ADB:hof-van-beroep-gent-16-01-2026
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Beroep Gent
📅 2026-01-16
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
Milieu
Geciteerde wetgeving
Decreet van 5 april 1995; Decreet van 5 april 1995; Decreet van 23 december 2011; Decreet van 27 oktober 2006; Decreet van 5 april 1995; art. 29 van de wet van 1 augustus 1985; decreet van 23 december 2011; decreet van 27 oktober 2006; koninklijk besluit van 28 december 1950; koninklijk besluit van 26 oktober 2007
Samenvatting
Geen rechtsmiddel werd tot heden tegen dit arrest l /2026 Arrestnummer t:,, 8'] Repertorium nummer 2026/ ,!OJ!, Datum van uitspraak 16 januari 2026 Notitienummer griff ie Notitienummer parket-generaal 2024/PGG/866 2024/VJtt/610 Hof van beroep NA TUSSENARREST Gent BORGSOM (2x) Arrest tiende kamer ...
Volledige tekst
Geen rechtsmiddel werd tot heden tegen dit arrest
l
/2026
Arrestnummer
t:,, 8']
Repertorium nummer
2026/ ,!OJ!,
Datum van uitspraak
16 januari 2026
Notitienummer griff ie
Notitienummer parket-generaal
2024/PGG/866
2024/VJtt/610
Hof van beroep
NA TUSSENARREST
18.04.2025
Gent
BORGSOM (2x)
Arrest
tiende kamer
correctionele zaken
Hof van beroep Gent• t iende kamer-
• p. 2
1. Not.nr.
In de zaak van het openbaar ministerie en van
1. nr.
2. nr.
met zetel te
- burgerlijke partij -
met zetel te
- burgerlij ke partij -
3. nr.
VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd
- burgerlijke partij -
4. nr.
, c/o College van Burgemeester en
Schepenen, met kantoren te
- burgerlijke partij -
5. en 6. Nr.
( ... ) (niet in de zaak voor het hof)
tegen
1. nr.
2. nr.
3. nr.
(ON
met zetel te
- beklaagde -
met Belgische nationaliteit,
(RRN
geboren
wonende te
- beklaagde -
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
-p. 3
met Belgische nationaliteit,
geboren
wonende te
- beklaagde -
verdacht van:
als dader of mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek, nl. zij die de misdaad of het
wanbedrijf hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks hebben meegewerkt:
"A. Afval- achterlaten
De eerste, de tweede en de derde
Opzettelijk, in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een vergunning,
afvalstoffen, zijnde elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is
zich te ontdoen of zich moet ontdoen, te hebben achtergelaten, beheerd of overgebracht,
Meer bepaald in strijd met artikel 12 §1 van het Decreet van 23 december 2011 betreffende
het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen, namelijk door in het kader
van rioleringswerken een niet nader te bepalen hoeveelheid vervuilde grond met code 999 te
hebben overgebracht naar de werf en deze aldaar te hebben achtergelaten
deze feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.3.§1, eerste lid van het Decreet van 5 april
1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
l.k.._
periode van 01.09.2015 tot en met 14.12.2017
en elders in het Riik. meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de
2.~--
periode van 06.06.2016 tot en met 18.08.2016
en elders in het Riik, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de
8. Vlarebo - Gebruik van bodemmaterialen
De eerste, de tweede en de derde
Opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid de gebruiksbeperkingen,
voorzorgsmaatregelen, veiligheidsmaatregelen en/ of bestemmingsbeperkingen zoals
voorzien in de artikelen 69, 70, 72 en 73 van het Decreet van 2 7 oktober 2006 betreffende de
bodemsanering en de bodembescherming niet te hebben nageleefd,
namelijk bij inbreuk op de artikelen 161 §1-§2, 162 van het Besluit van 14.12.2007 van de
Vlaamse regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
._ ... __ , _________________________ _
- p. 4
bodemsanering en bodembescherming verzuimd te hebben bij het algemeen gebruik van
uitgegraven bodem de volgende voorwaarden na te leven:
§1.Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die Jager zijn dan of gelijk zijn aan
de waarden vermeld in bijlage V, kunnen vrij als bodem worden gebruikt.
en
§2.Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden
vermeld in bijlage V, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat hij
verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, kan als bodem worden
gebruikt onder de volgende voorwaarden:
1 ° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als er geen bijkomende verontreiniging van
het grondwater wordt veroorzaakt;
2° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de mogelijke blootstelling aan de
verontreinigende stoffen geen bijkomend risico oplevert;
3° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de concentraties van stoffen in de
lager zijn dan of gelijk aan 80% van de overeenstemmende
uitgegraven boden
bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waaronder de ontvangende grond wordt
ingedeeld overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV;
4" Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de gemiddelde concentraties van stoffen
in de uitgegraven bodem lager zijn dan of gelijk aan de concentraties in de ontvangende
grond. Voor de opvulling van een vergunde groeve of graverij kan hiervan afgeweken worden
tot maximaal de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype 111;
5° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de uitgegraven bodem voor het gebruik
als bodem gereinigd wordt door gebruik te maken van de best beschikbare technieken die
geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen als hij concentraties van stoffen bevat die
hoger zijn dan de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype Il/ of als hij concentraties
van verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, waardoor hij niet aan de
voorwaarden vermeld in punt 1 ° en 2° voor het gebruik als bodem voldoet.
Als de uitgegraven bodem niet reinigbaar is door gebruik te maken van de best beschikbare
technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, wordt de uitgegraven
bodem verwerkt overeenkomstig de bepalingen van het Afvalstoffendecreet. Het gebruik van
de uitgegraven bodem in het gebruiksgebied bouwstof als secundaire grondstof is niet
toegelaten.
Aan de hand van een conform verklaard technisch verslag en een studie van de ontvangende
grond wordt nagegaan of aan die voorwaarden is voldaan.
Hof van beroep Gent - tiende kamer-
p. 5
Onverminderd de voorwaarden vermeld in §1 en §2 kan uitgegraven bodem alleen als bodem
gebruikt worden, op voorwaarde dat het gehalte aan stenen die niet van nature aanwezig
zijn, maximaal vijf massaprocent bedraagt, de afmeting van de stenen die niet van nature
aanwezig zijn, maximaal vijf massaprocent bedraagt, de afmeting van de stenen die niet van
nature aanwezig zijn, niet groter is dan vijftig millimeter, en het gehalte aan andere
bodemvreemde materialen maximaal één massa - en volumeprocent bedraagt.
Meer bepaald door het gebruik van uitgegraven bodem die grote hoeveelheden grof
steenpuin (groter dan vijftig millimeter) en concentraties van stoffen bevat die niet voldoen
aan de voorwaarden zoals gesteld in art. 161, §2 en de bijlagen /Ven V VLAREBO;
Deze feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.1,§1 van het Decreet van 5 april 1995
houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
1.-g_
periode van 01 .09.2015 tot en met 14.12.2017
en elders in het Riik, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de
2.-g_
periode van 06.06.2016 tot en met 18.08.2016
en elders in het Riik, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de
C. Vlarebo - Mengen van uitgegraven bodem
De eerste, de tweede en de derde
Opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid de gebruiksbeperkingen,
voorzorgsmaatregelen, veiligheidsmaatregelen en/of bestemmingsbeperkingen zoals
voorzien in de artikelen 69, 701 72 en 73 van het Decreet van 27 oktober 2006 betreffende de
bodemsanering en de bodembescherming niet te hebben nageleefd,
namelijk bij inbreuk op artikel 160 van het Besluit van 14 december 2007 van de Vlaamse
regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en
bodembescherming in strijd met het verbod om verscheidene partijen uitgegraven bodem
met verschillende milieu hygiënische kwaliteit tijdens of na de uitgraving ervan te mengen
met de bedoeling om door de lagere concentratie van één of meer stoffen die aanwezig zijn
in de uitgegraven bodem, voor de aldus gemengde uitgegraven bodem een gebruiksmethode
in aanmerking te laten komen die voor de niet-gemengde uitgegraven bodem niet is
toegestaan.
meer bepaald door verscheidene partijen uitgegraven verontreinigde bodem van niet-nader
te bepalen oorsprong te hebben vermengd met de uitgegraven bodem in het kader van
openbare werken
Hof van beroep Gent - t iende kam er -
- p. 6
De feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.1,§1 van het Decreet van 5 april 1995
houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
1.!_g__
periode van 01.09.2015 tot en met 14.12.2017
en elders in het Riik, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de
2.te
periode van 06.06.2016 tot en met 18.08.2016";
en elders in het Riik, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de
en:
ll. Gezien de processtukken en namelijk de rechtstreekse dagvaarding betekend bij
gerechtsdeurwaardersexploot van 6 juni 2023:
ten verzoeke van:
1. nr.
met zetel te
- burgerlijke partij -
2. nr.
ON
met zetel te
- burgerlijke partij -
ON
3. nr.
VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd
- burgerlijke partij -
4. nr.
(ON
c/o College van Burgemeester en Schepenen,
- burgerlijke partij -
tegen:
1. nr.
2. nr.
