ADB:hof-van-beroep-gent-13-01-2026
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Beroep Gent
📅 2026-01-13
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
Economie
Werk en Sociale Economie
Geciteerde wetgeving
KB van 31 mei 1933; KB van 31 mei 1933; KB van 31 mei 1933; KB van 31 mei 1933; Koninklijk Besluit van 31 mei 1933; Koninklijk Besluit van 13 mei 1999; Koninklijk Besluit van 13 mei 1933; Koninklijk Besluit van 31 mei 1933; Wet van 7 juni 1994; Wet van 7 juni 1994
Samenvatting
/ 2026 Arrestnummer c;I I fo Repertoriumnummer 2026/ .)JO Datum van uitspraak 13 Januari 2026 Notitienummer griffie Notitienummer parket-generaal 2020/PGG/3437 2024/VJll/ 648 VRIJSPRAAK EENV. SCHULDIGVERKL. Hof van beroep Gent Arrest zesde kamer . correctionel e zaken Hof van beroep Gent - zesde ...
Volledige tekst
/ 2026
Arrestnummer
c;I I fo
Repertoriumnummer
2026/ .)JO
Datum van uitspraak
13 Januari 2026
Notitienummer griffie
Notitienummer parket-generaal
2020/PGG/3437
2024/VJll/ 648
VRIJSPRAAK
EENV. SCHULDIGVERKL.
Hof van beroep
Gent
Arrest
zesde kamer .
correctionel e zaken
Hof van beroep Gent - zesde kamer -
-p. 2
Not.nr. GE.71.LA.042670/20
In de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE
tegen
1. nr.
2. nr.
3. nr.
RRN
geboren
wonende te
RRN
geboren
wonende te
KKI"
geboren
wonende te
- beklaagden -
Hof va n beroep Gent - zesde kamer
. p. 3
TENLASTELEGGING( EN)
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
A Subsidiefraude - ten gevolge van een onjuiste verklaring ivm een aanvraag tot het
bekomen van een subsidie, deze vergoeding te hebben ontvangen
Bij inbreuk op het K.B. van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband
met subsidies, vergoedingen en toelagen, zoals gewijzigd bij de Wet van 7 juni 1994, artikel 2
§3 en 4, ten gevolge van een onju iste of onvolledige verklaring in verband met een aanvraag
tot het bekomen of behouden van een subsidie, vergoeding of toelage, die geheel of
gedeeltelijk ten laste van de Staat, een andere publiekrechtel ijke rechtspersoon, van de
Europese Gemeenschap of een andere openbare instelli ng is, een dergelijke subsidie,
vergoeding of toe lage ontvangen of behouden te hebben, namelijk:
(artikel 2 §3 en 4, K.B. van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband
met subsidies, vergoedingen en toelagen, zoals gewijzigd bij de Wet van 7 juni 1994)
1 te
door
~n/of elders in het Rijk in de periode van 30 maart 2020 tot en met 20 juni 2020
onterecht een corona hinderpremie aan te
namelijk door voor de onderneming
vragen en te verkrijgen, aangezien aeze vennootschap niet beschikt over een publiek vrij
recht heeft op een corona hinderpremie
toegankelijke
locatie en dus geen
voor een totaalbedrag van minstens 14.080,00 euro
ten nadele van het Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO)
2 te
door
en/of elders in het Rijk in de periode van 20 april 2020 tot en met 15 juli 2021
onterecht corona hinderpremies en het
namelijk door voor de onderneming
Nieuw Vlaams Beschermingsmechanisme aan te vragen en te verkrijgen, aangezien deze
vennootschap geen publiek vrij toeganke lijke locatie heeft en dus geen recht op deze
premies
voor een totaalbedrag van 27.185,01 euro (hetzij 10.720,00 euro corona hinderpremies en
6.465,01 euro Vlaams Beschermingsmechanisme)
ten nadele van het Vlaams Agentschap
Innoveren en Ondernemen
(VLAIO)
Hof van beroep Gent - zesde kamer -
-p. 4
B Schending beroepsverbod K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934
Bij inbreuk op artikel 4 van het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk
verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of
werkzaamheden uit te oefenen, door op te treden als feitelijk zaakvoerder van
terwijl hij/zij bij vonnis van de correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
dd. 9 november 2016 werd veroordeeld tot een beroepsverbod in de zin van artikel 1 van dit
K.B., namelijk voor een term ijn van 10 jaar, vonnis dat kracht van gewijsde bekomen heeft
op het ogenblik van het plegen van huidige feiten.
(artikel 4 van het K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934)
:!n/of elders in het Rijk in de periode van 1 januari 2018 tot en met 6 juli 2020
g
door
Wettelijke herhaling
het misdrijf heeft gepleegd sedert zij
met de omstandigheid dat
veroordeeld werd bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen,
afdeling Gent uitgesproken op 9 november 2016, tot een hoofdgevangenisstraf van 40
maanden (met probatie-uitstel voor 5 jaren behalve de voorlopige hechtenis) wegens
valsheid in geschrifte, oplichting, ea, vonnis in kracht van gewijsde gegaan op het ogenblik
van de nieuwe feiten, en voordat vijf Jaren zijn verlopen sinds zij zijn straf heeft ondergaan of
sinds zijn straf verjaard is.
met de omstandigheid dat
het misdrijf heeft gepleegd sedert hij veroordeeld
werd bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
uitgesproken op 9 november 2016, tot een hoofdgevangenisstraf van 40 maanden (met
probatie-uitstel voor 5 Jaren behalve de voorlopige hechtenis) wegens valsheid in geschrifte,
oplichting, ea, vonnis in kracht van gewijsde gegaan op het ogenblik van de nieuwe feiten, en
voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard
is.
* * *
1. Procedurele voorgaanden en rechtspleging in hoger beroep
1.1.
De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G31DO, besliste bij
vonnis van 8 februari 2024 op tegenspraak als volgt:
"OP STRAFGEBIED
Hof van bero ep Gent - zesde kamer ·
p. 5
Ten aanzien van
eerste beklaagde
vrij voor de tenlasteleggingen Al en B.
Ten aanzien van
tweede beklaagde
Spreekt
vrij voor de tenlasteleggingen A1 en B.
Laat de kosten van de eerste en tweede beklaagde gevallen aan de zijde van het openbaar
ministerie ten laste van de Staat, tot heden begroot op 315,48 EUR.
Ten aanzien van
derde beklaagde
Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen Al en A2 bewezen.
Veroordeelt .
voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A1 en A2:
tot een gevangenisstraf van 1 jaar en tot een geldboete van 1600,00 EUR, zijnde 200,00 EUR
verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 1 maand.
Veroordeelt
tot betaling van:
-
-
-
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor
tweedelijns bijstand
juridische
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
58,90EUR
Hof van beroep Gent - zesde kamer ·
-p. 6
-
de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 34,98 EUR
Bijzondere verbeurdverklaring
Beveelt de bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 4 van het Koninklijk Besluit
van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies,
vergoedingen en
zijnde de
vermogensvoorde/en die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, in de mate dat de ten
onrechte betaalde subsidies niet werden teruggegeven door de eerste, tweede en derde
beklaagde.
van een bedrag van 14.080,00 EUR,
toelangen,
Beveelt de bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 4 van het Koninklijk Besluit
van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies,
vergoedingen en
zijnde de
vermogensvoorde/en die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, in de mate dat de ten
onrechte betaalde subsidies niet werden teruggegeven door de derde beklaagde.
van een bedrag van 27.185,01 EUR,
toelangen,
Overtuigingsstukken
Beveelt de overmaking aan het openbaar ministerie om te handelen als naar recht van de
overtuigingsstukken gekend onder de SIN-nummers
OP BURGERLIJK GEBIED
Teruggave
Veroordeelt de derde beklaagde tot de teruggave overeenkomstig art. 3 van het KB van 31
mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en
toelagen, aan het Vlaams Gewest (VLA/O) van de onrechtmatig verkregen subsidies voor een
totaal bedrag van 14.080,00 EUR (tenlastelegging Al}.
Veroordeelt de derde beklaagde tot de teruggave overeenkomstig art. 3 van het KB van 31
mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en
toelagen, aan het Vlaams Gewest {VLAIO} van de onrechtmatig verkregen subsidies voor een
totaal bedrag van 27.185,01 EUR (tenlastelegging A2).
De overige burgerlijke belangen
Hof van beroep Gent - zesde kamer·
• p. 7
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan. 11
1.2.
Tegen dit vonnis van 8 februari 2024 werd hoger beroep ingesteld op :
28 februari 2024 door het openbaar ministerie tegen de beklaagden
5 maart 2024 door de beklaagde
7 maart 2024 door het openbaar ministerie tegen de beklaagde
1.3.
Er werd een verzoekschrift in de zin van artikel 204 van het Wetboek van Strafvordering
ingediend op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent,
op:
-
28 februari 2024 door het openbaar ministerie,
5 maart 2024 door de advocaat van de beklaagde
7 maart 2024 door het openbaar ministerie.
-
1.4.
Op de terechtzitting van 8 april 2025 legde het hof overeenkomstig de artikelen 152, § 1 en
209bis, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering, conclusietermijnen vast en
bepaalde het hof de rechtsdag op 30 september 2025 .
1.5.
Het hof hoorde op de openbare terechtzitting van 30 september 2025 in het Nederlands:
in zijn middelen van verdediging bijgestaan door meester
- de beklaagde
!n meester
beiden advocaat met kantoor t1
meester
3dvor::i::it tP
- de beklaagde
in haar middelen van verdediging bijgestaan door meester
- de beklaagde
n zijn middelen van verdediging bijgestaan door meester
advocaat met kantoor te
1dvocaat met kantoor te
- het openbaar ministerie in zijn vordering bij monde van
substituut-
procureur des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden bij het parket Oost
Vlaanderen, aangesteld bij beschikking van de Procureur-Generaal van 24 november 2023
om het ambt van Openbaar M inisterie tijdelijk waar te nemen bij het parket van het hof
van beroep te Gent.
Partijen zijn het erover eens dat alle neergelegde conclusies in het beraad mogen worden
betrokken.
2. De ontvankelijkheid van de hoger beroepen
2.1.
Hof van beroep Gent - zesde kamer·
p.8
De onderscheiden verklaringen van hoger beroep tegen het vonnis van 8 februari 2024,
gedaan op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, werden tijdig en
regelmatig naar de vorm gedaan.
De verzoekschriften houdende de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, werden
eveneens tijdig ingediend.
2.2.
In het door het openbaar ministerie op 28 februari 2024 ingediend verzoekschrift als
bedoeld in artikel 204 van het Wetboek van Strafvordering (grievenformulier hoger beroep)
wordt nauwkeurig bepaald welke grieven tegen het bestreden vonnis worden ingebracht
met betrekking tot de beklaagden
met name kruiste de
substituut-procureur des Konings de rubriek 'de schuld' aan, waarbij zij vermeldde: "Mijn
ambt betwist de vrijspraak van de beklaagden
1oor de
telastleggingen A1 en B").
