ADB:raad-van-state-brussel-15-01-2026-1
Beslissingsdetails
šļø Raad van State Brussel
š
2026-01-15
š NL
Arrest
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
decreet van 21 oktober 1997; decreet van 21 oktober 1997; wet van 8 augustus 1980
Samenvatting
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK In zake : VIIe KAMER A R R E S T nr. in de zaak van 15 januari 2026 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend...
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
In zake :
VIIe KAMER
A R R E S T
nr.
in de zaak
van 15 januari 2026
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
,
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
t
bij wie woonplaats wordt gekozen
eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1.
Het beroep, ingesteld op 15 december 2023, strekt tot de
nietigverklaring van:
ā⢠het ministerieel besluit d.d. 12 september 2005 houdende de erkenning
van
natuurreservaat
privaat
het
Pimpernelgraslandenā met een oppervlakte van 14ha 64a 80ca en de
vaststelling van de uitbreidingszone;
⢠het ministerieel besluit d.d. 16 mei 2014 houdende de uitbreiding van het
erkende natuurreservaat
ā
met een oppervlakte van 6ha 12a 42ca (totale erkende oppervlakte wordt
20ha 77a 22ca), houdende de goedkeuring van een beheerplan en houdende
de goedkeuring van de uitbreidingszone binnen het visiegebied;
⢠het ministerieel besluit d.d. 20 december 2019 houdende de
naamswijziging van het erkend natuurreservaat
en houdende de uitbreiding van het
erkend natuurreservaat nr.
met een oppervlakte van 45ha
60a 88ca (totale erkende oppervlakte wordt 66ha 38a 10ca), houdende de
vaststelling van het aangepast visiegebied en houdende de goedkeuring van
een beheerplan;
⢠besluit van het hoofd van de entiteit AVES van 8 december 2021 tot
goedkeuring van de omzetting van het beheerplan van een erkend
natuurreservaat naar een natuurbeheerplan type vier voor
II. Verloop van de rechtspleging
2.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend
en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Met een verzoekschrift van 29 februari 2024 heeft de
gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen.
Eerste auditeur
heeft op 30 september 2024
een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en
een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij
hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 8 mei 2025.
Staatsraad
heeft verslag uitgebracht.
Advocaat
, die loco advocaat
verschijnt
voor verzoeker, advocaat
, die loco advocaat
lmans verschijnt voor de verwerende partij en advocaat
, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur
heeft advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoƶrdineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1.
Bij ministerieel besluit van 12 september 2005 werd het
natuurreservaat ā
grondgebied van
ā, gelegen op het
erkend.
Dit is de eerste bestreden beslissing.
Het erkend natuurreservaat werd vervolgens bij ministerieel
besluit van 16 mei 2014 uitgebreid.
Dit is de tweede bestreden beslissing.
3.2.
Op 14 juni 2016 dient
naamswijziging en uitbreiding van het erkend natuurreservaat.
, een aanvraag in tot
3.3.
Met een besluit van de Vlaamse minister van Justitie en
Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 20 december 2019 wordt de
naam van het erkend natuurreservaat
ā
gewijzigd in
ā. Tegelijk wordt het erkend natuurreservaat nogmaals
uitgebreid met een oppervlakte van ongeveer 45 ha en wordt een aangepast
visiegebied vastgesteld.
Dit is de derde bestreden beslissing.
3.4.
Op 8 december 2021 keurt het hoofd van de afdeling Adviezen,
Vergunningen, Erkenningen en Subsidies (AVES) van het Agentschap voor Natuur
en Bos de omzetting goed van het beheerplan van het erkend natuurreservaat naar
een natuurbeheerplan type 4.
Dit is de vierde bestreden beslissing.
IV. Tussenkomst
4.
De vzw Natuurpunt Beheer, vereniging voor natuurbeheer en
landschapszorg in Vlaanderen, heeft belang bij de uitkomst van het beroep.
Bijgevolg moet het verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd.
V. Ontvankelijkheid van het beroep
A. Tijdigheid van het beroep
Standpunt van de partijen
5.
Volgens de verwerende partij werd het annulatieberoep niet
tijdig ingediend. Zij merkt vooreerst op dat de eerste en de tweede bestreden
beslissing in het Belgisch Staatsblad werden bekendgemaakt, respectievelijk op
14 oktober 2005 en 18 juni 2015. Die bekendmakingen hebben met toepassing van
artikel 14, §§ 1 en 3, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973, de termijn van zestig dagen om bij de Raad van State beroep in te
stellen doen ingaan. De omstandigheid dat deze bekendmakingen volgens
verzoeker niet voortvloeien uit een wettelijke verplichting en de beslissingen hem
niet op een andere wijze werden ter kennis gebracht, is niet relevant; ook wanneer
er geen wettelijke verplichting tot bekendmaking bestaat, roept de bekendmaking
in het Belgisch Staatsblad namelijk een weerlegbaar vermoeden van kennis in het
leven.
