Naar hoofdinhoud

ADB:hof-van-beroep-gent-16-01-2026

Beslissingsdetails

🏛️ Hof van Beroep Gent 📅 2026-01-16 🌐 NL Arrest

Rechtsgebied

Milieu

Geciteerde wetgeving

Decreet van 5 april 1995; Decreet van 5 april 1995; Decreet van 23 december 2011; Decreet van 27 oktober 2006; Decreet van 5 april 1995; art. 29 van de wet van 1 augustus 1985; decreet van 23 december 2011; decreet van 27 oktober 2006; koninklijk besluit van 28 december 1950; koninklijk besluit van 26 oktober 2007

Samenvatting

Geen rechtsmiddel werd tot heden tegen dit arrest l /2026 Arrestnummer t:,, 8'] Repertorium nummer 2026/ ,!OJ!, Datum van uitspraak 16 januari 2026 Notitienummer griff ie Notitienummer parket-generaal 2024/PGG/866 2024/VJtt/610 Hof van beroep NA TUSSENARREST Gent BORGSOM (2x) Arrest tiende kamer ...

Volledige tekst

Geen rechtsmiddel werd tot heden tegen dit arrest l /2026 Arrestnummer t:,, 8'] Repertorium nummer 2026/ ,!OJ!, Datum van uitspraak 16 januari 2026 Notitienummer griff ie Notitienummer parket-generaal 2024/PGG/866 2024/VJtt/610 Hof van beroep NA TUSSENARREST 18.04.2025 Gent BORGSOM (2x) Arrest tiende kamer correctionele zaken Hof van beroep Gent• t iende kamer- • p. 2 1. Not.nr. In de zaak van het openbaar ministerie en van 1. nr. 2. nr. met zetel te - burgerlijke partij - met zetel te - burgerlij ke partij - 3. nr. VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd - burgerlijke partij - 4. nr. , c/o College van Burgemeester en Schepenen, met kantoren te - burgerlijke partij - 5. en 6. Nr. ( ... ) (niet in de zaak voor het hof) tegen 1. nr. 2. nr. 3. nr. (ON met zetel te - beklaagde - met Belgische nationaliteit, (RRN geboren wonende te - beklaagde - Hof van beroep Gent - tiende kamer - -p. 3 met Belgische nationaliteit, geboren wonende te - beklaagde - verdacht van: als dader of mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek, nl. zij die de misdaad of het wanbedrijf hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks hebben meegewerkt: "A. Afval- achterlaten De eerste, de tweede en de derde Opzettelijk, in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een vergunning, afvalstoffen, zijnde elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, te hebben achtergelaten, beheerd of overgebracht, Meer bepaald in strijd met artikel 12 §1 van het Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen, namelijk door in het kader van rioleringswerken een niet nader te bepalen hoeveelheid vervuilde grond met code 999 te hebben overgebracht naar de werf en deze aldaar te hebben achtergelaten deze feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.3.§1, eerste lid van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid l.k.._ periode van 01.09.2015 tot en met 14.12.2017 en elders in het Riik. meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de 2.~-- periode van 06.06.2016 tot en met 18.08.2016 en elders in het Riik, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de 8. Vlarebo - Gebruik van bodemmaterialen De eerste, de tweede en de derde Opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid de gebruiksbeperkingen, voorzorgsmaatregelen, veiligheidsmaatregelen en/ of bestemmingsbeperkingen zoals voorzien in de artikelen 69, 70, 72 en 73 van het Decreet van 2 7 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming niet te hebben nageleefd, namelijk bij inbreuk op de artikelen 161 §1-§2, 162 van het Besluit van 14.12.2007 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de Hof van beroep Gent - tiende kamer - ._ ... __ , _________________________ _ - p. 4 bodemsanering en bodembescherming verzuimd te hebben bij het algemeen gebruik van uitgegraven bodem de volgende voorwaarden na te leven: §1.Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die Jager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden vermeld in bijlage V, kunnen vrij als bodem worden gebruikt. en §2.Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden vermeld in bijlage V, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat hij verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, kan als bodem worden gebruikt onder de volgende voorwaarden: 1 ° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als er geen bijkomende verontreiniging van het grondwater wordt veroorzaakt; 2° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen geen bijkomend risico oplevert; 3° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de concentraties van stoffen in de lager zijn dan of gelijk aan 80% van de overeenstemmende uitgegraven boden bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waaronder de ontvangende grond wordt ingedeeld overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV; 4" Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de gemiddelde concentraties van stoffen in de uitgegraven bodem lager zijn dan of gelijk aan de concentraties in de ontvangende grond. Voor de opvulling van een vergunde groeve of graverij kan hiervan afgeweken worden tot maximaal de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype 111; 5° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de uitgegraven bodem voor het gebruik als bodem gereinigd wordt door gebruik te maken van de best beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen als hij concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype Il/ of als hij concentraties van verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, waardoor hij niet aan de voorwaarden vermeld in punt 1 ° en 2° voor het gebruik als bodem voldoet. Als de uitgegraven bodem niet reinigbaar is door gebruik te maken van de best beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, wordt de uitgegraven bodem verwerkt overeenkomstig de bepalingen van het Afvalstoffendecreet. Het gebruik van de uitgegraven bodem in het gebruiksgebied bouwstof als secundaire grondstof is niet toegelaten. Aan de hand van een conform verklaard technisch verslag en een studie van de ontvangende grond wordt nagegaan of aan die voorwaarden is voldaan. Hof van beroep Gent - tiende kamer- p. 5 Onverminderd de voorwaarden vermeld in §1 en §2 kan uitgegraven bodem alleen als bodem gebruikt worden, op voorwaarde dat het gehalte aan stenen die niet van nature aanwezig zijn, maximaal vijf massaprocent bedraagt, de afmeting van de stenen die niet van nature aanwezig zijn, maximaal vijf massaprocent bedraagt, de afmeting van de stenen die niet van nature aanwezig zijn, niet groter is dan vijftig millimeter, en het gehalte aan andere bodemvreemde materialen maximaal één massa - en volumeprocent bedraagt. Meer bepaald door het gebruik van uitgegraven bodem die grote hoeveelheden grof steenpuin (groter dan vijftig millimeter) en concentraties van stoffen bevat die niet voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in art. 161, §2 en de bijlagen /Ven V VLAREBO; Deze feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.1,§1 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. 1.-g_ periode van 01 .09.2015 tot en met 14.12.2017 en elders in het Riik, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de 2.-g_ periode van 06.06.2016 tot en met 18.08.2016 en elders in het Riik, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de C. Vlarebo - Mengen van uitgegraven bodem De eerste, de tweede en de derde Opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid de gebruiksbeperkingen, voorzorgsmaatregelen, veiligheidsmaatregelen en/of bestemmingsbeperkingen zoals voorzien in de artikelen 69, 701 72 en 73 van het Decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming niet te hebben nageleefd, namelijk bij inbreuk op artikel 160 van het Besluit van 14 december 2007 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en bodembescherming in strijd met het verbod om verscheidene partijen uitgegraven bodem met verschillende milieu hygiënische kwaliteit tijdens of na de uitgraving ervan te mengen met de bedoeling om door de lagere concentratie van één of meer stoffen die aanwezig zijn in de uitgegraven bodem, voor de aldus gemengde uitgegraven bodem een gebruiksmethode in aanmerking te laten komen die voor de niet-gemengde uitgegraven bodem niet is toegestaan. meer bepaald door verscheidene partijen uitgegraven verontreinigde bodem van niet-nader te bepalen oorsprong te hebben vermengd met de uitgegraven bodem in het kader van openbare werken Hof van beroep Gent - t iende kam er - - p. 6 De feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.1,§1 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid 1.!