, (ON
met zetel te
- beklaagde -
:RRN
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
p. 7
~ ~·------- ------------------
met Belgische nationa liteit,
geboren te
wonende te :
- beklaagde -
3. nr.
rnN
met Be lgische nationaliteit,
geboren
wonende te
- beklaagde -
verdacht van:
het opzettelijk, minstens door een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, In strijd met de
milieuvoorschriften rechtstreeks of onrechtstreeks stoffen en/of micro-organismen in of op
water of bodem in te brengen of te versprei den, met name door ter hoogte van het
aangevulde, heraangelegde rioleringstraject nieuw bodemverontreiniging te hebben
veroorzaakt die is ontstaan door de toepassing van bouwtechnisch verbeterde aanvulgrond
en elders in het Rijk, meermaals, op niet nader te bepalen
van slechte kwaliteit, lr
tijdstippen in de pe riode van 1 september 2015 tot en met 14 februari 2017.
1. Procedureverloop
* * * *
1.1 De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, kamer K.17, besliste
bij vonnis van 4 maart 2024 op tegenspraak als volgt:
"Op strafqebied
Heromschrijft de feiten van tenlasteleggingen A.1 als volgt:
11( .. .) op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 1 september 2015 tot en met 13
oktober 2016 ( ... )".
Heromschrijft de feiten van tenlasteleggingen 8.1 als volgt:
"Als dader of mededader, de door de Vlaamse Regering nadere vastgelegde regelen
betreffende de voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen, de procedure voor het
traceren van bodemmaterialen en de taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse
opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van
bagger- en ruimingsspecie als vermeld in artikel 139 van het Bodemdecreet te hebben
Hof van beroep Gent - tiende kamer ·
• p. 8
overtreden, namelijk bij inbreuk op de artikelen 161 §1-§2, 162 van het Besluit van
14.12.2007 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement
betreffende de bodemsanering en bodembescherming verzuimd te hebben bij het algemeen
gebruik van uitgegraven bodem de volgende voorwaarden na te leven:
( ... )
In
van 1 september 2015 tot en met 13 oktober 2016 ( ... )".
en elders in het Rijk, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode
Heromschrijft de feiten van tenlastelegging B.2 als volgt:
"Als dader of mededader, de door de Vlaamse Regering nadere vastgelegde regelen
betreffende de voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen, de procedure voor het
traceren van bodemmaterialen en de taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse
opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van
bagger- en ruimingsspecie als vermeld in artikel 139 van het Bodemdecreet te hebben
overtreden, namelijk bij inbreuk op de artikelen 161 §1-§2, 162 van het Besluit van
14.12.2007 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement
betreffende de bodemsanering en bodembescherming verzuimd te hebben bij het algemeen
gebruik van uitgegraven bodem de volgende voorwaarden na te leven:
( ... )
in
periode van 6 juni 2016 tot en met 18 augustus 2016. 11
en elders in het Rijk, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de
Heromschrijft de feiten van tenlastelegging C.1 als volgt:
"als dader of mededader, opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid de door
de Vlaamse Regering nadere vastgelegde regelen betreffende de voorwaarden voor het
gebruik van bodemmaterialen, de procedure voor het traceren van bodemmaterialen en de
taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum
en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie als vermeld in
artikel 139 van het Bodemdecreet te hebben overtreden, door in strijd met het verbod om
verscheidene partijen uitgegraven bodem met verschillende milieuhygiënische kwaliteit
tijdens of na de uitgraving ervan te mengen met de bedoeling om door de lagere
concentratie van één of meer stoffen die aanwezig zijn in de uitgegraven bodem, voor de
aldus gemengde uitgegraven bodem een gebruiksmethode in aanmerking te laten komen die
voor de niet-gemengde uitgegraven bodem niet is
toegestaan, meer bepaald door
verscheidene partijen uitgegraven verontreinigde bodem van niet-nader te bepalen
oorsprong te hebben vermengd met de uitgegraven bodem in het kader van openbare
werken, In
en elders in het Rijk, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de
periode van 1 september 2015 tot en met 13 oktober 2016. 11
Hof van beroep Gent - tiende kamer
-p. 9
Heromschrijft de feiten van tenlastelegging C.2 als volgt:
"als dader of mededader, opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid de door
de Vlaamse Regering nadere vastgelegde regelen betreffende de voorwaarden voor het
gebruik van bodemmaterialen, de procedure voor het traceren van bodemmaterialen en de
taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum
en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie als vermeld in
artikel 139 van het Bodemdecreet te hebben overtreden, door in strijd met het verbod om
verscheidene partijen uitgegraven bodem met verschillende milieuhygiënische kwaliteit
tijdens of na de uitgraving ervan te mengen met de bedoeling om door de lagere
concentratie van één of meer stoffen die aanwezig zijn in de uitgegraven bodem, voor de
aldus gemengde uitgegraven bodem een gebruiksmethode in aanmerking te laten komen die
toegestaan, meer bepaald door
voor de niet-gemengde uitgegraven bodem niet is
verscheidene partijen uitgegraven verontreinigde bodem van niet-nader te bepalen
oorsprong te hebben vermengd met de uitgegraven bodem in het kader van openbare
werken, in Koekelare en elders in het Rijk, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in
de periode van 6 juni 2016 tot en met 18 augustus 2016.,J
Heromschrijft de feiten van de enige tenlastelegging (rechtstreekse dagvaarding) door
weglating van de woorden "minstens door een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid".
Verklaart de feiten van tenlasteleggingen A.1, A.2, 8.1, 8.2. en de feiten van enige
tenlastelegging (rechtstreekse dagvaarding) bewezen in hoofde van BV RTS In/ra.
Spreekt
1rij voor de feiten van tenlasteleggingen C.1 en C.2.
Veroordeelt
tot:
• een geldboete van 320.000,00 EURO {=40.000,00 EURO, wettelijk te verhogen met 70
opdecimes, hetzij x 8), met uitstel voor de helft van de geldboete voor een periode van 3
jaar.
Verklaart de feiten van tenlasteleggingen A.1, A.2, 8.1, 8.2 en de feiten van enige
tenlastelegging (rechtstreekse dagvaarding) bewezen in hoofde van
Spreekt
1rij voor de feiten van tenlasteleggingen C.1 en C.2.
Veroordeelt .
• een hoofdgevangenisstraf van 6 maanden, met uitstel voor een periode van 3 jaar
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
·p .10
- een geldboete van 32.000,00 EURO {=4.000, 00 EURO, wettelijk te verhogen met 70
opdecimes1 hetzij KB} of een vervangende gevange.nisstraf van 90 dagen
Spreekt
en de feiten van enige tenlastelegging (rechtstreekse dagvaarding).
[il voor de feiten van tenlasteleggingen A.1, A.2, 8.1, 8.2, C.1 en C.2
elk tot betaling van een bijdrage van 200,00 euro
Verplicht
(=25,00 euro, wettelijk te verhogen met 70 opdecimes, hetzij x 8)1 tot financiering van het
Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele
redders.
Verplicht
de financiering van het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
~Ik tot bet,aling van een bijdrage van 24,00 euro tot
Verplicht
strafzaken van 58,90 euro.
elk tot betaling van de vaste vergoeding in
Met betrekking tot de gerechtskosten,
Veroordeelt
totaal op 1.84,31 euro.
Milieuherstel
hoofdelijk tot de gerechtskosten, begroot in
Veroordeelt
hoofdelijk tot het inzamelen, vervoeren en
verwerken van de in strijd met de bepalingen van het decreet van 23 december 2011
betreffende het duurzaam beheer van materi,aalkringlopen en afvalstoffen op het
achtergelaten afvalstoffen binnen een termijn van één
grondgebied van de gemeente
Jaar na het in kracht van gewijsde treden van dit vonnis.
Voordeelt
aanpassingswerken, met name:
hoofdelijk
tot het uitvoeren van
• De op het grondgebied van de gemeente
achtergelaten vervuilde grond
uitgraven en verwerken conform de bepalingen van het Bodemdecreet en zijn
uitvoeringsbesluiten;
• Het opnieuw aanvullen van de sleuven met bodem die voldoet aan de bepalingen van
het Bodemdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten;
• Het herstellen van het openbaar domein in zijn huidige toestand;
Zegt dat het herstel uitgevoerd moet worden binnen een termijn van één jaar na het in
kracht van gewijsde treden van dit vonnis, onder verbeurte een dwangsom van 2.000 euro
Hof van beroep Gent - tiende kamer-
p.11
per dag vertraging ten voordele van
2.000.000 euro.
Op burgerliik gebied
met een maximum van
Verklaart de vorderina van de aemeente
wat
betreft.
Jntvankelijk en in de volgende mate gegrond
Verklaart de vordering van de gemeente
ontvankelijk en ongegrond wat
betreft.
Veroordeelt
een
voorlopige schadevergoeding van 25.000 euro te betalen, met de gerechtelijke moratoire
rente aan de wettelijke rentevoet vanaf 3 juni 2022 tot de dag van de volledige betaling.
hoofdelijk om aan de gemeente
Verleent de gemeente
1oorbehoud voor:
• Eventuele toekomstige kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van de
afvalstoffen.