2.3.
op 5 maart 2024 ingediend
In het door de advocaat van de beklaagde
verzoekschrift als bedoeld
in artikel 204 van het Wetboek van Strafvordering
(grievenformulier hoge r beroep), wordt nauwkeurig bepaald welke grieven tegen het
bestreden vonnis worden ingebracht, met name met betrekking tot:
de schuld (aankruising van die rubriek met vermelding van zijn schuldigverklaring aan de
telastleggingen Al en A2, waarbij als reden(en) is vermeld: "Verzoeker betwist zijn schuld
voor voormelde tenlasteleggingen en meent dat hij dient te worden vrijgesproken"),
de straf en/of maatregel (aankruising van die rubriek met vermelding van de opgelegde
gevangenisstraf en geldboete, waarbij als reden(en) is vermeld: "Verzoeker verzoekt hem
in hoofdorde de vrijspraak te verlenen, ondergeschikt een mildere toepassing te maken
van de strafwet."),
de burgerlijke rechtsvordering (aankruising van die rubriek met vermelding van het
ambtsha lve aanhouden van de burgerlijke belangen, waarbij als reden(en ) is vermeld:
"gelet op de vrijspraak, zich onbevoegd verklaren. '1, en
andere (aankruising van die rubriek met vermelding van de opgelegde teruggave van de
onrechtmatig verkregen subsidies, waarbij als reden(en) is vermeld: "gelet op de
vrijspraak, geen teruggave te bevelen.").
In het door het openbaar ministerie op 7 maart 2024 ingediend verzoekschrift als bedoeld in
artikel 204 van het Wetboek van Strafvordering (grievenformulier hoger beroep) wordt
nauwkeurig bepaald welke grieven tegen het bestreden vonnis worden ingebracht met
met name kruiste de substituut-procureur des
betrekking tot de beklaagde
Konings de rubriek 'Andere' aan waarbij zij vermeldde: "Gelet op het aangetekende hoger
beroep en het neergelegde grievenformulier van de hierboven vermelde beklaagde, tekent
het openbaar ministerie hoger beroep aan wat betreft de uitgesproken straffen m.b.t. deze
Hof van beroep Gent - zesde kamer -
- p. 9
partij. Aangezien de opgelegde straf of maatregel lager ligt of gunstiger is dan de wettelijk
bepaalde maximumstraf is het wenselijk een eventuele strengere bestraffing te laten
beoordelen door de hogere rechter."
2.3.
De hoger beroepen van de beklaagdE
ontvankelijk (artike len 203 en 204 van het Wetboek van Strafvordering).
en van het openbaar ministerie zijn alle
Het hof bes list in het voorliggend arrest binnen de perken van de hoger beroepen en van de
grieven zoals bedoeld in artikel 210 van het Wetboek van Strafvordering.
In dit verband stelt het hof vast dat er geen redenen zijn om ambtshalve een grief in de zin
van het voormeld artikel op te werpen.
3. De bevoegdheid van de strafrechter
3.1.
De zaak werd voor wat betreft de telastleggingen Al, A2 en B bij de eerste rechter aanhangig
gemaakt bij dagvaarding door het openbaar ministerie.
De feiten voorwerp van deze telastleggingen zijn strafbaar met correctionele straffen en
behoren tot de bevoegdheid van de correctionele rechtbank.
De eerste rechter was en het hof is thans aldus bevoegd om kennis te nemen van de
strafvordering.
3.2.
3.2.1.
Het hof stelt vast dat de beklaagden onder de telastleggingen Al en A2 worden vervo lgd
voor het hebben ontvangen of behouden van een subsidie, vergoeding of toelage, als
bedoeld in het kon inklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in
verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, zoa ls gewijzigd door de wet van 7 juni
1994 (BS, 8 juli 1994), als gevolg van een onjuiste of onvolledige verklaring in verband met
een aanvraag tot het bekomen of behouden van een subsidie, vergoeding of toelage. De
telastleggingen Al en A2 hebben betrekking op subsidies met de respectievelijke
benam ingen corona hinderpremie en Vlaams Beschermingsmechanisme.
Dit maakt een Inbreuk uit op artikel 2, §§ 2 en 4 van het hierboven genoemd koninklijk
besluit van 31 mei 1933. Waar in de telastlegging A wordt verwezen naar artikel 2, §§ 3 en 4
van het KB van 31 mei 1933 is dit dan ook kennelijk een materiële vergissing. Het hof
verbetert dan ook de telastlegging A door de vermeldingen "artikel 2, §§ 3 en 4 van het KB
van 31 mei 1933" te wijzigen door "artikel 2, §§ 2 en 4 van het KB van 31 mei 1933".
De partijen we rden hiervan in kenn is gesteld op de zitting van het hof. Het verweer van de
partijen had daarop betrekking. Waar hierna sprake is van de voormelde te lastlegging
Hof van beroep Gent - zesde kamer -
p. 10
dienen deze te worden gelezen en begrepen zoals verbeterd. Deze verbeteringen wijzigen
de feiten die aan deze telastlegging ten grondslag liggen niet.
3.2.2.
Het hof merkt voor zoveel als nodig op dat de telastlegging A2 opgenomen in het bestreden
vonnis een materiële tikfout bevat wat betreft het bedrag van de premies Vlaams
Beschermingsmechanisme.
Deze materiële tikfout geeft evenwel geen aanleiding tot enige verbetering nu de
telastlegging A2 zoals opgenomen in de dagvaarding de correcte tekst bevat. Zowel uit de
stukken van het strafdossier, uit de tekst in de inleidende dagvaarding, als uit het verschil
tussen het vermeld totaalbedrag en het vermeld bedrag aan corona hinderpremie, blijkt dat
16.465,01 euro als premie Vlaams Beschermingsmechanisme ontving en niet
6.465,01 euro zoals verkeerdelijk geschreven in het bestreden vonnis. De eerste rechter, en
bij uitbreiding het hof, is slechts gevat door de telastlegging zoals vermeld in de dagvaarding
en niet door de t elastlegging zoals verkeerd geciteerd in het bestreden vonnis, zodat er geen
reden is om tot verbetering van de telastlegging over te gaan.
4. De verjaring
De strafvordering is niet vervallen door verjaring.
5. Beknopt overzicht van de feiten en te beoordelen kernpunten
5.1.
Het hof verwijst voor het verloop van het strafonderzoek en een uiteenzetting van enkele
relevante feitelijke gegevens naar de overwegingen onder titel '1. De relevante feiten' van
het bestreden vonnis, voor zover daarin geen oordeel wordt geveld over de schu ld. Het hof
beschouwt deze kortheidshalve als hier uitdrukkelijk herhaald en maakt deze tot de zijne.
Deze feitelijke uiteenzetting wordt door de partijen niet betwist.
5.2.
Uit de door de eerste rechter weergegeven relevante feitelijke gegevens en de stukken van
het strafdossier blijkt samengevat onder meer het volgende:
Naar aanleiding van enkele controles op de naleving van de wettelijke bepalingen met
JP
betrekking tot het verstrekken van sterke/alcoholische drarki:>n in de horecazaak
meermaals inbreuken vast.
stelden inspecteurs van de politie
Deze horecazaak werd uitgebaat door de beklaagden
aanvankelijk via een eenmanszaak op naam van de beklaagde
en
vervolgens - na faillissement van deze eenmanszaak- via een eenmanszaak op naam van de
Gelet op de vaststellingen verzocht de politie de politierechtbank
beklaagde
om een machtiging tot visitatie in het voornoemd pand waarbij t evens de niet voor publiek
toegankelijke delen doorzocht konden worden.
Hof van beroep Gent - zesde kamer -
- p. 11
Tijdens deze visitatie vonden de onderzoekers verschillende facturen op naam van
de wettelijke zaakvoerder was/is. De onderzoekers
waarvan de beklaagde
en dat de
vermoedden daarom dat de uitbating in werkelijkheid gebeurde door
beklaagden
informeel deze vennootschap gebruikten en
er zaakvoerder van waren. Omdat deze beide beklaagden naar aanleiding van een eerdere
strafzaak een verbod opgelegd kregen om als bestuurder van vennootschappen op te
treden, vermoedden de onderzoekers dat zij op die manier dit beroepsverbod omzei lden en
aldus schonden.
Met het oog op verder onderzoek naar een eventuele schending van hun beroepsverbod
werden onder meer leveranciers,
door de beklaagden
interimwerkkrachten,
informatie onderzocht
interimkantoren, enz. bevraagd evenals
bekomen via bankonderzoek en onderzoek van fiscale dossiers. Ook de drie beklaagden
legden een verklaring af. In het kader van het onderzoek stelden de onderzoekers tot slot
tevens vast dat twee vennootschappen van de beklaagde
en
coronapremies ontvingen waarop deze geen recht hadden.
met name
Het openbaar ministerie vervolgde de drie beklaagden voor de eerste rechter op verdenking
van het plegen van volgende misdrijven:
:telastlegging A1);
de drie beklaagden voor het onterecht aanvragen en ontvangen van een corona
hinderpremie voor
de beklaagde
hinderpremies en premies Vlaams Beschermingsmechanisme voor
(telastlegging A2):
de beklaagden
voor het schenden van het
beroepsverbod dat de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent hen op 9
november 2016 had opgelegd.
voor het onterecht aanvragen en ontvangen van corona
De eerste rechter oordeelde dat het niet afdoende bewezen was dat de beklaagden
het hen opgelegd bestuurdersverbod hadden geschonden en
dat deze beklaagden een rechtstreekse instructie hadden gegeven aan de beklaagde
om onterecht coronapremies aan te vragen voor
De eerste rechter sprak
deze beklaagden dan ook vrij van de hen te last gelegde feiten onder de telastleggingen Al
en B. De eerste rechter achtte het wel bewezen dat de beklaagde
ten onrechte
coronapremies voor twee van zijn vennootschappen aanvroeg en ontving. Ue beklaagde
werd schuldig bevonden aan de feiten van de telastleggingen Al en A2 en de
eerste rechter veroordeelde hem tot een effectieve gevangenisstraf van één jaar en een
geldboete.
