragen en te verkrijgen terwijl deze vennootschap niet beschikte over een publiek vrij toegankelijke locatie waardoor de vennootschap geen recht had op deze premie (telastlegging Al); de beklaagde onterecht corona hinderpremies en premies Vlaams Beschermingsmechanisme aan te vragen en te verkrijgen terwijl deze vennootschap niet beschikte over een publiek vrij toegankelijke locatie waardoor de vennootschap geen recht had op deze premies (telastlegging A2). door voor door voor 6.2.2.2. Met betrekking tot - telastlegging Al Hof van beroep Gent - zesde kamer - -p. 21 6.2.2.2.1. Maakte de beklaagde zich schuldig aan subsidiefraude voor Het staat op basis van de gegevens van het strafdossier vast dat van 14.080,00 euro ontving aan corona hinderpremie en dat deze door de beklaagde een totaalbedrag werd aangevraagd namens Dit wordt geenszins betwist door de beklaagde geen recht Anders dan de beklaagde kon laten gelden op deze corona hinderpremie en dat deze subsidie is bekomen door het geven van onjuiste inlichtingen zodat hij zich wel degelijk schuldig maakte aan de feiten van de telastlegging Al. voorhoudt, oordeelt het hof dat aangevraagde corona hinderpremie werd ingevoerd bij De door de beklaagde besluit van de Vlaamse Regering3. De besluiten van de Vlaamse Regering die betrekking hadden op de coronamaatregelen wijzigden in de eerste periode regelmatig maar op het de subsidie/corona hinderpremie aanvroeg gold het besluit van de ogenblik dat Vlaamse Regering van 20 maart 2020. Een niet gedateerde versie werd in het strafdossier opgenomen maar de tekst van dit besluit kan ook via open bronnen worden geraadpleegd. De moti~ven van de Vlaamse Regering voor het nemen van dit besluit worden vermeld in de aanhef van het besluit: "De Vlaamse ondernemingen worden geconfronteerd met een verplichte sluiting van hun zaak wegens de federale coronamaatregelen zoals beslist door de Nationale Veiligheidsraad vanaf donderdag 12 maart 2020. De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, wenst de ondernemingen die een vestiging in Vlaanderen hebben en verplicht gesloten zijn ingevolge de coronamaatrege/en financieel te ondersteunen door het toekennen van een forfaitaire subsidie en een sluitingspremie. 11 De financiële ondersteuning werd voorzien in de artikelen 4, 5 en 6 van het besluit waarvan de voor het thans voorliggend dossier relevante onderdelen samengevat op het volgende neerkwamen: een forfaitaire subsidie van 4000,00 euro werd toegekend aan ondernemingen die alle dagen verplicht gesloten waren als gevolg van de coronavirusmaatrege len, en waarbij hun locatie gesloten was; voor ondernemingen actief in de horecasector was het voldoende dat de gelagzaal verplicht gesloten was; een forfaitaire subsidie van 2000,00 euro werd toegekend aan ondernem ingen die in het weekend verplicht gesloten waren en waarbij hun locatie gesloten was; een bijkomende sluitingspremie werd toegekend aan ondernemingen die vanaf 6 april 2020 alle dagen of in het weekend verplicht gesloten waren als gevolg van de 3 Besluit van de Vlaamse Regering van 20 maart 2020 tot toekenning van steun aan ondernemingen die verplicht moeten sluiten ten gevolge van de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad vanaf 12 maart 2020 inzake het coronavirus Hof van beroep Gent - zesde kamer - • p. 22 coronavirusmaatregelen, en waarbij hun locatie gesloten was. Deze bijkomende sluitingspremie bedroeg 160,00 euro per verplichte sluitingsdag die samenviel met een normale openingsdag. Op grond van artikel 1, 2° van voornoemd besluit staat het voor het hof vast dat de locatie waarvan sprake in de hierboven vermelde bepalingen een voor het publiek toegankelijke ruimte moest zijn. De coronavirusmaatregelen waarnaar In het besluit immers wordt verwezen zijn de maatregelen "waardoor een ruimte waar prestaties geleverd worden aan het publiek moet gesloten worden". aan VLAIO in antwoord op enkele Uit een e-mail van het boekhoudkantoor van gevraagde bijkomende inlichtingen blijkt dat de gevraagde corona hinderpremie werd werd uitgebaat. De aangevraagd voor het handelsfonds dat door de beklaagde beklaagde niet meer werd gebruikt om een handelszaak of horecazaak