• De definitieve begroting van de schade en voor eventuele toekomstige schade die in
oorzakelijk verband staat met de bewezen verklaarde feiten.
Veroordeelt
hoofdelijk tot de kosten van de gemeente
,, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.800 euro.
Verklaart de vorderinq van c
mate gegrond wat
Verklaart de vordering van
betreft.
ontvankelijk en in de volgende
betreft.
mtvankelijk en ongegrond wat
Veroordeelt
een provisionele schadevergoeding van 14.579,50 euro te betalen,
~oofdelijk om aan
-meer de vergoedende rente aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 oktober 2019 tot en met de
dag voorafgaand aan dit vonnis,
-meer de gerechtelijke moratoire rente aan de wettelijke rentevoet op dit alles vanaf heden
tot de dag van de volledige betaling.
Verleent de gemeente
voorbehoud voor:
• Eventuele toekomstige kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van de
afvalstoffen.
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
p. 12
- -------------------------------
• De definitieve begroting van de schade en voor eventuele toekomstige schade die in
oorzakelijk verband staat met de bewezen verklaarde feiten.
• Eventuele schade die het gevolg is van het terugvorderen van subsidies door de VMM,
voor zover die in oorzakelijk verband staat met de bewezen verklaarde feiten.
Veroordeelt
hoofdelijk tot de kosten van
~egroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.800 euro.
Verklaart de vorderina van het Vlaams Gewest en
mate gegrond wat
betreft.
ontvankelijk en in de volgende
Verklaart de vordering van het Vlaams Gewest en
ontvankelijk en ongegrond wat
,etreft.
Veroordeelt
hoofdelijk om aan het Vlaams Gewest een
provisionele schadevergoeding van 25.000 euro te betalen, meer de gerechtelijke moratoire
rente aan de wettelijke rentevoet op dit alles vanaf 3 juni 2022 tot de dag van de volledige
betaling.
Verleent de het Vlaams Gewest voorbehoud voor:
• Eventuele toekomstige kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van de
afvalstoffen.
• De definitieve begroting van de schade en voor eventuele toekomstige schade die in
oorzakelijk verband staat met de bewezen verklaarde feiten.
Veroordeelt
Vlaams Gewest, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.800 euro.
hoofdelijk tot de kosten van
het
Verklaart de vordering van
onontvankelijk.
Houdt ambtshalve de (eventuele) burgerlijke belangen aan overeenkomstig artikel 4 V. T.Sv."
1.2 Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld door het afleggen van een verklaring op
de griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, op:
2 april 2024 door de beklaagden
4 april 2024 door de burgerlijke partij Gemeente
5 april 2024 door het openbaar ministerie tegen de beklaagden
12 april 2024 door de burgerlijke partij
12 april 2024 door de burgerlijke partij
12 april 2024 door de burgerlijke partij
Hof van beroep Gent - tiende kamer·
p. 13
Deze partijen dienden tegelijk elk een verzoekschrift in op die griffie, overeenkomstig artikel
204 Wetboek van Strafvordering.
1.3 Op de rechtszitting van 17 oktober 2024 legde het hof bij toepassing van de artikelen
152,§ 1 en 209bis, laatste lid, Wetboek van Strafvordering, conclusietermijnen vast en
bepaalde de rechtsdag op de rechtszitting van 7 februari 2025.
1.4 Het hof hoorde op de openbare rechtszitting van 7 februari 2025 in het Nederlands:
- de beklaagde
meester
in zijn middelen van verdediging, vertegenwoordigd door
advocaat met kantoor te
- de beklaagde
in ziin middelen van verdediging, bijgestaan door meester
advocaat met kantoor te
- de beklaagde
meester
in haar middelen van verdediging, vertegenwoordigd door
advocaat met kantoor te
- het openbaar ministerie in zijn vo rdering bij monde van
advocaat-generaal,
- de burgerlijke partij
meester
advocaat met kantoor te
in haar middelen vertegenwoordigd door
- de burgerlijke partij
in haar middelen vertegenwoordigd door meester
advocaat met kantoor te
- de burgerlijke partij Vlaamse Gewest in haar middelen vertegenwoordigd door meester
advocaat met kantoor te
- de bu rgerlij ke partij
in haar middelen vertegenwoordigd door meester
voor meester
beiden advocaat met kantoor te
1.5 Het hof besliste bij tussenarrest van 18 april 2025 als volgt:
"verklaart de beroepen ontvankelijk en vooraleer er ten gronde over te beslissen:
beveelt de heropening van de debatten en stelt de zaak daartoe voor behandeling op de
rechtszitting van vrijdag 26 september 2025 om 9.00 uur;
houdt de beslissing over de kosten aan."
Hof van beroep Gent - tiende kamer •
-p.14
· ---- -
,~ , -- - -------------------------
1.6 Op de rechtszitting van 26 september 2025 werd de behandeling van de zaak uitgesteld
naar de zitting van 21 november 2025 om de beklaagden toe te laten te antwoorden op de
conclusies neergelegd door de burgerlijke partijen op 24 september 2025.
Wat betreft de beklaagden, heeft het hof aldus enkel acht te slaan op de alomvattende
syntheseconclusie, die op 20 november 2025 digitaal op de griffie werd neergelegd.
1.7 Het hof hoorde op de openbare rechtszitting van 21 november 2025 in het Nederlands:
- de beklaagde
meester
in haar middelen van verdediging, vertegenwoord igd door
idvocaat met kantoor te
- de beklaagde
in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door meester
3dvocaat met kantoor te
- de beklaagde
meester
in haar middelen van verdediging, vertegenwoordigd door
advocaat met kantoor te
- het openbaar ministerie in zijn vordering bij monde van .
advocaat-generaal,
- de burgerlijke partij
meester
;1dvocaat met kantoor te
in haar middelen vertegenwoordigd door
- de bun~erliike partij
in haar middelen vertegenwoordigd door meester
advocaat met kantoor t
- de burgerlijke partij Vlaamse Gewest in haar middelen vertegenwoord igd door meester
3dvocaat met kantoor te
- de burgerlijke partij gemeente
in haar middelen vertegenwoordigd door meester
.i ,,-
voor meester
beiden advocaat met kantoor te
2. Saisine
Het hof verklaarde de beroepen al ontvankelijk in het arrest van 18 april 2025.
stelde hoger beroep in, maar voerde enkel een grief aan over
De beklaagde
de beslissing over de burgerlijke rechtsvorderingen en dit wat betreft de schade, die volgens
hem niet bewezen is, alleszins niet van die omvang waartoe de eerste rechter besliste.
Het openbaar ministerie stelde op strafgebied hoger beroep in tegen de beklaagden
doch voerde telkens enkel een grief over de straf(maat) aan.
Het openbaar ministerie stelde geen hoger beroep in tegen de beklaagde Isabelle Spriet.
Hof van beroep Gent- tiende kamer -
p, 15
Aldus staat de schuld van de beklaagde
definitief vast wat betreft de
t elastleggingen Al, A2, 81 en 82 van de oorspronkelijke rechtstreekse dagvaarding vanwege
het openbaar ministerie en de feiten van de enige telastlegging van de (andere)
rechtstreekse dagvaarding vanwege burgerlijke partijen. Tevens is de vrijspraak van deze
beklaagde voor de telastleggingen Cl en C2 (va n de oorspronkelijke rechtstreekse
dagvaarding) definitief. Wat hem betreft zijn de beslissing over de kosten in eerste aanleg en
de beslissingen over de bijdrage aan het Begrot ingsfonds (Sa lduz-bijdrage) en de vaste
vergoeding definitief.
Het hof heeft enkel nog te oordelen over de schuld van RTS Intra aan de telastleggingen Al,
A2, 81 en 82. Ook voor deze beklaagde is de vrijspraak voor de telastleggingen Cl en C2
definitief.
De beklaagde
is definitief vrijgesproken voor alle telastleggingen.
De grief van de gemeente
tegen de vrijspraak op strafgebied van de beklaagde
is niet-ontvankelijk. Dit heeft geen gevolg voor de ontvankelijkheid van het
beroep van deze partij. Het hof heeft wel t e oordelen over de grief op burgerlijk gebied van
deze burgerlijke partij, ook ten aanzien van Isabelle Spriet.
De gemeente
stelde verder ook (zelfstandig) hoger beroep in tegen de beklaagden
?n dit wat betreft de burgerlijke rechtsvordering. Hetzelfde
deden
en het Vlaamse Gewest.
3. Tegenspraak herkwalificatie
De beklaagde
een telastlegging herkwalificeerde zonder mogelijkheid op repliek hierover.
had een grief over de procedure, namelijk dat de eerste rechter
Door het beroepen vonnis is deze beklaagde in kennis gesteld van deze mogelijke
herkwalificatie en heeft zij mogelijkheid tot tegenspraak hierover.
De grief is aldus zonder voorwerp geworden, alleszins niet gegrond.
4. Bewijsbeslissing
4.1 De telastleggingen Al, A2, 81 en 82 van de rechtst reekse dagvaarding van het openbaar
ministerie en de telastlegging van de rechtstreekse dagvaarding van de burgerlijke partijen,
zoals correct omschreven door de eerste rechter, zijn voor de beklaagde
voor
het hof bewezen gebleven.