Het openbaar ministerie kon zich niet vinden in de vrijspraak van de bek la agden
terwijl de beklaagde
gegriefd was door zijn
veroordeling voor de telastleggingen Al en A2. Zowel het openbaar ministerie als de
Hof van beroep Gent - zesde kamer·
-p. 12
beklaagde
tekenden dan ook hoger beroep aan tegen het bestreden vonnis
wat de schuldvragen betreft. Het openbaar ministerie tekende wat betreft de beklaagde
ook hoger beroep aan om het hof de mogelijkheid te geven de aan deze
beklaagde opgelegde straffen te verhogen. In zijn conclusie maakte de beklaagde
daarenboven opmerkingen over het gevoerd opsporingsonderzoek. Zo zou hij
onvoldoende in kennis zijn gesteld van de feiten waarover hij verhoord werd (schending van
de cautieplicht), zouden er stukken ontbreken
in het strafdossier en zou een
getuigenverhoor nodig zijn .
met
Nadat het hof in wat hierna volgt de opmerkingen van de beklaagde
betrekking tot het gevoerd onderzoek zal hebben beoordeeld, zal het zich vervolgens
uitspreken over de vraag of de beklaagden zich schuld ig maakten aan de hen respectievelijk
verweten feiten, en zo ja, welke bestraffing hen voor de bewezen feiten moet worden
opgelegd. Bij deze beoordeling behoren ook alle beslissingen die onlosmakelijk met de
schuldvraag en/of de bestraffing zijn verbonden.
Omdat het aanvankelijk onderzoek deed vermoeden dat de beklaagden
hun beroepsverbod schonden door bestuurder te zijn van
en zij
tevens vervolgd worden als dader en/of mededader voor het onterecht aanvragen en
·, zal het hof bij de beoordeling van de
bekomen van coronasubsidies voor
schuldvragen eerst de schuld van de beklaagden
aan de
feiten van de telastlegging B bespreken en nadien de feiten van de telastleggingen Al en A2
in hoofde van de drie beklaagden. Daarna bespreekt het hof de op te leggen bestraffing voor
de feiten die bewezen worden verklaard .
6. Juridische analyse van de te beoordelen kernpunten
6.1. Voorafgaandelijk - De door de beklaagde
betrekking tot het gevoerd opsporingsonderzoek
6.1.1. Werd de cautieplicht geschonden in hoofde van de beklaagde
vraagt voor het eerst in conclusie voor het hof dat 'zijn verhoor'
De beklaagde
van 19 mei 2020 uit de debatten zou worden geweerd, minstens meent hij dat di t niet in zijn
nadeel mag worden geïnterpreteerd, bij gebrek waaraan zijn recht op een eerlijk proces
geschonden zou zijn.
opgeworpen bezwaren met
:?
werd tijdens het strafonderzoek onde rworpen aan
twee afzonderlijke
verhoren, waarbij het ene verhoor betrekking heeft op het onderzoek naar de mogelijke
en
schending van het beroepsverbod door de beklaagder
het tweede verhoor betre kking heeft op de mogelijke fraude bij het aanvragen van
coronasubsidies . Beide verhoren vonden op dezelfde dag, met name 19 mei 2020, plaats.
niet preciseert welke van zijn verhoren uit
Het hof stelt vast dat de beklaagde
de debatten zou moeten worden geweerd, laat staan stelt dat beide verhoren uit de
debatten zouden moeten worden geweerd. Er bestaat aldus onduidel ijkhe id over de
Hof van beroep Gent - zesde kamer •
-p. 13
concrete invulling van het verzoek van deze beklaagde, zodat dit verzoek in principe geen
antwoord behoeft.
Evenwel merkt het hof op dat er, nog los van de vraag van welke van deze verhoren de
de wering vraagt, in elk geval geen enkele reden is om één van
beklaagde
uit de debatten te weren.
beide dan wel beide verklaringen van de beklaagde
Het hof verwijst daarvoor naar het volgende.
Vooraleer wordt overgegaan tot het verhoor van een verdachte, dient aan deze op beknopte
wijze kennis te worden gegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord 1. Niet
vereist is dat aan de verdachte de wettel ijke omschrijving wordt gegeven van de feiten
waarvoor hij wordt verhoord. Het volstaat daarenboven dat de mededeling op beknopte
wijze gebeurt zodat een uitgebreide toelichting geenszins nodig is. Van belang is dat de te
verhoren persoon weet in welk soort dossier hij zal worden ondervraagd en over welk feit hij
zal worden verhoord. Ingeval de verhoorde schriftelijk wordt uitgenodigd om verhoord te
worden, kan deze beknopte mededeling eveneens gebeuren in de schriftelij ke uitnodiging.
Uit het strafdossier blijkt dat het verhoor van de beklaagde
visitatie die op 10 december 2019 werd uitgevoerd in het pand gelegen aan
volgde op de
:. De beklaagde
werd tijdens deze visitatie ter plaatse geroepen omdat
hij over de sleutels beschikte van een afgesloten ruimte op de eerste verdieping en van de
zolderruimte. Met een kantschrift van 31 maart 2020 verzocht het openbaar ministerie aan
zou
de onderzoekers om verder onderzoek te voeren waarbij de beklaagde
worden verhoord en er een hercontrole zou plaatsvinden. In navolging van dit kantschrift
voerden de onderzoekers een hercontrole uit op 13 en 15 mei 2020 en werd de beklaagde
schriftelijk uitgenodigd voor verhoor op 19 mei 2020. In de schriftelijke
enerzijds zijn rechten mee
uitnodiging deelden de onderzoekers de beklaagde
en anderzijds brachten zij hem ter kennis dat hij zou verhoord worden over de schending
van een beroepsverbod op het adres
was
er bijgevolg van op de hoogte dat hij rekenschap moest afleggen over een mogelijk misdrijf
dat in het door hem gehuurd/verhuurd pand en naar aanleiding van de uitbating op dat
adres gepleegd werd. Hij werd op die manier dus in elk geval op beknopte wijze in kennis
gesteld van de feiten waarover hij zou worden verhoord zodat werd voldaan aan de
wettelijke vereiste.
.. De beklaagde
Uit de
inlichtingen
verstrekt door de
het proces-verbaal
onderzoeker
blijkt dat naar aanleiding van de hercontrole in mei 2020 ook contact
werd opgenomen met VLAIO 2 en dat hij daarbij vernam dat er mogelijk ook fraude was
gebeurd bij het aanvragen van coronapremies op dat adres. Naar aanleiding van zijn verhoor
in het kader van de schending van het beroepsverbod werd de beklaagde
hiervan blijkbaar ingelicht. Er werd hem gevraagd om ook hieromtrent een verklaring af te
in
1 Artikel 47bis, §2 van het Wetboek van Strafvordering
2 Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen
Hof van beroep Gent - zesde kamer -
- p. 14
leggen, waarmee hij instemde. Hij werd in kennis gesteld van zijn rechten en tekende tevens
een afstandsverklaring waarin uitdrukkelijk is vermeld: "u hebt mij vóór aanvang van mijn
verhoor in kennis gesteld van mijn rechten en beknopt kennis gegeven van de feiten
waarover ik zal worden verhoord". In het proces-verbaal van verhoor werd vervolgens
genoteerd dat het verhoor zou handelen over oplichting zonder internet in de periode van
de aanvragen voor de prem ies. Gelet op het feit dat het verhoor met betrekking tot de
coronapremies onmiddellijk volgde op het verhoor met betrekking tot de schending van het
beroepsverbod die mogelijks In het kader van
werd gepleegd, en de onderzoekers in
het kader van dat onderzoek ken nis kregen van de problematiek van de coronapremies,
kennis had van de feiten waarover
twijfelt het hof er niet aan dat de beklaagde
hij verhoord zou worden en dat hij dus de wettelijk vereiste beknopte mededeling kreeg. Hij
erkende in de door hem ondertekende afstandsverklaring trouwens uitdrukkelijk deze
maakt in conclusies niet
mededeling gekregen t e hebben. De beklaagde
aannemelijk dat hij de afstandsverklaring zonder kennis van zaken zou ondertekend hebben.
Ook wat dit verhoor betreft blijkt dan ook dat de wettelijke vereiste van beknopte
mededeling werd nageleefd.
In antwoord op de verwijzing van de beklaagde
naar de inhoud van artikel
47bis, §6, 9) van het Wetboek van Strafvordering, wijst het hof er tot slot ten overvloede op
dat deze bepaling niet stelt dat verklaringen uit de debatten moeten worden geweerd
wanneer deze zijn afgelegd in strijd met de in dat artikel vermelde bepalingen. Dit artikel
bepaalt enkel dat tegen een persoon die een verklaring aflegde in strijd met deze bepaling
geen veroordeling kan worden uitgesproken op grond van een aldus afgelegde verklaring.
Het hof wijst erop dat zelfs indien zou worden geoordeeld dat de verklaring/één van de
verklaringen van 19 mei 2020 werd(en) afgelegd in strijd met deze bepalingen, de
veroordeling van de beklaagde
in elk geval niet gesteund is op zijn verklaring
maar op een samenlezing van verschillende objectieve elementen van het strafdossier zodat
er geenszins sprake is van een schending van artikel 47bis van het Wetboek van
Strafvordering en zijn rechten van verdediging geenszins geschonden zijn.
Er is bijgevolg geen enkele reden om één van de beide verhoren of beide verhoren van de
beklaagde
uit de debatten te weren.
6.1.2. Moeten er stukken worden bijgevoegd aan het strafdossier?
De beklaagde
verzoekt voor het eerst in conclusie voor het hof dat het
openbaar ministerie zou worden uitgenodigd om de onderliggende stukken te voegen op
grond waarvan "de mail van 14 juni 2022" werd opgesteld, bij gebrek waaraan zijn recht op
t egenspraak en zijn recht op een eerlijk proces zou geschonden zijn. Waar deze vraag enkel
wordt gesteld in het beschikkend gedeelte van de besluiten en niet in het motiverend
dat hij met
gedeelte, bl ijkt uit de inhoud van de conclusie van de beklaagde
"de mail van 14 juni 2022" verwijst naar een e-mail van 14 j uni 2022 van hoofdinspecteur
van de politiezone
taan
, inspecteur bij VLAIO.
Hof van beroep Gent - zesde kamer -
- p. 15
Het hof gaat niet in op de vraag van de beklaagde
om het strafdossier te laten
aanvu llen met de beweerde 'onderliggende stukken' die aanleiding zouden geweest zijn
voor het opstellen van de hiervoor vermelde e-mail.
Het hof merkt vooreerst op dat de beklaagde
in conclusie ten onrechte stelt
dat het administratief onderzoek door VLAIO louter het e-mailbericht van 14 juni 2022 zou
bevatten. Uit de stukken van het strafdossier blijkt dat er uitvoerig e-mailverkeer is geweest
in het kader van het administratief onderzoek en dat het e-mai lbericht van 14 j uni 2022
slechts een onderdeel hiervan is. Het administratief dossier bevat ook een inspectieverslag
van VLAIO, de vragen gesteld door VLAIO en de antwoorden hierop namens
enz. Het e-mailbericht van 14 juni 2022 is bijgevolg slechts één onderdeel van het dossier
lasten~
De inhoud van het e-mailbericht bet reft daarenboven slechts inlichtingen die de politie aan
VLAIO ve rschaft na een vraag hiernaar. Deze e-mail met inlichtingen werd ook opgenomen in
het strafdossier. Het loutere feit dat de beklaagde
hier tijdens het onderzoek
niet meer mee werd geconfronteerd, schendt geenszins zijn recht op tegenspraak noch zijn
recht op een eerlijk proces. Het recht op een eerlijk proces dient beoordeeld te worden over
het ganse procedureverloop. Door deze inlichtingen op te nemen in het strafdossier beschikt
de beklaagde net over de mogelijkheid tot tegenspraak, wat hij trouwens ook uitdrukkelijk
doet. Hij brengt immers stu kken bij op grond waarvan hij het hof ervan wil overtuigen dat de
inlichtingen die de politie in de e-mail verschafte onjuist zijn, minstens dat deze niet vo lledig
in overeenstemming zijn met de feiten.