uit te baten en dat de horecazaak werd uitgebaat door de beklaagden vast dat: verklaarde daarenboven op 19 mei 2020 dat . Het staat dan ook niet actief was in .de horecasector en de sluiting van de gelagzaal van geenszins aanleiding kan zijn om de premie namens aan te vragen; die volgens de eigen verklaring geen handelszaak meer uitbaatte, niet over een voor het publiek toegankelijke ruimte beschikte die als gevolg van de coronamaatregelen moest gesloten worden . Uit het proces-verbaal met betrekking tot de visitatie blijkt trouwens dat slechts twee afgesloten en dus niet voor publiek toegankelijke ruimtes op de eerste verdieping en de zolderverdieping gebruikte als stockageruimte, terwijl er ook op het adres van de vestigingseenheid te op het geen publiek toegankelijke ruimte door werd gebruikt. verklaarde dat hij de corona hinderpremie aanvroeg omdat de De beklaagde deze premie volgens de voorwaarden niet beklaagden konden krijgen. Hij maakte echter niet aannemelijk waarom zij deze niet konden aanvragen, laat staan dat dit feit een gevolg zou zijn van het feit dat zij de handelszaak uitbaatten als gevolg van de tussen hen afgesloten overeenkomst. Ondanks het feit dat hieruit dus blijkt dat de beklaagde de voorwaarden voor het aanvragen van de premie kende, dat hij wist dat zelf geen handelszaak of horecazaak en dus geen voor het publiek toegankelijke ruimte uitbaatte én dat hij wist dat de beklaagde deze prem ie niet (meer) konden aanvragen voor het adres deed hij toch de aanvraag en verschafte hij op die manier wetens en willens foutieve informatie om de premie te bekomen. Dit maakt het algemeen opzet uit dat voor de strafbaarheid van de verweten subsidiefraude noodzakelijk is naast het feit dat hij aan de beklaagde onjuiste inlichtingen gaf voor het ontvangen of behouden van de coronapremies. Hij wist met andere woorden dat hij onjuiste informatie gaf om coronapremies te ontvangen waarop geen recht had en wilde deze handeling ook effectief stellen. Hof van beroep Gent- zesde kamer - , - p. 23 Dat hij de coronapremie compenseerde met de door de beklaagden te betalen huur en dat hij bijgevolg geen kwade bedoelingen had, ontneemt zijn handelingen hun strafbaar karakter niet. De eerste rechter verklaarde hem bijgevolg terecht schuldig aan de feiten van de telastlegging Al. 6.2.2.2.2. Maakten de beklaagden subsidiefraude voor Waar ook de beklaagden subsidiefraude namens dat hun schu ld aan de feiten van de telastlegging A1 niet afdoende bewezen is. als dader of mededader aan worden vervolgd, oordeelt het hof net als de eerste rechter zich schuldig aan Deze beklaagden kunnen geenszins als dader van het misdrijf onder de telastlegging Al worden enige beschouwd bestuursverantwoordelijkheid in droegen zodat het misdrijf gepleegd namens aanvroegen premies noch niet de nu zij hen niet kan worden toegerekend. Om als mededader schuldig te kunnen worden verklaard aan het misdrijf moet in hoofde van deze beklaagden sprake zijn van een deelnemingsopzet. Artikel 66, derde lid, van het Strafwetboek stelt deelneming aan een misdaad of wanbedrijf strafbaar wanneer de beklaagde door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp heeft verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder diens bijstand niet had kunnen worden gepleegd . Voor de toepassing van deze bepaling is vereist dat de verstrekte hulp of bijstand wetens en willens werd verleend en dat deze hulp of bijstand noodzakelijk is, zonder dat het daarbij van belang is of die hulp of bijstand groot of klein is. Het is niet vereist dat deze deelnemingsgedraging gericht is op alle constitutieve bestanddelen van het hoofdmisdrijf (vgl. Cass. 19 september . Artikel 66 van het Strafwetboek vereist ook niet dat de deelnemer 2023, voldoet aan dezelfde hoedanigheid als deze waaraan de hoofddader van een bepaald misdrijf moet voldoen. Strafbare deelnem ing vereist een deelnemingsopzet. Dit houdt in dat de deelnemer kennis heeft van alle elementen die het kenmerk van een misdrijf verlenen aan de feiten waaraan hulp of bijstand wordt verleend. Het loutere feit dat de beklaagde de corona hinderpremie op naam var aanvroeg omdat de beklaagden niet in de voorwaarden