Met betrekking tot de derde en de vierde bestreden beslissing
stelt de verwerende partij dat aangenomen moet worden dat verzoeker deze
beslissingen voldoende kende of redelijkerwijs moest kennen, minstens dat hij niet
de nodige diligentie en waakzaamheid aan de dag heeft gelegd om er effectief
kennis van te krijgen. Zij merkt op dat verzoeker nalaat om aan te geven op welk
exact tijdstip hij kennis heeft gekregen van deze beslissingen, zodat het de facto
onmogelijk is om de tijdigheid van het beroep te controleren en zodoende de
rechtszekerheid te waarborgen. Vervolgens wijst de verwerende partij erop dat de
totstandkoming van de derde bestreden beslissing gepaard is gegaan met de nodige
publieke belangstelling. Zo blijkt uit krantenartikelen dat de naamswijziging en de
uitbreiding van het natuurreservaat op lokaal niveau een zeer actueel onderwerp
was. Het is volgens haar niet geloofwaardig dat verzoeker tijdens de vier jaar tussen
het nemen van de derde bestreden beslissing en de persoonlijke kennisgeving ervan
niet op de hoogte zou zijn geweest van de nieuwe ontwikkelingen omtrent het
natuurreservaat. Mocht dit toch het geval zijn dan blijkt hieruit een gebrek aan
diligentie en waakzaamheid. Van een eigenaar van percelen gelegen in het
visiegebied mag immers verwacht worden dat hij op de hoogte behoorde te zijn
van de derde bestreden beslissing.
6.
De tussenkomende partij wijst er eveneens op dat de eerste en de
tweede bestreden beslissing bij uittreksel werden bekendgemaakt in het Belgisch
Staatsblad en dat de beroepstermijn na die bekendmaking een aanvang heeft
genomen. Met betrekking tot de derde en de vierde bestreden beslissing merkt zij
op dat op 19 januari 2018 een bericht werd bekendgemaakt op de website van de
Vlaamse overheid omtrent een tweede uitbreiding van het erkend natuurreservaat
. Voorts verwijst zij naar het
projectvoorstel van de provincie
:
ā. In het projectdocument wordt verwezen naar het visiegebied van het
natuurreservaat. Dit project werd op 18 mei 2022 voorgesteld aan
, een informatiemoment waarop verzoeker
hoogstwaarschijnlijk persoonlijk aanwezig was. Op 20 mei 2022 werd het project
nogmaals besproken op een overleg met
,
. Ten slotte
verscheen op 31 oktober 2022 een bericht in het Belgisch Staatsblad dat de
Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme de
toegankelijkheidsregeling heeft goedgekeurd voor onder meer het erkende
natuurreservaat
ā. De
toegankelijkheidsregelingen lagen ter inzage bij het Agentschap voor Natuur en
Bos en werden op het terrein kenbaar gemaakt via infopanelen aan de voornaamste
ingangen van het natuurreservaat. Volgens de tussenkomende partij mag het dan
ook verbazen dat verzoeker nooit kennis zou hebben gekregen van de
tweede uitbreiding van het natuurreservaat. Daarnaast heeft de publieke consultatie
over een nieuwe uitbreiding van het natuurreservaat plaatsgevonden van
11 augustus 2023 tot 11 september 2023 waardoor de termijn om beroep in te
stellen was verstreken op het ogenblik dat het verzoekschrift tot nietigverklaring
werd ingediend.
7.
In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat de
eerste en de tweede bestreden beslissing hem persoonlijk ter kennis moesten
worden gebracht omdat door de opname van de betrokken percelen in het
visiegebied/globaal kader zijn rechtstoestand werd gewijzigd. Bovendien volgt uit
artikel 190 van de Grondwet noch uit artikel 84 van de bijzondere wet van
8 augustus 1980 ātot hervorming der instellingenā dat deze beslissingen in enige
vorm moesten worden bekendgemaakt. Tot slot heeft de bekendmaking bij
uittreksel de beroepstermijn alleszins niet doen ingaan omdat uit die bekendmaking
niet kan worden afgeleid dat een visiegebied/globaal kader werd vastgesteld.