4.2 De beklaagde
rlij handelde
is de zaakvoerder van
voor (rekening van) deze rechtspersoon en de rechtspersoon handelde door hem. De
Hof van beroep Gent- tiende kamer -
-p.16
beklaagde
dus vast dat
is definitief schuldig aan de vermelde telastleggingen. Het staat
deze feiten pleegde.
Wat betreft de schuld van
eerste rechter en beschouwt het deze als hier herhaald.
sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de
4.3 In de telastlegging Al wordt de beklaagde verweten in het kader van rioleringswerken
een niet te bepalen hoeveelheid vervuilde grond met code 999 naar de werf te
:e
hebben overgebracht en deze daar t e hebben achtergelaten.
Dit betreft het opzettelijk, in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een
vergunning, achterlaten van afvalstoffen. Een afvalstof is elke stof of elk voorwerp waarvan
de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
Dit gebeurde in strijd met artikel 12, § 1, Materialendecreet en is strafbaar gesteld door
artikel 16.6.3, § 1, Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid.
Hetzelfde geldt voor de telastlegging A2, maar dan wat betreft Koekelare.
De telastleggingen 81 en 82 slaan op respectief dezelfde plaatsen en hebben betrekking op
het Bodemdecreet, namelijk het opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid
niet naleven van de gebruiksbeperkingen, voorzorgsmaatregelen, veiligheidsmaatregelen
en/of bestemmingsbeperkingen, zoals bepaald
in de artikelen 69, 70, 72 en 73
Bodemdecreet. De feitelijke gedraging die de beklaagde wordt verweten is het gebruik van
uitgegraven bodem die grote hoeveelheden grof steenpuin (groter dan vijftig millimeter) en
concentraties van stoffen bevat die niet voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel
161, § 2, Vlarebo en de bijlagen IV en V Vlarebo. Deze feiten zijn strafbaar gesteld door
artikel 16.6.1, § 1, Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid.
De enige telastlegging van de rechtstreekse dagvaarding vanwege de burgerlijke partijen,
zoals correct heromschreven door de eerste rechter, heeft betrekking op de feiten van de
telastlegging Al. De betrokken feitelijke gedraging is het inbrengen van zware metalen in de
bodem.
4.4 Artikel 34 Materialendecreet bepaalt dat de afvalfase van een materiaal een aanvang
neemt als aan de definitie van afvalstof is voldaan.
Artikel 38 Materialendecreet bepaalt dat bodemmaterialen als vermeld in artikel 2, 33°, van
het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, niet beschouwd worden als afvalstoffen als zij
gebruikt worden overeenkomstig de bepalingen voor het gebruik en de traceerbaarheid van
bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
J , 17
Dit geldt in beginsel voor uitgegraven bodem. Grond die enkel mag worden afgevoerd, is een
afvalstof.
Er was in de bodem ter plaatse aanvankelijk geen verhoogde waarde inzake metalen. Het
oorspronkelijk technisch verslag met betrekking tot de afgevoerde bodem maakte er geen
melding van (stuk 7, bijlage 7.7 klacht met burgerlijke partijstelllng).
Op 13 oktober 2016 werd op de werf in
een container met grond opgemerkt, terwijl
er naast de container in de sleuf gelijkaardige grond lag (zie o.m. bijlage 1, aanvankelijk PV
van 14 februari 2018, kaft opsporingsonderzoek). De toezichthouder die dit opmerkte had
onmiddellijk bedenkingen bij de grondkwaliteit en liet bij hoogdringendheid een staalneming
doen door een grondlaboratorium. De analysebevindingen wezen uit dat de beide
bemonsterde bodems code 999 betroffen en niet in aanmerking kwamen voor gebruik
binnen en buiten de kadastrale werkzone. Ze werden beschouwd als verdachte gronden en
moesten rechtstreeks worden afgevoerd naar een daartoe erkende opslagplaats of erkende
verwerkingseenheden.
het
heraangelegde
Uit de testen die een door alle partijen aangestelde bodemdeskundige uitvoerde, volgt dat
langsheen
de
rioleringstraject
bodemsaneringsnormen voordeden, door de aanwezigheid van zware metalen, zoals lood,
zink en koper (stuk 7, k!acht met burgerlijke partijstell ing). Terecht overwoog de eerste
rechter dat uit niets volgt dat er sprake was van een historische verontreiniging. Ook de zelf
door de beklaagde aangestelde bodemdeskundige, stelde dit niet vast (stuk 2 bundel
overschrijdingen
zich
van
p. 18 en 29-31).
Dat er sprake zou zijn van grond die accidenteel werd vervuild door het toevoegen van een
vervuilde hoeveelheid cement, volgt evenmin ergens uit. Het hof verwijst naar de punctuele
weerlegging hiervan door de eerste rechter, op pagina 11 van het beroepen vonnis.
In conclusie voor het hof, ste lt de beklaagde nooit te hebben beweerd dat de grond vervuild
werd door een accidentele toevoeging van een vervuilde hoeveelheid cement. De beklaagde
stelt nu dat de grond die uitgegraven werd (en
terug moest) door de slechte
weersomstandigheden zeer nat was, waardoor de beklaagde zich genoodzaakt zag om deze
eerst af te voeren naar een eigen opslagplaats, daar te laten uitlekken en dan op te werken
(volgens de beklaagde: aan te rijken) met een hydraulisch bindmiddel. Dit hydraulisch
bindmiddel, een cement, zorgde volgens de beklaagde voor een chemische reactie waardoor
de grond sneller droogt en meer (druk)sterkte krijgt. Volgens de beklaagde is pas achteraf
gebleken dat het gebruikte bindmiddel te hoge concentraties aan zware metalen bevatte,
waardoor de kwaliteit van de grond gewijzigd is. Het is die grond die de beklaagde terug
heeft opgevoerd. Volgens de beklaagde moet bodem en bindmiddel onderscheiden worden
en afzonderlijk worden beschouwd. Volgens haar betekent het loutere feit dat de normen
zijn overschreden, in de zin dat er een sanering moet gebeuren, niet dat er sprake is van
afval.
Hof van beroep Gent - tiende kamer-
· p. 18
De beklaagde maakt het hydraulisch geschikt maken van de grond met cement niet enigszins
aannemelijk. Er wordt hiervan niet het minste stuk voor overgelegd . Het bestek liet
overigens niet toe om zonder enige controlemogelijkheid de uit te graven en uitgegraven
grond eerst af te voeren naar een eigen opslagplaats, om die daar te bewerken, vooraleer
die weer op te voeren en dit zonder eerst de kwaliteit en geschiktheid van de zo bewerkte
grond te controleren. Dit is een contractueel gegeven, maar de omstandigheid dat dit
verdoken of niet opgemerkt moest gebeuren, bevestigt het opzet van de beklaagde om
dergelijke grond te dumpen .
Zoals de eerste rechter terecht vaststelde, betrof het bouwkundig bodemgebruik van
uitgegraven bodem, zoa ls beschreven in artikel 2, § 1, 4°, b) van het toen geldende
Ministerieel besluit van 9 mei 2008 houdende vaststel li ng van de lijst van bouwkundig
bodemgebruik van uitgegraven bodem en van de lijst van vormvaste toepassingen van
uitgegraven bodem (opgeheven bij art. 5 MB Vl. Reg. 27 maart 2019, BS 4 april 2019, met
Ingang van 1 april 2019). Het is zeker dat de aangevulde grond niet voldeed aan de vereisten
voor bouwkundig bodemgebruik. De beklaagde kan helemaal niet gevolgd worden, waar zij
de bodem en het bindmiddel afzonderlijk wil beschouwen. Het is immers het mengsel dat
werd aangevoerd en dat voor bouwkundig bodemgebruik werd aangewend. Het is dat wat
verontreinigde grond uitmaakt, met de risico's die daar uit voortvloeien. Het is dan ook
duidelijk dat er sprake was van het aanvoeren en achterlaten van afval.
De schuld van de beklaagde is niet louter gesteund op de vaststelling dat er geen historische
vervui ling van de bodem was, zoals de beklaagde voorhoudt en wat volgens haar
onvoldoende Is. Deze beslissing steunt uiteraard ook op de vaststelling dat de aangetroffen
grond vervuild was en als afval te beschouwen is.
De vergelijkingen met de vervuiling door verf en deze met het bakken van brood, waarnaar
de beklaagde verwijst, houden geen steek.
Het hof volgt de beklaagde evenmin in haar stellingen die steunen op de aanwezigheid van
cement of de zogenaamde aanrijking met cement. Het hof kan enkel vaststellen dat er
sprake was van vervuilde grond, die als een afvalstof is te beschouwen. De beklaagde erkent
zelf (o.m . p. 43 van de alomvattende syntheseconclusie) dat het vervuilde grond betrof. Het
betrof ook grond die niet geschikt was voor bouwkundig bodemgebru ik. Hieruit is feitelijk af
te leiden dat het afval betrof. Daarvoor moet helemaal niet zijn aangetoond dat die grond
een code 999 had, wat een categorie is die verband houdt met het bodemdecreet.