waren om deze premie aan te vragen volstaat niet om de beklaagde en/of de beklaagde als mededader aan de subsidiefraude schuldig te verklaren . Een positieve daad/handeling of een onthouding van deze beklaagden is minstens noodzakelijk. Volgens de beklaagde hinderpremie namens handelde hij evenwel bij het aanvragen van de corona indien op vraag van de beklaagde , wat - Hof van beroep Gent - zesde kamer· -p. 24 bewezen - de positieve deelnemingsdaad zou kunnen uitmaken. Het hof stelt evenwel vast dat daar waar de beklaagde stelt te handelen op vraag van de beklaagde , deze laatste, evenals de beklaagde , betwist dat zij de vraag hiertoe stelden. ·, dan wel Bij gebrek aan objectieve elementen die de versie van de beklaagde de verklaringen van de beklaagden , bevestigen, kan het hof slechts vaststellen dat de verklaringen tegenstrijdig zijn en dat er geen elementen voorhanden zijn om de verklaring van de ene partij te verkiezen boven deze van de andere verwijst naar het gegeven dat de partij. Het loutere feit dat de beklaagde geen premie meer konden aanvragen omdat beklaagder evenals het feit dat de premie werd ze dit al deden voor hun uitbating op de , maakt dat de verklaring van gecompenseerd met de huur voor het pand op de beklaagde mogelijk waar is, maar daarentegen kan het hof niet uitsluiten dat de beklaagden onderling over de moeilijkheden in het coronatijdperk hebben gesproken evenals over de voorwaarden voor het aanvragen van subsidies waardoor de beklaagde heeft willen helpen zonder en dat deze laatsten effectief instructies hebben gegeven om de premie aan te vragen laat staan dat zij dit misdrijf hebben uitgelokt of eraan meegewerkt. de beklaagden De twijfel die aldus bestaat omtrent het bestaan van een deelnemingsopzet in hoofde van de beklaagden moet hen dan ook tot voordeel strekken, zodat het bestreden vonnis wordt bevestigd waar het deze beklaagden eveneens heeft vrijgesproken voor de feiten van de telastlegging A1. - telastlegging A2 6.2.2.3. Met betrekking tot moet zich onder de telastlegging A2 verantwoorden omdat hij op De beklaagde grond van onvolled ige of onjuiste informatie een corona hinderpremie en premies Vlaams Beschermingsmechanisme aanvroeg namens terwijl zijn vennootschap geen recht kon laten gelden op deze premies omdat zij geen voor het publiek vrij toegankelijke locat ie had. De beklaagde betwist zijn schuld aan dit misdrijf. Vooreerst meent hij dat hij zich niet persoonlijk schuld ig heeft gemaakt aan dit misdrijf omdat de aanvraag volgens hem door de boekhouder gebeurde. Daarnaast betwist hij zijn schuld omdat wel aan de voorwaarden voldeed nu deze vennootschap beschikte over een voor het publiek toegankelijke ru imte die moest sluiten als gevolg van de coronamaatregelen, met name een feestzaal gelegen op de kelderverdieping op het adres zowel Het is naar het oordeel van het hof evenwel bewezen dat de beklaagde onterecht een corona hinderpremie aanvroeg voor als premies in het kader van het Vlaams Beschermingsmechanisme. De eerste rechter verklaarde hem dan ook terecht schuld ig aan de feiten va n de telastlegging A2 en dit om volgende redenen. Hof van beroep Gent - zesde kamer - -p. 2S Wat de voorwaarden voor de corona hinderpremie betreft, verwijst het hof naar de principes die hierboven in randnummer 6.2.2.2.1. werden uiteengezet met betrekking tot de toepasselijke wetgeving en de noodzaak van een voor het publiek toegankelijke ruimte. Deze principes zijn ook van toepassing op de aanvragen tot het bekomen van een corona hinderpremie namens De premies Vlaams Beschermingsmechanisme werden in het leven geroepen om tegemoet te komen aan de nadelige gevolgen van een omzetdaling als gevolg van de coronamaatregelen4. Enkel de ondernemingen die onder het toepassingsgebied vallen van hetzij de corona hinderpremie, hetzij de corona compensatiepremie komen in aanmerking voor de subsidie5. Om bijgevolg recht te kunnen laten gelden op de premies Vlaams Beschermingsmechanisme moet de onderneming ook gerechtigd zijn op het bekomen van een corona hinderpremie, wat bijgevolg enkel mogelijk Is voor de ondernemingen die over een voor het publiek toegankelijke ruimte beschikken. ine voldeed