Voorts argumenteert verzoeker dat de beroepstermijn enkel is
kunnen ingaan vanaf het ogenblik dat hij voldoende kennis had van het bestaan, de
aard en de draagwijdte van de derde en de vierde bestreden beslissing en dat het
aan de verwerende partij en de tussenkomende partij toekomt om het bewijs te
leveren van het tijdstip waarop hij er kennis van had of moest hebben. Vermoedens
over het tijdstip van de feitelijke kennisname volstaan in dit verband niet.
In zoverre gewag wordt gemaakt van de publieke ruchtbaarheid
over de naamswijziging en uitbreiding van het bestaande natuurreservaat ā
ā, merkt verzoeker op dat de verwerende
partij verwijst naar persartikelen die betrekking hebben op een gelijknamig
natuurreservaat te
Uit het enkele feit dat hij eigenaar is van enkele
percelen die opgenomen werden in het visiegebied, volgt niet dat hij ook op de
hoogte behoorde te zijn van de bestreden beslissingen. Voorts wordt evenmin
aangetoond, noch aannemelijk gemaakt dat hij kennis had of moest hebben van het
bericht dat op 19 januari 2018 op de website van
werd bekendgemaakt
over de tweede uitbreiding van het natuurreservaat ā
Daarenboven kan
uit dat bericht niet afgeleid worden dat hij feitelijke kennis kon hebben van de
derde en de vierde bestreden beslissing die respectievelijk pas dateren van
20 december 2019 en 8 december 2021. Met betrekking tot het aanvraagformulier
aangaande het projectvoorstel ā
ā, ontkent verzoeker in de eerste plaats dat hij van dit
formulier kennis had en, mocht dit toch zo zijn, dat uit de inhoud van dit formulier
het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden beslissingen kan worden
afgeleid. Verzoeker stelt voorts dat hij niet aanwezig was bij de voorstelling van
het project ā
ā, nog daargelaten de kwestie dat deze
voorstelling klaarblijkelijk niet handelde over de opname van zijn percelen in het
visiegebied van het erkend natuurreservaat. In de beslissing tot goedkeuring van
de toegankelijkheidsregeling van het erkend natuurreservaat, zoals bekendgemaakt
in het Belgisch Staatsblad van 31 oktober 2022, wordt nergens melding gemaakt
van de bestreden beslissingen. Tot slot benadrukt verzoeker dat hij bij de aanvang
van de publieke consultatie vanaf 11 augustus 2023 over een nieuwe uitbreiding
van het natuurreservaat geen kennis had van het bestaan, de aard en de draagwijdte
van de derde en de vierde bestreden beslissing, te meer omdat hij in het kader van
die consultatie een bezwaarschrift heeft ingediend waarin onder meer uitdrukkelijk
wordt opgeworpen dat op basis van de ter inzage gelegde documenten niet kan
worden opgemaakt welke wijzigingen aan het visiegebied zullen worden
doorgevoerd.
Beoordeling
8.
Volgens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus
1948 ātot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van Stateā (hierna: algemeen procedurereglement), moeten de
vernietigingsberoepen worden ingediend binnen zestig dagen nadat de bestreden
beslissing of verordening werd bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch
bekendgemaakt, noch betekend dient te worden, gaat de termijn in met de dag
waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad.
Een voldoende feitelijke kennisname vereist niet dat de
betrokkene een afschrift heeft verkregen van de genomen beslissing. Opdat de
beroepstermijn zou beginnen lopen, is vereist dat hij een voldoende kennis heeft
van het bestaan, de aard en de draagwijdte van die beslissing, niet dat hij op dat
ogenblik kennis heeft van de precieze inhoud ervan, noch van het griefhoudend
karakter ervan, noch van alle mogelijke onwettigheden die er zouden aan kleven.
Evenmin dient de betrokkene formeel ingelicht te zijn over de mogelijke weerslag
van de bestuursbeslissing op zijn persoonlijke rechtstoestand.
De bewijslast omtrent het werkelijk kennis hebben van een
bestuursbeslissing rust op degene die aanvoert dat de verzoeker mƩƩr dan
zestig dagen voor het indienen van het annulatieberoep van die beslissing kennis
had.
9.
De eerste en de tweede bestreden beslissing werden bij uittreksel
bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Met betrekking tot de eerste bestreden
beslissing werd in het Belgisch Staatsblad van 14 oktober 2005 het volgende
bekendgemaakt:
āEen ministerieel besluit van 12 september 2005 verleent aan het privaat
Ā», met een
natuurreservaat
oppervlakte van 14ha 64a 80ca gelegen te
(
), het statuut van erkend natuurreservaat overeenkomstig artikel
10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1999 houdende de
vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten en
van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van
subsidies. De erkenning geldt voor een periode van zevenentwintig jaar
vanaf de datum van dit besluit.
