ADB:raad-van-state-brussel-16-01-2026
Beslissingsdetails
🏛️ Raad van State Brussel
📅 2026-01-16
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
Woonbeleid
Samenvatting
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK In zake : Xe KAMER A R R E S T nr. in de zaak 16 januari 2026 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te b...
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
In zake :
Xe KAMER
A R R E S T
nr.
in de zaak
16 januari 2026
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1.
Het beroep, ingesteld op 28 september 2024, strekt tot de
nietigverklaring van “het besluit d.d. 1 augustus 2024 van de afdeling Toezicht van
het Agentschap Wonen in Vlaanderen, houdende de uitspraak over het beroep
aangetekend tegen het besluit houdende schrapping van de wachtlijst voor sociale
woongelegenheden van 13 juni 2024 van Woonmaatschappij
, waarbij
aan de verzoekende partij de sanctie van de schrapping van de wachtlijst voor een
sociale woonst wordt opgelegd”.
II. Verloop van de rechtspleging
2.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend
en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Adjunct-auditeur
heeft een verslag
opgesteld.
De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het
geding ingediend. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding
ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 21 november 2025.
Staatsraad
heeft verslag uitgebracht.
Advocaat
die verschijnt voor verzoekster, en
advocaat
, die loco advocaat
verschijnt voor de
verwerende partij, zijn gehoord.
Adjunct-auditeur
heeft een met dit arrest
eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1.
Op 17 mei 2023 sluit verzoekster een onderhuurovereenkomst
voor een duurtijd van negen jaar, ingaande op 1 juni 2023, met de rechtsvoorganger
van de erkende woonmaatschappij
voor een vrijstaande woning met tuin
gelegen te
Deze overeenkomst valt onder de toepassing van boek 6 van de
Vlaamse Codex Wonen van 2021 (sociale huur).
3.2.
Na klacht van verzoekster verklaart de burgemeester van de
stad Brugge bij besluit van 10 januari 2024 de woning ongeschikt voor bewoning,
onder meer om reden van vochtproblemen.
3.3.
Bij brief van 22 februari 2024 bericht de woonmaatschappij
verzoekster het volgende:
“Het Directiecomité van
nam in haar zitting van 07 februari 2024
de volgende beslissing in verband met uw vraag om een prioriteitsmutatie:
Het Directiecomité beslist unaniem om een verplichte (eventueel tijdelijke)
herhuisvesting wegens technische redenen toe te kennen aan [verzoekster].
Het appartement
(beschikbaar 01/04/2024) zal
haar aangeboden worden. Gezien de [verplichte] (tijdelijke) herhuisvesting
zal de verhuis door
gedragen worden en heeft mevrouw recht op
een financi[ë]le tussenkomst van 650 euro.
U wordt binnenkort schriftelijk gecontacteerd met het aanbod van de
woonst.”
3.4.
Bij brief van 23 februari 2024 doet de woonmaatschappij een
“eerste aanbod als effectieve kandidaat” voor voornoemd appartement met twee
slaapkamers in
s.
De woonmaatschappij vraagt verzoekster om uiterlijk op
9 maart 2024 te reageren op dit aanbod en wijst tevens op de volgens haar
mogelijke consequenties van een weigering van het aanbod of van een laattijdige
reactie.
3.5.
Bij email van 19 maart 2024 contacteert verzoekster een
bestuurder van de raad van bestuur van
Samengevat stelt verzoekster dat
ze niet op de hoogte was van het feit dat ze tijdelijk diende te verhuizen en dat het
alleszins belangrijk is om in een huisje en niet in een appartement te kunnen wonen
omdat haar dochter
heeft.
3.6.
Op 26 maart 2024 antwoordt
dat een tijdelijke verhuis
verplicht is omdat de eigenaar wenst dat het pand tijdens de werken leeg is.
3.7.
Vervolgens bezorgt Vivendo verzoekster bij brief van
4 april 2024 een “tweede aanbod als effectieve kandidaat” voor een ander
appartement met de vraag uiterlijk tegen 19 april 2024 te reageren.