aan deze voorwaarde gezien zijn Volgens de beklaagde vennootschap begin 2020 een evenementzaal aankocht gelegen waarvan de authentieke akte verleden is op 27 april 2020, maar die niet in gebruik kon worden genomen door de coronamaatregelen. Hij legt wel degelijk de bewijzen van aankoop van deze ruimte voor, zodat hieromtrent geen twljfel bestaat. Op grond van de gegevens van het strafdossier blijkt evenwel niet dat deze ruimte ook effectief als voor het publiek toegankelijke ruimte voor de uitbating van de voorziene activiteit in aanmerking kan worden genomen, laat staan dat deze ooit daarvoor werd gebruikt. Het hof betwijfelt niet dat het de bedoeling van was om deze ruimte voor commerciële doeleinden te gebruiken, maar daar waar uit het onderzoek naar voor komt dat de ruimte zou worden gebruikt als feestzaal/evenementenzaal blijkt dat hiervoor geen drankvergunning werd aangevraagd of afgeleverd en dat er geen (verplichte) melding gebeurde van een voor het publiek toegankelijke inrichting bij de brandweer. Omwille van dit laatste gegeven beschikte volgens de onderzoekers bijgevolg niet over de toestemming om een feestzaal of vergaderlocatie te exploiteren op dat adres. Bij gebrek aan deze toestemming was deze ruimte op het ogenblik van de aanvragen voor de verschillende coronapremies dan ook niet in gebruik voor de doeleinden die voor ogen had, en was deze geen publiek toegankelijke ruimte die als gevolg van de coronamaatregelen gesloten was of een omzetdaling moest verwerken. ~ Zie aanhef Besluit van 7 augustus 2020 van de Vlaamse Regering betreffende het Vlaams Beschermingsmechanisme voor ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de verstrengde coronavlrusmaatregelen genomen vanaf 29 juli 2020, tot wijziging van artikel 10 en 21 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juni 2020 inzake de corona onderst euningspremie en tot wijziging van artikel 1 van en tot toevoeging van een bijlage aan het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2020 inzake de corona handelshuurlenlng. 5 Artikel 5 van voornoemd besluit van 7 augustus 2020. Hof van peroep Gent - zesde kamer · - p. 2.6 De argumenten van de beklaagde in conclusie voor het hof zijn niet van aard om het hof van het tegendeel te overtuigen. Dat er aan de inkorndeur een bordje met telefoonnummer zichtbaar was, zoals hij zelf ook aantoont, neemt niet weg dat deze ruimte geenszins kon gebruikt worden als evenementenzaal nu hiertoe geen toestemming was bekomen. Ook de foto's van beweerde evenementen, waarvan het hof opmerl<t dat deze niet gedateerd zijn en dus niet kunnen dienen als bewijs van gebruikt na de aankoop door zijn niet van aard er anders over te oordelen. Zelfs indien deze evenementen t ijdens de coronaperiode zouden hebben plaatsgevonden in de kelderruimte van dan nog kan slechts worden vastgesteld dat deze ru imte werd gebruikt zonder over de noodzakelijke vergunningen te beschikken. Het hof merkt dienaangaande trouwens op dat de beklaagde ook geenszins aannemelijk maakt dat hij wel over de nodige vergunningen voor de uitbating van de ru imte als voor publiek toegankelijke ruimte beschikt(e). Het is tot slot evenmin correct te stellen dat er volledige transparantie gegeven werd met betrekking tot de vestiging waarvoor de premies werden aangevraagd. Aan VLAIO werd als evenementenlocatie/feestzaal ging, maar op geen enkel ogenblik werd meegedeeld dat nog geen vergunningen werden aangevraagd/bekomen om deze activiteit werkelijk te kunnen uitoefenen, zodat wel degelijk belangrijke informatie bij de aanvraag werd verzwegen. immers meegedeeld startende activiteit een het dat om Dat de besluiten van de Vlaamse Regering niet zouden vooropstellen dat de vestiging met alle administratieve regelgeving volledig in orde moet zijn alvorens de premies aan te vragen 1 zodat het ontbreken van de vereiste vergunningen geen beletsel is om de premies in conclusies poneert, wordt door het hof aan te vragen, zoals de beklaagde niet bijgetreden. De premies kunnen slechts aangevraagd worden wanneer er een ruimte is waar prestaties geleverd worden aan het publiek. Dergelijke prestaties kunnen slechts geleverd worden In zoverre aan alle