ADB:raad-van-state-brussel-15-01-2026-0
Beslissingsdetails
🏛️ Raad van State Brussel
📅 2026-01-15
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
Natuur en Bos
Ruimtelijke Ordening
Geciteerde wetgeving
decreet van 21 oktober 1997; decreet van 21 oktober 1997; decreet van 21 oktober 1997; decreet van 21 oktober 1997
Samenvatting
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK In zake : VIIe KAMER A R R E S T nr. in de zaak van 15 januari 2026 1. 2. 3. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoo...
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
In zake :
VIIe KAMER
A R R E S T
nr.
in de zaak
van 15 januari 2026
1.
2.
3.
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij:
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
,
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1.
Het beroep,
ingesteld op 21 mei 2024, strekt
tot de
nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en
Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 12 maart 2024 tot goedkeuring
van de eerste wijziging van het natuurbeheerplan type 3 en 4 en uitbreiding van de
erkenning als natuurreservaat van
met registratienummer
.
II. Verloop van de rechtspleging
2.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend
en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
Met een verzoekschrift van 8 augustus 2024 heeft
, gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen.
Eerste auditeur
heeft op 29 november 2024
een verslag opgesteld.
De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van het
geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de
tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 8 mei 2025.
Staatsraad
heeft verslag uitgebracht.
Advocaat
die loco advocaat
verschijnt
voor de verzoekers, advocaat
, die loco advocaat
verschijnt voor de verwerende partij en advocaat
, die loco advocaten
en
verschijnt
voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur
heeft advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1.
Bij ministerieel besluit van 12 september 2005 wordt het
natuurreservaat
grondgebied van
’, gelegen op het
, erkend.
Het erkend natuurreservaat wordt vervolgens bij ministerieel
besluit van 16 mei 2014 uitgebreid.
3.2.
Met een besluit van de Vlaamse minister van Justitie en
Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 20 december 2019 wordt de
naam van het erkend natuurreservaat
gewijzigd in
. Tegelijk wordt het erkend natuurreservaat opnieuw
uitgebreid met een totale oppervlakte van ongeveer 45 ha en wordt een aangepast
visiegebied vastgesteld.
3.3.
Op 8 december 2021 keurt het hoofd van de afdeling Adviezen,
Vergunningen, Erkenningen en Subsidies (AVES) van het Agentschap voor Natuur
en Bos de omzetting goed van het beheerplan van het erkend natuurreservaat naar
een natuurbeheerplan type 4.
3.4.
Met het thans bestreden besluit van 12 maart 2024 hecht de
Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme
haar goedkeuring aan de uitbreiding van het natuurreservaat ‘
’ en de
wijziging van het bijhorende natuurbeheerplan.
IV. Tussenkomst
4.
Bijgevolg moet het verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd.
, heeft belang bij de uitkomst van het beroep.
V. Ontvankelijkheid van het beroep
Belang van de verzoekers
Standpunt van de partijen
5.
De verwerende partij werpt op dat de verzoekers niet beschikken
over het rechtens vereiste belang bij het annulatieberoep. Zij wijst erop dat door de
bestreden beslissing de oppervlakte van het natuurbeheerplan wordt uitgebreid van
63,98 ha naar 129,89 ha. Het vaststellen en het wijzigen van een natuurbeheerplan
brengt mee dat de beheerder van het natuurreservaat beheermaatregelen dient uit
te voeren, voor zover het Vlaamse Gewest haar financieringsverbintenis nakomt
(artikel 16novies, § 1, eerste en tweede lid, van het decreet van 21 oktober 1997
‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: het natuurdecreet
van 21 oktober 1997)), de overname van het beheer bindend is voor de overnemer
en aan het Agentschap voor Natuur en Bos moet gemeld worden (artikel 16novies,
§ 1, vierde en vijfde lid, van het natuurdecreet van 21 oktober 1997), een
informatieplicht voor de instrumenterende ambtenaar geldt bij de overdracht van
het zakelijk recht op de deelnemende percelen (artikel 16novies, § 2, van het
natuurdecreet van 21 oktober 1997) en er sancties kunnen opgelegd worden bij
niet-uitvoering of afwijkingen zonder toestemming (artikel 16decies van het
natuurdecreet van 21 oktober 1997). Aldus creëert de bestreden beslissing
rechtsgevolgen voor de beheerder en de toekomstige beheerder(s) van het gebied.