Bij het erkend natuurreservaat nr.
en
kadastrale
wordt in
,
,
d een uitbreidingszone vastgesteld waarbinnen het recht van
voorkoop, conform artikel 33, derde lid van het decreet betreffende het
natuurbehoud en het natuurlijk milieu, van toepassing is.ā
Het Belgisch Staatsblad van 18 juni 2015 bericht over de
tweede bestreden beslissing:
āEen ministerieel besluit van 16 mei 2014 verleent aan de uitbreiding van
het erkende natuurreservaat nr.
, met een oppervlakte van 6ha 12a 42ca gelegen te
), het statuut van erkend natuurreservaat
overeenkomstig artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van
27 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van
natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende
toekenning van subsidies. De erkenning loopt tot 11 september 2032,
einddatum van een eerdere erkenning, zodat de totale erkende oppervlakte
20ha 77a 22ca bedraagt.
Bij het erkende natuurreservaat nr.
ā wordt een uitbreidingszone vastgesteld. De
uitbreidingszone ligt binnen het visiegebied, en binnen de kadastrale
,
leggers
,
.
Gelijktijdig wordt bij ministerieel besluit van 16 mei 2014 de
toegankelijkheidsregeling goedgekeurd overeenkomstig het besluit van de
Vlaamse Regering van 5 december 2008 betreffende de toegankelijkheid
van de bossen en de natuurreservaten. De toegankelijkheidsregeling ligt ter
inzage bij
en wordt op het terrein zichtbaar gemaakt
via infopanelen aan de voornaamste ingangen van het gebied.ā
10.
Met betrekking tot de eerste en de tweede bestreden beslissing
duidt verzoeker geen rechtsregel aan die voorschrijft dat deze beslissingen hem
persoonlijk moesten worden aangezegd. De omstandigheid dat er destijds ook geen
wettelijke verplichting bestond om de eerste en de tweede bestreden beslissing bij
uittreksel bekend te maken, neemt niet weg dat verzoeker door de aangehaalde
publicaties in het Belgisch Staatsblad geacht moet worden voldoende in kennis te
zijn gesteld van het bestaan, de aard en de draagwijdte van die beslissingen.
Uit de vermeldingen in het Belgisch Staatsblad van 14 oktober
2005 kan immers niet anders dan het bestaan van een bestuursbeslissing tot
erkenning van een natuurreservaat worden afgeleid. Het komt aan alle potentiƫle
belanghebbenden, waaronder verzoeker, toe om zelfstandig de gevolgen van deze
erkenning op hun
individuele
rechtstoestand
te beoordelen. Dezelfde
beschouwingen gelden voor de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van
18 juni 2015 van het ministerieel besluit van 16 mei 2014. Uit de bewoordingen
van die bekendmaking kan immers niet anders dan afgeleid worden dat het erkende
natuurreservaat āHalsche Beemden en Pimpernelgraslandenā werd uitgebreid en
tevens dat een uitbreidingszone werd vastgesteld die gelegen is binnen het
visiegebied.
11.
Ten aanzien van de eerste en de tweede bestreden beslissing is
de beroepstermijn derhalve beginnen lopen vanaf het ogenblik dat verzoeker er
feitelijke kennis van had of, minstens, in alle redelijkheid er kennis moest van
hebben. Voorliggend annulatieberoep, dat op 15 december 2023 werd ingesteld, is
bijgevolg laattijdig in zoverre de nietigverklaring wordt gevraagd van de eerste en
de tweede bestreden beslissing.
12.
De derde en de vierde bestreden beslissing werden niet
bekendgemaakt noch aan verzoeker persoonlijk ter kennis gebracht. De partijen
betwisten niet dat het tijdstip van de voldoende feitelijke kennisname de termijn
om tegen deze beslissingen beroep in te stellen heeft doen aanvangen.
13.
De enkele omstandigheid dat verzoeker in zijn hoedanigheid van
exploitant van een vergunningsplichtig landbouwbedrijf, wist of alleszins moest
weten dat in de ruimere omgeving van zijn inrichting natuurgebieden gelegen zijn,
brengt niet mee dat hem per se een gebrek aan waakzaamheid moet worden
verweten wanneer hij beweert niet op de hoogte te zijn van wijzigingen aan die
natuurgebieden door administratieve rechtshandelingen die niet aan het publiek
bekendgemaakt moeten worden.
Met het feit dat verzoeker op 9 september 2023 een
bezwaarschrift heeft ingediend tegen het nieuwe ontwerp natuurbeheerplan
āMarkvalleiā, wordt niet bewezen dat hij vanaf die datum, of zelfs vroeger,
voldoende kennis had of moest hebben van de draagwijdte van de bestreden
beslissingen, inzonderheid wat betreft de opname van zijn percelen in het
visiegebied/globaal kader van het natuurbeheerplan.