administratieve regelgeving voldaan is, bij gebrek waaraan de ruimte niet voor het publiek mag gebruikt worden. Het gaat niet op een ruimte illegaal voor prestaties aan het publiek te gebruiken en vervolgens steunmaatregelen te verwachten wanneer deze illegale prestaties niet kunnen doorgaan of een omzetdaling kennen door coronamaatregelen. Het staat bijgevolg vast dat de door aangevraagde premies vermeld in de telastlegging A2 ten onrechte werden bekomen en dit op grond van onjuiste inlichtingen . Het loutere feit dat aan VLAIO werd meegedeeld dat de activiteit niet kon opgestart worden omwille van de coronamaatregelen, neemt niet weg dat in elk geval werd voorgehouden dat de ruimte voor publiek toegankelijk was wat in werkelijkheid door het ontbreken van de vereiste vergunningen niet het geval was. Dit misdrijf is in elk geval toerekenbaar aan de beklaagde als bestuurder van De beklaagde kan de verantwoordelijkheid voor het geven van de foutieve informatie bij de subsidieaanvraag niet doorschuiven naar zijn boekhouder die blijkens de gegevens van het strafdossier de aanvragen namens indiende. Als zaakvoerder van een vennootschap berust op hem de plicht om toezicht uit te oefenen op de aanvragen Hof van beroep Gent • zesde kamer - • p. 27 die zijn boekhouder namens zijn vennootschap doet. Nu hij toeliet dat zijn boekhouder de aanvragen toch indiende staat vast dat hij nagelaten heeft zich van zijn taken te kwijten, bewust nagelaten heeft kennis te nemen van de informatie die bij de subsid ieaanvraag werd meegedeeld. had naar het oordeel van het hof dan ook kennis van de onjuiste De beklaagde informatie die werd verstrekt bij het aanvragen van de subsidies, minstens moest hij hiervan kennis hebben, en heeft niettegenstaande deze kennis toegelaten dat de aanvragen namens zijn vennootschap werden ingediend. Het vereiste opzet voor de strafbaarheid is bijgevolg eveneens aanwezig. De eerste rechter heeft hem dan ook terecht schuldig verklaard aan de feiten van de telastlegging A2. 7. De straftoemeting De bewezen feiten van de telastleggingen Al en A2 de beklaagde te last gelegd zijn de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet en maken aldus slechts één misdrijf uit waarvoor deze beklaagde slechts één straf dient te worden opgelegd. Bij het bepalen van straf en strafmaat houdt het hof rekening met de aard, de objectieve ernst en de omstandigheden waarin de feiten werden gepleegd, alsook met de persoon van de beklaagde. Het hof houdt tevens rekening met de doelen van de bestraffing zoals bepaald in artikel 7 van het Strafwetboek, zoals gewijzigd bij wet van 18 juli 2025 houdende maatregelen met het oog op de vermindering van de overbevolking in de gevangenissen en tot invoering van de principiële onmogelijkheid om het elektronisch toezicht uit te voeren op de plaats waar het slachtoffer verblijft (B.S. 4 augustus 2025, in werking getr eden op 4 augustus 2025) dat ingevolge artikel 2 van het Strafwetboek als mildere strafwet van toepassing is. De door de beklaagde gepleegde misdrijven mogen niet geminimaliseerd worden. Deze beklaagde vroeg voor twee van zijn vennootschappen meermaals subsidies aan op basis van onjuiste gegevens en behield deze subsidies zodat de vennootschappen waarvan hij zaakvoerder was zich onterecht gelden toe-eigenden van de overheid, en dus van de gemeenschap van burgers. De coronapremies die zijn vennootschappen verkregen werden uitgereikt naar aanleiding van een ernstige gezondheidscrisis die ons land en heel de wereld in zijn greep hield. Hij maakte op een cynische en egoïstische wijze misbruik van deze situatie. is De beklaagde jaar. Volgens de stukken van het strafdossier Is hij alleenstaande. In conclusie stelt de beklaagde dat hij samenleeft met zijn partner en uit zijn eerste huwelijk drie kinderen heeft. Uit de wettelijke informatie gevoegd aan de dagvaarding blijkt dat deze kinderen allen al meerderjarig zijn. De beklaagde stelt daarenboven dat hij een hardwerkende zelfstandige is die uit een familie van zelfstandigen komt, zeven dagen op zeven werkt, reeds gans zijn leven zelfstandig is en op dit ogenblik nog altijd zaakvoerder is Hof van beroep Gent - zesde kamer - ,- p. 