Voorts wijst zij erop dat de betrokken percelen van de verzoekers enkel opgenomen
worden in het globaal kader, maar geen deel zullen uitmaken van het
natuurreservaat. De opname van de percelen van de verzoekers in het globale kader
bij het natuurbeheerplan is niet meer dan een uitdrukking van de beheerder dat hij
op lange termijn een bepaald natuurstreefdoel wil bereiken. Het feit dat de
beheerder krachtens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van
14 juli 2017 ‘betreffende de subsidiëring van de planning, de ontwikkeling en de
uitvoering van het geïntegreerd natuurbeheer’ in aanmerking komt voor subsidies,
laat onverlet dat de verzoekers akkoord moeten gaan met de verkoop van hun
gronden vooraleer eventuele subsidies kunnen worden
toegekend. De
aankoopsubsidies gaan evenmin gepaard met een voorkooprecht.
Aan de opname van percelen in een gebied, zoals een
visiegebied, dat geen onderdeel is van het natuurreservaat of de uitbreidingszone
zijn ook geen rechtsgevolgen verbonden, zo betoogt de verwerende partij. Evenmin
kunnen de verzoekers gevolgd worden waar zij stellen dat het natuurbeheerplan
een voorafname zou zijn van een toekomstige bestemmingswijziging. De bestreden
beslissing kan ook niet worden beschouwd als een beleidsmatig gewenste
ontwikkeling waardoor negatieve gevolgen voor de vergunningverlening zouden
ontstaan. De opname in een globaal kader heeft echter geen directe gevolgen voor
een gebeurlijke toekomstige vergunningverlening. De verzoekers duiden daarbij
op de vermeende relevantie van ruimtelijke structuurplannen als beleidsmatig
gewenste ontwikkelingen. Zij vergeten dat een ruimtelijk structuurplan een
instrument is van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) dat niet te
vereenzelvigen is met een natuurbeheerplan en al zeker niet met het globaal kader
van een natuurbeheerplan. In zoverre de verzoekers poneren dat de opname in het
globale kader bij het natuurbeheerplan leidt tot een strengere beoordeling van de
natuurtoets
in het kader van vergunningsaanvragen, gaat het over een
hypothetische en indirecte benadeling.
In de mate de verzoekers vrezen op termijn niet langer omringd
te zijn door andere landbouwgebieden, met alle gevolgen van dien voor de
beoordeling van toekomstige vergunningsaanvragen, is er volgens de verwerende
partij eveneens sprake van een hypothetische benadeling. Immers wordt niet
aannemelijk gemaakt dat de beheerder van het natuurreservaat in de toekomst
effectief zal overgaan tot een massale aankoop van de landbouwpercelen die
gelegen zijn in hun omgeving. De opname van de percelen in het globaal kader
impliceert niet dat de verzoekers in de toekomst geen inspraak meer zouden hebben
in geval het natuurreservaat wordt uitgebreid of het natuurbeheerplan wordt
gewijzigd. Tot slot kunnen zij geen wettig belang putten uit het argument dat zij in
de toekomst strenger bestraft zullen worden bij het plegen van een milieumisdrijf.
6.