Voor het overige steunen de excepties van de verwerende partij
en de tussenkomende partij op feitelijke gegevens die elke relevantie missen, dan
wel op loutere vermoedens omtrent het tijdstip waarop verzoeker voldoende kennis
zou hebben gehad van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de derde en de
vierde bestreden beslissing. Dergelijk bewijs kan alleszins niet worden afgeleid uit
internetberichten waarvan wegens hun algemene aard niet vaststaat dat ze
betrekking hebben op het natuurreservaat en het visiegebied waarop die
beslissingen betrekking hebben. De beweerde aanwezigheid van verzoeker op de
voorstelling van een project waarbij gestreefd wordt naar een klimaatrobuust
watersysteem voor de vallei van
is puur speculatief. Tot slot wordt
niet aangetoond dat uit de toegankelijkheidsregelingen die ter inzage hebben
gelegen in de betrokken gemeenten, verzoeker kon afleiden dat het aangepaste
visiegebied/globaal kader ook betrekking had op zijn percelen.
14.
De excepties worden verworpen in zoverre ze betrekking hebben
op de derde en de vierde bestreden beslissing.
B. Belang van verzoeker
Standpunt van de partijen
15.
De verwerende partij werpt op dat verzoeker niet beschikt over
het rechtens vereiste belang bij het annulatieberoep.
Met betrekking tot de rechtsgevolgen van de derde bestreden
beslissing wijst de verwerende partij erop dat de door verzoeker vermelde percelen
niet gelegen zijn in de uitbreidingszone van het natuurreservaat maar enkel mee
opgenomen werden in het visiegebied. Daaruit volgt dat deze percelen onder geen
enkel beding zonder een vrijwillige verkoop, beheeroverdracht of toetreding tot het
beheerplan gerealiseerd kunnen worden. Ook uit de rechtspraak blijkt dat er geen
rechtsgevolgen verbonden zijn aan de opname van percelen in een gebied, zoals
een visiegebied, dat geen onderdeel
is van het natuurreservaat of de
uitbreidingszone. Zelfs indien aangenomen zou worden dat uit de opname van de
percelen in het visiegebied de intentie moet worden afgeleid om op termijn het
erkende natuurreservaat met deze percelen uit te breiden, dan nog is er volgens de
verwerende partij geen sprake van een beslissing die voor verzoeker onmiddellijke
rechtsgevolgen teweegbrengt. Met het argument dat door de opname van de
percelen
in het visiegebied de aanvrager
in aanmerking komt voor
aankoopsubsidies, toont verzoeker niet aan dat de derde bestreden beslissing voor
hem rechtsgevolgen teweegbrengt. Door de opname van bepaalde percelen in een
visiegebied, ontstaat immers geen voorkooprecht.
In de mate verzoeker vreest op termijn niet langer omringd te zijn
door andere landbouwgebieden, met alle gevolgen van dien voor de beoordeling
van toekomstige vergunningsaanvragen, is er volgens de verwerende partij sprake
van een hypothetische benadeling. Immers wordt niet aannemelijk gemaakt dat de
eigenaar van het natuurreservaat in de toekomst effectief zal overgaan tot een
massale aankoop van de landbouwpercelen die gelegen zijn in de omgeving van
verzoekers percelen. Zelfs indien dergelijke percelen zouden worden aangekocht,
maakt verzoeker niet aannemelijk dat hij hierdoor schade zal ondervinden, laat
staan dat er een causaal verband zou bestaan tussen enerzijds de aankoop van de in
het visiegebied aanwezige percelen en anderzijds de vermeende economische
schade van verzoeker. Een louter onrechtstreeks en hypothetisch belang is niet
voldoende om het rechtens vereiste belang bij een annulatieberoep aan te tonen.
Met betrekking tot de vierde bestreden beslissing wijst de
verwerende partij erop dat er enkel sprake is van een loutere wijziging van de
terminologie, en dat de bestreden omvorming waarbij het visiegebied voortaan het
ruimer gebied van het globaal kader wordt evenmin rechtsgevolgen teweegbrengt.
16.