Dat cement op zich geen afval is, is evenmin relevant . Overigens maakt de beklaagde, zoals
vermeld, niet eens aannemelijk dat het toevoegen van cement zorgde voor de vervuil ing. Er
werd geen cement aangetroffen, wat het verschil is met die zaken of zaak waarnaar de
beklaagde verwijst, waar slakken en vliegas werden aangetroffen.
Hof van beroep Gent• tiende kamer -
p. 19
4.5 Wat betreft de telastlegging B, heeft de eerste rechter niet louter geherkwalificeerd naar
een schending van artikel 138 Bodemdecreet, waar dit een bepaling
is die een
rechtsonderhorige geen pl ichten oplegt. De eerste rechter heeft de telastlegging verbeterd
door te bepa len dat deze betrekking had op de door de Vlaamse regering nader vastgelegde
regelen betreffende de voorwaarden voor onder meer het gebruik van bodemmateria len,
zoals vermeld in artikel 139 Bodemdecreet.
De geherkwalificeerde telastlegging B, waarop de tegenspraak, ook voor het hof, betrekking
had, is als volgt te lezen:
"Opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, door Vlaamse Regering nader
vastgelegde regels betreffende de voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen, de
taken die een
procedure voor het
bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting
voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimspecie als vermeld in artikel 139 van het
Bodemdecreet, niet te hebben nageleefd,
van bodemmaterialen en de
traceren
namelijk bij inbreuk op de artikelen 161, §§ 1 en 2, 162 van het Besluit van 14 december 2007
van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de
bodemsanering en bodembescherming verzuimd te hebben bij het algemeen gebruik van
uitgegraven bodem de volgende voorwaarden na te leven:
§ 1. Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die lager zijn dan of gelijk zijn
aan de waarden vermeld in bijlage V, kunnen vrij als bodem worden gebruikt.
en
§ 2.Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden
vermeld in bijlage V, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat hij
verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, kan als bodem worden
gebruikt onder de volgende voorwaarden:
1 ° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als er geen bijkomende verontreiniging van
het grondwater wordt veroorzaakt;
2° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de mogelijke blootstelling aan de
verontreinigende stoffen geen bijkomend risico oplevert;
3° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de concentraties van stoffen in de
uitgegraven boden
lager zijn dan of gelijk aan 80% van de overeenstemmende
bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waaronder de ontvangende grond wordt
ingedeeld overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV;
Hof van beroep Gent- tiende kamer -
p. 20
4° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de gemiddelde concentraties van stoffen
in de uitgegraven bodem lager zijn dan of gelijk aan de concentraties in de ontvangende
grond. Voor de opvulling van een vergunde groeve of graverij kan hiervan afgeweken worden
tot maximaal de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype Il/;
5° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de uitgegraven bodem voor het gebruik
als bodem gereinigd wordt door gebruik te maken van de best beschikbare technieken die
geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen als hij concentraties van stoffen bevat die
hoger zijn dan de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype /Il of als hij concentraties
van verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, waardoor hij niet aan de
voorwaarden vermeld in punt 1 ° en 2° voor het gebruik als bodem voldoet.
Als de uitgegraven bodem niet reinigbaar is door gebruik te maken van de best beschikbare
technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, wordt de uitgegraven
bodem verwerkt overeenkomstig de bepalingen van het Afvalstoffendecreet. Het gebruik van
de uitgegraven bodem in het gebruiksgebied bouwstof als secundaire grondstof is niet
toegelaten.
Aan de hand van een conform verklaard technisch verslag en een studie van de ontvangende
grond wordt nagegaan of aan die voorwaarden is voldaan.
Onverminderd de voorwaarden vermeld in §1 en §2 kan uitgegraven bodem alleen als bodem
gebruikt worden, op voorwaarde dat het gehalte aan stenen die niet van nature aanwezig
zijn, maximaal vijf massaprocent bedraagt, de afmeting van de stenen die niet van nature
aanwezig zijn, maximaal vijf massaprocent bedraagt, de afmeting van de stenen die niet van
nature aanwezig zijn, niet groter is dan vijftig millimeter, en het gehalte aan andere
bodemvreemde materialen maximaal één massa - en volumeprocent bedraagt.
Meer bepaald: door het gebruik van uitgegraven bodem die grote hoeveelheden grof
steenpuin (groter dan vijftig millimeter) en concentraties van stoffen bevat die niet voldoen
aan de voorwaarden zoals gesteld in art. 161, §2 en de bijlagen IV en V VLAREBO;
Deze feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.1, § 1 van het Decreet Algemene
Bepalingen Milieubeleid."
Stellen dat er sprake is van een herkwalificatie op grond van een bepaling die geen
verplichting inhoudt, berust op een verkeerde lezing van de herkwalificatie.
Zoals de eerste rechter, verwijst het hof voor het bewijs van de telastleggingen B1 en 82
respectief naar de overwegingen met betrekking tot de schuld voor de telastleggingen Al en
A2. Terecht verwees de eerste rechter ook naar de initiële boringen, waarbij grote
hoeveelheden steenslag werden waargenomen.
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
· p.21
4.6 De enige telastlegging van de rechtstreekse dagvaarding die uitgaat van de burgerlijke
partijen, heeft betrekking op hetzelfde feitencomplex als dat van de telastleggingen Al en
B1. Het situeert zich in dezelfde periode, namelijk van 1 september 2015 tot en met 14
februari 2017.
rechtstreeks of
Het betreft het opzettelijk,
onrechtstreeks inbrengen of verspreiden van stoffen, micro-organismen, geluid en andere
trillingen of stralingen in of op water, bodem of atmosfeer. Deze feiten zijn strafbaar gesteld
door artikel 16.6.2, § 1, eerste lid, Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid.
in strijd met de milieuvoorschriften,
Zoals door de eerste rechter terecht overwogen, betreft de feitelijke gedraging die de
beklaagde wordt verweten het feit dat tijdens de werken die de beklaagde uitvoerde, zware
metalen in de bodem werden ingebracht.
De aanvoering van de beklaagde van het onderscheid tussen abstracte en concrete
gevaarszettingsdelicten, is zonder relevantie voor de beoordeling van de schuld.
Het bedoelde misdrijf op grond van artikel 16.6.2, § 1, eerste lid, Decreet Algemene
Bepalingen Milieubeleid vereist om bewezen te zijn niet dat een concreet gevaar voor het
leefmilieu is aangetoond.
Het inbrengen van zware metalen houdt bovendien wel degelijk een gevaar voor het
leefmilieu in. Dat uit het beschrijvend bodemonderzoek zou volgen dat er geen milieuschade
of milieugevolgen te verwachten zijn, doet daar niets aan af. Dit brengt ook niet mee dat er
enkel sprake zou zijn van een hypothetisch gevaar. De wet maakt overigens geen
onderscheid tussen hypothetische en concrete dreiging.
Opnieuw verwijst de beklaagde naar het toevoegen van cement als bindmiddel, wat niet
enigszins aannemelijk is gemaakt en voor het overige ook niet relevant is.
4.7 De beklaagde
heeft de misdrijven opzettelijk en voor reken ing van de
firma gedaan. Het betrof het wetens en willens aannemen van een strafbare gedraging. Om
de eigen schuld van de rechtspersoon vast te stellen, mag rekening gehouden worden met
de gedragingen van de natuurlijke persoon die voor de rechtspersoon optraden. Dat
ook zaakvoerder was en geen schuld heeft, belet dat niet. Ook voor de rechtspersoon
was er sprake van een eigen strafrechtelijke fout en een eigen schuldpatroon, gezien er
binnen haar structuur onvoldoende aandacht was voor het naleven van de regels met
betrekking tot de essentie van haar eigen bedrijfsvoering. De rechtspersoon maakt verder
het bestaan van rechtvaardiging, schuldontheffing of niet-toerekeningsvatbaarheid niet
enigszins aannemelijk.
5. Strafbeslissîng
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
). 22
De beklaagden
pleegden de bewezen telastleggingen elk met
een zelfde misdadig opzet. Het hof past voor deze misdrijven overeenkomstig artikel 65,
eerste lid, Strafwetboek de zwaarste straf toe.
Artikel 7, § 2, Strafwetboek bepaalt voor de rechter de strafdoelstellingen bij de keuze van
de soort straf en de maat ervan. De strafdoelen bestaan in het uiting geven aan de
maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, de bescherming
van de maatschappij, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht,
het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade en het bevorderen van de
maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader.
Binnen de grenzen van de wet moet de rechter naar een rechtvaardige proportionaliteit
tussen het misdrijf en de straf zoeken. Alvorens een straf uit te spreken, moet de rechter
deze doelstellingen in overweging nemen, maar ook de ongewenste neveneffecten van de
straf ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun omgeving en de samenleving.
De beklaagden hielden bij hun bedrijfsvoering in deze zaak geen rekening met de regels die
het leefmilieu beschermen. De achteloosheid waarmee vervuilde grond werd gebruikt in een
omgeving waar gewoond wordt, druk verkeer is en geleefd wordt, is opvallend. Daar
grondwerken de kern van de bedrijfsvoering van de beklaagden uitmaakt, is dit zorgwekkend
en vergt dit een duidelijke afkeuring.