Daarbij komt dat versch illende van de gegeven inlichtingen slechts visuele vaststellingen zij n
die door de pol itie zelf zijn gebeurd, zodat er wat deze vaststellingen betreft on mogelijk
sprake kan zijn van 'onderliggende stukken'. Deze vaststell ingen worden trouwens zelfs
bevest igd door de beklaagde
waar hij onder meer toegeeft dat er geen
permanent gebruik was van de ruimte zodat de vaststelling van de politie dat de ruimte op
het ogenblik van het nazicht niet in gebruik was, hier niet tegenstrijdig mee is. Daarnaast
vermeldt de pol itie wel degelijk dat er op een tafeltje een brief aanwezig is met de gegevens
om de ru imte te huren, wat door de beklaagde met zijn stu k 15 ook effectief wordt
aangetoond . Of het briefje groot is (zoals de beklaagde stelt) dan wel klein (zoals de politie
vermeldt) en of dit nu staat op een tafeltje (zoals de pol itie vermeldt) dan wel op kast (zoals
blijkt uit de neergelegde foto), doet geen afbreuk aan de correctheid van de vaststell ing dat
dit briefje aldaar aanwezig was.
Niet alleen bevestigt het verwee r va n de beklaagde meerdere van de door de politie
gegeven inlichtingen, daarenboven stelt het hof vast dat de beklaagde ook niet aannemelijk
maakt dat er 'onderliggende stukken' zouden zijn die de inlichtingen van de wijkinspecteur
aan de hoofdinspecteur onderbouwen, t emeer dergelijke inlicht ingen eveneens mondeling
kunnen zijn verstrekt aan de hoofd inspecteu r. Ook hier beschikt de beklaagde echter over
de mogelijkheid om tegenspraak te voeren en doet hij dit ook door aan de hand van stukken
Hof van beroep Gent - zesde kamer•
-p.16
te trachten aan te tonen dat er -
meegedeeld - wel een exploitatie zou zijn geweest.
in strijd met wat de wijkinspecteur zou hebben
Tot slot merkt het hof op dat de politie onmogelijk negatief bewijs kan voorbrengen in de zin
dat het niet mogelijk is aan te tonen dat er geen drankvergunning werd aangevraagd, dat er
geen toelating tot gebruik was door de brandweer of dat er geen advertising of website
terug te vinden is. De beklaagde voert ook omtrent dit laatste tegenspraak door te verwijzen
naar een factuur met een bedrijf dat websites maakt. Het hof merkt daarbij echter op dat uit
niets blijkt dat deze factuur ook effectief werd betaald, wat nochtans noodzakelijk was om
het project in de planning van het bedrijf te laten opnemen. Voor de beklaagde kan het
nochtans niet moeilijk zijn om bewijs te leveren dat er effectief een website of advertising
werd gemaakt. Integendeel maakt hij zijn bewering zelfs niet aannemelijk.
Gelet op dit alles is het voor het hof dan ook duidelijk dat de beklaagde
niet
aannemelijk maakt dat er onderliggende stukken aan de basis liggen van "de mail van 14 juni
2022", laat staan dat het opportuun is onderzoek te laten uitvoeren naar het bestaa n van
maakt evenm in aannemelijk dat hij niet In de
dergelijke stukken. De beklaagde
mogelijkheid was/is om tegenspraak te voeren over de inlicht ingen die in deze e-mail
opgenomen werden, terwijl het duidelijk is dat hij deze tegenspraak wel effectief voerde. Er
is bijgevolg geen enkele reden om in te gaan op het verzoek van de beklaagde
om het openbaar ministerie opdracht te geven om stukken te voegen aan het strafdossier.
6.1.3. Moet er een getuigenverhoor bevolen worden?
Pas voor het eerst in het beschikkend gedeelte van de conclusie van de beklaagde
voor het hof stelt deze dat wijkinspecteur
moet worden opgeroepen
om gehoord te worden "aangaande de bevraging van de uitbater van het pand gelegen te
tijdens de controle van januari 2020" . Deze vraag werd in
het motiverend deel van de conclusie niet gesteld noch toegelicht, maar uit de inhoud van
de conclusie blijkt dat deze vraag betrekking kan hebben op de inhoud van het proces
dat werd gevoegd in de kaft met betrekking tot de
verbaal
coronapremies aangevraagd namen~
Het is op basis van dit proces-verbaal dat
aanvankelijk tot schrapping van de inschrijving van
op het
werd overgegaan, wat op een later tijdstip blijkbaa r opnieuw werd rechtgezet.
Dit proces-verbaal werd op 25 januari 2020 opgesteld na een controle op 13 januari 2020
nog activiteiten had op dat
De vraag of
door de wijkinspecteur
op dat ogenblik het gebouw nog gebruikte, is voor de beoordeling
ogenblik en/of
van de telastlegging Al evenwel niet relevant (zie hieronder randnummer 6.3.2.). De vraag
die zich opdringt is of
op het ogenblik van de aanvraag van de coronapremies over
een voor het publiek toegankelijke ruimte beschikte op dat adres. Bij de beoordeling hiervan
in het proces-verbaal
baseert het hof zich geenszins op de vermeldingen
noch op de onterechte schrapping van de inschrijving die er blijkt te
Hof van beroep Gent - zesde kamer •
-p.17
zijn geweest, maar op andere vaststellingen die betrekking hebben op de uitbating van de
handelszaak op het adres
Waar het hof dan ook geen rekening houdt met wat is vermeld in het voornoemd proces
verbaal is het dan ook niet nuttig tot getuigenverhoor van inspecteur
over te
gaan zodat het recht op een eerlijk proces hierdoor evenmin geschonden is.
het hen opgelegd
6.2. Beoordeling van de schuldvragen
6.2.1. Hebben de beklaagden
beroepsverbod geschonden?-telastlegging B
Bij vonnis van 9 november 2016 verklaarde de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen,
afdeling Gent de beklaagden
schuldig aan valsheid in
geschriften en gebruik van valse stukken, oplichting, misbruik van vennootschapsgoederen
en ontdraging van in beslag genomen goederen. De rechtbank veroordeelde beiden naast
een gevangenisstraf van veertig maanden en een geldboete van 18.000 euro (beide deels
met uitstel) tot een verbod om gedurende tien jaar persoonlijk of door tussenpersoon
bestuurder te zijn van een handelsvennootschap. Dit bestuurdersverbod nam een aanvang
op datum van het vonnis en loopt aldus tot 9 november 2026. Het openbaar ministerie stelt
dat de beide beklaagden dit bestuurdersverbod hebben geschonden omdat zij in de periode
van 1 januari 2018 tot en met 6 juli 2020 (feitelijke) bestuursbevoegdheid hadden in
Na hernieuwd onderzoek van het strafdossier en rekening houdend met alle elementen
zoals deze blijken uit het strafdossier, de conclusies van de partijen en de behandeling op de
terechtzitting van het hof, oordeelt het hof dat de eerste rechter de beklaagden
terecht vrijsprak voor de feiten van de telastlegging B. Ook voor
het hof is hun schuld aan deze feiten niet afdoende bewezen.
Het hof stelt vast dat er bij de start van het dossier heel wat verwarring bestond over wie al
dan niet de handelszaak uitbaatte. Dit blijkt uit de afhandelingsfiche opgemaakt naar
aanleiding van de diverse controles die werden uitgevoerd als gevolg van de aanvraag tot
het bekomen van een horeca-attest voor de handelszaak '
Uit proces-verbaal
eenmanszaak op naam van
januari 2019 volgt hier noodzakelijkerwijze uit dat de aanvraag door de beklaagde
blijkt dat deze aanvraag gebeurde door de
. Aangezien de eerste controle gebeurde op 31
' op de
gebeurde uiterlijk in de loop van januari 2019 en dat zij op dat ogenblik bijgevolg de
handelszaak
'a l uitbaatte.
Volgens de bij voornoemd proces-verbaal gevoegde afhandelingsfiche blijkt evenwel dat
werd aangevraagd,
daar waar het horeca-attest op naam van de beklaagde
. Of dit een
de drankvergunning werd aangevraagd op naam van de beklaagde
recente aanvraag was dan wel een aanvraag voorafgaand aan de uitbating door de
beklaagde
blijkt uit de gegevens van het strafdossier niet. Uit de
afhandelingsfiche blijkt echter wel dat op dat ogenbl ik alle facturen (gas, elektriciteit, e.d.m.)
Hof van beroep Gent - zesde kamer ·
-p. 18
•• - --· - ------------ --------------
op de eenmanszaak van de beklaagde
stonden en dat het personeel op
haar firma ingeschreven was. Op basis van de aanwezige stukken in het strafdossier kan het
hof andermaal niet vastste llen of dit werd genoteerd op basis van de verklaring van de
beklaagde
dan wel of de aanwezige inspecteurs dit op het ogenblik van
hun controle effectief hebben vastgesteld .
Behalve het feit dat er verwarring bestond, kan er dus uit de eerste onderzoeksdaden niet
uitgemaakt worden wie verantwoordelijk is voor de verwarring en of het een bewust
gecreëerde verwarring was.
Volgens de beklaagden bestond die verwarring ook bij bepaalde leveranciers die facturen
bleven opmaken op naam van
Terecht stelde het openbaar ministerie dat wat deze
verwarring betreft de beklaagden zelf ook verantwoordelijkheid dragen. Evenwel ligt de
verant woordelijkheid hiervoor volgens het hof slecht s deels bij de beklaagden.
Dat de beklaagden zelf vera ntwoordelijkheid dragen voor de verwarring blijkt niet alleen uit
zou zijn
het fe it dat bijvoorbeeld de drankvergunning op naam van
aangevraagd, minstens zijn drankvergunning aanvankelijk zou zijn gebruikt, maar tevens uit
naar de interimkantoren liet uitschijnen - minstens
het feit dat de beklaagde
Daarbij komt dat uit het
niet tegensprak - dat hij de cont actpersoon was voor
strafdossier niet bl ijkt dat de beklaagden
naar de
leveranciers toe een vraag stelden tot aanpassing van de facturen of hen in kennis stelden
maar door
van de gewijzigde situatie waarbij de uitbating niet langer gebeurde door
henzelf onder hun eigen eenmanszaak.