De tussenkomende partij sluit zich in essentie aan bij de exceptie
die door de verwerende partij wordt ontwikkeld. Van haar kant benadrukt zij dat
de goedkeuring van een natuurbeheerplan geen gevolgen heeft voor de
mogelijkheden tot vergunningverlening. Die rechtsgevolgen situeren zich enkel op
het vlak van (i) de wederkerigheid van de verplichting van de beheerder van het
natuurreservaat om de beheermaatregelen uit
te voeren
indien de
financieringsverbintenis in hoofde van de overheid wordt nageleefd, (ii) het
bindend karakter van het goedgekeurd natuurbeheerplan voor alle opeenvolgende
beheerders van het gebied, (iii) de sancties die door het Agentschap voor Natuur
en Bos kunnen worden genomen indien de beheermaatregelen niet of niet correct
worden uitgevoerd waardoor de realisatie van de beheerdoelstellingen in het
gedrang zou komen en (iv) de toepassing van het standstill-beginsel om verdere
achteruitgang van het milieu tegen te gaan ook na het verstrijken van de termijn
van elk beheerplan. Bovendien benadrukt zij dat de derde bestreden beslissing geen
toetsingsgrond voor vergunningsaanvragen in het leven roept. Voorts wijst de
tussenkomende partij erop dat het visiegebied te onderscheiden is van het
natuurbeheerplan type 4 en van de uitbreidingszone waar een recht van voorkoop
geldt; percelen gelegen in het visiegebied of globaal kader ondervinden door deze
aanwijzing geen rechtstreekse rechtsgevolgen en deze opname heeft enkel een
indicatieve waarde die later een rol kan spelen bij het verlenen van subsidies.
In zoverre verzoeker in zijn uiteenzetting doelt op artikel 12, § 4,
van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2017 ābetreffende de
natuurbeheerplannen en de erkenning van natuurreservatenā (hierna: besluit van de
Vlaamse regering van 14 juli 2017) voorziet deze bepaling erin dat de beperkte
procedure kan worden gevolgd wanneer een aantal onderdelen van het
natuurbeheerplan niet wijzigen. Deze bepaling zegt dus niet dat elke uitbreiding
van het natuurreservaat naar percelen die reeds binnen het visiegebied/globaal
kader zijn gelegen per definitie via de beperkte procedure kan gebeuren. Bovendien
kan een perceel enkel binnen een natuurbeheerplan worden opgenomen met het
akkoord van de eigenaar, de mede-eigenaars of de houders van andere zakelijke
rechten op het terrein of de terreinen in kwestie. Er moet dan ook worden besloten
dat de aanduiding binnen de situering āvisiegebiedā of āglobaal kaderā op zich
genomen geen rechtsgevolgen met zich meebrengt voor de betrokken percelen. De
tussenkomende partij benadrukt dat het natuurbeheerplan louter een visie van de
aanvrager van het plan uitdrukt voor de betrokken gebieden en een grondslag
verschaft voor het verkrijgen van aankoopsubsidies. Dergelijke visies doen geen
rechtsgevolgen ontstaan. Hetzelfde geldt voor de natuurbeheerplannen zelf: ze
vormen
immers geen bindende
toetsingsgrond
in het kader van de
vergunningverlening of de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen. Tot slot is
het niet uitgesloten dat ook zonder een natuurbeheerplan er op termijn sprake zal
zijn van natuurontwikkeling in de nabijheid van de percelen van verzoeker.
17.
In zijn memorie van wederantwoord spreekt verzoeker tegen dat
hij in het verzoekschrift tot nietigverklaring de grenzen van het debat heeft
getrokken en dat hem de mogelijkheid moet worden ontzegd om in een later
procedurestuk zijn belang verder toe te lichten. Voorts herhaalt hij dat met de
opname van percelen in een visiegebied de bedoeling wordt uitgedrukt om op
termijn het erkend natuurreservaat met die percelen uit te breiden. Bovendien zou
voor deze percelen op termijn een nulbemesting gelden. Volgens verzoeker
betekent de opname in het visiegebied niet meer of minder dan de voorafname van
een
toekomstige bestemmingswijziging. Ook stelt hij dat āonvoorziene
ontwikkelingen van de
ruimtelijke behoeften van de verschillende
maatschappelijke activiteitenā een reden kunnen zijn tot afwijking van het
richtinggevend gedeelte van een ruimtelijke structuurplan en dat de opname van
percelen in een visiegebied als een dergelijke onvoorziene ontwikkeling zou
kunnen worden aanzien. Daarenboven sluit de regelgeving niet uit dat bij de
toetsing van een vergunningsaanvraag rekening wordt gehouden met de ligging
van percelen in een visiegebied/globaal kader. Naar luid van artikel 4.3.1, § 2, 2°,
a), van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening houdt het vergunningverlenende
bestuursorgaan bij haar beoordeling rekening met de in de omgeving bestaande
toestand, maar mag zij ook de beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met
betrekking tot de aandachtspunten vermeld in punt 1° bij haar beoordeling
betrekken. Volgens verzoeker spreekt het vanzelf dat een
toekomstige
ontwikkeling naar natuurgebied/natuurreservaat met een maximale biodiversiteit,
goedgekeurd middels een ministerieel besluit, als een beleidsmatig gewenste
ontwikkeling kan worden beschouwd. Bovendien kan een vergunning ook op
grond van artikel 4.3.4 VCRO geweigerd worden indien blijkt dat het
aangevraagde onwenselijk is in het licht van doelstellingen of zorgplichten die
gehanteerd worden binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening.