Deze brief vermeldde ook het volgende:
“Opgelet: het betreft een tweede aanbod. Indien u dit aanbod weigert, wordt
u van de lijst geschrapt. U heeft immers al een woningaanbod geweigerd of
u heeft niet of laattijdig op een woningaanbod gereageerd.”
3.8.
Bij brief van 16 april 2024 antwoordt verzoekster met de
mededeling dat de renovatiewerken maar twee dagen zouden duren en dat ze bereid
was tijdens de werken in het pand te blijven en haar meubels te verschuiven.
Minstens vraagt ze om een woongelegenheid aangepast aan haar dochter met
(een gelijkvloerse slaapkamer).
3.9.
Op 23 april 2024 reageert
als volgt:
[…] werd ongeschikt verklaard in januari
“De woning te
2024. Mevrouw werd op de hoogte gebracht van de geplande werken om
de woning opnieuw in goede staat te brengen. Zij werd ingelicht dat zij
hierdoor (tijdelijk) dient te verhuizen.
De vraag om toch te mogen blijven wonen tijdens de werken, kan niet
worden ingelost.
noch de eigenaar van deze woning wensen
verantwoordelijk gesteld te worden voor eventuele schade aan meubelen/
opkuis/ ... indien er meubels moeten blijven staan.
Daarnaast zijn niet enkel de werken van belang maar wenst de eigenaar ook
de uitdroging van de vochtproblematiek te kunnen opvolgen zonder dat het
pand bewoond is.
kan dit begrijpen en staat dan ook achter de
(tijdelijke) verhuis.
Het is in mevrouw haar belang dat zij ingaat op de tijdelijke herhuisvesting
zodat de werken zo snel als mogelijk uitgevoerd kunnen worden.
Indien zij een (tijdelijke) verhuis blijft weigeren en de uitvoering van de
werken onmogelijk maakt, zullen wij genoodzaakt zijn haar
huurovereenkomst te ontbinden.”
3.10.
Op 13 mei 2024 repliceert verzoekster als volgt:
“Ik stel echter vast dat U niet antwoordt op het feit dat het appartement dat
haar werd aangeboden niet geschikt is voor haar inwonende dochter.
Cliënte heeft ondertussen ook contact gehad met de eigenaar en die heeft
haar nu gezegd dat de meubels toch niet konden blijven staan omdat hij niet
langer wil verhuren aan
Cliënte gaat er dan ook van uit dat het niet om een tijdelijke, maar een
definitieve verhuis gaat, zodat de woning zeker geschikt moet zijn.”
..
3.11.
verstuurt bij brief van 23 mei 2024 een “derde aanbod
als effectieve kandidaat”, ditmaal voor een woning met twee slaapkamers te
met vraag om uiterlijk tegen 7 juni 2024 te reageren.
Deze brief vermeldt dat het gaat om een derde aanbod:
“U heeft immers al 2 maal een woningaanbod geweigerd. Let op, u dient
uw huidige woning te verlaten. Indien u opnieuw niet ingaat op dit aanbod,
zal in het directie comité worden besloten of wij overgaan tot huuropzeg.”
3.12.
Intussen werden de werken blijkbaar uitgevoerd. Met het
akkoord van de eigenaar is verzoekster tijdens de werken in het pand blijven
wonen.
3.13.
Op 31 mei 2024 vraagt
aan het agentschap Wonen in
Vlaanderen of zij verzoekster om reden van de weigeringen van de gedane
aanbiedingen van de wachtlijst mag schrappen. Zij wijst erop dat door de
ongeschiktverklaring van de woning een lopende aanvraag uit 2021 tot mutatie een
(absolute) voorrangscode kreeg en dus versneld de aanbiedingen konden gebeuren,
wat anders veel langer zou geduurd hebben.
stelt ook dat zij “niet [zal]
overgaan tot opzeg”.
De afdeling klantenondersteuning van het agentschap Wonen in
Vlaanderen antwoordt dat schrapping toegelaten is.
3.14.