_g__ periode van 01.09.2015 tot en met 14.12.2017 en elders in het Riik, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de 2.te periode van 06.06.2016 tot en met 18.08.2016"; en elders in het Riik, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de en: ll. Gezien de processtukken en namelijk de rechtstreekse dagvaarding betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 6 juni 2023: ten verzoeke van: 1. nr. met zetel te - burgerlijke partij - 2. nr. ON met zetel te - burgerlijke partij - ON 3. nr. VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd - burgerlijke partij - 4. nr. (ON c/o College van Burgemeester en Schepenen, - burgerlijke partij - tegen: 1. nr. 2. nr. , (ON met zetel te - beklaagde - :RRN Hof van beroep Gent - tiende kamer - p. 7 ~ ~·------- ------------------ met Belgische nationa liteit, geboren te wonende te : - beklaagde - 3. nr. rnN met Be lgische nationaliteit, geboren wonende te - beklaagde - verdacht van: het opzettelijk, minstens door een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, In strijd met de milieuvoorschriften rechtstreeks of onrechtstreeks stoffen en/of micro-organismen in of op water of bodem in te brengen of te versprei den, met name door ter hoogte van het aangevulde, heraangelegde rioleringstraject nieuw bodemverontreiniging te hebben veroorzaakt die is ontstaan door de toepassing van bouwtechnisch verbeterde aanvulgrond en elders in het Rijk, meermaals, op niet nader te bepalen van slechte kwaliteit, lr tijdstippen in de pe riode van 1 september 2015 tot en met 14 februari 2017. 1. Procedureverloop * * * * 1.1 De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, kamer K.17, besliste bij vonnis van 4 maart 2024 op tegenspraak als volgt: "Op strafqebied Heromschrijft de feiten van tenlasteleggingen A.1 als volgt: 11( .. .) op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 1 september 2015 tot en met 13 oktober 2016 ( ... )". Heromschrijft de feiten van tenlasteleggingen 8.1 als volgt: "Als dader of mededader, de door de Vlaamse Regering nadere vastgelegde regelen betreffende de voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen, de procedure voor het traceren van bodemmaterialen en de taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie als vermeld in artikel 139 van het Bodemdecreet te hebben Hof van beroep Gent - tiende kamer · • p. 8 overtreden, namelijk bij inbreuk op de artikelen 161 §1-§2, 162 van het Besluit van 14.12.2007 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en bodembescherming verzuimd te hebben bij het algemeen gebruik van uitgegraven bodem de volgende voorwaarden na te leven: ( ... ) In van 1 september 2015 tot en met 13 oktober 2016 ( ... )". en elders in het Rijk, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode Heromschrijft de feiten van tenlastelegging B.2 als volgt: "Als dader of mededader, de door de Vlaamse Regering nadere vastgelegde regelen betreffende de voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen, de procedure voor het traceren van bodemmaterialen en de taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie als vermeld in artikel 139 van het Bodemdecreet te hebben overtreden, namelijk bij inbreuk op de artikelen 161 §1-§2, 162 van het Besluit van 14.12.2007 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en bodembescherming verzuimd te hebben bij het algemeen gebruik van uitgegraven bodem de volgende voorwaarden na te leven: ( ... ) in periode van 6 juni 2016 tot en met 18 augustus 2016. 11 en elders in het Rijk, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de Heromschrijft de feiten van tenlastelegging C.1 als volgt: "als dader of mededader, opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid de door de Vlaamse Regering nadere vastgelegde regelen betreffende de voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen, de procedure voor het traceren van bodemmaterialen en de taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie als vermeld in artikel 139 van het Bodemdecreet te hebben overtreden, door in strijd met het verbod om verscheidene partijen uitgegraven bodem met verschillende milieuhygiënische kwaliteit tijdens of na de uitgraving ervan te mengen met de bedoeling om door de lagere concentratie van één of meer stoffen die aanwezig zijn in de uitgegraven bodem, voor de aldus gemengde uitgegraven bodem een gebruiksmethode in aanmerking te laten komen die voor de niet-gemengde uitgegraven bodem niet is toegestaan, meer bepaald door verscheidene partijen uitgegraven verontreinigde bodem van niet-nader te bepalen oorsprong te hebben vermengd met de uitgegraven bodem in het kader van openbare werken, In en elders in het Rijk, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 1 september 2015 tot en met 13 oktober 2016. 11 Hof van beroep Gent - tiende kamer -p. 9 Heromschrijft de feiten van tenlastelegging C.2 als volgt: "als dader of mededader, opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid de door de Vlaamse Regering nadere vastgelegde regelen betreffende de voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen, de procedure voor het traceren van bodemmaterialen en de taken die een bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie als vermeld in artikel 139 van het Bodemdecreet te hebben overtreden, door in strijd met het verbod om verscheidene partijen uitgegraven bodem met verschillende milieuhygiënische kwaliteit tijdens of na de uitgraving ervan te mengen met de bedoeling om door de lagere concentratie van één of meer stoffen die aanwezig zijn in de uitgegraven bodem, voor de aldus gemengde uitgegraven bodem een gebruiksmethode in aanmerking te laten komen die toegestaan, meer bepaald door voor de niet-gemengde uitgegraven bodem niet is verscheidene partijen uitgegraven verontreinigde bodem van niet-nader te bepalen oorsprong te hebben vermengd met de uitgegraven bodem in het kader van openbare werken, in Koekelare en elders in het Rijk, meermaals, op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 6 juni 2016 tot en met 18 augustus 2016.,J Heromschrijft de feiten van de enige tenlastelegging (rechtstreekse dagvaarding) door weglating van de woorden "minstens door een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid". Verklaart de feiten van tenlasteleggingen A.1, A.2, 8.1, 8.2. en de feiten van enige tenlastelegging (rechtstreekse dagvaarding) bewezen in hoofde van BV RTS In/ra. Spreekt 1rij voor de feiten van tenlasteleggingen C.1 en C.2. Veroordeelt tot: • een geldboete van 320.000,00 EURO {=40.000,00 EURO, wettelijk te verhogen met 70 opdecimes, hetzij x 8), met uitstel voor de helft van de geldboete voor een periode van 3 jaar. Verklaart de feiten van tenlasteleggingen A.1, A.2, 8.1, 8.2 en de feiten van enige tenlastelegging (rechtstreekse dagvaarding) bewezen in hoofde van Spreekt 1rij voor de feiten van tenlasteleggingen C.1 en C.2. Veroordeelt . • een hoofdgevangenisstraf van 6 maanden, met uitstel voor een periode van 3 jaar Hof van beroep Gent - tiende kamer - ·p .10 - een geldboete van 32.000,00 EURO {=4.000, 00 EURO, wettelijk te verhogen met 70 opdecimes1 hetzij KB} of een vervangende gevange.nisstraf van 90 dagen Spreekt en de feiten van enige tenlastelegging (rechtstreekse dagvaarding). [il voor de feiten van tenlasteleggingen A.1, A.2, 8.1, 8.2, C.1 en C.2 elk tot betaling van een bijdrage van 200,00 euro Verplicht (=25,00 euro, wettelijk te verhogen met 70 opdecimes, hetzij x 8)1 tot financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders. Verplicht de financiering van het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. ~Ik tot bet,aling van een bijdrage van 24,00 euro tot Verplicht strafzaken van 58,90 euro. elk tot betaling van de vaste vergoeding in Met betrekking tot de gerechtskosten, Veroordeelt totaal op 1.84,31 euro. Milieuherstel hoofdelijk tot de gerechtskosten, begroot in Veroordeelt hoofdelijk tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de in strijd met de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materi,aalkringlopen en afvalstoffen op het achtergelaten afvalstoffen binnen een termijn van één grondgebied van de gemeente Jaar na het in kracht van gewijsde treden van dit vonnis. Voordeelt aanpassingswerken, met name: hoofdelijk tot het uitvoeren van • De op het grondgebied van de gemeente achtergelaten vervuilde grond uitgraven en verwerken conform de bepalingen van het Bodemdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten; • Het opnieuw aanvullen van de sleuven met bodem die voldoet aan de bepalingen van het Bodemdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten; • Het herstellen van het openbaar domein in zijn huidige toestand; Zegt dat het herstel uitgevoerd moet worden binnen een termijn van één jaar na het in kracht van gewijsde treden van dit vonnis, onder verbeurte een dwangsom van 2.000 euro