28 van meerdere vennootschappen. Hij brengt tevens bewijs voor dat hij de onterecht ontvangen coronapremies ondertussen al heeft terugbetaald. Deze beklaagde geniet geen blanco strafblad. Zijn strafregister wordt ontsierd door vijf veroordelingen voor verkeersgerelateerde misdrijven en door één correctionele veroordeling voor intrafamiliaal geweld. Als gevolg van deze laatste veroordeling tot een gevangenisstraf van een jaar kan hij geen gewoon uitstel meer genieten. De beklaagde verzocht ondergeschikt - voor zover hij niet vrijgesproken zou worden - om hem slechts eenvoudig schuldig te verklaren omdat de redelijke termijn in strafzaken overschreden is en onder verwijzing naar artikel 27 van de Voorafgaande Titel va n het Wetboek van Strafvordering. Het hof is het met de beklaagde eens dat de redelijke termijn in strafzaken is geschonden, waardoor art. 14.3, aanvang en C van het Internationaal Verdrag Inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 (B.S. , 6 juli 1983) is geschonden en de redelijke termijn, bedoeld in art. 6.1 EVRM is overschreden. Vooreerst geldt dit al t ijdens de onderzoeksfase. Het onderzoek werd immers in twee fases gevoerd. Nadat er in de loop van 2019 enkele controles waren geweest in de handelszaak ', werd op 10 december 2019 een visitatie uitgevoerd met enkele opvolgende onderzoeken, voornamelijk gericht op de schending van het beroepsverbod door de beklaagden , in het kader waarvan de beklaagde werd verhoord op 19 mei 2020. Hij werd die dag zowel verhoord met betrekking tot de schending van het beroepsverbod als met betrekking tot eventuele subsidiefraude. Deze datum is dan ook de startdatum voor de beoordeling van de redelijke termijn. Na zijn verhoren gebeurden er in de loop van 2020 nog enkele onderzoeksdaden waarna het onderzoek stilviel tot het kantschrift van 25 april 2023 van het openbaar ministerie om de te verhoren. Dit kantschrift dateert van bijna beklaagden drie jaar na het verhoor van de beklaagde en meer dan twee jaar na het afsluiten op 15 januari 2021 van het proces-verbaal betreffende de laatste onderzoeken. Wat het onderzoek naar de subsidiefraude betreft, bl ijkt dit pas gereactiveerd te zijn naar aanleiding van een e-mail van 28 maart 2023 van het openbaar ministerie aan VLAIO, dit is bijna drie jaar na het verhoor van de beklaagde. Deze lange stilstand tijdens de onderzoeksfase is niet te wijten aan de beklaagde en is evenmin redelijk verantwoord. Op 2 oktober 2023 werd de beklaagde gedagvaard voor de eerste rechter waarna de zaak voor de eerste rechter een normaal verloop kende met de tussenkomst van tekende hoger beroep het bestreden vonnis op 8 februari 2024. De beklaagde aan op 5 maart 2024 waarna hij pas op 19 februari 2025 werd gedagvaard om te verschijnen voor het hof op 8 april 2025. Na de inleiding kende de procedure andermaal een normaal verloop met uitspraak op heden. Hof van beroep Gent - zesde kamer - ,-p. 29 Als gevolg van de zeer lange stilstand in de onderzoeksfase en de stilstand in de periode tussen het aantekenen van het hoger beroep en de inleiding in hoger beroep Is er ondertussen bijna zes jaar verstreken sinds de beklaagde voor het eerst werd verontrust en geconfronteerd werd met de dreiging van een strafvervolging. Deze lange duur is niet te wijten aan de beklaagde noch is de zaak dermate complex of omvangrijk dat deze termijn te verantwoorden is. Het hof is daarom van oordeel dat de redelijke termijn voor het beslechten van de strafvordering wel degelijk overschreden is. De hierboven vermelde verdragsbepalingen geven echter niet aan welke gevolgen het hof dient te verbinden aan deze vaststelling. Krachtens art. 27 V.T.Sv. kan de rechter als passend rechtsherstel een straf onder de wettelijke minimumstraf uitspreken, zich beperken tot de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn het verval van de strafvordering uitspreken. Deze bepaling sluit een meer of minder vergaand rechtsherstel niet uit. De rechter kan dus ook een straf uitspreken die bij wet is bepaald, maar die op een reële en meetbare wijze lager is dan die welke hij had kunnen opleggen indien hij de overdreven duur van de rechtspleging niet had vastgesteld. Hierbij