Bij brief van 13 juni 2024 informeert
verzoekster dat
zij van de wachtlijst wordt geschrapt:
“Op 22/02/2024 stuurden wij u een aanbodformulier voor een
woongelegenheid […] te
U ging niet in op dit aanbod.
Op 4/04/2024 stuurden bij u een nieuw aanbodformulier voor de
woongelegenheid in de
. U verzaakte ook dit
aanbod op 23/04/2024.
Na overleg in ons directiecomité werd beslist u nog een 3de en ultiem
aanbod te doen van een woongelegenheid die voldoet aan uw vraag
(namelijk een woning met een gelijkvloerse slaapkamer).
Op 23/05/2024 stuurden wij u een aanbodformulier voor een
. U ging kijken
woongelegenheid in
naar de woonst en vroeg bedenktijd. Nadien liet u echter niets meer weten
en diende u uw formulieren met betrekking tot het aanbod niet tijdig in.
Hierdoor werd een derde weigering geregistreerd in uw kandidatuur.
Vandaar zien wij ons genoodzaakt (krachtens art.12 §1 van het Besluit van
de Vlaamse Regering van 12/10/2007) om u definitief en volledig te
schrappen van onze wachtlijst voor een sociale woonst.”
3.15.
Op 8 juli 2024 tekent verzoekster tegen deze beslissing beroep
aan bij de afdeling Toezicht van het agentschap Wonen in Vlaanderen, dit
overeenkomstig artikel 6.30 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021:
V mij tot driemaal toe een woning aanbood
“Met huidig schrijven wens ik te verduidelijken dat er in deze geen sprake
is van ‘weigeringen van aanbiedingen voor een sociale woning’.
Het is enkel zo dat
i.k.v. een tijdelijke herhuisvesting, daar de woning gelegen te [
ongeschikt verklaard werd door de Burgemeester van [
Evenwel bleek een tijdelijke herhuisvesting overbodig, was een mutatie
niet aan de orde, daar de noodzakelijke werken in de woning, [waarin] ik
nog steeds verblijf, zonder problemen konden uitgevoerd worden tijdens
mijn bewoning. Alle werken werden ondertussen ook uitgevoerd.”
.
3.16.
Bij beslissing van 1 augustus 2024 wordt het beroep om de
volgende redenen ongegrond verklaard:
“De sociale huurwetgeving voorziet dat ‘als de kandidaat-huurder voor de
weigering van een aanbod gegronde redenen kan aanvoeren die geen
afbreuk doen aan zijn woonbehoeftigheid, hij de verhuurder kan verzoeken
om die weigering niet in rekening te brengen voor de schrappingsgrond.’
Het is dus in eerste instantie de
zelf die oordeelt
[
over de reden(en) van weigering. Om deze reden houdt de toezichthouder
in zijn beoordeling enkel rekening met wat de kandidaat ten aanzien van de
de reden
heeft aangehaald als reden van weigering. Aanvaardt de
als gegrond blijft de weigering zonder gevolgen. Aanvaardt de
de
reden niet als gegrond, kan de kandidaat nog altijd zijn verhaalrecht
uitoefenen bij de toezichthouder.
Op het eerste aanbod […] kreeg de
termijn. Later bezorgde u de
geen reactie binnen de gestelde
een medisch attest waaruit blijkt dat het
voor uw dochter erg moeilijk tot onmogelijk is om klassieke trappen op te
gaan. Daar u niet tijdig reageerde op het aanbod, registreerde de
een
eerste ongegronde weigering. Een niet-reactie wordt geregistreerd als een
weigering en
toepassing van de
schrappingsgrond.
De
paste de reglementering correct toe, en de toezichthouder treedt de
in rekening gebracht voor de
bij.
geen gelijkvloerse woning beschikbaar had binnen haar
Daar de
patrimonium, werd u een tweede aanbod gedaan van een nieuw
appartement gelegen […] in
. Dat aanbod weigerde u per mail
wegens het gebrek aan een tuin voor uw dochter. U diende geen
reactieformulier in.