Aldus kan bij de vergunningverlening rekening gehouden worden met de
doelstellingen die middels de bestreden besluiten op de percelen opgenomen in het
visiegebied worden opgelegd.
Voorts brengt de opname in het visiegebied mee dat de beheerder
van het natuurreservaat in aanmerking komt om aankoopsubsidies te verkrijgen
voor de percelen die gelegen zijn binnen de contouren van het goedgekeurde
visiegebied. Ook al wordt wettelijk niet voorzien in een voorkooprecht, toch kan
het verlenen van deze subsidies ertoe leiden dat de beheerder overgaat tot de
aankoop van de percelen die gelegen zijn in het visiegebied waarvoor een
toekomstperspectief voor natuurgebied/natuurreservaat geldt. Ten gevolge daarvan
zijn dergelijke percelen minder aantrekkelijk voor een landbouwgebruik. De
toekomstige actieve natuurontwikkeling op deze percelen brengt mee dat bij elke
aanvraag tot het uitoefenen van een vergunningsplichtige activiteit de bevoegde
overheid er zorg voor zal moeten dragen dat er geen vermijdbare schade aan de
natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door
redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken,
of indien dit niet mogelijk is, te herstellen. Dit alles heeft een ernstige negatieve
impact op de waarde van de landbouwpercelen.
Specifiek met betrekking tot de vierde bestreden beslissing wijst
verzoeker erop dat door de omzetting naar een natuurbeheerplan type vier, zijn
percelen komen te liggen in het globaal kader, waardoor de beperkte procedure van
artikel 12, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 2017 van
toepassing wordt. Dit betekent dat er voortaan geen inspraakmogelijkheid meer
bestaat voor de eigenaars van de naburige percelen.
Beoordeling
18.
Gelet op wat voorafgaat dienen de excepties slechts te worden
onderzocht in de mate ze betrekking hebben op de derde en de vierde bestreden
beslissing.
19.
Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoƶrdineerde
wetten op de Raad van State kunnen de beroepen tot nietigverklaring voor de
afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken
van een benadeling of van een belang.
Een verzoekende partij beschikt over het rechtens vereiste belang
indien zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk,
rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijdt en tegelijk dat de eventueel tussen
te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk
voordeel verschaft, hoe miniem ook. Het belang als ontvankelijkheidsvoorwaarde
verbiedt beroepen die een zuiver symbolische vernietiging beogen of die enkel
strekken tot het vernietigen in het belang van de wet, zonder dat de verzoekende
partij enig voordeel, hoe miniem ook, kan halen uit die nietigverklaring.
20.
Er wordt niet betwist dat een aantal percelen van verzoeker door
de derde bestreden beslissing opgenomen worden in het aangepaste visiegebied in
zake het beheer van het erkend natuurreservaat āMarkvalleiā dat wordt uitgebreid
met een oppervlakte van circa 45 ha.
21.
In artikel 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse regering van
27 juni 2003 ātot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van
natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende
toekenning van subsidiesā (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 27 juni
2003), zoals van toepassing op het ogenblik dat de derde bestreden beslissing
genomen werd, wordt het begrip āvisiegebiedā omschreven als āeen logisch en
samenhangend geheel waarvoor een globaal streefbeeld wordt uitgewerkt
waarbinnen het beheer van ter erkenning voorgedragen percelen wordt gekaderdā.
Voorts bepaalt artikel 10, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni
2003 dat de beslissing over de erkenning als natuurreservaat onder meer rekening
houdt met
āde
oppervlakte
van
het
betreffende
terrein
en
de
uitbreidingsmogelijkheden binnen het visiegebied zoals beschreven voor de
erkenning als natuurreservaatā en met āhet actuele en toekomstige beheer van het
betreffende terrein en de kadering van dit beheer binnen een totale visie voor het
volledige visiegebiedā. Overeenkomstig artikel 11, § 2, van het besluit van de
Vlaamse regering van 27 juni 2003 wordt in het kader van de beoordeling van een
aanvraag tot uitbreiding van de erkenning als natuurreservaat āde adviesprocedure
gevolgd overeenkomstig artikel 10, § 4, indien de uitbreidingsaanvraag
wijzigingen bevat in de beheervisie, in de toegankelijkheidsregeling of in het
visiegebiedā. Als het visiegebied gelegen is binnen een agrarische bestemming
volgens de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen, voorziet het
voormelde artikel 10, § 4, in de adviesverlening door de Afdeling Duurzame
Landbouwontwikkeling over āonder meer het visiegebied en de beheersvisie in
relatie
tot de agrarische structuur en de geschiktheid voor normaal
landbouwgebruik van het betreffende terreinā.