Het hof is er echter niet van overtuigd dat de verwarring enke l en al leen aan de beklaagden
te wijten is, en stelt op basis van de resultat en van het strafonderzoek vast dat ook de
fe itel ijke situatie oorzaak van de verwarring was nu de beklaagden
pand waarvan
de uitbating deden van de handelszaak voorheen uitgebaat door
en in een
de hoofdhuurder bleef. Immers, uit contactname met leveranci er
aanvankelijk werd
en vanaf midden juli
blijkt dat voor bestellingen door de beklaagde
gefactureerd aan de eenmanszaak van de beklaagde
2019 aan de eenmansza.ak van de beklaagde
stelde dat er na leveringen aan
beklaagde
gelezen als de eerste helft van 2019) op naam van de eenmanszaak van de beklaagde
werd geleverd op naam van de eenmanszaak van de
en sedert 'anderhalf jaar' (wat volgens het hof moet worden
(stuk 20) . Leverancier
(stuk 20). De beweringen van de beklaagden dat er verwarring bestond bij de
stonden, is
leveranciers en dat hierdoor facturen verkeerdelijk op naam van
bijgevolg aannemelijk.
Deze verwarring die er bestond, enerzijds gecreëerd door de beklaagden, anderzijds ook
door de hierboven vermelde specifieke sit uatie, is naar het oordeel van het hof evenwel niet
voldoende om te beslu iten dat de beklaagden
Hof van beroep Gent - zesde kamer -
• p. 19
-------- - - - - -------------------
bestuursbevoegdheden uitoefenden
bestuurdersverbod schonden.
ir
en hierdoor het hen opgelegd
Bestuursdaden stellen is het nemen van die beslissingen die het commerciële en f inanciële
lot van de onderneming bepalen. Wie daden van bestuu r stelt op dezelfde wijze als een
bestuurder dat zou doen, is een feitelijk bestuurder. Essentieel aan een bestuurder is dat hij
onafhankelijk van enig orgaan of gezag kan optreden. Het feitelijk bestuur veronderstelt een
gelijkaardige onafhankelijkheid.
Op grond van het gevoerde strafonderzoek staat niet zonder redelijke twijfel vast dat de
beslissingen namen/konden nemen die het
beklaagden
bepaalden. Het loutere feit dat er tijdens de
commerciële en financiële lot van
en dat leveranciers stellen dat
visitatie facturen werden aangetroffen op naam van
de beklaagde
de contactpersoon voor de vennootschap was, doet hieraan
geen afbreuk gelet op de al vermelde vaststellingen. Het hof wijst er ook op dat daar waar
de onderzoekers in hun proces-verbaal vermeldden dat zij achter de toog facturen
·, het strafdossier slechts een zeer beperkt aantal
aantroffen op naam van
voorbeelden van dergelijke facturen bevat. Het is bijgevolg niet zeker dat alle facturen voor
diensten of goederen bruikbaar voor de uitbating van de handelszaak op naam van
stonden. Het hof moet er zich voor hoeden uit enkele documenten algemene conclusies te
trekken zoals de onderzoekers dat blijkbaar wel deden.
Dit geldt des te meer nu hierboven al werd verwezen naar de afhandelingsfiche waarin werd
geschreven dat alle factu ren op de eenmanszaak van
stonden, maar tevens
nu uit de Dimona-aangiftes blijkt dat
na 31 oktober 2018 geen werknemers meer
inschreef (stuk 9).
Uit het strafdossier blijkt dat het de bedoeling was dat de beklaagden
', gelegen oi:
de handelszaak
, verder wilden
de uitbating niet wenste verder te zetten. Het hof verwijst hiervoor
uitbaten en dat
andermaal naar de afhandelingsfiche met betrekking tot de eerste controles waaruit blijkt
tijdens een tweede bezoek al stelde dat hij en de beklaagde
dat de beklaagde
geen vennootschap konden besturen en bijgevolg de uitbating deden als
zelfstandigen zonder verantwoordelijkheid voor de vennootschap en dit tot het ogenblik dat
zij in de mogelijkheid zouden zijn om de vennootschap over te nemen. De beklaagde
bood zich drie dagen na dit bezoek trouwens nog aan op het politiebureau om mee
te delen dat de overname niet onmiddellijk mogelijk zou zijn zodat hij de handelszaak via zijn
eenmanszaak zou overnemen en verder uitbaten. Uit de stukken die de beklaagden voor de
eerste rechter en thans in hoger beroep neerlegden blijkt dat er effectief ook een
uitbatingsovereenkomst werd gesloten tussen de ee nmanszaak van de beklaagde
, met ingang van 1 juli 2019. Het hof twijfelt er op grond van de
resultaten van het strafonderzoek niet aan dat voor deze datum de uitbating eveneens al
en vervolgens de eenmanszaak van
plaatsvond via de eenmanszaak var
Hof van beroep Gent - zesde kamer ·
-p. 20
·. Waar zij dan ook de handelszaak uitbaatten deden zij dit via hun
eenmanszaak en niet als bestuurder van
Ten overvloede wijst het hof er nog op dat uit het strafdossier geenszins blijkt dat de
enige beslissing hebben genomen met
beklaagden
enig
betrekking tot de commerciële of financiële belangen van
gevolg zou hebben gegeven aan een overeenkomst of factuur die op haar naam werd
opgesteld maar betrekking had op de uitbating door de beklaagden
noch dat
. De beklaagde
ooit enige factuur
v zou hebben gestaan en stelt dat hij deze steeds
werd betaald die verkeerdelijk op
overmaakte aan de beklaagden
waarbij hij hen erop wees
dat zij het nodige moesten doen zodat dit niet meer gebeurde. Het tegendeel van zijn
verklaring blijkt geenszins uit het strafdossier. Het hof twijfelt niet aan de oprechtheid van
zijn verklaring.
ontkent dat door
Het hof verwijst voor het overige naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter
die het overneemt en tot de zijne maakt In zoverre niet in strijd met wat hierboven werd
uiteengezet.
Het is voor het hof dan ook niet afdoende bewezen dat de bekla agden
bij het uitbaten van de handelszaak
' handelden als bestuurder van
minstens bestaat hierover gerede twijfel die hen tot voordeel moet strekken. De
dan ook terecht
eerste rechter heeft de beklaagden
vrijgesproken voor de feiten van de telastlegging B zodat het bestreden vonnis op dat punt
wordt bevestigd.
6.2.2. Hebben de beklaagden
mededader subsidiefraude gepleegd? - telastlegging A
6.2.2.1. Algemeen
De drie beklaagden worden vervolgd voor het bekomen of behouden van een subsidie,
vergoeding of toelage als gevolg van een onjuiste of onvolledige verklaring in verband met
de aanvraag tot het bekomen of het behouden ervan, als volgt:
als dader of
de beklaagden
onterecht een corona hinderpremie aan te vragen en te verkrijgen terwijl deze
vennootschap niet beschikte over een publiek vrij toegankelijke locatie waardoor de
vennootschap geen recht had op deze premie (telastlegging Al);
de beklaagde
onterecht corona hinderpremies en
premies Vlaams Beschermingsmechanisme aan te vragen en te verkrijgen terwijl deze
vennootschap niet beschikte over een publiek vrij toegankelijke locatie waardoor de
vennootschap geen recht had op deze premies (telastlegging A2).
door voor
door voor
6.2.2.2. Met betrekking tot
- telastlegging Al
Hof van beroep Gent - zesde kamer -
-p. 21
6.2.2.2.1. Maakte de beklaagde
zich schuldig aan subsidiefraude voor
Het staat op basis van de gegevens van het strafdossier vast dat
van 14.080,00 euro ontving aan corona hinderpremie en dat deze door de beklaagde
een totaalbedrag
werd aangevraagd namens
Dit wordt geenszins betwist door de beklaagde
geen recht
Anders dan de beklaagde
kon laten gelden op deze corona hinderpremie en dat deze subsidie is bekomen door het
geven van onjuiste inlichtingen zodat hij zich wel degelijk schuldig maakte aan de feiten van
de telastlegging Al.
voorhoudt, oordeelt het hof dat
aangevraagde corona hinderpremie werd ingevoerd bij
De door de beklaagde
besluit van de Vlaamse Regering3. De besluiten van de Vlaamse Regering die betrekking
hadden op de coronamaatregelen wijzigden in de eerste periode regelmatig maar op het
de subsidie/corona hinderpremie aanvroeg gold het besluit van de
ogenblik dat
Vlaamse Regering van 20 maart 2020. Een niet gedateerde versie werd in het strafdossier
opgenomen maar de tekst van dit besluit kan ook via open bronnen worden geraadpleegd.
De moti~ven van de Vlaamse Regering voor het nemen van dit besluit worden vermeld in de
aanhef van het besluit: "De Vlaamse ondernemingen worden geconfronteerd met een
verplichte sluiting van hun zaak wegens de federale coronamaatregelen zoals beslist door de
Nationale Veiligheidsraad vanaf donderdag 12 maart 2020. De Vlaamse minister, bevoegd
voor de economie, wenst de ondernemingen die een vestiging in Vlaanderen hebben en
verplicht gesloten zijn ingevolge de coronamaatrege/en financieel te ondersteunen door het
toekennen van een forfaitaire subsidie en een sluitingspremie. 11
De financiële ondersteuning werd voorzien in de artikelen 4, 5 en 6 van het besluit waarvan
de voor het thans voorliggend dossier relevante onderdelen samengevat op het volgende
neerkwamen:
een forfaitaire subsidie van 4000,00 euro werd toegekend aan ondernemingen die alle
dagen verplicht gesloten waren als gevolg van de coronavirusmaatrege len, en waarbij
hun locatie gesloten was;
voor ondernemingen actief in de horecasector was het voldoende dat de gelagzaal
verplicht gesloten was;
een forfaitaire subsidie van 2000,00 euro werd toegekend aan ondernem ingen die in het
weekend verplicht gesloten waren en waarbij hun locatie gesloten was;
een bijkomende sluitingspremie werd toegekend aan ondernemingen die vanaf 6 april
2020 alle dagen of in het weekend verplicht gesloten waren als gevolg van de
3 Besluit van de Vlaamse Regering van 20 maart 2020 tot toekenning van steun aan ondernemingen die verplicht moeten
sluiten ten gevolge van de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad vanaf 12 maart 2020 inzake het
coronavirus
Hof van beroep Gent - zesde kamer -
• p. 22
coronavirusmaatregelen, en waarbij hun locatie gesloten was. Deze bijkomende
sluitingspremie bedroeg 160,00 euro per verplichte sluitingsdag die samenviel met een
normale openingsdag.