Hof van beroep Gent - tiende kamer- p.11 per dag vertraging ten voordele van 2.000.000 euro. Op burgerliik gebied met een maximum van Verklaart de vorderina van de aemeente wat betreft. Jntvankelijk en in de volgende mate gegrond Verklaart de vordering van de gemeente ontvankelijk en ongegrond wat betreft. Veroordeelt een voorlopige schadevergoeding van 25.000 euro te betalen, met de gerechtelijke moratoire rente aan de wettelijke rentevoet vanaf 3 juni 2022 tot de dag van de volledige betaling. hoofdelijk om aan de gemeente Verleent de gemeente 1oorbehoud voor: • Eventuele toekomstige kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van de afvalstoffen. • De definitieve begroting van de schade en voor eventuele toekomstige schade die in oorzakelijk verband staat met de bewezen verklaarde feiten. Veroordeelt hoofdelijk tot de kosten van de gemeente ,, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.800 euro. Verklaart de vorderinq van c mate gegrond wat Verklaart de vordering van betreft. ontvankelijk en in de volgende betreft. mtvankelijk en ongegrond wat Veroordeelt een provisionele schadevergoeding van 14.579,50 euro te betalen, ~oofdelijk om aan -meer de vergoedende rente aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 oktober 2019 tot en met de dag voorafgaand aan dit vonnis, -meer de gerechtelijke moratoire rente aan de wettelijke rentevoet op dit alles vanaf heden tot de dag van de volledige betaling. Verleent de gemeente voorbehoud voor: • Eventuele toekomstige kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van de afvalstoffen. Hof van beroep Gent - tiende kamer - p. 12 - ------------------------------- • De definitieve begroting van de schade en voor eventuele toekomstige schade die in oorzakelijk verband staat met de bewezen verklaarde feiten. • Eventuele schade die het gevolg is van het terugvorderen van subsidies door de VMM, voor zover die in oorzakelijk verband staat met de bewezen verklaarde feiten. Veroordeelt hoofdelijk tot de kosten van ~egroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.800 euro. Verklaart de vorderina van het Vlaams Gewest en mate gegrond wat betreft. ontvankelijk en in de volgende Verklaart de vordering van het Vlaams Gewest en ontvankelijk en ongegrond wat ,etreft. Veroordeelt hoofdelijk om aan het Vlaams Gewest een provisionele schadevergoeding van 25.000 euro te betalen, meer de gerechtelijke moratoire rente aan de wettelijke rentevoet op dit alles vanaf 3 juni 2022 tot de dag van de volledige betaling. Verleent de het Vlaams Gewest voorbehoud voor: • Eventuele toekomstige kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van de afvalstoffen. • De definitieve begroting van de schade en voor eventuele toekomstige schade die in oorzakelijk verband staat met de bewezen verklaarde feiten. Veroordeelt Vlaams Gewest, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.800 euro. hoofdelijk tot de kosten van het Verklaart de vordering van onontvankelijk. Houdt ambtshalve de (eventuele) burgerlijke belangen aan overeenkomstig artikel 4 V. T.Sv." 1.2 Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld door het afleggen van een verklaring op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, op: 2 april 2024 door de beklaagden 4 april 2024 door de burgerlijke partij Gemeente 5 april 2024 door het openbaar ministerie tegen de beklaagden 12 april 2024 door de burgerlijke partij 12 april 2024 door de burgerlijke partij 12 april 2024 door de burgerlijke partij Hof van beroep Gent - tiende kamer· p. 13 Deze partijen dienden tegelijk elk een verzoekschrift in op die griffie, overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering. 1.3 Op de rechtszitting van 17 oktober 2024 legde het hof bij toepassing van de artikelen 152,§ 1 en 209bis, laatste lid, Wetboek van Strafvordering, conclusietermijnen vast en bepaalde de rechtsdag op de rechtszitting van 7 februari 2025. 1.4 Het hof hoorde op de openbare rechtszitting van 7 februari 2025 in het Nederlands: - de beklaagde meester in zijn middelen van verdediging, vertegenwoordigd door advocaat met kantoor te - de beklaagde in ziin middelen van verdediging, bijgestaan door meester advocaat met kantoor te - de beklaagde meester in haar middelen van verdediging, vertegenwoordigd door advocaat met kantoor te - het openbaar ministerie in zijn vo rdering bij monde van advocaat-generaal, - de burgerlijke partij meester advocaat met kantoor te in haar middelen vertegenwoordigd door - de burgerlijke partij in haar middelen vertegenwoordigd door meester advocaat met kantoor te - de burgerlijke partij Vlaamse Gewest in haar middelen vertegenwoordigd door meester advocaat met kantoor te - de bu rgerlij ke partij in haar middelen vertegenwoordigd door meester voor meester beiden advocaat met kantoor te 1.5 Het hof besliste bij tussenarrest van 18 april 2025 als volgt: "verklaart de beroepen ontvankelijk en vooraleer er ten gronde over te beslissen: beveelt de heropening van de debatten en stelt de zaak daartoe voor behandeling op de rechtszitting van vrijdag 26 september 2025 om 9.00 uur; houdt de beslissing over de kosten aan." Hof van beroep Gent - tiende kamer • -p.14 · ---- - ,~ , -- - ------------------------- 1.6 Op de rechtszitting van 26 september 2025 werd de behandeling van de zaak uitgesteld naar de zitting van 21 november 2025 om de beklaagden toe te laten te antwoorden op de conclusies neergelegd door de burgerlijke partijen op 24 september 2025. Wat betreft de beklaagden, heeft het hof aldus enkel acht te slaan op de alomvattende syntheseconclusie, die op 20 november 2025 digitaal op de griffie werd neergelegd. 1.7 Het hof hoorde op de openbare rechtszitting van 21 november 2025 in het Nederlands: - de beklaagde meester in haar middelen van verdediging, vertegenwoord igd door idvocaat met kantoor te - de beklaagde in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door meester 3dvocaat met kantoor te - de beklaagde meester in haar middelen van verdediging, vertegenwoordigd door advocaat met kantoor te - het openbaar ministerie in zijn vordering bij monde van . advocaat-generaal, - de burgerlijke partij meester ;1dvocaat met kantoor te in haar middelen vertegenwoordigd door - de bun~erliike partij in haar middelen vertegenwoordigd door meester advocaat met kantoor t - de burgerlijke partij Vlaamse Gewest in haar middelen vertegenwoord igd door meester 3dvocaat met kantoor te - de burgerlijke partij gemeente in haar middelen vertegenwoordigd door meester .i ,,- voor meester beiden advocaat met kantoor te 2. Saisine Het hof verklaarde de beroepen al ontvankelijk in het arrest van 18 april 2025. stelde hoger beroep in, maar voerde enkel een grief aan over De beklaagde de beslissing over de burgerlijke rechtsvorderingen en dit wat betreft de schade, die volgens hem niet bewezen is, alleszins niet van die omvang waartoe de eerste rechter besliste. Het openbaar ministerie stelde op strafgebied hoger beroep in tegen de beklaagden doch voerde telkens enkel een grief over de straf(maat) aan. Het openbaar ministerie stelde geen hoger beroep in tegen de beklaagde Isabelle Spriet. Hof van beroep Gent- tiende kamer - p, 15 Aldus staat de schuld van de beklaagde definitief vast wat betreft de t elastleggingen Al, A2, 81 en 82 van de oorspronkelijke rechtstreekse dagvaarding vanwege het openbaar ministerie en de feiten van de enige telastlegging van de (andere) rechtstreekse dagvaarding vanwege burgerlijke partijen. Tevens is de vrijspraak van deze beklaagde voor de telastleggingen Cl en C2 (va n de oorspronkelijke rechtstreekse dagvaarding) definitief. Wat hem betreft zijn de beslissing over de kosten in eerste aanleg en de beslissingen over de bijdrage aan het Begrot ingsfonds (Sa lduz-bijdrage) en de vaste vergoeding definitief. Het hof heeft enkel nog te oordelen over de schuld van RTS Intra aan de telastleggingen Al, A2, 81 en 82. Ook voor deze beklaagde is de vrijspraak voor de telastleggingen Cl en C2 definitief. De beklaagde is definitief vrijgesproken voor alle telastleggingen. De grief van de gemeente tegen de vrijspraak op strafgebied van de beklaagde is niet-ontvankelijk. Dit heeft geen gevolg voor de ontvankelijkheid van het beroep van deze partij. Het hof heeft wel t e oordelen over de grief op burgerlijk gebied van deze burgerlijke partij, ook ten aanzien van Isabelle Spriet. De gemeente stelde verder ook (zelfstandig) hoger beroep in tegen de beklaagden ?n dit wat betreft de burgerlijke rechtsvordering. Hetzelfde deden en het Vlaamse Gewest. 