De tussenkomende partij sluit zich in essentie aan bij de exceptie
die door de verwerende partij wordt ontwikkeld. Van haar kant benadrukt zij dat
de goedkeuring van een natuurbeheerplan geen gevolgen heeft voor de
mogelijkheden tot vergunningverlening. Die rechtsgevolgen situeren zich enkel op
het vlak van (i) de wederkerigheid van de verplichting van de beheerder van het
natuurreservaat om de beheermaatregelen uit
te voeren
indien de
financieringsverbintenis in hoofde van de overheid wordt nageleefd, (ii) het
bindend karakter van het goedgekeurd natuurbeheerplan voor alle opeenvolgende
beheerders van het gebied, (iii) de sancties die door het Agentschap voor Natuur
en Bos kunnen worden genomen indien de beheermaatregelen niet of niet correct
worden uitgevoerd waardoor de realisatie van de beheerdoelstellingen in het
gedrang zou komen en (iv) de toepassing van het standstill-beginsel om verdere
achteruitgang van het milieu tegen te gaan ook na het verstrijken van de termijn
van elk beheerplan. Bovendien benadrukt zij dat een natuurbeheerplan geen
toetsingsgrond voor vergunningsaanvragen vormt. Voorts wijst de tussenkomende
partij erop dat het globaal kader te onderscheiden is van het natuurbeheerplan
type 4; percelen gelegen in het globaal kader ondervinden door deze aanwijzing
geen rechtstreekse rechtsgevolgen en deze opname heeft enkel een indicatieve
waarde die later een rol kan spelen bij het verlenen van aankoopsubsidies. De
opname van een perceel in het globaal kader betekent geenszins dat het erkende
natuurreservaat met deze percelen zal worden uitgebreid. Evenmin vormt een
natuurbeheerplan een
toetsingsgrond voor de opmaak van
ruimtelijke
uitvoeringsplannen.
In zoverre de verzoekers in hun uiteenzetting doelen op artikel
12, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2017 ‘betreffende de
natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservaten’ (hierna: besluit van de
Vlaamse regering van 14 juli 2017) voorziet deze bepaling erin dat de beperkte
procedure kan worden gevolgd wanneer een aantal onderdelen van het
natuurbeheerplan niet wijzigen. Deze bepaling zegt dus niet dat elke uitbreiding
van het natuurreservaat naar percelen die reeds binnen het globaal kader zijn
gelegen per definitie via de beperkte procedure kan gebeuren. Bovendien kan een
perceel enkel binnen een natuurbeheerplan worden opgenomen met het akkoord
van de eigenaar, de mede-eigenaars of de houders van andere zakelijke rechten op
het perceel in kwestie. Er moet dan ook worden besloten dat de aanduiding binnen
de situering ‘globaal kader’ op zich genomen geen rechtsgevolgen met zich
meebrengt voor de betrokken percelen.
7.
In hun memorie van wederantwoord herhalen de verzoekers dat
met de opname van nieuwe percelen in het globaal kader de bedoeling wordt
uitgedrukt om op termijn het erkend natuurreservaat met deze percelen uit te
breiden en er een aantal natuurwaarden te realiseren. Overigens achten zij de
gewenste ontwikkeling naar natuurreservaat strijdig met het natuurdecreet dat
beperkingen oplegt voor de erkenning als natuurreservaat van percelen die een
(landschappelijke waardevolle) agrarische bestemming hebben.
Volgens de verzoekers heeft de verwerende partij zich ertoe
verbonden om de in het natuurbeheerplan omschreven beleidsmatig gewenste
ontwikkeling na te leven. Daardoor zullen toekomstige vergunningsaanvragen
strenger beoordeeld worden gelet op de ligging in een globaal kader type 4. Het
gevolg is dat de landbouwpercelen die vallen onder de goedgekeurde gewenste
ontwikkeling in waarde zullen dalen. Tot slot herhalen de verzoekers dat zij geen
inspraak meer zullen hebben wanneer een perceel dat behoort tot het globaal kader
in het natuurreservaat wordt opgenomen.
Beoordeling
8.
Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde
wetten op de Raad van State kunnen de beroepen tot nietigverklaring voor de
afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken
van een benadeling of van een belang.
Een verzoekende partij beschikt over het rechtens vereiste belang
indien zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk,
rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijdt en tegelijk dat de eventueel tussen
te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk
voordeel verschaft, hoe miniem ook. Het belang als ontvankelijkheidsvoorwaarde
verbiedt beroepen die een zuiver symbolische vernietiging beogen of die enkel
strekken tot het vernietigen in het belang van de wet, zonder dat de verzoekende
partij enig voordeel, hoe miniem ook, kan halen uit die nietigverklaring.
9.