De feiten werden gepleegd in het kader van een economische activiteit en waren gericht op
in een
geldgewin, door besparingen. De vervuilde grond werd ondergeschoven
rioleringssleuf en zo moesten geen kosten worden gemaakt om deze wettig af te voeren. Dit
zorgt voor oneerlijke concurrentie met sectorgenoten die de regels wel naleven. Aldus is een
geldboete voor elke beklaagde het meest passend als straf. Deze straf zal de beklaagden niet
sociaal declasseren en brengt hun sociale reclassering niet in het gedrang zodat een
gunstmaatregel als opschorting va n de uitspraak van de veroordeling of het gelasten van
uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf niet passend is.
De geldboete is te verhogen met 70 deciemen. Wat betreft de natuurlijke persoon, zet de
hierna bepaalde vervangende gevangenisstraf hem maximaal aan tot betaling van de
geldboete.
6. Kosten - bijdragen - vergoeding
De beklaagden
zijn hoofdelijk gehouden tot de kosten,
gevallen in de beide aanleggen aan de zijde van het openbaar ministerie zoals hierna
bepaald, al deze kosten ondeelbaar veroorzaakt zijnde door de voor hen bewezen verklaarde
telastleggingen, die hen gemeen zijn.
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
· p.23
Als veroordeelden tot een correctionele hoofdstraf zijn deze beklaagden elk gehouden tot
het betalen van de bijdrage van 25 euro tot financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan
de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (art. 29 van de
wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen). Deze bijdrage, die een
eigen aard heeft en geen straf inhoudt, wordt vermeerderd met 70 deciemen tot telkens 200
euro, en dit ongeacht de datum van de bewezen verklaarde feiten.
Met toepassing van artikel 91 koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende het
algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken veroordeelt het hof de beklaagde
RTS lnfra bv tot de vaste vergoeding voor de kostprijs van het verloop van de strafprocedure,
die geïndexeerd 61,01 euro bedraagt. Met toepassing van diezelfde bepaling verhoogt het
hof de kosten met 10 %.
Met toepassing van artikel 4, § 3 en artikel S, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot
oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, in werking
getreden op 1 mei 2017 ingevolge artikel 6 van het koninklijk beslu it van 26 april 2017 tot
uitvoering van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand, veroordeelt het hof de beklaagde
ook tot het
betalen van een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die
sinds 1 oktober 2022 na indexatie 24 euro bedraagt.
7. Burgerlijke rechtsvorderingen
• Vlaamse Gewest
7.1
::!n het Vlaamse Gewest (vertegenwoordigd door de Vlaamse minister van
mobiliteit en openbare werken)
legden op 20 november 2025 een gezamenlijke
(aanvullende) syntheseconclusie neer. Het hof slaat voor deze partijen enkel acht op die
conclusie. Daarin vorderen zij respectief het volgende:
.· in so lidum, de een bij gebreke aan de andere, te
veroordelen tot:
- de betaling aan het Vlaamse Gewest van een provisie van 25.000 euro, dit bedrag te
vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag
der algehele betal in g;
van een provisie van 5.000 euro, te vermeerderen met de
- de betaling aan
wettelijke intresten vanaf de datum van de initiële dagvaarding tot de dag der algehele
betaling.
Zij vorderen ook de rechtsplegingsvergoeding(en), begroot op 3.139,53 euro.
Anders dan het Vlaamse Gewest, stelde
geen zelfstandig beroep in. Zij stelde wel
overeenkomstig artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering in haar conclusie incidenteel
beroep in. Dat beroep is eveneens ontvankelijk, zoals al werd vastgesteld.
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
p.24
7.2 Overeenkomstig artikel 6.5 Burgerlijk Wetboek, en tot 1 januari 2025 artikel 1382 Oud
Burgerlijk Wetboek, is eenieder aansprakelijk voor de schade die hij door zijn fout aan een
ander veroorzaakt. De misdrijven die de beklaagden pleegden, vormen een fout zoals
bedoeld in die wettelijke bepalingen. De beklaagden zijn daarom in beginsel gehouden de
schade van de burgerlijke partijen, die door de bewezen feiten veroorzaakt werd te
vergoeden.
De burgerlijke partijen moeten het bewijs leveren van hun schade en het oorzakelijk verband
tussen die schade en de bewezen feiten.
7.3 In een werfverslag van 4 april 2025 werd over de vooruitgang van de werf uitdrukkelijk
genoteerd dat alle werken in het kader van de ontgraven aanvulgronden en het vervangen
ervan werden uitgevoerd en dat de werken aan de bovenbouw in het kader van het
vervangen van de aanvulgronden werden uitgevoerd. Bij dit werfbezoek was de gemeente
en het Agentschap Wegen en
was aanwezig. Tevens was er
en waren er personen van
verkeer was vertegenwoordigd. De beklaagde
een veiligheidscoördinator
grondlabo's aanwezig
vertegenwoordigd. Ook
en
Verder werd in het verslag vermeld dat de wegenis volledig werd opengesteld. Wat betreft
de veiligheid werd genoteerd dat de werken beëindigd zijn en aldus de opvolging van de
veiligheid stopte. De beëindiging van de werken en de volledige heraanleg van de omgeving
en de ingebruikneming van de wegen, vindt bevestiging in een proces-verbaal van
vaststelling van 3 april 2025 van een gerechtsdeurwaarder, dat door de beklaagden werd
overgelegd.
De beklaagden legden vervoersdocumenten over, om het vervoer van de aanvulgronden aan
te tonen, evenals een groot aantal vrachtbonnen van de Grondbank.
Er zijn op de site waar de feiten plaatsvonden geen achtergelaten afvalstoffen meer
aanwezig, zodat geen herstel overeenkomstig artikel 16.6.4 Decreet Algemene Bepalingen
Milieubeleid meer te bevelen is. De uitspraak hierover moet niet uitgesteld worden in
afwachting van een uitspraak van de OVAM over het beschrijvend bodemonderzoek dat In
opmaak zou zijn, zoals de burgerlijke partijen aanvoeren.
Op grond va n deze elementen stelt het hof vast dat het herstel volledig werd uitgevoerd. De
burgerlijke partijen erkennen trouwens zelf in hun syntheseconclusies dat de beklaagde
"uiteindelijk (na heel wat vertragingmanoeuvres) toch (is) overgegaan tot de uitvoering van
de herstelwerken" (p. 40, conclusie).
De beklaagden kunnen dan ook niet meer tot het herstel, dat zij zelf en op eigen kosten
uitvoerden, worden veroordeeld . Evenmin kunnen zij nog worden veroordeeld tot
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
- - --------------------------
·p. 25
terugbetal ing van kosten die de burgerlijke partijen zouden hebben gemaakt om de
uitvoering van het herstel mogelijk te maken, maar die niet worden bewezen.
Dat er nog toekomstige kosten dreigen voor:
-
het opbreken van de huidige infrastructuur;
het uitgraven, afvoeren en verwerken van de vervuilde omhullingen en aanvullingen
rond rioleringsbuizen,
toegangs- en verbindingsputten en overstorten, en van de aanvullingen rond
huisaansluitingen en
straatkolken;
het opnieuw aanvullen van de uitgravingen met zand;
het opnieuw herstellen van de infrastructuur in zijn huidige toestand,
en dat dit schade is voor de burgerlijke partijen is louter hypothetisch en wordt niet
aangetoond. De burgerlijke partijen maken ook niet duidelijk wie van hen welk deel van deze
kosten zou moeten betalen of dat het gemeenschappelijke kosten zullen betreffen. Zij
leveren geen enkel bewijs van deze kosten. Zij bewijzen ook niet dat zij meer lonen of
wedden moesten betalen, dan wanneer de fouten niet zouden zijn begaan.
Zoals hiervoor vermeld, stellen de burgerlijke partijen dat zij elk kosten hebben moeten
maken die de uitvoering van het herstel mogelijk hebben gemaakt, maar dat zij die kosten
nog niet kunnen bepalen. Dat zou pas kunnen na afloop, waarmee zij dan doelen op een
definitief herstel. Dit definit ief herstel was echter met zekerheid al op 4 april 2025
uitgevoerd, zodat de burgerl ijke partijen ten onrechte nog een afloop afwachten om die
kosten te bepalen.
De burgerlijke partijen bewijzen niet dat zij personeel moesten aanwerven om dit dossier te
beheren of dat zij meer lonen of wedden moesten betalen voor de opvolging van dit dossier.
Niettemin is het aannemelijk dat de burgerlijke partijen als gevolg van de feiten
administratiekosten hebben moeten maken die er anders niet waren. Dit zijn geen loutere
kosten van verdediging en maakt voor hen vergoedbare schade uit. De precieze bepaling van
deze kosten is niet mogelijk, zodat het hof deze in billijkheid bepaalt op respectief 2.500
euro voor het Vlaamse Gewest en 1.500 euro voor
In deze bedragen is het
verloop van de tijd sedert het ontstaan van die schade en het gevolg daarvan op het
schadebedrag al uitgedrukt, zodat er op deze bedragen slechts interesten verschuldigd zijn
vanaf de dag van dit arrest en er geen vergoedende interesten op verschuldigd zijn vanaf
een datum die de dag van het arrest voorafgaat.