Op grond van artikel 1, 2° van voornoemd besluit staat het voor het hof vast dat de locatie
waarvan sprake in de hierboven vermelde bepalingen een voor het publiek toegankelijke
ruimte moest zijn. De coronavirusmaatregelen waarnaar In het besluit immers wordt
verwezen zijn de maatregelen "waardoor een ruimte waar prestaties geleverd worden aan
het publiek moet gesloten worden".
aan VLAIO in antwoord op enkele
Uit een e-mail van het boekhoudkantoor van
gevraagde bijkomende inlichtingen blijkt dat de gevraagde corona hinderpremie werd
werd uitgebaat. De
aangevraagd voor het handelsfonds dat door de beklaagde
beklaagde
niet meer
werd gebruikt om een handelszaak of horecazaak uit te baten en dat de horecazaak
werd uitgebaat door de beklaagden
vast dat:
verklaarde daarenboven op 19 mei 2020 dat
. Het staat dan ook
niet actief was in .de horecasector en de sluiting van de gelagzaal van
geenszins aanleiding kan zijn om de premie namens
aan te vragen;
die volgens de eigen verklaring geen handelszaak meer uitbaatte, niet over een
voor het publiek toegankelijke ruimte beschikte die als gevolg van de coronamaatregelen
moest gesloten worden . Uit het proces-verbaal met betrekking tot de visitatie blijkt
trouwens dat
slechts twee afgesloten en dus
niet voor publiek toegankelijke ruimtes op de eerste verdieping en de zolderverdieping
gebruikte als stockageruimte, terwijl er ook op het adres van de vestigingseenheid te
op het
geen publiek toegankelijke ruimte door
werd gebruikt.
verklaarde dat hij de corona hinderpremie aanvroeg omdat de
De beklaagde
deze premie volgens de voorwaarden niet
beklaagden
konden krijgen. Hij maakte echter niet aannemelijk waarom zij deze niet konden aanvragen,
laat staan dat dit feit een gevolg zou zijn van het feit dat zij de handelszaak uitbaatten als
gevolg van de tussen hen afgesloten overeenkomst. Ondanks het feit dat hieruit dus blijkt
dat de beklaagde
de voorwaarden voor het aanvragen van de premie kende,
dat hij wist dat
zelf geen handelszaak of horecazaak en dus geen voor het publiek
toegankelijke ruimte uitbaatte én dat hij wist dat de beklaagde
deze prem ie niet (meer) konden aanvragen voor het adres
deed hij
toch de aanvraag en verschafte hij op die manier wetens en willens foutieve informatie om
de premie te bekomen. Dit maakt het algemeen opzet uit dat voor de strafbaarheid van de
verweten subsidiefraude noodzakelijk is naast het feit dat hij
aan de beklaagde
onjuiste inlichtingen gaf voor het ontvangen of behouden van de coronapremies. Hij wist
met andere woorden dat hij onjuiste informatie gaf om coronapremies te ontvangen waarop
geen recht had en wilde deze handeling ook effectief stellen.
Hof van beroep Gent- zesde kamer -
, - p. 23
Dat hij de coronapremie compenseerde met de door de beklaagden
te betalen huur en dat hij bijgevolg geen kwade bedoelingen had,
ontneemt zijn handelingen hun strafbaar karakter niet. De eerste rechter verklaarde hem
bijgevolg terecht schuldig aan de feiten van de telastlegging Al.
6.2.2.2.2. Maakten de beklaagden
subsidiefraude voor
Waar ook de beklaagden
subsidiefraude namens
dat hun schu ld aan de feiten van de telastlegging A1 niet afdoende bewezen is.
als dader of mededader aan
worden vervolgd, oordeelt het hof net als de eerste rechter
zich schuldig aan
Deze beklaagden kunnen geenszins als dader van het misdrijf onder de telastlegging Al
worden
enige
beschouwd
bestuursverantwoordelijkheid in
droegen zodat het misdrijf gepleegd namens
aanvroegen
premies
noch
niet
de
nu
zij
hen niet kan worden toegerekend.
Om als mededader schuldig te kunnen worden verklaard aan het misdrijf moet in hoofde van
deze beklaagden sprake zijn van een deelnemingsopzet. Artikel 66, derde lid, van het
Strafwetboek stelt deelneming aan een misdaad of wanbedrijf strafbaar wanneer de
beklaagde door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp heeft verleend dat de misdaad of
het wanbedrijf zonder diens bijstand niet had kunnen worden gepleegd . Voor de toepassing
van deze bepaling is vereist dat de verstrekte hulp of bijstand wetens en willens werd
verleend en dat deze hulp of bijstand noodzakelijk is, zonder dat het daarbij van belang is of
die hulp of bijstand groot of klein is. Het is niet vereist dat deze deelnemingsgedraging
gericht is op alle constitutieve bestanddelen van het hoofdmisdrijf (vgl. Cass. 19 september
. Artikel 66 van het Strafwetboek vereist ook niet dat de deelnemer
2023,
voldoet aan dezelfde hoedanigheid als deze waaraan de hoofddader van een bepaald
misdrijf moet voldoen.
Strafbare deelnem ing vereist een deelnemingsopzet. Dit houdt in dat de deelnemer kennis
heeft van alle elementen die het kenmerk van een misdrijf verlenen aan de feiten waaraan
hulp of bijstand wordt verleend.
Het loutere feit dat de beklaagde
de corona hinderpremie op naam var
aanvroeg omdat de beklaagden
niet in de
voorwaarden waren om deze premie aan te vragen volstaat niet om de beklaagde
en/of de beklaagde
als mededader aan de subsidiefraude schuldig
te verklaren . Een positieve daad/handeling of een onthouding van deze beklaagden is
minstens noodzakelijk.
Volgens de beklaagde
hinderpremie namens
handelde hij evenwel bij het aanvragen van de corona
indien
op vraag van de beklaagde
, wat -
Hof van beroep Gent - zesde kamer·
-p. 24
bewezen - de positieve deelnemingsdaad zou kunnen uitmaken. Het hof stelt evenwel vast
dat daar waar de beklaagde
stelt te handelen op vraag van de beklaagde
, deze laatste, evenals de beklaagde
, betwist dat zij de vraag
hiertoe stelden.
·, dan wel
Bij gebrek aan objectieve elementen die de versie van de beklaagde
de verklaringen van de beklaagden
, bevestigen, kan het
hof slechts vaststellen dat de verklaringen tegenstrijdig zijn en dat er geen elementen
voorhanden zijn om de verklaring van de ene partij te verkiezen boven deze van de andere
verwijst naar het gegeven dat de
partij. Het loutere feit dat de beklaagde
geen premie meer konden aanvragen omdat
beklaagder
evenals het feit dat de premie werd
ze dit al deden voor hun uitbating op de
, maakt dat de verklaring van
gecompenseerd met de huur voor het pand op
de beklaagde
mogelijk waar is, maar daarentegen kan het hof niet uitsluiten
dat de beklaagden onderling over de moeilijkheden in het coronatijdperk hebben gesproken
evenals over de voorwaarden voor het aanvragen van subsidies waardoor de beklaagde
heeft willen helpen zonder
en
dat deze laatsten effectief instructies hebben gegeven om de premie aan te vragen laat
staan dat zij dit misdrijf hebben uitgelokt of eraan meegewerkt.
de beklaagden
De twijfel die aldus bestaat omtrent het bestaan van een deelnemingsopzet in hoofde van
de beklaagden
moet hen dan ook tot voordeel strekken,
zodat het bestreden vonnis wordt bevestigd waar het deze beklaagden eveneens heeft
vrijgesproken voor de feiten van de telastlegging A1.
- telastlegging A2
6.2.2.3. Met betrekking tot
moet zich onder de telastlegging A2 verantwoorden omdat hij op
De beklaagde
grond van onvolled ige of onjuiste informatie een corona hinderpremie en premies Vlaams
Beschermingsmechanisme aanvroeg namens
terwijl zijn vennootschap geen
recht kon laten gelden op deze premies omdat zij geen voor het publiek vrij toegankelijke
locat ie had.
De beklaagde betwist zijn schuld aan dit misdrijf. Vooreerst meent hij dat hij zich niet
persoonlijk schuld ig heeft gemaakt aan dit misdrijf omdat de aanvraag volgens hem door de
boekhouder gebeurde. Daarnaast betwist hij zijn schuld omdat
wel aan de
voorwaarden voldeed nu deze vennootschap beschikte over een voor het publiek
toegankelijke ru imte die moest sluiten als gevolg van de coronamaatregelen, met name een
feestzaal gelegen op de kelderverdieping op het adres
zowel
Het is naar het oordeel van het hof evenwel bewezen dat de beklaagde
onterecht een corona hinderpremie aanvroeg voor
als premies in het kader van
het Vlaams Beschermingsmechanisme. De eerste rechter verklaarde hem dan ook terecht
schuld ig aan de feiten va n de telastlegging A2 en dit om volgende redenen.
Hof van beroep Gent - zesde kamer -
-p. 2S
Wat de voorwaarden voor de corona hinderpremie betreft, verwijst het hof naar de
principes die hierboven in randnummer 6.2.2.2.1. werden uiteengezet met betrekking tot de
toepasselijke wetgeving en de noodzaak van een voor het publiek toegankelijke ruimte. Deze
principes zijn ook van toepassing op de aanvragen tot het bekomen van een corona
hinderpremie namens
De premies Vlaams Beschermingsmechanisme werden in het leven geroepen om tegemoet
te komen aan de nadelige gevolgen van een omzetdaling als gevolg van de
coronamaatregelen4. Enkel de ondernemingen die onder het toepassingsgebied vallen van
hetzij de corona hinderpremie, hetzij de corona compensatiepremie komen in aanmerking
voor de subsidie5. Om bijgevolg recht te kunnen laten gelden op de premies Vlaams
Beschermingsmechanisme moet de onderneming ook gerechtigd zijn op het bekomen van
een corona hinderpremie, wat bijgevolg enkel mogelijk Is voor de ondernemingen die over
een voor het publiek toegankelijke ruimte beschikken.
ine voldeed
aan deze voorwaarde gezien zijn
Volgens de beklaagde
vennootschap begin 2020 een evenementzaal aankocht gelegen
waarvan de
authentieke akte verleden is op 27 april 2020, maar die niet in gebruik kon worden genomen
door de coronamaatregelen. Hij legt wel degelijk de bewijzen van aankoop van deze ruimte
voor, zodat hieromtrent geen twljfel bestaat.
Op grond van de gegevens van het strafdossier blijkt evenwel niet dat deze ruimte ook
effectief als voor het publiek toegankelijke ruimte voor de uitbating van de voorziene
activiteit in aanmerking kan worden genomen, laat staan dat deze ooit daarvoor werd
gebruikt. Het hof betwijfelt niet dat het de bedoeling van
was om deze ruimte
voor commerciële doeleinden te gebruiken, maar daar waar uit het onderzoek naar voor
komt dat de ruimte zou worden gebruikt als feestzaal/evenementenzaal blijkt dat hiervoor
geen drankvergunning werd aangevraagd of afgeleverd en dat er geen (verplichte) melding
gebeurde van een voor het publiek toegankelijke inrichting bij de brandweer. Omwille van
dit laatste gegeven beschikte
volgens de onderzoekers bijgevolg niet over de
toestemming om een feestzaal of vergaderlocatie te exploiteren op dat adres. Bij gebrek aan
deze toestemming was deze ruimte op het ogenblik van de aanvragen voor de verschillende
coronapremies dan ook niet in gebruik voor de doeleinden die
voor ogen had,
en was deze geen publiek toegankelijke ruimte die als gevolg van de coronamaatregelen
gesloten was of een omzetdaling moest verwerken.