Er wordt niet betwist dat een aantal percelen van de verzoekers
door de bestreden beslissing worden opgenomen in het globaal kader van het
natuurbeheerplan van het erkend natuurreservaat
’ dat wordt uitgebreid
met een oppervlakte van circa 54 ha.
10.
Naar luid van artikel 16bis, § 1, eerste lid, van het natuurdecreet
van 21 oktober 1997 kan voor een terrein dat beheerd wordt of zal worden ten
behoeve van het natuurbehoud een natuurbeheerplan worden opgemaakt.
Natuurbehoud wordt in artikel 2, 10°, van hetzelfde decreet omschreven als “het
instandhouden, herstellen en ontwikkelen van de natuur en het natuurlijk milieu
door natuurbescherming, natuurontwikkeling en natuurbeheer en het streven naar
een zo groot mogelijke biologische diversiteit in de natuur en naar een gunstige
staat van instandhouding van habitats en soorten”. Luidens artikel 16bis, § 1,
tweede lid, van het natuurdecreet van 21 oktober 1997 bevat een natuurbeheerplan
een beschrijving van de bestaande toestand, een globaal kader voor de ecologische,
de
sociale en de economische
functie, de beheerdoelstellingen, de
beheermaatregelen die genomen zullen worden om de beheerdoelstellingen te
realiseren en de wijze waarop de realisatie van de beheerdoelstellingen wordt
opgevolgd en geëvalueerd. Een natuurbeheerplan type vier heeft volgens artikel
16ter, § 1, 4°, van hetzelfde decreet betrekking op het beheer van een erkend
natuurreservaat.
11.
Anders dan de verwerende partij en de tussenkomende partij het
zien, kunnen de verzoekers een persoonlijk belang laten gelden bij de
nietigverklaring van de bestreden beslissing, ook al bestaat de draagwijdte van deze
beslissing er niet in dat de betrokken percelen worden toegevoegd aan het erkend
natuurreservaat zelf. Op grond van de aangehaalde bepalingen van het
natuurdecreet van 21 oktober 1997 kunnen de verzoekers immers terecht vrezen
dat de opname van hun percelen in het globaal kader van het erkend natuurreservaat
op termijn de basis kan vormen voor een aantasting van de (normale) agrarische
gebruiksmogelijkheden van deze percelen. Bovendien kan niet volledig worden
uitgesloten dat de ecologische visie die in een globaal kader wordt uitgedrukt
omtrent de vooropgestelde doelstellingen van het natuurbeheer en de verdere
ontwikkeling van het erkend natuurreservaat, op termijn in de weg staat van het
verlenen van vergunningen die door de verzoekers aangevraagd zouden worden
voor de uitbreiding of de verdere exploitatie van hun landbouwbedrijf.
De omstandigheid dat met de bestreden beslissing geen wettelijk
voorkooprecht wordt geactiveerd, doet aan voormelde vaststellingen geen afbreuk.
Hetzelfde geldt voor het feit dat de bestemming of de gebruiksmogelijkheden van
de betrokken percelen niet onmiddellijk worden gewijzigd of aangetast vanaf de
opname ervan in het globaal kader, en voor het feit dat thans nog geen zekerheid
bestaat over de realisatie van een verdere uitbreiding van het erkend
natuurreservaat ‘Markvallei’ die alleszins de medewerking zou vereisen van de
houders van zakelijke rechten op de desbetreffende percelen.
12.
De excepties worden verworpen.
VI. Heropening van het debat
13.
Aangezien het verslag van de auditeur beperkt is tot het
onderzoek van de voormelde excepties, is er aanleiding tot een aanvullend
onderzoek.
BESLISSING
1. Het verzoek van de vzw Natuurpunt Beheer, vereniging voor natuurbeheer
en landschapszorg in Vlaanderen, tot tussenkomst wordt ingewilligd.
2. De Raad van State heropent het debat.
3. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aan te stellen lid
van het auditoraat met een aanvullend onderzoek van de zaak.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien januari tweeduizend zesentwintig,
door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
staatsraad, waarnemend voorzitter,
bijgestaan door
,
,
staatsraad,
staatsraad,
griffier.
De griffier
De voorzitter