3. Tegenspraak herkwalificatie De beklaagde een telastlegging herkwalificeerde zonder mogelijkheid op repliek hierover. had een grief over de procedure, namelijk dat de eerste rechter Door het beroepen vonnis is deze beklaagde in kennis gesteld van deze mogelijke herkwalificatie en heeft zij mogelijkheid tot tegenspraak hierover. De grief is aldus zonder voorwerp geworden, alleszins niet gegrond. 4. Bewijsbeslissing 4.1 De telastleggingen Al, A2, 81 en 82 van de rechtst reekse dagvaarding van het openbaar ministerie en de telastlegging van de rechtstreekse dagvaarding van de burgerlijke partijen, zoals correct omschreven door de eerste rechter, zijn voor de beklaagde voor het hof bewezen gebleven. 4.2 De beklaagde rlij handelde is de zaakvoerder van voor (rekening van) deze rechtspersoon en de rechtspersoon handelde door hem. De Hof van beroep Gent- tiende kamer - -p.16 beklaagde dus vast dat is definitief schuldig aan de vermelde telastleggingen. Het staat deze feiten pleegde. Wat betreft de schuld van eerste rechter en beschouwt het deze als hier herhaald. sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de 4.3 In de telastlegging Al wordt de beklaagde verweten in het kader van rioleringswerken een niet te bepalen hoeveelheid vervuilde grond met code 999 naar de werf te :e hebben overgebracht en deze daar t e hebben achtergelaten. Dit betreft het opzettelijk, in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een vergunning, achterlaten van afvalstoffen. Een afvalstof is elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Dit gebeurde in strijd met artikel 12, § 1, Materialendecreet en is strafbaar gesteld door artikel 16.6.3, § 1, Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid. Hetzelfde geldt voor de telastlegging A2, maar dan wat betreft Koekelare. De telastleggingen 81 en 82 slaan op respectief dezelfde plaatsen en hebben betrekking op het Bodemdecreet, namelijk het opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid niet naleven van de gebruiksbeperkingen, voorzorgsmaatregelen, veiligheidsmaatregelen en/of bestemmingsbeperkingen, zoals bepaald in de artikelen 69, 70, 72 en 73 Bodemdecreet. De feitelijke gedraging die de beklaagde wordt verweten is het gebruik van uitgegraven bodem die grote hoeveelheden grof steenpuin (groter dan vijftig millimeter) en concentraties van stoffen bevat die niet voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 161, § 2, Vlarebo en de bijlagen IV en V Vlarebo. Deze feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.1, § 1, Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid. De enige telastlegging van de rechtstreekse dagvaarding vanwege de burgerlijke partijen, zoals correct heromschreven door de eerste rechter, heeft betrekking op de feiten van de telastlegging Al. De betrokken feitelijke gedraging is het inbrengen van zware metalen in de bodem. 4.4 Artikel 34 Materialendecreet bepaalt dat de afvalfase van een materiaal een aanvang neemt als aan de definitie van afvalstof is voldaan. Artikel 38 Materialendecreet bepaalt dat bodemmaterialen als vermeld in artikel 2, 33°, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, niet beschouwd worden als afvalstoffen als zij gebruikt worden overeenkomstig de bepalingen voor het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Hof van beroep Gent - tiende kamer - J , 17 Dit geldt in beginsel voor uitgegraven bodem. Grond die enkel mag worden afgevoerd, is een afvalstof. Er was in de bodem ter plaatse aanvankelijk geen verhoogde waarde inzake metalen. Het oorspronkelijk technisch verslag met betrekking tot de afgevoerde bodem maakte er geen melding van (stuk 7, bijlage 7.7 klacht met burgerlijke partijstelllng). Op 13 oktober 2016 werd op de werf in een container met grond opgemerkt, terwijl er naast de container in de sleuf gelijkaardige grond lag (zie o.m. bijlage 1, aanvankelijk PV van 14 februari 2018, kaft opsporingsonderzoek). De toezichthouder die dit opmerkte had onmiddellijk bedenkingen bij de grondkwaliteit en liet bij hoogdringendheid een staalneming doen door een grondlaboratorium. De analysebevindingen wezen uit dat de beide bemonsterde bodems code 999 betroffen en niet in aanmerking kwamen voor gebruik binnen en buiten de kadastrale werkzone. Ze werden beschouwd als verdachte gronden en moesten rechtstreeks worden afgevoerd naar een daartoe erkende opslagplaats of erkende verwerkingseenheden. het heraangelegde Uit de testen die een door alle partijen aangestelde bodemdeskundige uitvoerde, volgt dat langsheen de rioleringstraject bodemsaneringsnormen voordeden, door de aanwezigheid van zware metalen, zoals lood, zink en koper (stuk 7, k!acht met burgerlijke partijstell ing). Terecht overwoog de eerste rechter dat uit niets volgt dat er sprake was van een historische verontreiniging. Ook de zelf door de beklaagde aangestelde bodemdeskundige, stelde dit niet vast (stuk 2 bundel overschrijdingen zich van p. 18 en 29-31). Dat er sprake zou zijn van grond die accidenteel werd vervuild door het toevoegen van een vervuilde hoeveelheid cement, volgt evenmin ergens uit. Het hof verwijst naar de punctuele weerlegging hiervan door de eerste rechter, op pagina 11 van het beroepen vonnis. In conclusie voor het hof, ste lt de beklaagde nooit te hebben beweerd dat de grond vervuild werd door een accidentele toevoeging van een vervuilde hoeveelheid cement. De beklaagde stelt nu dat de grond die uitgegraven werd (en terug moest) door de slechte weersomstandigheden zeer nat was, waardoor de beklaagde zich genoodzaakt zag om deze eerst af te voeren naar een eigen opslagplaats, daar te laten uitlekken en dan op te werken (volgens de beklaagde: aan te rijken) met een hydraulisch bindmiddel. Dit hydraulisch bindmiddel, een cement, zorgde volgens de beklaagde voor een chemische reactie waardoor de grond sneller droogt en meer (druk)sterkte krijgt. Volgens de beklaagde is pas achteraf gebleken dat het gebruikte bindmiddel te hoge concentraties aan zware metalen bevatte, waardoor de kwaliteit van de grond gewijzigd is. Het is die grond die de beklaagde terug heeft opgevoerd. Volgens de beklaagde moet bodem en bindmiddel onderscheiden worden en afzonderlijk worden beschouwd. Volgens haar betekent het loutere feit dat de normen zijn overschreden, in de zin dat er een sanering moet gebeuren, niet dat er sprake is van afval. Hof van beroep Gent - tiende kamer- · p. 18 De beklaagde maakt het hydraulisch geschikt maken van de grond met cement niet enigszins aannemelijk. Er wordt hiervan niet het minste stuk voor overgelegd . Het bestek liet overigens niet toe om zonder enige controlemogelijkheid de uit te graven en uitgegraven grond eerst af te voeren naar een eigen opslagplaats, om die daar te bewerken, vooraleer die weer op te voeren en dit zonder eerst de kwaliteit en geschiktheid van de zo bewerkte grond te controleren. Dit is een contractueel gegeven, maar de omstandigheid dat dit verdoken of niet opgemerkt moest gebeuren, bevestigt het opzet van de beklaagde om dergelijke grond te dumpen . Zoals de eerste rechter terecht vaststelde, betrof het bouwkundig bodemgebruik van uitgegraven bodem, zoa ls beschreven in artikel 2, § 1, 4°, b) van het toen geldende Ministerieel besluit van 9 mei 2008 houdende vaststel li ng van de lijst van bouwkundig bodemgebruik van uitgegraven bodem en van de lijst van vormvaste toepassingen van uitgegraven bodem (opgeheven bij art. 5 MB Vl. Reg. 27 maart 2019, BS 4 april 2019, met Ingang van 1 april 2019). Het is zeker dat de aangevulde grond niet voldeed aan de vereisten voor bouwkundig bodemgebruik. De beklaagde kan helemaal niet gevolgd worden, waar zij de bodem en het bindmiddel afzonderlijk wil beschouwen. Het is immers het mengsel dat werd aangevoerd en dat voor bouwkundig bodemgebruik werd aangewend. Het is dat wat verontreinigde grond uitmaakt, met de risico's die daar uit voortvloeien. Het is dan ook duidelijk dat er sprake was van het aanvoeren en achterlaten van afval. De schuld van de beklaagde is niet louter gesteund op de vaststelling dat er geen historische vervui ling van de bodem was, zoals de beklaagde voorhoudt en wat volgens haar onvoldoende Is. Deze beslissing steunt uiteraard ook op de vaststelling dat de aangetroffen grond vervuild was en als afval te beschouwen is. De vergelijkingen met de vervuiling door verf en deze met het bakken van brood, waarnaar de beklaagde verwijst, houden geen steek. Het hof volgt de beklaagde evenmin in haar stellingen die steunen op de aanwezigheid van cement of de zogenaamde aanrijking met cement. Het hof kan enkel vaststellen dat er sprake was van vervuilde grond, die als een afvalstof is te beschouwen. De beklaagde erkent zelf (o.m . p. 43 van de alomvattende syntheseconclusie) dat het vervuilde grond betrof. Het betrof ook grond die niet geschikt was voor bouwkundig bodemgebru