~ Zie aanhef Besluit van 7 augustus 2020 van de Vlaamse Regering betreffende het Vlaams Beschermingsmechanisme voor
ondernemingen die een omzetdaling hebben ten gevolge van de verstrengde coronavlrusmaatregelen genomen vanaf 29
juli 2020, tot wijziging van artikel 10 en 21 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juni 2020 inzake de corona
onderst euningspremie en tot wijziging van artikel 1 van en tot toevoeging van een bijlage aan het besluit van de Vlaamse
Regering van 29 mei 2020 inzake de corona handelshuurlenlng.
5 Artikel 5 van voornoemd besluit van 7 augustus 2020.
Hof van peroep Gent - zesde kamer ·
- p. 2.6
De argumenten van de beklaagde
in conclusie voor het hof zijn niet van aard
om het hof van het tegendeel te overtuigen. Dat er aan de inkorndeur een bordje met
telefoonnummer zichtbaar was, zoals hij zelf ook aantoont, neemt niet weg dat deze ruimte
geenszins kon gebruikt worden als evenementenzaal nu hiertoe geen toestemming was
bekomen. Ook de foto's van beweerde evenementen, waarvan het hof opmerl<t dat deze
niet gedateerd zijn en dus niet kunnen dienen als bewijs van gebruikt na de aankoop door
zijn niet van aard er anders over te oordelen. Zelfs indien deze evenementen
t ijdens de coronaperiode zouden hebben plaatsgevonden in de kelderruimte van
dan nog kan slechts worden vastgesteld dat deze ru imte werd gebruikt zonder over de
noodzakelijke vergunningen te beschikken. Het hof merkt dienaangaande trouwens op dat
de beklaagde
ook geenszins aannemelijk maakt dat hij wel over de nodige
vergunningen voor de uitbating van de ru imte als voor publiek toegankelijke ruimte
beschikt(e). Het is tot slot evenmin correct te stellen dat er volledige transparantie gegeven
werd met betrekking tot de vestiging waarvoor de premies werden aangevraagd. Aan VLAIO
werd
als
evenementenlocatie/feestzaal ging, maar op geen enkel ogenblik werd meegedeeld dat nog
geen vergunningen werden aangevraagd/bekomen om deze activiteit werkelijk te kunnen
uitoefenen, zodat wel degelijk belangrijke informatie bij de aanvraag werd verzwegen.
immers meegedeeld
startende
activiteit
een
het
dat
om
Dat de besluiten van de Vlaamse Regering niet zouden vooropstellen dat de vestiging met
alle administratieve regelgeving volledig in orde moet zijn alvorens de premies aan te
vragen 1 zodat het ontbreken van de vereiste vergunningen geen beletsel is om de premies
in conclusies poneert, wordt door het hof
aan te vragen, zoals de beklaagde
niet bijgetreden. De premies kunnen slechts aangevraagd worden wanneer er een ruimte is
waar prestaties geleverd worden aan het publiek. Dergelijke prestaties kunnen slechts
geleverd worden In zoverre aan alle administratieve regelgeving voldaan is, bij gebrek
waaraan de ruimte niet voor het publiek mag gebruikt worden. Het gaat niet op een ruimte
illegaal voor prestaties aan het publiek te gebruiken en vervolgens steunmaatregelen te
verwachten wanneer deze illegale prestaties niet kunnen doorgaan of een omzetdaling
kennen door coronamaatregelen.
Het staat bijgevolg vast dat de door
aangevraagde premies vermeld in de
telastlegging A2 ten onrechte werden bekomen en dit op grond van onjuiste inlichtingen .
Het loutere feit dat aan VLAIO werd meegedeeld dat de activiteit niet kon opgestart worden
omwille van de coronamaatregelen, neemt niet weg dat in elk geval werd voorgehouden dat
de ruimte voor publiek toegankelijk was wat in werkelijkheid door het ontbreken van de
vereiste vergunningen niet het geval was.
Dit misdrijf is in elk geval toerekenbaar aan de beklaagde
als bestuurder van
De beklaagde kan de verantwoordelijkheid voor het geven van de foutieve
informatie bij de subsidieaanvraag niet doorschuiven naar zijn boekhouder die blijkens de
gegevens van het strafdossier de aanvragen namens
indiende. Als zaakvoerder
van een vennootschap berust op hem de plicht om toezicht uit te oefenen op de aanvragen
Hof van beroep Gent • zesde kamer -
• p. 27
die zijn boekhouder namens zijn vennootschap doet. Nu hij toeliet dat zijn boekhouder de
aanvragen toch indiende staat vast dat hij nagelaten heeft zich van zijn taken te kwijten,
bewust nagelaten heeft kennis te nemen van de informatie die bij de subsid ieaanvraag werd
meegedeeld.
had naar het oordeel van het hof dan ook kennis van de onjuiste
De beklaagde
informatie die werd verstrekt bij het aanvragen van de subsidies, minstens moest hij hiervan
kennis hebben, en heeft niettegenstaande deze kennis toegelaten dat de aanvragen namens
zijn vennootschap werden ingediend. Het vereiste opzet voor de strafbaarheid is bijgevolg
eveneens aanwezig. De eerste rechter heeft hem dan ook terecht schuldig verklaard aan de
feiten van de telastlegging A2.
7. De straftoemeting
De bewezen feiten van de telastleggingen Al en A2 de beklaagde
te last gelegd
zijn de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet en maken
aldus slechts één misdrijf uit waarvoor deze beklaagde slechts één straf dient te worden
opgelegd.
Bij het bepalen van straf en strafmaat houdt het hof rekening met de aard, de objectieve
ernst en de omstandigheden waarin de feiten werden gepleegd, alsook met de persoon van
de beklaagde. Het hof houdt tevens rekening met de doelen van de bestraffing zoals bepaald
in artikel 7 van het Strafwetboek, zoals gewijzigd bij wet van 18 juli 2025 houdende
maatregelen met het oog op de vermindering van de overbevolking in de gevangenissen en
tot invoering van de principiële onmogelijkheid om het elektronisch toezicht uit te voeren op
de plaats waar het slachtoffer verblijft (B.S. 4 augustus 2025, in werking getr eden op 4
augustus 2025) dat ingevolge artikel 2 van het Strafwetboek als mildere strafwet van
toepassing is.
De door de beklaagde
gepleegde misdrijven mogen niet geminimaliseerd
worden. Deze beklaagde vroeg voor twee van zijn vennootschappen meermaals subsidies
aan op basis van onjuiste gegevens en behield deze subsidies zodat de vennootschappen
waarvan hij zaakvoerder was zich onterecht gelden toe-eigenden van de overheid, en dus
van de gemeenschap van burgers. De coronapremies die zijn vennootschappen verkregen
werden uitgereikt naar aanleiding van een ernstige gezondheidscrisis die ons land en heel de
wereld in zijn greep hield. Hij maakte op een cynische en egoïstische wijze misbruik van deze
situatie.
is
De beklaagde
jaar. Volgens de stukken van het strafdossier Is hij
alleenstaande. In conclusie stelt de beklaagde dat hij samenleeft met zijn partner en uit zijn
eerste huwelijk drie kinderen heeft. Uit de wettelijke informatie gevoegd aan de dagvaarding
blijkt dat deze kinderen allen al meerderjarig zijn. De beklaagde stelt daarenboven dat hij
een hardwerkende zelfstandige is die uit een familie van zelfstandigen komt, zeven dagen op
zeven werkt, reeds gans zijn leven zelfstandig is en op dit ogenblik nog altijd zaakvoerder is
Hof van beroep Gent - zesde kamer -
,- p. 28
van meerdere vennootschappen. Hij brengt tevens bewijs voor dat hij de onterecht
ontvangen coronapremies ondertussen al heeft terugbetaald.
Deze beklaagde geniet geen blanco strafblad. Zijn strafregister wordt ontsierd door vijf
veroordelingen voor verkeersgerelateerde misdrijven en door één correctionele
veroordeling voor intrafamiliaal geweld. Als gevolg van deze laatste veroordeling tot een
gevangenisstraf van een jaar kan hij geen gewoon uitstel meer genieten.
De beklaagde verzocht ondergeschikt - voor zover hij niet vrijgesproken zou worden - om
hem slechts eenvoudig schuldig te verklaren omdat de redelijke termijn in strafzaken
overschreden is en onder verwijzing naar artikel 27 van de Voorafgaande Titel va n het
Wetboek van Strafvordering.
Het hof is het met de beklaagde eens dat de redelijke termijn in strafzaken is geschonden,
waardoor art. 14.3, aanvang en C van het Internationaal Verdrag Inzake burgerrechten en
politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 (B.S. , 6 juli 1983) is
geschonden en de redelijke termijn, bedoeld in art. 6.1 EVRM is overschreden.
Vooreerst geldt dit al t ijdens de onderzoeksfase. Het onderzoek werd immers in twee fases
gevoerd. Nadat er in de loop van 2019 enkele controles waren geweest in de handelszaak
', werd op 10 december 2019 een visitatie uitgevoerd met enkele opvolgende
onderzoeken, voornamelijk gericht op de schending van het beroepsverbod door de
beklaagden
, in het kader waarvan de beklaagde
werd verhoord op 19 mei 2020. Hij werd die dag zowel verhoord met betrekking tot
de schending van het beroepsverbod als met betrekking tot eventuele subsidiefraude. Deze
datum is dan ook de startdatum voor de beoordeling van de redelijke termijn.
Na zijn verhoren gebeurden er in de loop van 2020 nog enkele onderzoeksdaden waarna het
onderzoek stilviel tot het kantschrift van 25 april 2023 van het openbaar ministerie om de
te verhoren. Dit kantschrift dateert van bijna
beklaagden
drie jaar na het verhoor van de beklaagde en meer dan twee jaar na het afsluiten op 15
januari 2021 van het proces-verbaal
betreffende de laatste
onderzoeken. Wat het onderzoek naar de subsidiefraude betreft, bl ijkt dit pas gereactiveerd
te zijn naar aanleiding van een e-mail van 28 maart 2023 van het openbaar ministerie aan
VLAIO, dit is bijna drie jaar na het verhoor van de beklaagde. Deze lange stilstand tijdens de
onderzoeksfase is niet te wijten aan de beklaagde en is evenmin redelijk verantwoord.