Naar luid van artikel 16bis, § 1, tweede lid, van het decreet van
21 oktober 1997 ābetreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieuā (hierna:
het decreet van 21 oktober 1997) bevat een natuurbeheerplan onder meer āeen
globaal kader voor de ecologische, de sociale en de economische functieā. Een
natuurbeheerplan type vier heeft volgens artikel 16ter, § 1, 4°, van hetzelfde
decreet betrekking op het beheer van een erkend natuurreservaat.
22.
Anders dan de verwerende partij en de tussenkomende partij het
zien, kan verzoeker een persoonlijk belang laten gelden bij de nietigverklaring van
de derde bestreden beslissing, ook al bestaat de draagwijdte van deze beslissing er
niet
in dat de betrokken percelen worden
toegevoegd aan het erkend
natuurreservaat zelf. Op grond van de aangehaalde bepalingen van het besluit van
de Vlaamse regering van 27 juni 2003 en het decreet van 21 oktober 1997 kan
verzoeker immers terecht vrezen dat de opname van zijn percelen in het
visiegebied/globaal kader van het erkend natuurreservaat op termijn de basis kan
vormen voor een aantasting van de (normale) agrarische gebruiksmogelijkheden
van deze percelen. Bovendien kan niet volledig worden uitgesloten dat de
ecologisch samenhangende visie die in een visiegebied/globaal kader wordt
uitgedrukt omtrent de vooropgestelde doelstellingen van het natuurbeheer en de
verdere ontwikkeling van het erkend natuurreservaat, op termijn in de weg staat
van het verlenen van vergunningen die door verzoeker aangevraagd zouden
worden voor de uitbreiding of de verdere exploitatie van zijn landbouwbedrijf.
De omstandigheid dat met de derde bestreden beslissing geen
wettelijk voorkooprecht wordt geactiveerd, doet aan voormelde vaststelling geen
afbreuk. Hetzelfde geldt voor het
feit dat de bestemming of de
gebruiksmogelijkheden van de betrokken percelen niet onmiddellijk worden
gewijzigd of aangetast vanaf de opname ervan in het visiegebied/globaal kader,
noch voor het feit dat thans nog geen zekerheid bestaat over de realisatie van een
verdere uitbreiding van het erkend natuurreservaat āMarkvalleiā die alleszins de
medewerking zou vereisen van de houders van zakelijke rechten op de
desbetreffende percelen.
23.
Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de vierde bestreden
beslissing waarbij het beheerplan van het erkend natuurreservaat wordt omgezet
naar een natuurbeheerplan type 4. Door deze omzetting wordt de globale visie
omtrent de ontwikkeling van het erkend natuurreservaat immers bevestigd.
24.
De excepties worden verworpen.
VI. Heropening van het debat
25.
Aangezien het verslag van de auditeur beperkt is tot het
onderzoek van de opgeworpen excepties omtrent de ontvankelijkheid van het
beroep, is er aanleiding tot een aanvullend onderzoek.
BESLISSING
1. Het verzoek van de vzw Natuurpunt Beheer, vereniging voor natuurbeheer
en landschapszorg in Vlaanderen, tot tussenkomst wordt ingewilligd.
2. De Raad van State verwerpt het beroep, in de mate waarin het is gericht
tegen āhet ministerieel besluit d.d. 12 september 2005 houdende de erkenning
van het privaat natuurreservaat
ā
met een oppervlakte van 14ha 64a 80ca en de vaststelling van de
uitbreidingszoneā en āhet ministerieel besluit d.d. 16 mei 2014 houdende de
uitbreiding van het erkende natuurreservaat
ā met een oppervlakte van 6ha 12a 42ca (totale erkende
oppervlakte wordt 20ha 77a 22ca, houdende de goedkeuring van een
beheerplan en houdende de goedkeuring van de uitbreidingszone binnen het
visiegebiedā.
3. De Raad van State heropent het debat.
4. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aan te stellen lid
van het auditoraat met een aanvullend onderzoek van de zaak.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien januari tweeduizend zesentwintig,
door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
,
staatsraad, waarnemend voorzitter,
bijgestaan door
,
,
staatsraad,
staatsraad,
griffier.
De griffier
De voorzitter