ik. Hieruit is feitelijk af te leiden dat het afval betrof. Daarvoor moet helemaal niet zijn aangetoond dat die grond een code 999 had, wat een categorie is die verband houdt met het bodemdecreet. Dat cement op zich geen afval is, is evenmin relevant . Overigens maakt de beklaagde, zoals vermeld, niet eens aannemelijk dat het toevoegen van cement zorgde voor de vervuil ing. Er werd geen cement aangetroffen, wat het verschil is met die zaken of zaak waarnaar de beklaagde verwijst, waar slakken en vliegas werden aangetroffen. Hof van beroep Gent• tiende kamer - p. 19 4.5 Wat betreft de telastlegging B, heeft de eerste rechter niet louter geherkwalificeerd naar een schending van artikel 138 Bodemdecreet, waar dit een bepaling is die een rechtsonderhorige geen pl ichten oplegt. De eerste rechter heeft de telastlegging verbeterd door te bepa len dat deze betrekking had op de door de Vlaamse regering nader vastgelegde regelen betreffende de voorwaarden voor onder meer het gebruik van bodemmateria len, zoals vermeld in artikel 139 Bodemdecreet. De geherkwalificeerde telastlegging B, waarop de tegenspraak, ook voor het hof, betrekking had, is als volgt te lezen: "Opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, door Vlaamse Regering nader vastgelegde regels betreffende de voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen, de taken die een procedure voor het bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimspecie als vermeld in artikel 139 van het Bodemdecreet, niet te hebben nageleefd, van bodemmaterialen en de traceren namelijk bij inbreuk op de artikelen 161, §§ 1 en 2, 162 van het Besluit van 14 december 2007 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en bodembescherming verzuimd te hebben bij het algemeen gebruik van uitgegraven bodem de volgende voorwaarden na te leven: § 1. Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden vermeld in bijlage V, kunnen vrij als bodem worden gebruikt. en § 2.Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden vermeld in bijlage V, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat hij verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, kan als bodem worden gebruikt onder de volgende voorwaarden: 1 ° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als er geen bijkomende verontreiniging van het grondwater wordt veroorzaakt; 2° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen geen bijkomend risico oplevert; 3° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de concentraties van stoffen in de uitgegraven boden lager zijn dan of gelijk aan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waaronder de ontvangende grond wordt ingedeeld overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV; Hof van beroep Gent- tiende kamer - p. 20 4° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de gemiddelde concentraties van stoffen in de uitgegraven bodem lager zijn dan of gelijk aan de concentraties in de ontvangende grond. Voor de opvulling van een vergunde groeve of graverij kan hiervan afgeweken worden tot maximaal de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype Il/; 5° Uitgegraven bodem kan vrij gebruikt worden als de uitgegraven bodem voor het gebruik als bodem gereinigd wordt door gebruik te maken van de best beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen als hij concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype /Il of als hij concentraties van verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, waardoor hij niet aan de voorwaarden vermeld in punt 1 ° en 2° voor het gebruik als bodem voldoet. Als de uitgegraven bodem niet reinigbaar is door gebruik te maken van de best beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, wordt de uitgegraven bodem verwerkt overeenkomstig de bepalingen van het Afvalstoffendecreet. Het gebruik van de uitgegraven bodem in het gebruiksgebied bouwstof als secundaire grondstof is niet toegelaten. Aan de hand van een conform verklaard technisch verslag en een studie van de ontvangende grond wordt nagegaan of aan die voorwaarden is voldaan. Onverminderd de voorwaarden vermeld in §1 en §2 kan uitgegraven bodem alleen als bodem gebruikt worden, op voorwaarde dat het gehalte aan stenen die niet van nature aanwezig zijn, maximaal vijf massaprocent bedraagt, de afmeting van de stenen die niet van nature aanwezig zijn, maximaal vijf massaprocent bedraagt, de afmeting van de stenen die niet van nature aanwezig zijn, niet groter is dan vijftig millimeter, en het gehalte aan andere bodemvreemde materialen maximaal één massa - en volumeprocent bedraagt. Meer bepaald: door het gebruik van uitgegraven bodem die grote hoeveelheden grof steenpuin (groter dan vijftig millimeter) en concentraties van stoffen bevat die niet voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in art. 161, §2 en de bijlagen IV en V VLAREBO; Deze feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.1, § 1 van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid." Stellen dat er sprake is van een herkwalificatie op grond van een bepaling die geen verplichting inhoudt, berust op een verkeerde lezing van de herkwalificatie. Zoals de eerste rechter, verwijst het hof voor het bewijs van de telastleggingen B1 en 82 respectief naar de overwegingen met betrekking tot de schuld voor de telastleggingen Al en A2. Terecht verwees de eerste rechter ook naar de initiële boringen, waarbij grote hoeveelheden steenslag werden waargenomen. Hof van beroep Gent - tiende kamer - · p.21 4.6 De enige telastlegging van de rechtstreekse dagvaarding die uitgaat van de burgerlijke partijen, heeft betrekking op hetzelfde feitencomplex als dat van de telastleggingen Al en B1. Het situeert zich in dezelfde periode, namelijk van 1 september 2015 tot en met 14 februari 2017. rechtstreeks of Het betreft het opzettelijk, onrechtstreeks inbrengen of verspreiden van stoffen, micro-organismen, geluid en andere trillingen of stralingen in of op water, bodem of atmosfeer. Deze feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.2, § 1, eerste lid, Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid. in strijd met de milieuvoorschriften, Zoals door de eerste rechter terecht overwogen, betreft de feitelijke gedraging die de beklaagde wordt verweten het feit dat tijdens de werken die de beklaagde uitvoerde, zware metalen in de bodem werden ingebracht. De aanvoering van de beklaagde van het onderscheid tussen abstracte en concrete gevaarszettingsdelicten, is zonder relevantie voor de beoordeling van de schuld. Het bedoelde misdrijf op grond van artikel 16.6.2, § 1, eerste lid, Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid vereist om bewezen te zijn niet dat een concreet gevaar voor het leefmilieu is aangetoond. Het inbrengen van zware metalen houdt bovendien wel degelijk een gevaar voor het leefmilieu in. Dat uit het beschrijvend bodemonderzoek zou volgen dat er geen milieuschade of milieugevolgen te verwachten zijn, doet daar niets aan af. Dit brengt ook niet mee dat er enkel sprake zou zijn van een hypothetisch gevaar. De wet maakt overigens geen onderscheid tussen hypothetische en concrete dreiging. Opnieuw verwijst de beklaagde naar het toevoegen van cement als bindmiddel, wat niet enigszins aannemelijk is gemaakt en voor het overige ook niet relevant is. 4.7 De beklaagde heeft de misdrijven opzettelijk en voor reken ing van de firma gedaan. Het betrof het wetens en willens aannemen van een strafbare gedraging. Om de eigen schuld van de rechtspersoon vast te stellen, mag rekening gehouden worden met de gedragingen van de natuurlijke persoon die voor de rechtspersoon optraden. Dat ook zaakvoerder was en geen schuld heeft, belet dat niet. Ook voor de rechtspersoon was er sprake van een eigen strafrechtelijke fout en een eigen schuldpatroon, gezien er binnen haar structuur onvoldoende aandacht was voor het naleven van de regels met betrekking tot de essentie van haar eigen bedrijfsvoering. De rechtspersoon maakt verder het bestaan van rechtvaardiging, schuldontheffing of niet-toerekeningsvatbaarheid niet enigszins aannemelijk. 5. Strafbeslissîng Hof van beroep Gent - tiende kamer - ). 