Deze weigering werd door de
niet aanzien als een reden die geen
afbreuk doet aan de woonbehoeftigheid. Bijgevolg werd een tweede
weigering geregistreerd.
correct heeft
De toezichthouder kan hier alleen maar besluiten dat de
gehandeld en dat haar beslissing volledig in overeenstemming is gebeurd
met de hoger aangehaalde wettelijke bepalingen.
Het 3de pand dat u werd aangeboden betrof een woning met 2 slaapkamers
waarvan 1 op het gelijkvloers en een gedeelde tuin[…]. U liet telefonisch
weten dat u het huis niet wenste wegens de gedeelde tuin en de
aan de
onmogelijkheid tot het aanleggen van een moestuin. De
heeft opnieuw
uw reactieformulier niet mogen ontvangen.
Ook hier werd de reden van weigering door de
niet aanzien als een
reden die geen afbreuk doet aan uw woonbehoeftigheid, en ook hier moet
correct heef gehandeld en dat haar
de toezichthouder vaststellen dat de
beslissing volledig in overeenstemming is gebeurd met de hoger
aangehaalde wettelijke bepalingen. Uw redenen van weigering zijn niet te
beschouwen als redenen die geen afbreuk doen aan uw woonbehoeftigheid;
bovendien blijkt uit alle toelichting dat u eigenlijk uw woning niet wenst te
ontruimen, al stelt de wetgeving dit wel als huurdersverplichting ingeval de
verhuurder de ontruiming van de woning noodzakelijk acht. Daarnaast
bleek uit toelichting door de
,
uiteindelijk van de eigenaar toch toelating kreeg om in de woning te blijven
wonen terwijl de werken werden uitgevoerd.
De toezichthouder is van oordeel dat de
heeft gehandeld in
overeenstemming met de sociale huurreglementering en beoordeelt uw
verhaal bijgevolg als ongegrond.
Wat betekent dit voor uw dossier?
De toezichthouder is van oordeel dat er dus geen rechtzetting dient te
gebeuren. De schrapping is bijgevolg definitief.”
dat u, ondanks tegenadvies van de
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van het eerste middel
Standpunt van de partijen
4.1.
Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van de
artikelen 6.8, § 1, 4°, en 6.8, § 2, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Tussen het eerste en het tweede aanbod en tussen het tweede en
het derde aanbod van een sociale woning werd er immers geen tijdspanne van drie
maanden gelaten, zoals vereist door artikel 6.8, § 2, van het Besluit Vlaamse Codex
Wonen van 2021, zodat de schrappingsgrond uit artikel 6.8, § 1, 4°, van dat besluit,
meer bepaald twee ongegronde weigeringen door de kandidaat-huurder, niet
toegepast kon worden:
“Uit de stukken 6, 8 en 12 samengelezen blijkt dat
ogenblik de daarvoor voorziene termijnen heeft gerespecteerd.
• Het eerste aanbod dateert van 23.02.2024.
• Het tweede aanbod dateert van 04.04.2024.
• Het derde aanbod dateert van 23.05.2024.
Vivendo diende de daarvoor voorziene termijnen ex art. 6.8 § 2, 1°, 2° en
3° BVCW te respecteren, hetgeen niet is gebeurd.”
op geen enkel
4.2.
In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat dit
standpunt niet redelijk is aangezien het te dezen gaat om een verplichte
herhuisvesting om
reden van noodzakelijke
renovatiewerken na de
ongeschiktverklaring van de woning. Om die reden kreeg verzoekster absolute
voorrang (art. 6.28, 9°,van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021):
“Op basis van artikel 6.43 §1 en §2 Besluit Vlaamse Codex Wonen kon
verwerende partij overgaan
tijdelijke herhuisvesting van
tot een
verzoekende partij. In het kader van dergelijke tijdelijke herhuisvesting
wordt een ongegronde weigering van een aanbod beschouwd als een
ernstige tekortkoming op het vlak van de huurdersverplichtingen. Ter
uitvoering van dit artikel 6.43 §1 en §2 Besluit Vlaamse Codex Wonen, kon
verwerende partij op basis van artikel 6.28, 9° Besluit Vlaamse Codex
Wonen absolute prioriteit geven aan dit dossier [en] reeds binnen een
kortere periode verzoekende partij een tweede aanbod doen.”