merkt het hof op dat de toe te passen strafvermindering niet moet worden beoordeeld in het licht van de door de eerste rechter uitgesproken straf. Het staat vast dat de redelijke termijn substantieel overschreden is. Naast de overschrijding van de redelijke termijn staat ook vast dat de feiten al dateren van bijna zes jaar geleden. Het is aan het hof niet bekend dat de beklaagde nadien nog (gelijkaardige) strafbare feiten zou hebben gepleegd. Daarenboven blijkt dat de beklaagde al is overgegaan tot terugbetaling van de onterecht ontvangen coronapremies. Waar de schending van de redelijke termijn niet dermate zwaarwichtig is dat deze tot het verval van de strafvordering aanleiding zou moeten geven is zij naar het oordeel van het hof wel van die aard dat het, ook rekening houdend met voormelde elementen, niet meer opportuun noch redelijk zou zijn de beklaagde een bestraffing op te leggen voor de bewezen feiten van de telastleggingen Al en A2, zodat het hof oordeelt dat het volstaat de beklaagde eenvoudig schuldig te verklaren. Het bestreden vonnis wordt in die zin gewijzigd. Wanneer de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring wordt uitgesproken, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten en, zo daartoe aanleiding bestaat, tot teruggave. Ook de bijzondere verbeurdverkla ring wordt uitgesproken6 . De bijzondere verbeurdverklaring van onterecht bekomen subsidies is verplicht op grond van artikel 4 van het Koninklijk Besluit van 13 mei 1933. Deze subsidies zijn de ve rmogensvoordelen die voortvloeien uit de misdrijven van de telastleggingen A1 en A2. Voor de verbeurdverklaring is het niet vereist dat deze zijn toegetreden tot het vermogen 6 Artikel 27 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering Hof van beroep Gent - zesde kamer - ,-p. 30 van de beklaagde. De beklaagde moet er geen voordeel uit gehaald hebben of zichzelf er niet mee verrijkt hebben. Evenwel belet de verplichte verbeurdverklaring op grond van het Koninklijk Besluit van 13 mei 1999 niet dat de rechter toepassing maakt van de matigingsbevoegdheid hem verleend bij artikel 43bis van het Strafwetboek om de beklaagde geen kennelijk onredelijke straf op te ondertussen de onterecht ontvangen leggen. Aangezien de beklaagde coronapremies vermeld in de telastleggingen Al en A2 heeft terugbetaald aan de Vlaamse overheid zou het kennelijk onredelijk zijn integrale verbeurdverklaring van dit bedrag uit te spreken. Om die reden en als remediëring van de overschrijding van de redelijke termijn, oordeelt het hof dat het niet langer opportuun voorkomt tot verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen voortvloeiend uit de telastleggingen Al en A2 over te gaan. Het bestreden vonnis wordt in die zin gewijzigd. thans ook nog eens de Aangezien de onterecht ontvangen subsidies zijn toegekomen op rekening van de beide vennootschappen en deze bij de bedrijfsvoering werden aangewend, zijn deze niet in het persoonlijk bezit van de beklaagde gekomen en kan de teruggave niet worden bevolen. Het bestreden vonnis wordt ook in die zin gewijzigd. 8. De gerechtskosten, de vergoeding, de bijdragen en de overtuigingsstukken 8.1. De eerste rechter besliste ten aanzien van de beklaagde correct over de bijdrage aan het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders. Deze beslissing is te bevestigen. Aangezien de beklaagde evenwel eenvoudig schuldig wordt verklaard en dit geen veroordeling tot een criminele of correctionele hoofdstraf inhoudt, kan de beklaagde niet langer tot deze bijdrage worden veroordeeld. Het bestreden vonnis wordt in die zin gewijzigd. 8.2. tot betaling van de vaste De beslissing over de veroordeling van de beklaagde vergoeding voor gerechtskosten in strafzaken is correct, weze het dat deze vergoeding ingevolge indexering thans 61,01 euro bedraagt (cf. Omzendbrief 131/12 van 9 januari 2025 over de indexering van de tarieven van de gerechtskosten in strafzaken en de gelijkgestelde kosten, BS 9 januari 2025 ). 8.3. werd door de eerste rechter terecht verplicht tot het betalen van De beklaagde de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedel ijnsbijstand die, ingevolge indexatie, thans bepaald wordt op 26,00 euro (art. 4, § 3 en art. 5 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweede lijnsbijstand). 