22 De beklaagden pleegden de bewezen telastleggingen elk met een zelfde misdadig opzet. Het hof past voor deze misdrijven overeenkomstig artikel 65, eerste lid, Strafwetboek de zwaarste straf toe. Artikel 7, § 2, Strafwetboek bepaalt voor de rechter de strafdoelstellingen bij de keuze van de soort straf en de maat ervan. De strafdoelen bestaan in het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, de bescherming van de maatschappij, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht, het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade en het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader. Binnen de grenzen van de wet moet de rechter naar een rechtvaardige proportionaliteit tussen het misdrijf en de straf zoeken. Alvorens een straf uit te spreken, moet de rechter deze doelstellingen in overweging nemen, maar ook de ongewenste neveneffecten van de straf ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun omgeving en de samenleving. De beklaagden hielden bij hun bedrijfsvoering in deze zaak geen rekening met de regels die het leefmilieu beschermen. De achteloosheid waarmee vervuilde grond werd gebruikt in een omgeving waar gewoond wordt, druk verkeer is en geleefd wordt, is opvallend. Daar grondwerken de kern van de bedrijfsvoering van de beklaagden uitmaakt, is dit zorgwekkend en vergt dit een duidelijke afkeuring. De feiten werden gepleegd in het kader van een economische activiteit en waren gericht op in een geldgewin, door besparingen. De vervuilde grond werd ondergeschoven rioleringssleuf en zo moesten geen kosten worden gemaakt om deze wettig af te voeren. Dit zorgt voor oneerlijke concurrentie met sectorgenoten die de regels wel naleven. Aldus is een geldboete voor elke beklaagde het meest passend als straf. Deze straf zal de beklaagden niet sociaal declasseren en brengt hun sociale reclassering niet in het gedrang zodat een gunstmaatregel als opschorting va n de uitspraak van de veroordeling of het gelasten van uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf niet passend is. De geldboete is te verhogen met 70 deciemen. Wat betreft de natuurlijke persoon, zet de hierna bepaalde vervangende gevangenisstraf hem maximaal aan tot betaling van de geldboete. 6. Kosten - bijdragen - vergoeding De beklaagden zijn hoofdelijk gehouden tot de kosten, gevallen in de beide aanleggen aan de zijde van het openbaar ministerie zoals hierna bepaald, al deze kosten ondeelbaar veroorzaakt zijnde door de voor hen bewezen verklaarde telastleggingen, die hen gemeen zijn. Hof van beroep Gent - tiende kamer - · p.23 Als veroordeelden tot een correctionele hoofdstraf zijn deze beklaagden elk gehouden tot het betalen van de bijdrage van 25 euro tot financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (art. 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen). Deze bijdrage, die een eigen aard heeft en geen straf inhoudt, wordt vermeerderd met 70 deciemen tot telkens 200 euro, en dit ongeacht de datum van de bewezen verklaarde feiten. Met toepassing van artikel 91 koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken veroordeelt het hof de beklaagde RTS lnfra bv tot de vaste vergoeding voor de kostprijs van het verloop van de strafprocedure, die geïndexeerd 61,01 euro bedraagt. Met toepassing van diezelfde bepaling verhoogt het hof de kosten met 10 %. Met toepassing van artikel 4, § 3 en artikel S, § 1 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, in werking getreden op 1 mei 2017 ingevolge artikel 6 van het koninklijk beslu it van 26 april 2017 tot uitvoering van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, veroordeelt het hof de beklaagde ook tot het betalen van een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die sinds 1 oktober 2022 na indexatie 24 euro bedraagt. 7. Burgerlijke rechtsvorderingen • Vlaamse Gewest 7.1 ::!n het Vlaamse Gewest (vertegenwoordigd door de Vlaamse minister van mobiliteit en openbare werken) legden op 20 november 2025 een gezamenlijke (aanvullende) syntheseconclusie neer. Het hof slaat voor deze partijen enkel acht op die conclusie. Daarin vorderen zij respectief het volgende: .· in so lidum, de een bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot: - de betaling aan het Vlaamse Gewest van een provisie van 25.000 euro, dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag der algehele betal in g; van een provisie van 5.000 euro, te vermeerderen met de - de betaling aan wettelijke intresten vanaf de datum van de initiële dagvaarding tot de dag der algehele betaling. Zij vorderen ook de rechtsplegingsvergoeding(en), begroot op 3.139,53 euro. Anders dan het Vlaamse Gewest, stelde geen zelfstandig beroep in. Zij stelde wel overeenkomstig artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering in haar conclusie incidenteel beroep in. Dat beroep is eveneens ontvankelijk, zoals al werd vastgesteld. Hof van beroep Gent - tiende kamer - p.24 7.2 Overeenkomstig artikel 6.5 Burgerlijk Wetboek, en tot 1 januari 2025 artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek, is eenieder aansprakelijk voor de schade die hij door zijn fout aan een ander veroorzaakt. De misdrijven die de beklaagden pleegden, vormen een fout zoals bedoeld in die wettelijke bepalingen. De beklaagden zijn daarom in beginsel gehouden de schade van de burgerlijke partijen, die door de bewezen feiten veroorzaakt werd te vergoeden. De burgerlijke partijen moeten het bewijs leveren van hun schade en het oorzakelijk verband tussen die schade en de bewezen feiten. 7.3 In een werfverslag van 4 april 2025 werd over de vooruitgang van de werf uitdrukkelijk genoteerd dat alle werken in het kader van de ontgraven aanvulgronden en het vervangen ervan werden uitgevoerd en dat de werken aan de bovenbouw in het kader van het vervangen van de aanvulgronden werden uitgevoerd. Bij dit werfbezoek was de gemeente en het Agentschap Wegen en was aanwezig. Tevens was er en waren er personen van verkeer was vertegenwoordigd. De beklaagde een veiligheidscoördinator grondlabo's aanwezig vertegenwoordigd. Ook en Verder werd in het verslag vermeld dat de wegenis volledig werd opengesteld. Wat betreft de veiligheid werd genoteerd dat de werken beëindigd zijn en aldus de opvolging van de veiligheid stopte. De beëindiging van de werken en de volledige heraanleg van de omgeving en de ingebruikneming van de wegen, vindt bevestiging in een proces-verbaal van vaststelling van 3 april 2025 van een gerechtsdeurwaarder, dat door de beklaagden werd overgelegd. De beklaagden legden vervoersdocumenten over, om het vervoer van de aanvulgronden aan te tonen, evenals een groot aantal vrachtbonnen van de Grondbank. Er zijn op de site waar de feiten plaatsvonden geen achtergelaten afvalstoffen meer aanwezig, zodat geen herstel overeenkomstig artikel 16.6.4 Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid meer te bevelen is. De uitspraak hierover moet niet uitgesteld worden in afwachting van een uitspraak van de OVAM over het beschrijvend bodemonderzoek dat In opmaak zou zijn, zoals de burgerlijke partijen aanvoeren. Op grond va n deze elementen stelt het hof vast dat het herstel volledig werd uitgevoerd. De burgerlijke partijen erkennen trouwens zelf in hun syntheseconclusies dat de beklaagde "uiteindelijk (na heel wat vertragingmanoeuvres) toch (is) overgegaan tot de uitvoering van de herstelwerken" (p. 40, conclusie). De beklaagden kunnen dan ook niet meer tot het herstel, dat zij zelf en op eigen kosten uitvoerden, worden veroordeeld . Evenmin kunnen zij nog worden veroordeeld tot Hof van beroep Gent - tiende kamer - - - -------------------------- ·p. 25 terugbetal ing van kosten die de burgerlijke partijen zouden hebben gemaakt om de uitvoering van het herstel mogelijk te maken, maar die niet worden bewezen. Dat er nog toekomstige kosten dreigen voor: - het opbreken van de huidige infrastructuur; het uitgraven, afvoeren en verwerken van de vervuilde omhullingen en aanvullingen rond rioleringsbuizen, toegangs- en verbindingsputten en overstorten, en van de aanvullingen rond huisaansluitingen en straatkolken; het opnieuw aanvullen van de uitgravingen met zand; het opnieuw herstellen van de infrastructuur in zijn huidige toestand, en dat dit schade is voor de burgerlijke partijen is louter hypothetisch en wordt niet aangetoond. De burgerlijke partijen maken ook niet duidelijk wie van hen welk deel van deze kosten zou moeten betalen of dat het gemeenschappelijke kosten zullen betreffen. Zij leveren geen enkel bewijs van deze kosten. Zij bewijzen ook niet dat zij meer lonen of wedden moesten betalen, dan wanneer de fouten niet zouden zijn begaan. Zoals hiervoor vermeld, stellen de burgerlijke partijen dat zij elk kosten hebben moeten maken die de uitvoering van het herstel mogelijk hebben gemaakt, maar dat zij die kosten nog niet kunnen bepalen. Dat zou pas kunnen na afloop, waarmee zij dan doelen op een definitief herstel. Dit definit ief herstel was echter met zekerheid al op 4 april 2025 uitgevoerd, zodat de burgerl ijke partijen ten onrechte nog een afloop afwachten om die kosten te bepalen. De burgerlijke partijen bewijzen niet dat zij personeel moesten aanwerven om dit dossier te beheren of dat zij meer lonen of