Op 2 oktober 2023 werd de beklaagde
gedagvaard voor de eerste rechter
waarna de zaak voor de eerste rechter een normaal verloop kende met de tussenkomst van
tekende hoger beroep
het bestreden vonnis op 8 februari 2024. De beklaagde
aan op 5 maart 2024 waarna hij pas op 19 februari 2025 werd gedagvaard om te verschijnen
voor het hof op 8 april 2025. Na de inleiding kende de procedure andermaal een normaal
verloop met uitspraak op heden.
Hof van beroep Gent - zesde kamer -
,-p. 29
Als gevolg van de zeer lange stilstand in de onderzoeksfase en de stilstand in de periode
tussen het aantekenen van het hoger beroep en de inleiding in hoger beroep Is er
ondertussen bijna zes jaar verstreken sinds de beklaagde voor het eerst werd verontrust en
geconfronteerd werd met de dreiging van een strafvervolging. Deze lange duur is niet te
wijten aan de beklaagde noch is de zaak dermate complex of omvangrijk dat deze termijn te
verantwoorden is. Het hof is daarom van oordeel dat de redelijke termijn voor het
beslechten van de strafvordering wel degelijk overschreden is.
De hierboven vermelde verdragsbepalingen geven echter niet aan welke gevolgen het hof
dient te verbinden aan deze vaststelling.
Krachtens art. 27 V.T.Sv. kan de rechter als passend rechtsherstel een straf onder de
wettelijke minimumstraf uitspreken, zich beperken tot de veroordeling bij eenvoudige
schuldigverklaring of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn het
verval van de strafvordering uitspreken. Deze bepaling sluit een meer of minder vergaand
rechtsherstel niet uit. De rechter kan dus ook een straf uitspreken die bij wet is bepaald,
maar die op een reële en meetbare wijze lager is dan die welke hij had kunnen opleggen
indien hij de overdreven duur van de rechtspleging niet had vastgesteld. Hierbij merkt het
hof op dat de toe te passen strafvermindering niet moet worden beoordeeld in het licht van
de door de eerste rechter uitgesproken straf.
Het staat vast dat de redelijke termijn substantieel overschreden is. Naast de overschrijding
van de redelijke termijn staat ook vast dat de feiten al dateren van bijna zes jaar geleden.
Het is aan het hof niet bekend dat de beklaagde
nadien nog (gelijkaardige)
strafbare feiten zou hebben gepleegd. Daarenboven blijkt dat de beklaagde al is overgegaan
tot terugbetaling van de onterecht ontvangen coronapremies. Waar de schending van de
redelijke termijn niet dermate zwaarwichtig is dat deze tot het verval van de strafvordering
aanleiding zou moeten geven is zij naar het oordeel van het hof wel van die aard dat het, ook
rekening houdend met voormelde elementen, niet meer opportuun noch redelijk zou zijn de
beklaagde een bestraffing op te leggen voor de bewezen feiten van de telastleggingen Al en
A2, zodat het hof oordeelt dat het volstaat de beklaagde eenvoudig schuldig te verklaren.
Het bestreden vonnis wordt in die zin gewijzigd.
Wanneer de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring wordt uitgesproken, wordt de
verdachte veroordeeld in de kosten en, zo daartoe aanleiding bestaat, tot teruggave. Ook de
bijzondere verbeurdverkla ring wordt uitgesproken6
.
De bijzondere verbeurdverklaring van onterecht bekomen subsidies is verplicht op grond van
artikel 4 van het Koninklijk Besluit van 13 mei 1933. Deze subsidies zijn de
ve rmogensvoordelen die voortvloeien uit de misdrijven van de telastleggingen A1 en A2.
Voor de verbeurdverklaring is het niet vereist dat deze zijn toegetreden tot het vermogen
6 Artikel 27 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering
Hof van beroep Gent - zesde kamer -
,-p. 30
van de beklaagde. De beklaagde moet er geen voordeel uit gehaald hebben of zichzelf er
niet mee verrijkt hebben.
Evenwel belet de verplichte verbeurdverklaring op grond van het Koninklijk Besluit van 13
mei 1999 niet dat de rechter toepassing maakt van de matigingsbevoegdheid hem verleend
bij artikel 43bis van het Strafwetboek om de beklaagde geen kennelijk onredelijke straf op te
ondertussen de onterecht ontvangen
leggen. Aangezien de beklaagde
coronapremies vermeld in de telastleggingen Al en A2 heeft terugbetaald aan de Vlaamse
overheid zou het kennelijk onredelijk zijn
integrale
verbeurdverklaring van dit bedrag uit te spreken. Om die reden en als remediëring van de
overschrijding van de redelijke termijn, oordeelt het hof dat het niet langer opportuun
voorkomt tot verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen voortvloeiend uit de
telastleggingen Al en A2 over te gaan. Het bestreden vonnis wordt in die zin gewijzigd.
thans ook nog eens de
Aangezien de onterecht ontvangen subsidies zijn toegekomen op rekening van de beide
vennootschappen en deze bij de bedrijfsvoering werden aangewend, zijn deze niet in het
persoonlijk bezit van de beklaagde gekomen en kan de teruggave niet worden bevolen. Het
bestreden vonnis wordt ook in die zin gewijzigd.
8. De gerechtskosten, de vergoeding, de bijdragen en de overtuigingsstukken
8.1.
De eerste rechter besliste ten aanzien van de beklaagde
correct over de
bijdrage aan het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de
occasionele redders. Deze beslissing is te bevestigen. Aangezien de beklaagde evenwel
eenvoudig schuldig wordt verklaard en dit geen veroordeling tot een criminele of
correctionele hoofdstraf inhoudt, kan de beklaagde niet langer tot deze bijdrage worden
veroordeeld. Het bestreden vonnis wordt in die zin gewijzigd.
8.2.
tot betaling van de vaste
De beslissing over de veroordeling van de beklaagde
vergoeding voor gerechtskosten in strafzaken is correct, weze het dat deze vergoeding
ingevolge indexering thans 61,01 euro bedraagt (cf. Omzendbrief 131/12 van 9 januari 2025
over de indexering van de tarieven van de gerechtskosten in strafzaken en de gelijkgestelde
kosten, BS 9 januari 2025 ).
8.3.
werd door de eerste rechter terecht verplicht tot het betalen van
De beklaagde
de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedel ijnsbijstand die, ingevolge
indexatie, thans bepaald wordt op 26,00 euro (art. 4, § 3 en art. 5 van de wet van 19 maart
2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweede lijnsbijstand).
8.4.
Hof van beroep Gent - zesde kamer
-p. 31
De eerste rechter besliste ten aanzien van de beklaagde
correct over de
gerechtskosten. De eerste rechter besliste tevens terecht dat de kosten voor de procedure in
ten laste
eerste aanleg met betrekking tot de beklaagder
van de Belgische Staat dienen te blijven.
moet ook worden veroordeeld tot de kosten gevallen in hoger
De beklaagde
beroep aan de zijde van het openbaar ministerie wat de strafvordering lastens hem betreft.
De kosten in hoger beroep die betrekking hebben op de beklaagden
dienen eveneens ten laste van de Belgische Staat te worden gelegd.
8.5.
De eerste rechter oordeelde correct over de overtuigingsstukken.
9. Ambtshalve aanhouden burgerlijke belangen
De eerste rechter hield terecht de burgerlijke belangen ambtshalve aan aangezien er
mogelijk burgerlijke belangen zijn die niet in staat van wijzen zijn.
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikelen vermeld in het bestreden vonnis, hoger in huidig arrest, en de artikelen:
24 e.v. van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
2, 7 (zoals gewijzigd bij wet van 18 juli 2025), 42, 3°, 43bis en 65, lid 1 van het
Strafwetboek,
2, §2 en §4 en 4 van het kon inklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de
verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, zoals
gewijzigd bij de Wet van 7 juni 1994,
4 en 27 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering,
162, 194, 195, 210, 211 en 212 van het Wetboek van Strafvordering,
-
Verklaart elk hoger beroep tegen het vonnis van 8 februari 2024 ontvankelijk.
En beslissend binnen de perken van de beroepen en de grieven:
verbetert de telastlegging A door de vermeldingen "artikel 2, §§ 3 en 4 van het KB van 31
mei 1933" te wijzigen door "artikel 2, §§ 2 en 4 van het KB van 31 mei 1933",
Met betrekking tot de beklaagde
Bevestigt het bestreden vonnis.
Hof van beroep Gent - zesde kamer·
-p. 32
Laat de kosten gevallen in hoger beroep aan de zijde van het openbaar ministerie wat deze
beklaagde betreft ten laste van de Belgische Staat.
Met betrekking tot de beklaagde
Bevestigt het bestreden vonnis.
Laat de kosten gevallen in hoger beroep aan de zijde van het openbaar ministerie wat deze
beklaagde betreft ten laste van de Belgische Staat.
Met betrekking tot de beklaagde
Wijzigt het bestreden vonnis als volgt:
verklaart de beklaagde
schuldig aan de feiten van de telastleggingen Al en A2.
Spreekt voor de bewezen feiten van de telastlegging Al en A2 voor de beklaagde
de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uit.
Legt de beklaagde
als vergoeding voor de kostprijs van het verloop van de strafprocedure,
de verplichting op om een bedrag van 61,01 euro te betalen
Veroordeelt de beklaagde
het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
tot het betalen van een bijdrage van 26,00 euro aan
Stelt de overtuigingsstukken op de griffie neergelegd onder nummers 2020 00 122 en 2020
00123 ter beschikking van het openbaar ministerie.
Veroordeelt de beklaagde
van het openbaar ministerie, wat deze beklaagde betreft begroot op 34,98 euro.
tot de kosten gevallen in eerste aanleg aan de zijde
Veroordeelt de beklaagde
van het openbaar ministerie, wat deze beklaagde betreft begroot op 131,25 euro.
in de kosten gevallen in hoger beroep aan de zijde
Houdt de burgerlijke belangen ambtshalve aan.
Hof van beroep Gent - zesde kamer•
- p. 33
kosten eerste aanleg : 31,80 (dagv. 3° B) t 3,18 (10%) = 34,98
kosten beroep:
afschriften
opstelrecht beroep
dagvaardingen
subtotaal
+10%
Tota al
Aldus gewezen door
45,00
6,00
35,00
33,32
119,32
11,932
131,25
en bijgestaan doe
kamervoorzitter,
raadsheer,
raadsheer,
griffier.
en na ondertekening door dhlz:en'tiitgesproken in openbare terechtzitting van 13 januari
2026
kamervoorzitter,
door
in aanwezigheid van
substituut-procureur des Kon ings,
gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden bij het parket Oost-Vlaanderen, aangesteld bij beschikking van
de Procureur-Generaal van 24 november 2023 om het ambt van Openbaar Ministerie tijdelijk waar te
nemen bij het parket van het hof van beroep te Gent
en bijgestaan door
griffier.
i,