Beoordeling
5.
Het auditoraatsverslag heeft het middel als volgt beoordeeld:
uit
het
een
centraal
verhuurder
kandidatuur
“[…] Artikel 6.8, § 1, 4°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021
luidt als volgt:
schrapt
‘De
inschrijvingsregister in de volgende gevallen …
4° bij de tweede vaststelling van een weigering of een niet-reageren door
de kandidaat-huurder als een verhuurder hem een woning aanbiedt die aan
zijn keuze qua ligging, type, maximale huurprijs en vaste huurlasten
beantwoordt, rekening houdend met paragraaf 2’
Artikel 6.8, § 2, eerste en tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex
Wonen van 2021 luidt als volgt:
‘De schrapping, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, is alleen van
toepassing als tussen de eerste weigering of het uitblijven van een reactie
en het volgende aanbod van een andere woning een periode verlopen is van
ten minste drie maanden. De verhuurder moet bij het volgende aanbod van
een andere woning de kandidaat-huurder er uitdrukkelijk van op de hoogte
brengen dat bij een weigering van of het niet-reageren op het aanbod zijn
kandidatuur geschrapt zal worden. De kandidaat-huurder krijgt telkens een
termijn van minimaal vijftien kalenderdagen, vanaf de postdatum van de
brief waarmee het aanbod is gedaan, om te reageren.
Tijdens de periode van drie maanden, vermeld in het eerste lid, worden er
geen woningen aangeboden aan de kandidaat-huurder. In afwijking
daarvan kan de kandidaat-huurder uitdrukkelijk verzoeken om toch een
aanbod te krijgen. Als hij het aanbod vervolgens weigert, wordt hij
geschrapt. Na de eerste weigering of na het eerste niet-reageren wordt de
kandidaat-huurder door de verhuurder op dat recht gewezen.’
[…] Het is een onbetwist feit dat er tussen de aanbiedingen geen termijn
van ten minste drie maanden is verlopen en verzoekende partij daar ook
niet van afzag. Verwerende partij spreekt dit ook niet tegen.
Dit wijst op een schending van de in het middel aangehaalde rechtsregels
in de mate deze hier van toepassing zouden zijn.
Evenwel stelt zich […] de vraag of artikel 6.8 van het Besluit Vlaamse
Codex van 2021 van toepassing is op de feiten in deze zaak.
[…] Uit de stukken van het dossier blijkt dat de woning die verzoekende
partij huurt door de burgemeester ongeschikt werd verklaard.
Als een woning, die ongeschikt werd verklaard, volgens de bevindingen
van het conformiteitsonderzoek in aanmerking komt voor renovatie-,
verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden, wat te dezen het geval was,
dan moeten die door de houder van het zakelijk recht worden uitgevoerd.
Een sociale woonorganisatie kan ook de werkzaamheden uitvoeren, voor
zover ze de woning voor minstens negen jaar huurt, wat hier het geval is.
De bewoner-onderhuurder, zijnde verzoekende partij, moet dan
geherhuisvest worden.
[…]
Artikel 6.28, eerste lid, 4°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021
bevestigt de herhuisvestingsplicht en koppelt dit aan een voorrang in het
kader van de regeling van de verplichte interne mutaties voor personen die
al sociale huurder zijn (de zgn. 4de pijler van de toewijzingen) die bestaat
naast de regeling voor standaard en versnelde toewijzing voor kandidaat-
huurders:
‘De verhuurder verleent voorrang aan de volgende kandidaat-huurders:
…
4° de kandidaat-huurder die conform artikel 3.30, § 2, tweede lid, van de
voormelde codex [nl. in het geval van ongeschiktverklaring, nvda], moet
worden gehuisvest’
Daarnaast kan de woonmaatschappij op basis van artikel 6.28, eerste lid,
9°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 ook een absolute
voorrang verlenen aan:
‘de kandidaat-huurder die overeenkomstig artikel 6.43, § 1, eerste lid, van
dit besluit geherhuisvest moet worden wegens sloop-, renovatie- of
aanpassingswerkzaamheden aan de sociale huurwoning ….’