Het Vlaamse Gewest, noch
grondonderzoek, wat
vorderen in concreto hun aandeel in de kosten van het
(zie hierna) wel doet.
7.4 Krachtens artikel 162bis, samen gelezen met artikel 211 Wetboek van Strafvordering is
tot het betalen aan de burgerlijke partijen van de
de beklaagde gehouden
in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek. Deze
rechtsplegingsvergoeding bepaald
Hof van beroep Gent- tiende kamer-
·p.26
rechtsplegingsvergoeding
is verschuldigd per aanleg. De strafrechter moet de
rechtsplegingsvergoeding begroten. Deze begroting heeft het bedrag van de vordering als
maatstaf en wordt bepaald door artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot
vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding in artikel 1022 van het
Gerechtelijk Wetboek.
De rechtsplegingsvergoeding is in beginsel te begroten op basis van de bedragen van de
vorderingen respectief in eerste aanleg en in beroep. De eerste rechter kende een
rechtsplegingsvergoeding toe van 1.800 euro. De beklaagden voerden niet aan dat er sprake
was van een kennelijke overwaardering van de schade en maakten geen opmerkingen over
de rechtsplegingsvergoeding.
Aldus bedraagt de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg 15.000 euro en in beroep
3.924,42 euro.
8. Burgerlijke rechtsvordering
8.1
september 2025 het volgende:
1ordert als burgerlijke partij in haar laatste conclusie van 24
het hoger beroep van
op zowel straf- en burgerlijk
gebied integraal af te wijzen als ongegrond, en dus het vonnis a quo te bevestigen
wat betreft de veroordeling tot milieuherstel binnen de termijn van één jaar en
onder verbeurte van een dwangsom van 2.000 euro per dag vertraging ten voordele
van
het volgberoep van
burgerlijk gebied het vonnis a quo te hervormen als volgt:
op burgerlijk vlak gegrond te verklaren en dienvolgens op
met een maximum van 2.000.000 euro;
o
o
solidair, in solidum, de één bij gebreke aan de
andere, te veroordelen tot betaling van een bedrag van 48.551 euro voor
reeds gemaakte kosten voorafgaand aan de procedure, meer intrest aan de
wettelijke rentevoet vanaf gemiddelde datum 1 oktober 2019 tot op datum
van algehele beta ling;
;olidair, in solidum, de één bij gebreke aan de
andere, te veroordelen tot betaling van een provisioneel bed rag van
59.668,20 euro aan bijkomende schadevergoeding, meer intrest aan de
wettelijke rentevoet vanaf datum vonnis, met afrekening van het geheel
technische bijstand door
(inclusief kosten voor extra
studiebureau, veiligheidscoördinator, bodemsaneringsdeskundige, werken
door derde) op eenvoudige voorlegging van facturen;
loonkosten en
o de zaak aan te houden voor wat betreft de definitieve schadebegroting van
o
solidair, in solidum, de één bij gebreke aan de
andere, te veroordelen tot betaling van een bedrag van 2.500 euro voor het
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
- p. 27
meerwerk in het kader van het subsidiedossier, en tevens solidair, in solidum,
de één bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling van de
desgevallend door de VMM teruggevorderde subsidies, provisioneel begroot
op 1 euro;
o voorbehoud te verlenen aan
voor: i) eventuele toekomstige kosten
voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van de afvalstoffen, ii)
definitieve begroting va n de schade en voor eventuele toekomstige schade
die in oorzakelijk verband staat met de bewezen verklaarde feiten;
: solidair, in solidum, de één bij gebreke aan de andere, te
veroordelen tot de kosten van huidig geding, met inbegrip van een geïndexeerde
rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep van minstens 7.848,84 euro.
8.2 Hiervoor (randnummer 7.3) werd vastgesteld dat het herstel volledig werd uitgevoerd.
Het deel van de vordering van de burgerlijke partij dat betrekking heeft op de kosten voor de
uitvoering van de herstelwerken mist grond. De beklaagden hebben de herstelwerken zelf
en met eigen middelen uitgevoerd. Er wordt niet aangetoond dat de burgerlijke partij zelf
herstelwerken uitvoerde of moest bekostigen.
Als is vastgesteld dat het herstel is uitgevoerd, kunnen de beklaagden niet ook nog eens
veroordeeld worden voor de zogenaamde meerwerken bij toekomstige werken rondom de
huisaansluitingen en straatkolken omwille van de achtergelaten verontreiniging. Evenmin
kan hiervoor voorbehoud worden verleend. Er wordt trouwens geen bewijs geleverd van
deze kosten of dat er zekerheid is dat dergelijke kosten zich zullen voordoen.
Ook de kans op uitloging die de bu rgerlijke partij inroept als een mogelijke toekomstige kost
is louter hypothetisch. De burgerlijke partij stelt dat de kans op uitloging reëel is, maar levert
geen enkel bewijs van enige rede lijke zekerheid hierover. Er wordt ook niet verduidelijkt hoe
het enigszins mogelijk zal zijn om een onderscheid te maken tussen uitloging die mogelijk
afkomstig is van vervuiling waarvoor de beklaagden verantwoordelijk waren en enige andere
oorzaak van dergelijke uitloging. Ook voor een mogelijke uitloging kan geen voorbehoud
worden verleend.
Het oorzakelijk verband tussen een mogelijk verlies op subsidie (of de verplichting tot
terugbetaling ervan) op grond van artikel 38 Vlaamse Codex voor Overheidsfinanciën en de
fouten die de beklaagden begingen is helemaal niet aangetoond. De burgerlijke partij geeft
bovendien zelf aan dat op gemotiveerde wijze een uitstel kan worden bekomen van de
vervaltermijn voor de subsidie. De administratiekosten die verband houden met het vragen
van dergelijk uitstel, houden geen verband met de door de beklaagden gepleegde feiten . Het
verlies van subsidie is bovendien helemaa l niet zeker en momenteel louter hypothetisch. Er
is geen grond om hiervoor een voorschot van 1 euro toe te kennen.
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
· p.28
De kosten van grondonderzoek van de
zijn wel kosten die in causaal
verband staan met de door de beklaagde begane fouten. Het hiervoor gevorderde bedrag
van 9.668,20 euro is toe te kennen.
is het aannemelijk dat de burgerlijke partij als gevolg van de
De burgerlijke partij bewijst niet dat zij personeel moest aanwerven om dit dossier te
beheren of dat zij meer lonen of wedden moest betalen voor de opvolging van dit dossier.
feiten
Niettemin
administratiekosten heeft moeten maken die er anders niet waren. Dit zijn geen loutere
kosten van verdediging en maakt voor haa r vergoedbare schade uit. De precieze bepaling
van deze kosten is niet mogelijk, zodat het hof deze in billijkheid bepaalt op 2.500 euro. In
dit bedrag is het verloop van de tijd sedert het ontstaan van die schade en het gevolg
daarvan op het schadebedrag al uitgedrukt, zodat er op dit bedrag slechts interesten
verschuldigd zijn vanaf de dag van dit arrest en er geen vergoedende interesten op
verschuldigd zijn vanaf een datum die de dag van het arrest voorafgaat.
8.3 Krachtens artikel 162bis, samen gelezen met artikel 211 Wetboek van Strafvordering is
tot het betalen aan de burgerlijke partijen van de
de beklaagde gehouden
rechtsplegingsvergoeding bepaald
in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek. Deze
rechtsplegingsvergoeding
is verschuldigd per aanleg. De strafrechter moet de
rechtsplegingsvergoeding begroten. Deze begroting heeft het bedrag van de vordering als
maatstaf en wordt bepaald door artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot
vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding in artikel 1022 van het
Gerechtelijk Wetboek.
De rechtsplegingsvergoeding is in beginsel te begroten op basis van de bedragen van de
vorderingen respectief in eerste aanleg en in beroep. De eerste rechter kende een
rechtsplegingsvergoeding toe van 1.800 euro. Deze beklaagde stelde zelfstandig beroep in.
De beklaagden voerden niet aan dat er sprake was van een kennelijke overwaardering van
de schade en maakten geen opmerkingen over de rechtsplegingsvergoeding.
Aldus bedraagt de rechtspleglngsvergoeding in eerste aanleg 3.750 euro en in beroep
7.848,84 euro.
9. Burgerlijke rechtsvordering gemeente
9.1 De burgerlijke partij gemeente
vertegenwoordigd door het college van
burgemeester en schepenen, vordert in de laatste conclusie van 26 december 2024, om de
drie beklaagden solidair, in solidum, de een bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot:
-
in hoofdorde: een provisie van 1.500.000 euro, met afreken ing van het geheel na
uitvoering van de totaalwerken door een derde (op eenvoudige voorlegging van een
factuur); dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf
datum dagvaarding tot de dag der algehele betaling;
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
·p. 29
- in subsidiaire orde: een schadevergoeding van in totaal 688.646,67 euro, waarvan bijna de
helft, namelijk 337.454,93 euro, voor de
toekomstige meerwerken; dit bedrag te
vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding tot de
dag der algehele betaling.