wedden moesten betalen voor de opvolging van dit dossier. Niettemin is het aannemelijk dat de burgerlijke partijen als gevolg van de feiten administratiekosten hebben moeten maken die er anders niet waren. Dit zijn geen loutere kosten van verdediging en maakt voor hen vergoedbare schade uit. De precieze bepaling van deze kosten is niet mogelijk, zodat het hof deze in billijkheid bepaalt op respectief 2.500 euro voor het Vlaamse Gewest en 1.500 euro voor In deze bedragen is het verloop van de tijd sedert het ontstaan van die schade en het gevolg daarvan op het schadebedrag al uitgedrukt, zodat er op deze bedragen slechts interesten verschuldigd zijn vanaf de dag van dit arrest en er geen vergoedende interesten op verschuldigd zijn vanaf een datum die de dag van het arrest voorafgaat. Het Vlaamse Gewest, noch grondonderzoek, wat vorderen in concreto hun aandeel in de kosten van het (zie hierna) wel doet. 7.4 Krachtens artikel 162bis, samen gelezen met artikel 211 Wetboek van Strafvordering is tot het betalen aan de burgerlijke partijen van de de beklaagde gehouden in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek. Deze rechtsplegingsvergoeding bepaald Hof van beroep Gent- tiende kamer- ·p.26 rechtsplegingsvergoeding is verschuldigd per aanleg. De strafrechter moet de rechtsplegingsvergoeding begroten. Deze begroting heeft het bedrag van de vordering als maatstaf en wordt bepaald door artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtsplegingsvergoeding is in beginsel te begroten op basis van de bedragen van de vorderingen respectief in eerste aanleg en in beroep. De eerste rechter kende een rechtsplegingsvergoeding toe van 1.800 euro. De beklaagden voerden niet aan dat er sprake was van een kennelijke overwaardering van de schade en maakten geen opmerkingen over de rechtsplegingsvergoeding. Aldus bedraagt de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg 15.000 euro en in beroep 3.924,42 euro. 8. Burgerlijke rechtsvordering 8.1 september 2025 het volgende: 1ordert als burgerlijke partij in haar laatste conclusie van 24 het hoger beroep van op zowel straf- en burgerlijk gebied integraal af te wijzen als ongegrond, en dus het vonnis a quo te bevestigen wat betreft de veroordeling tot milieuherstel binnen de termijn van één jaar en onder verbeurte van een dwangsom van 2.000 euro per dag vertraging ten voordele van het volgberoep van burgerlijk gebied het vonnis a quo te hervormen als volgt: op burgerlijk vlak gegrond te verklaren en dienvolgens op met een maximum van 2.000.000 euro; o o solidair, in solidum, de één bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling van een bedrag van 48.551 euro voor reeds gemaakte kosten voorafgaand aan de procedure, meer intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf gemiddelde datum 1 oktober 2019 tot op datum van algehele beta ling; ;olidair, in solidum, de één bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling van een provisioneel bed rag van 59.668,20 euro aan bijkomende schadevergoeding, meer intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf datum vonnis, met afrekening van het geheel technische bijstand door (inclusief kosten voor extra studiebureau, veiligheidscoördinator, bodemsaneringsdeskundige, werken door derde) op eenvoudige voorlegging van facturen; loonkosten en o de zaak aan te houden voor wat betreft de definitieve schadebegroting van o solidair, in solidum, de één bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling van een bedrag van 2.500 euro voor het Hof van beroep Gent - tiende kamer - - p. 27 meerwerk in het kader van het subsidiedossier, en tevens solidair, in solidum, de één bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling van de desgevallend door de VMM teruggevorderde subsidies, provisioneel begroot op 1 euro; o voorbehoud te verlenen aan voor: i) eventuele toekomstige kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van de afvalstoffen, ii) definitieve begroting va n de schade en voor eventuele toekomstige schade die in oorzakelijk verband staat met de bewezen verklaarde feiten; : solidair, in solidum, de één bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot de kosten van huidig geding, met inbegrip van een geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep van minstens 7.848,84 euro. 8.2 Hiervoor (randnummer 7.3) werd vastgesteld dat het herstel volledig werd uitgevoerd. Het deel van de vordering van de burgerlijke partij dat betrekking heeft op de kosten voor de uitvoering van de herstelwerken mist grond. De beklaagden hebben de herstelwerken zelf en met eigen middelen uitgevoerd. Er wordt niet aangetoond dat de burgerlijke partij zelf herstelwerken uitvoerde of moest bekostigen. Als is vastgesteld dat het herstel is uitgevoerd, kunnen de beklaagden niet ook nog eens veroordeeld worden voor de zogenaamde meerwerken bij toekomstige werken rondom de huisaansluitingen en straatkolken omwille van de achtergelaten verontreiniging. Evenmin kan hiervoor voorbehoud worden verleend. Er wordt trouwens geen bewijs geleverd van deze kosten of dat er zekerheid is dat dergelijke kosten zich zullen voordoen. Ook de kans op uitloging die de bu rgerlijke partij inroept als een mogelijke toekomstige kost is louter hypothetisch. De burgerlijke partij stelt dat de kans op uitloging reëel is, maar levert geen enkel bewijs van enige rede lijke zekerheid hierover. Er wordt ook niet verduidelijkt hoe het enigszins mogelijk zal zijn om een onderscheid te maken tussen uitloging die mogelijk afkomstig is van vervuiling waarvoor de beklaagden verantwoordelijk waren en enige andere oorzaak van dergelijke uitloging. Ook voor een mogelijke uitloging kan geen voorbehoud worden verleend. Het oorzakelijk verband tussen een mogelijk verlies op subsidie (of de verplichting tot terugbetaling ervan) op grond van artikel 38 Vlaamse Codex voor Overheidsfinanciën en de fouten die de beklaagden begingen is helemaal niet aangetoond. De burgerlijke partij geeft bovendien zelf aan dat op gemotiveerde wijze een uitstel kan worden bekomen van de vervaltermijn voor de subsidie. De administratiekosten die verband houden met het vragen van dergelijk uitstel, houden geen verband met de door de beklaagden gepleegde feiten . Het verlies van subsidie is bovendien helemaa l niet zeker en momenteel louter hypothetisch. Er is geen grond om hiervoor een voorschot van 1 euro toe te kennen. Hof van beroep Gent - tiende kamer - · p.28 De kosten van grondonderzoek van de zijn wel kosten die in causaal verband staan met de door de beklaagde begane fouten. Het hiervoor gevorderde bedrag van 9.668,20 euro is toe te kennen. is het aannemelijk dat de burgerlijke partij als gevolg van de De burgerlijke partij bewijst niet dat zij personeel moest aanwerven om dit dossier te beheren of dat zij meer lonen of wedden moest betalen voor de opvolging van dit dossier. feiten Niettemin administratiekosten heeft moeten maken die er anders niet waren. Dit zijn geen loutere kosten van verdediging en maakt voor haa r vergoedbare schade uit. De precieze bepaling van deze kosten is niet mogelijk, zodat het hof deze in billijkheid bepaalt op 2.500 euro. In dit bedrag is het verloop van de tijd sedert het ontstaan van die schade en het gevolg daarvan op het schadebedrag al uitgedrukt, zodat er op dit bedrag slechts interesten verschuldigd zijn vanaf de dag van dit arrest en er geen vergoedende interesten op verschuldigd zijn vanaf een datum die de dag van het arrest voorafgaat. 