Absolute voorrang betekent dat er geen wisselwerking is met de
toewijzingen uit de standaardtoewijzing of de andere pijlers van toewijzing
en de toewijzing dus in principe sneller kan gebeuren, zoals blijkt uit het
intern huurreglement van Vivendo:
‘De toewijzingen in toepassing van art. 6.28, … 9°, BCVW, kunnen
gebeuren bij absolute voorrang, en dus los van de hierna beschreven
werkwijze, punt 4/
…
Punt 4/ De toewijzingen in toepassing van pijler 1 (standaard toewijzingen),
en pijler 4 (interne mutaties en bijzondere toewijzingen, art. 6.28 BVCW –
doch enkel art. 6.28, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° gebeuren alternerend’
[…] Artikel 6.43, § 1, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021
luidt als volgt:
‘De huurder stemt in met een herhuisvesting als de verhuurder dat wegens
sloop-,
renovatie- of aanpassingswerkzaamheden aan de sociale
huurwoning noodzakelijk acht …
De herhuisvesting kan van tijdelijke of definitieve aard zijn.’
Artikel 6.43, § 2, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van
2021 luidt als volgt:
‘Bij een tijdelijke herhuisvesting kan de huurder het aanbod van een woning
of een mobiele woonunit niet ongegrond weigeren. Een ongegronde
weigering van een aanbod wordt beschouwd als een ernstige tekortkoming
op het vlak van de huurdersverplichtingen.’ […]
[…] Toewijzing van een woning voor tijdelijke verplichte herhuisvesting
omwille van renovatie gaat dus gepaard met een desgevallend zelfs
absolute voorrang. Dit is logisch omdat de huurder niet in een pand dat
ongeschikt is verklaard, mag blijven wonen. Als het een tijdelijke
herhuisvesting betreft, keert de huurder na de beëindiging van de renovatie-
of aanpassingswerkzaamheden terug naar de sociale huurwoning als hij die
rationeel kan bezetten.
In deze zaak verleende de woonmaatschappij bij beslissing van haar
directiecomité van 15 mei 2024 een absolute voorrang aan verzoekende
partij voor tijdelijke herhuisvesting (op basis van artikel 6.28, eerste lid, 9°,
van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021).
Om die reden was artikel 6.43 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van
2021 van toepassing dat een eigen en andere sanctie bevat in het geval van
een ongegronde weigering van de aangeboden woning voor de tijdelijke
herhuisvesting, nl. zulks wordt beschouwd als een ‘een ernstige
tekortkoming op het vlak van de huurdersverplichtingen’, wat aanleiding
tot een opzeg van de huurovereenkomst door de
kan geven
woonmaatschappij.
Een ongegronde weigering – en één volstaat – in het kader van een
verplichte herhuisvesting via een absolute voorrang bij renovatie in de
regeling van de interne verplichte mutaties geeft dus geen aanleiding tot
schrapping uit het centraal inschrijvingsregister zoals geregeld in artikel 6.8
van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, maar leidt tot een situatie
van contractuele wanprestatie in hoofde van de sociale huurder wat
eveneens op contractueel vlak kan gesanctioneerd worden door beëindiging
van de lopende huurovereenkomst. In casu zag Vivendo af van een opzeg.
Artikel 6.8 van genoemd besluit over de schrapping uit het centraal
inschrijvingsregister is dus niet van toepassing op deze zaak aangezien er
een lex specialis – nl. artikel 6.28, eerste lid, 9°, juncto artikel 6.43 – geldt
met een eigen sanctie bij (tijdelijke) verplichte herhuisvesting op basis van
een verleende absolute voorrang in het geval van renovatie.