Verder vordert deze burgerlijke partij het beroepen vonnis als volgt te hervormen:
- de beklaagden solidair, in solidum de een bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot de
betaling van een schadevergoeding voor kosten, werk en administratie ten belope van een
provisioneel bedrag van 25.000 euro, meer de gerechtelijke intresten;
- de beklaagden solidair, in solidum de een bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot de
betaling van een schadevergoeding voor de kosten van de opvolging van het milieuherstel
ten bedrage van een provisioneel bedrag van 59.668,20 euro, meer de gerechtelijke
intresten, en dat de zaak wordt aangehouden voor de definitieve schadebegroting
(waaromtrent alle voorbehoud).
andere,
Deze burgerlijke partij vordert om de beklaagden solidair, in solidum, de een bij gebreke aan
de
de
basisrechtsp legingsvergoeding van 15.000 euro,
in
ondergeschikte orde.
in hoofdorde en 10.500 euro,
veroordelen
betalen
geval"
van
het
tot
elk
"in
te
9.2 Voor zover gericht tegen
is de vordering van deze burgerlijke partij
ongegrond gezien haar definitieve vrijspraak. Ze beging geen fouten en veroorzaakte geen
en
schade in dit verband. Het loutere feit dat ze eveneens bestuurder was van de
de echtgenote is van
Jewijst het tegendeel niet.
Wat betreft de kosten die verband houden met het herstel, verwijst het hof naar de
is uitgevoerd door de
overwegingen hiervoor onder randnummer 7.3. Het herstel
beklaagden, zodat de tegenwaarde van de herstelkosten geen schade (meer) vormt. De
burgerlijke partij levert geen bewijs van werken of kosten die niet in het herstel vervat zijn
en die hun oorzaak vinden in de begane fouten.
Als er nog technische gebreken zouden zijn bij de uitvoering van de werken, waarvan actueel
geen bewijs wordt geleverd, dan houden deze verband met de aanneming die de
beklaagden uitvoeren. Alleszins is het oorzakelijk verband met deze fouten niet aangetoond.
Wel is ook voor deze burgerlijke partij aannemelijk dat zij als gevolg van de feiten
administratiekosten heeft moeten maken die er anders niet waren, voor de opvolging van
het schadedossier. Dit zijn geen loutere kosten van verdediging en maakt voor haar
vergoedbare schade uit. De precieze bepaling van deze kosten is niet mogelijk, zodat het hof
deze in billijkheid bepaalt op 2.500 euro. In dit bedrag is het verloop van de tijd sedert het
ontstaan van die schade en het gevolg daarvan op het schadebedrag al uitgedrukt, zodat er
op dit bedrag slechts interesten verschuldigd zijn vanaf de dag van dit arrest en er geen
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
p. 30
vergoedende interesten op verschuldigd zijn vanaf een datum die de dag van het arrest
voorafgaat.
De g~meente vordert in concreto geen aandeel in de kosten van het grondonderzoek, wat
Fluvius (zie hiervoor) wel doet.
9.3 Krachtens artikel 162bis, samen gelezen met artikel 211 Wetboek van Strafvordering is
tot het betalen aan de burgerlijke partijen van de
de beklaagde gehouden
rechtsplegingsvergoedîng bepaald
in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek. Deze
is verschuldigd per aanleg. De strafrechter moet de
rechtsplegingsvergoeding
rechtsplegingsvergoeding begroten. Deze begroting heeft het bedrag van de vordering als
maatstaf en wordt bepaald door artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot
vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding in artikel 1022 van het
Gerechtelijk Wetboek.
De rechtsplegingsvergoeding is in beginsel te begroten op basis van de bedragen van de
vorderingen respectief in eerste aanleg en in beroep. De eerste rechter kende een
rechtsplegingsvergoedîng toe van 1.800 euro. Er is ze lfstandig beroep van deze burgerlijke
partij. De beklaagden voerden niet aan dat er sprake was van een kennelijke overwaardering
van de schade en maakten geen opmerkingen over de rechtsplegingsvergoeding .
Aldus bedraagt de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg 22.500 euro en in beroep
23.546,51 euro.
Dictum
Toegepaste wetsartikelen:
Het hof maakt toepassing van de hiervoor aangehaalde artikelen en van de artikelen:
- 211 Wetboek van Strafvordering,
- 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der ta len in gerechtszaken.
Beslissing van het hof:
Het hof,
rechtsprekend op tegenspraak,
ten gronde beslissend over de ontvankelijke beroepen:
wijzigt het beroepen vonn is voor zover bestreden als volgt :
Hof van beroep Gent• tiende kamer -
p, 31
op strafgebied:
veroordeelt de beklaagde
samen tot een geldboete van 20.000 euro, verhoogd met 70 deciemen tot 160.000 euro;
✓oor de bewezen telastleggingen Al, A2, B1 en B2
toor de bewezen telastleggingen Al, A2, B1 en B2
veroordeelt de beklaagde
samen tot een geldboete van 10.000 euro, verhoogd met 70 deciemen tot 80.000 euro of
een vervangende gevangenisstraf van drie maanden;
elk tot betaling van een bedrag
veroordee lt de beklaagden
van 25 euro, vermeerderd met 70 deciemen en zo gebracht op telkens 200 euro als bijdrage
tot de financiering van het fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden
en aan de occasionele redders;
veroordeelt de beklaagde
vergoeding voor de kostprijs van het verloop van de strafprocedure;
tot betaling van een bedrag van 61,01 euro als
veroordeelt de beklaagde
Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand;
tot betaling van een bijdrage van 26 euro aan het
veroordeelt de beklaagden
tot betaling van de kosten van de strafvordering in
eerste aanleg, voor het openbaar ministerie be1uoot op 184,31 euro in eerste aan leg
is gehouden) en ve roordeelt de
(waartoe deze beklaagde hoofdelijk met
beklaagden
hoofdelijk tot de kosten in beroep, 408,64 euro
bedragend;
op burgerlijk gebied:
hoofdelijk tot betaling aan de
veroordeelt de beklaagden
burgerlijke partij het Vlaamse Gewest van een bedrag van 2.500 euro, vermeerderd met de
gerechtelijke intresten vanaf de dag van dit arrest tot de dag van betal ing, aan de wettelijke
intrestvoet;
1oofdelij k tot beta ling aan de
veroordeelt de beklaagden
burgerlijke partij
van een bedrag van 1.500 euro, vermeerderd met de
gerechtelijke intresten vanaf de dag van dit arrest tot de dag van beta ling, aan de wettelijke
intrestvoet;
hoofdelijk tot betaling van de
veroordeelt de beklaagden
kosten van de burgerlijke partijen het Vlaamse Gewest en
samen, met inbegrip
van de rechtsplegingsvergoed ing begroot op 15.000 euro in eerste aanleg en 3.924,42 euro
in beroep;
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
·p. 32
hoofdelijk tot betaling aan de
veroordeelt de beklaagden
burgerlijke partij het
van een bedrag van 12.168,20 euro,
vermeerderd met de vergoedende intresten op 9.668,20 euro vanaf 1 oktober 2019 tot de
datum van dit arrest, vanaf dan meer de gerechtelijke intresten op de hoofdsom van
12.168,20 euro, meer de intussen vervallen vergoedende intresten en op het deelbedrag van
9.668,20 euro en dit tot de dag van betaling, aan de wettelijke intrestvoet en veroordeelt
hen tevens hoofdelijk tot betaling van de kosten van de burgerlijke partij
met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 3.750 euro in eerste
aanleg en 7.848,84 euro in beroep;
hoofdelijk tot betaling aan de
veroordeelt de beklaagden
burgerlijke partij gemeente
van een bedrag van 2.500 euro, vermeerderd met de
gerechtelijke intresten tot de dag van betaling, aan de wettelijke intrestvoet en veroordeelt
hen tevens hoofdelijk tot betaling van de kosten van de burgerlijke partij gemeente
met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 22.500 euro in eerste aanleg en
23.546,51 euro in beroep;
wijst het meer of anders gevorderde af als ongegrond.
Hof van beroep Gent • tiende amer -
p. 33
Kosten eerste aanleg:
€ 184,31
Kosten beroep:
Afschrift vonnis:
Afschriften akten HB:
Opstelrecht ber. bekl.:
Dagv. 1e bekl.:
Dagv. 2e en 3e bekl.:
Dagv. le BP.:
Dagv. 2e BP:
Dagv. 3e BP:
Dagv. 4e BP:
Afschrift TA 18.04.'25:
€ 84,00
€ 6,00
€ 35,00
€ 33,19
€ 33,19
€ 32,16
€ 31,16
€ 31,15
€ 34,65
€ 48,00
+10%:
€ 371,49
€ 37,15
Totaal :
€ 408,64
Dit arrest 1s gewezen te Gent door het hof van beroep, t iende correctionele kamer,
en
samengesteld uit kamervoorzitter
en in openbare rechtszitting van 16 januari 2026 uitgesproken door
advocaat-generaal, met
n aanwezigheid van
en de raadsheren
kamervoorzitter
bijstand van griffier