8.4. Hof van beroep Gent - zesde kamer -p. 31 De eerste rechter besliste ten aanzien van de beklaagde correct over de gerechtskosten. De eerste rechter besliste tevens terecht dat de kosten voor de procedure in ten laste eerste aanleg met betrekking tot de beklaagder van de Belgische Staat dienen te blijven. moet ook worden veroordeeld tot de kosten gevallen in hoger De beklaagde beroep aan de zijde van het openbaar ministerie wat de strafvordering lastens hem betreft. De kosten in hoger beroep die betrekking hebben op de beklaagden dienen eveneens ten laste van de Belgische Staat te worden gelegd. 8.5. De eerste rechter oordeelde correct over de overtuigingsstukken. 9. Ambtshalve aanhouden burgerlijke belangen De eerste rechter hield terecht de burgerlijke belangen ambtshalve aan aangezien er mogelijk burgerlijke belangen zijn die niet in staat van wijzen zijn. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikelen vermeld in het bestreden vonnis, hoger in huidig arrest, en de artikelen: 24 e.v. van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, 2, 7 (zoals gewijzigd bij wet van 18 juli 2025), 42, 3°, 43bis en 65, lid 1 van het Strafwetboek, 2, §2 en §4 en 4 van het kon inklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, zoals gewijzigd bij de Wet van 7 juni 1994, 4 en 27 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, 162, 194, 195, 210, 211 en 212 van het Wetboek van Strafvordering, - Verklaart elk hoger beroep tegen het vonnis van 8 februari 2024 ontvankelijk. En beslissend binnen de perken van de beroepen en de grieven: verbetert de telastlegging A door de vermeldingen "artikel 2, §§ 3 en 4 van het KB van 31 mei 1933" te wijzigen door "artikel 2, §§ 2 en 4 van het KB van 31 mei 1933", Met betrekking tot de beklaagde Bevestigt het bestreden vonnis. Hof van beroep Gent - zesde kamer· -p. 32 Laat de kosten gevallen in hoger beroep aan de zijde van het openbaar ministerie wat deze beklaagde betreft ten laste van de Belgische Staat. Met betrekking tot de beklaagde Bevestigt het bestreden vonnis. Laat de kosten gevallen in hoger beroep aan de zijde van het openbaar ministerie wat deze beklaagde betreft ten laste van de Belgische Staat. Met betrekking tot de beklaagde Wijzigt het bestreden vonnis als volgt: verklaart de beklaagde schuldig aan de feiten van de telastleggingen Al en A2. Spreekt voor de bewezen feiten van de telastlegging Al en A2 voor de beklaagde de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uit. Legt de beklaagde als vergoeding voor de kostprijs van het verloop van de strafprocedure, de verplichting op om een bedrag van 61,01 euro te betalen Veroordeelt de beklaagde het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. tot het betalen van een bijdrage van 26,00 euro aan Stelt de overtuigingsstukken op de griffie neergelegd onder nummers 2020 00 122 en 2020 00123 ter beschikking van het openbaar ministerie. Veroordeelt de beklaagde van het openbaar ministerie, wat deze beklaagde betreft begroot op 34,98 euro. tot de kosten gevallen in eerste aanleg aan de zijde Veroordeelt de beklaagde van het openbaar ministerie, wat deze beklaagde betreft begroot op 131,25 euro. in de kosten gevallen in hoger beroep aan de zijde Houdt de burgerlijke belangen ambtshalve aan. Hof van beroep Gent - zesde kamer• - p. 33 kosten eerste aanleg : 31,80 (dagv. 3° B) t 3,18 (10%) = 34,98 kosten beroep: afschriften opstelrecht beroep dagvaardingen subtotaal +10% Tota al Aldus gewezen door 45,00 6,00 35,00 33,32 119,32 11,932 131,25 en bijgestaan doe kamervoorzitter, raadsheer, raadsheer, griffier. en na ondertekening door dhlz:en'tiitgesproken in openbare terechtzitting van 13 januari 2026 kamervoorzitter, door in aanwezigheid van substituut-procureur des Kon ings, gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden bij het parket Oost-Vlaanderen, aangesteld bij beschikking van de Procureur-Generaal van 24 november 2023 om het ambt van Openbaar Ministerie tijdelijk waar te nemen bij het parket van het hof van beroep te Gent en bijgestaan door griffier. i,