Verzoekende partij was blijkbaar nog in het centraal inschrijvingsregister
ingeschreven omwille van een vrijwillige mutatievraag die dateert van vóór
de inwerkingtreding van het huidig toewijzingsmodel waarvoor ze
bepaalde voorkeuren opgaf. Weigeringen van aanbiedingen in het kader
daarvan kunnen leiden tot toepassing van artikel 6.8 van het Besluit
Vlaamse Codex van 2021 en dus schrapping. Het zou onlogisch zijn die
sanctie ook toe te passen in het geval van verplichte tijdelijke
herhuisvesting bij renovatie van een ongeschikt verklaarde woning omdat
dan aanbiedingen kunnen gebeuren die niet (volledig) beantwoorden aan
de voorkeuren van de huurder m.h.o.o. standaardtoewijzing en er zelfs
tijdelijke herhuisvesting
toegelaten.
Weigeringen in die context worden immers niet beoordeeld in functie van
de woonbehoeftigheid zoals wel bepaald in artikel 6.8, § 2, derde lid, van
het Besluit Vlaamse Codex Wonen, maar logischerwijs in functie van de
nood en urgentie van de tijdelijke verplichte herhuisvesting. Dit verklaart
waarom een
in
artikel 6.43, § 2, tweede lid, van genoemd besluit dat onderdeel is van deel
8 ‘verplichtingen van de huurder’ van boek 6 ‘sociale huur’.
[…] De woonmaatschappij had dan ook geen enkele bevoegdheid en geen
enkele regel bood haar een rechtsgrond om verzoekende partij omwille van
weigeringen van aanbiedingen in het kader van verplichte herhuisvesting
met absolute voorrang bij renovatie te schrappen uit het centraal
inschrijvingsregister waar ze nog in opgenomen was n.a.v. een hangende
vrijwillige mutatievraag uit 2021 die geen enkel verband heeft met de
herhuisvesting in kwestie omwille van noodzakelijke renovatiewerken.
De (contractuele) sanctie die ze voor deze contractuele wanprestatie van
in een mobiele woonunit
(facultatieve) contractuele
is voorzien
sanctie
is
verzoekende partij wel had, verkoos de woonmaatschappij niet aan te
wenden.
Verwerende partij ging hier volledig aan voorbij in de bestreden beslissing
door deze te steunen op artikel 6.8 van het Besluit Vlaamse Codex van 2021
dat niet van toepassing is op deze zaak, te meer verzoekende partij er in
haar beroep duidelijk op had gewezen […] dat het om tijdelijke
herhuisvesting/mutatie ging en niet om ‘weigeringen’ in het kader van de
toewijzing van een sociale woning.
[…]
[Er] wordt dan ook voorgesteld de bestreden beslissing te vernietigen bij
gebrek aan een rechtsgrond en bevoegdheid voor de conclusie door
verwerende partij dat de woonmaatschappij in de gegeven omstandigheden
terecht tot schrapping uit het centraal inschrijvingsregister overging.”
6.
De verwerende partij heeft geen reden gezien om de analyse uit
het auditoraatsverslag te betwisten, anders dan door de verwijzing naar de memorie
van antwoord.
De Raad van State ziet, mede
in het
licht van die
omstandigheden, geen
reden om er een andere zienswijze dan het
auditoraatsverslag op na
te houden. Hij valt de beoordeling
in het
auditoraatsverslag bij en maakt ze tot de zijne.
7.
Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het besluit van de afdeling Toezicht van het
agentschap Wonen in Vlaanderen van 1 augustus 2024, houdende de
uitspraak over het beroep aangetekend tegen het besluit houdende schrapping
van de wachtlijst voor sociale woongelegenheden van 13 juni 2024 van
Woonmaatschappij
waarbij aan verzoekster de sanctie van de
schrapping van de wachtlijst voor een sociale woonst wordt opgelegd.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot
nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van
24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan
verzoekster.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien januari tweeduizend zesentwintig,
door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
,
kamervoorzitter,
,
,
,
staatsraad,
staatsraad,
griffier.
bijgestaan door
De griffier
De voorzitter