8.3 Krachtens artikel 162bis, samen gelezen met artikel 211 Wetboek van Strafvordering is tot het betalen aan de burgerlijke partijen van de de beklaagde gehouden rechtsplegingsvergoeding bepaald in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek. Deze rechtsplegingsvergoeding is verschuldigd per aanleg. De strafrechter moet de rechtsplegingsvergoeding begroten. Deze begroting heeft het bedrag van de vordering als maatstaf en wordt bepaald door artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtsplegingsvergoeding is in beginsel te begroten op basis van de bedragen van de vorderingen respectief in eerste aanleg en in beroep. De eerste rechter kende een rechtsplegingsvergoeding toe van 1.800 euro. Deze beklaagde stelde zelfstandig beroep in. De beklaagden voerden niet aan dat er sprake was van een kennelijke overwaardering van de schade en maakten geen opmerkingen over de rechtsplegingsvergoeding. Aldus bedraagt de rechtspleglngsvergoeding in eerste aanleg 3.750 euro en in beroep 7.848,84 euro. 9. Burgerlijke rechtsvordering gemeente 9.1 De burgerlijke partij gemeente vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, vordert in de laatste conclusie van 26 december 2024, om de drie beklaagden solidair, in solidum, de een bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot: - in hoofdorde: een provisie van 1.500.000 euro, met afreken ing van het geheel na uitvoering van de totaalwerken door een derde (op eenvoudige voorlegging van een factuur); dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele betaling; Hof van beroep Gent - tiende kamer - ·p. 29 - in subsidiaire orde: een schadevergoeding van in totaal 688.646,67 euro, waarvan bijna de helft, namelijk 337.454,93 euro, voor de toekomstige meerwerken; dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele betaling. Verder vordert deze burgerlijke partij het beroepen vonnis als volgt te hervormen: - de beklaagden solidair, in solidum de een bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding voor kosten, werk en administratie ten belope van een provisioneel bedrag van 25.000 euro, meer de gerechtelijke intresten; - de beklaagden solidair, in solidum de een bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding voor de kosten van de opvolging van het milieuherstel ten bedrage van een provisioneel bedrag van 59.668,20 euro, meer de gerechtelijke intresten, en dat de zaak wordt aangehouden voor de definitieve schadebegroting (waaromtrent alle voorbehoud). andere, Deze burgerlijke partij vordert om de beklaagden solidair, in solidum, de een bij gebreke aan de de basisrechtsp legingsvergoeding van 15.000 euro, in ondergeschikte orde. in hoofdorde en 10.500 euro, veroordelen betalen geval" van het tot elk "in te 9.2 Voor zover gericht tegen is de vordering van deze burgerlijke partij ongegrond gezien haar definitieve vrijspraak. Ze beging geen fouten en veroorzaakte geen en schade in dit verband. Het loutere feit dat ze eveneens bestuurder was van de de echtgenote is van Jewijst het tegendeel niet. Wat betreft de kosten die verband houden met het herstel, verwijst het hof naar de is uitgevoerd door de overwegingen hiervoor onder randnummer 7.3. Het herstel beklaagden, zodat de tegenwaarde van de herstelkosten geen schade (meer) vormt. De burgerlijke partij levert geen bewijs van werken of kosten die niet in het herstel vervat zijn en die hun oorzaak vinden in de begane fouten. Als er nog technische gebreken zouden zijn bij de uitvoering van de werken, waarvan actueel geen bewijs wordt geleverd, dan houden deze verband met de aanneming die de beklaagden uitvoeren. Alleszins is het oorzakelijk verband met deze fouten niet aangetoond. Wel is ook voor deze burgerlijke partij aannemelijk dat zij als gevolg van de feiten administratiekosten heeft moeten maken die er anders niet waren, voor de opvolging van het schadedossier. Dit zijn geen loutere kosten van verdediging en maakt voor haar vergoedbare schade uit. De precieze bepaling van deze kosten is niet mogelijk, zodat het hof deze in billijkheid bepaalt op 2.500 euro. In dit bedrag is het verloop van de tijd sedert het ontstaan van die schade en het gevolg daarvan op het schadebedrag al uitgedrukt, zodat er op dit bedrag slechts interesten verschuldigd zijn vanaf de dag van dit arrest en er geen Hof van beroep Gent - tiende kamer - p. 30 vergoedende interesten op verschuldigd zijn vanaf een datum die de dag van het arrest voorafgaat. De g~meente vordert in concreto geen aandeel in de kosten van het grondonderzoek, wat Fluvius (zie hiervoor) wel doet. 9.3 Krachtens artikel 162bis, samen gelezen met artikel 211 Wetboek van Strafvordering is tot het betalen aan de burgerlijke partijen van de de beklaagde gehouden rechtsplegingsvergoedîng bepaald in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek. Deze is verschuldigd per aanleg. De strafrechter moet de rechtsplegingsvergoeding rechtsplegingsvergoeding begroten. Deze begroting heeft het bedrag van de vordering als maatstaf en wordt bepaald door artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtsplegingsvergoeding is in beginsel te begroten op basis van de bedragen van de vorderingen respectief in eerste aanleg en in beroep. De eerste rechter kende een rechtsplegingsvergoedîng toe van 1.800 euro. Er is ze lfstandig beroep van deze burgerlijke partij. De beklaagden voerden niet aan dat er sprake was van een kennelijke overwaardering van de schade en maakten geen opmerkingen over de rechtsplegingsvergoeding . Aldus bedraagt de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg 22.500 euro en in beroep 23.546,51 euro. Dictum Toegepaste wetsartikelen: Het hof maakt toepassing van de hiervoor aangehaalde artikelen en van de artikelen: - 211 Wetboek van Strafvordering, - 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der ta len in gerechtszaken. Beslissing van het hof: Het hof, rechtsprekend op tegenspraak, ten gronde beslissend over de ontvankelijke beroepen: wijzigt het beroepen vonn is voor zover bestreden als volgt : Hof van beroep Gent• tiende kamer - p, 31 op strafgebied: veroordeelt de beklaagde samen tot een geldboete van 20.000 euro, verhoogd met 70 deciemen tot 160.000 euro; ✓oor de bewezen telastleggingen Al, A2, B1 en B2 toor de bewezen telastleggingen Al, A2, B1 en B2 veroordeelt de beklaagde samen tot een geldboete van 10.000 euro, verhoogd met 70 deciemen tot 80.000 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden; elk tot betaling van een bedrag veroordee lt de beklaagden van 25 euro, vermeerderd met 70 deciemen en zo gebracht op telkens 200 euro als bijdrage tot de financiering van het fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders; veroordeelt de beklaagde vergoeding voor de kostprijs van het verloop van de strafprocedure; tot betaling van een bedrag van 61,01 euro als veroordeelt de beklaagde Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand; tot betaling van een bijdrage van 26 euro aan het veroordeelt de beklaagden tot betaling van de kosten van de strafvordering in eerste aanleg, voor het openbaar ministerie be1uoot op 184,31 euro in eerste aan leg is gehouden) en ve roordeelt de (waartoe deze beklaagde hoofdelijk met beklaagden hoofdelijk tot de kosten in beroep, 408,64 euro bedragend; op burgerlijk gebied: hoofdelijk tot betaling aan de veroordeelt de beklaagden burgerlijke partij het Vlaamse Gewest van een bedrag van 2.500 euro, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf de dag van dit arrest tot de dag van betal ing, aan de wettelijke intrestvoet; 1oofdelij k tot beta ling aan de veroordeelt de beklaagden burgerlijke partij van een bedrag van 1.500 euro, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf de dag van dit arrest tot de dag van beta ling, aan de wettelijke intrestvoet; hoofdelijk tot betaling van de veroordeelt de beklaagden kosten van de burgerlijke partijen het Vlaamse Gewest en samen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoed ing begroot op 15.000 euro in eerste aanleg en 3.924,42 euro in beroep; Hof van beroep Gent - tiende kamer - ·p. 32 hoofdelijk tot betaling aan de veroordeelt de beklaagden burgerlijke partij het van een bedrag van 12.168,20 euro, vermeerderd met de vergoedende intresten op 9.668,20 euro vanaf 1 oktober 2019 tot de datum van dit arrest, vanaf dan meer de gerechtelijke intresten op de hoofdsom van 12.168,20 euro, meer de intussen vervallen vergoedende intresten en op het deelbedrag van 9.668,20 euro en dit tot de dag van betaling, aan de wettelijke intrestvoet en veroordeelt hen tevens hoofdelijk tot betaling van de kosten van de burgerlijke partij met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 3.750 euro in eerste aanleg en 7.848,84 euro in beroep; hoofdelijk tot betaling aan de veroordeelt de beklaagden burgerlijke partij gemeente van een bedrag van 2.500 euro, vermeerderd met de gerechtelijke intresten tot de dag van betaling, aan de wettelijke intrestvoet en veroordeelt hen tevens hoofdelijk tot betaling van de kosten van de burgerlijke partij gemeente met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 22.500 euro in eerste aanleg en 23.546,51 euro in beroep; wijst het meer of anders gevorderde af als ongegrond. Hof van beroep Gent • tiende amer - p. 33 Kosten eerste aanleg: € 184,31 Kosten beroep: Afschrift vonnis: Afschriften akten HB: Opstelrecht ber. bekl.: Dagv. 1e bekl.: Dagv. 2e en 3e bekl.: Dagv. le BP.: Dagv. 2e BP: Dagv. 3e BP: Dagv. 4e BP: Afschrift TA 18.04.'25: € 84,00 € 6,00 € 35,00 € 33,19 € 33,19 € 32,16 € 31,16 € 31,15 € 34,65 € 48,00 +10%: € 371,49 € 37,15 Totaal : € 408,64 Dit arrest 1s gewezen te Gent door het hof van beroep, t iende correctionele kamer, en samengesteld uit kamervoorzitter en in openbare rechtszitting van 16 januari 2026 uitgesproken door advocaat-generaal, met n aanwezigheid van en de raadsheren kamervoorzitter bijstand van griffier