Naar hoofdinhoud

ADB:raad-van-state-brussel-20-01-2026

Beslissingsdetails

🏛️ Raad van State Brussel 📅 2026-01-20 🌐 NL Arrest

Rechtsgebied

Dierenwelzijn

Geciteerde wetgeving

koninklijk besluit van 21 juli 2023

Samenvatting

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK In zake: VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER A R R E S T nr. in de zaak van 20 januari 2026 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat...

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK In zake: VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER A R R E S T nr. in de zaak van 20 januari 2026 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 2 november 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de “[b]estemmingsbeslissing dd. 30.08.2025 met dossiernr. : gewezen door Vlaams Departement Omgeving, Dierenwelzijn Vlaanderen, Inspectie Dierenwelzijn […], verleend in toepassing van art. 72, § 3 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17/05/2024, waarbij volgende dieren in volle eigendom gegeven worden aan […] (het Vlaams erkend asiel waar ze minstens in bewaring verbleven tot datum van onderhavig bestreden bestemmingsbeslissing): • Ezelin Trees met chipnr. • Appaloosa merrie met chipnr. ( + het inmiddels uit haar geboren veulen, niet vernoemd bij onderhavige bestemmingsbeslissing ) • Zwarte bonte merrie met chipnr. • 3 ganzen • 1 kip • 7 cavia’s • 3 konijnen”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 19 november 2025 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Eerste auditeur heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Staatsraad heeft verslag uitgebracht. Advocaat , die verschijnt voor verzoekster en advocaat , die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 2 juli 2025 doet de lokale politie – naar aanleiding van een melding – vaststellingen inzake overtredingen op het dierenwelzijn met betrekking tot de volgende dieren van verzoekster: o een ezelin Trees met chipnummer o een zwarte ponyhengst met chipnummer o twee Appaloosahengsten met chipnummers en o twee Appaloosahengsten niet gechipt o twee honden met chipnummers o drie ganzen o een kip o zeven cavia’s o drie konijnen o een bonte pony ruin met chipnummer o een Appaloosamerrie met chipnummer o een zwarte bonte merrie met chipnummer . 3.2. Op 2 juli 2025 worden de voormelde dieren van verzoekster bestuurlijk in beslag genomen. 3.3. 3.4. Op 28 juli 2025 wordt verzoekster strafrechtelijk verhoord. Bij brief van 31 juli 2025 wordt verzoekster uitgenodigd om haar schriftelijk verweer in te dienen betreffende een mogelijke bestemmingsbeslissing. Op 8 augustus 2025 dient verzoekster haar schriftelijk verweer in. 3.5. Op 30 augustus 2025 beslist het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid om in toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn de volgende dieren in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar de dieren op dat ogenblik verblijven: o een ezelin Trees met chipnummer o een Appaloosamerrie met chipnummer o een zwarte bonte merrie met chipnummer o drie ganzen o een kip o zeven cavia’s o drie konijnen. Dit is de bestreden beslissing. Met dezelfde beslissing worden de volgende dieren teruggegeven aan verzoekster onder voorwaarden: o twee honden met chipnummers o een bonte pony ruin met chipnummer o een zwarte ponyhengst met chipnummer o twee Appaloosahengsten met chipnummers en o twee Appaloosa hengsten niet gechipt. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep 4. In de omschrijving van het voorwerp van het beroep vermeldt verzoekster tevens de volgende in beslag genomen dieren: de kip, de zeven cavia’s en de drie konijnen. Onder de omschrijving van haar belang vermeldt verzoekster evenwel dat zij schriftelijk afstand heeft gedaan van deze dieren en dat zij daar niet op zal terugkomen. Verzoekster preciseert vervolgens dat deze dieren “dan ook geen deel uit[maken] van het voorwerp van onderhavig annulatieberoep en schorsingsverzoek”. V. Toepassing kortedebattenprocedure 5. Het auditoraat heeft een verslag opgesteld “korte debatten en met betrekking tot een gewoon schorsingsverzoekschrift” met verwijzing naar onder meer artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement). Dit auditoraatsverslag vermeldt als conclusie: “Verwerping van het beroep alsook van de vordering tot schorsing, die er het accessorium van is. De beoordeling van de gegrondheid van het enige middel kan geschieden bij kort debat.” De raadsman van verzoekster heeft de verklaring van ontvangst van het auditoraatsverslag ondertekend op 15 december 2025 om 15.32 uur. Bij aanvang van de terechtzitting heeft de voorzitter aan de partijen gevraagd om standpunt in te nemen over de vraag of, zoals in het auditoraatsverslag voorgesteld, de zaak met korte debatten kan worden beslecht. Pas nadat de eerste auditeur ter terechtzitting advies heeft uitgebracht, voert verzoekster voor het eerst aan niet akkoord te gaan met de toepassing van de kortedebattenprocedure. Dit verzet wordt evenwel niet met concrete, overtuigende argumenten onderbouwd. Het auditoraat heeft aldus terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. VI. Onderzoek van het enig middel Vooraf 6. In het verzoekschrift voert verzoekster in het enig middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteits- en redelijkheidsbeginsel. 7. Luidens artikel 2, § 1, derde lid, van het algemeen procedurereglement moet de vordering een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens het voornoemde artikel 2, § 1, derde lid, van het algemeen procedurereglement kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, Ed. 2, 62.630). Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van het middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl verzoekster wel aan de hand van zeer omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoekster moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan. Uiteenzetting van het middel 8. Naast een uiteenzetting over de dieren die onder voorwaarden zijn teruggegeven aan verzoekster, die niet het voorwerp vormen van het beroep, zodat deze uiteenzetting niet relevant is, voert verzoekster in essentie aan dat de bestreden beslissing is doorspekt met allerlei beweringen, die feitelijk dan wel juridisch niet stroken met het administratief dossier, waarbij schade wordt berokkend aan een te goeder trouw handelend persoon. Bovendien is er volgens verzoekster sprake van een gebrek aan een feitelijk juiste en draagkrachtige motivering, wordt zij ten onrechte onderworpen aan een bestuurlijke maatregel en worden haar eigendomsrechten genegeerd. Het gegeven dat de achtergehouden paarden zouden zijn verwaarloosd, wordt volgens verzoekster tegengesproken in het dierenartsverslag opgesteld bij de inbeslagname. Voorts formuleert verzoekster een aantal feitelijke kritieken op de bepaalde onderdelen van de bestreden beslissing, alsook een algemene kritiek op het beleid van de verwerende partij die volgens verzoekster dieren zou toevertrouwen aan asielen die niet worden gecontroleerd. Het zorgvuldigheidsbeginsel acht verzoekster geschonden, doordat de bestreden beslissing haar verweer negeert. Uit dat aangevoerde onzorgvuldig handelen leidt verzoekster de schending van het proportionaliteits- en het redelijkheidsbeginsel af. Voorts voert zij in dat verband aan dat “niet valt uit [te] sluiten” dat het erkende asiel waar de in beslag genomen dieren werden ondergebracht geen geschikt paardenasiel is. Beoordeling Eerste grief: schending van de materiëlemotiveringsplicht 9. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. 10. Te dezen stelt de Raad van State vast dat de formele motivering van de bestreden beslissing meer dan zeven pagina’s omvat. Ze staat achtereenvolgens stil bij de vaststellingen met bijhorende foto’s gedaan door de verbalisanten van de lokale politie op 2 juli 2025, het strafrechtelijk verhoor van verzoekster op 28 juli 2025 en de daarbij gevoegde verklaringen, het verhoor van een getuige op 2 juli 2025, het schriftelijk verweer van verzoekster over het voornemen tot het nemen van een bestemmingsbeslissing van 8 augustus 2025, het dierenartsverslag met betrekking tot elk van de dieren, de e-mails van verzoekster van 11 augustus 2025 en 28 augustus 2025 waarbij zij aanvullende informatie bezorgt en de vaststellingen bij de hercontrole op 29 augustus 2025. Op basis van al die gegevens besluit de bestreden beslissing vervolgens: “Uit bovenstaande blijkt dat: - de dieren niet werden gehouden volgens hun fysiologische en ethologische behoeften, waardoor hun welzijn ernstig werd geschaad: o De dieren beschikten niet over (proper) drinkwater, wat een primaire levensbehoefte is. o De dieren konden zich kwetsen aan het aanwezige afval en ernstige maag/darmproblemen ontwikkelen door het opeten van het aanwezige afval. o De ganzen hadden geen (propere) baadmogelijkheden en graasmogelijkheden. o De cavia’s en konijnen hadden geen knaagvoorwerpen. o Er was onvoldoende beschutting voor de dieren gezien de warme weersomstandigheden. - betrokkene heeft nagelaten de dieren de nodige (en urgente) medische zorgen te bieden waardoor de dieren gedurende een ruime periode fysiek geleden hebben: o De kip, cavia’s, konijnen, ezel en 2 pony’s waren te mager. o De hoeven van de ezel en 2 pony’s waren in slechte conditie waaruit blijkt dat er onvoldoende opvolging was. Betrokkene geeft aan dat er om de 3 maanden een hoefsmid kwam, maar uit de voorgelegde data blijkt dat dit niet het geval was. o De medische toestand van de ezel was ernstig. Het dier was erg mager en door de zwaar afwijkende stand van de hoeven kon de ezel met veel moeite stappen. Betrokkene had niet opgemerkt dat de ezel te mager was en de opvolging van een dier met hoefbevangenheid was ondermaats. - betrokkene nog geen historiek heeft waardoor het opleggen van maatregelen kan leiden tot het gewenst effect, namelijk een voldoende hoog dierenwelzijn. - de voorziene huisvesting voor sommige dieren ondermaats is (met name op het thuisadres en de weides achter de bouwgrond), waardoor bij een volledige teruggave niet alle dieren op een correcte manier gehuisvest kunnen worden. Door het verzetten van de schuilstallen kan er voor 6 pony’s gepaste huisvesting voorzien worden. - betrokkene van goede wil blijkt, (schuld)inzicht toont en bereid is om maatregelen op te volgen. - betrokkene haar dieren graag ziet en reeds inspanningen geleverd heeft om haar terrein op te ruimen en de weides te voorzien van afspanning en schuilhokken. - bij het klinisch onderzoek van de honden en pony’s geen ernstige gezondheidsproblemen werden vastgesteld, enkel wat kleine bemerkingen. - betrokkene het aantal dieren dat ze had niet de optimale zorg en huisvesting kon bieden, maar bij een beperkter aantal dieren lijkt dit wél haalbaar. Aan de overblijvende dieren is meer dan werk genoeg (onderhoud weide en erf, hoefverzorging pony’s, voorzien van drinkwater en hooi, vachtverzorging, ..) waar betrokkene zich op kan focussen. - betrokkene weloverwogen en vrijwillig afstand doet van de cavia’s, konijnen en de kip. Het welzijn van een beperkt aantal dieren kan in de toekomst gegarandeerd worden als betrokkene dagelijkse inspanning levert en als voldaan wordt aan de hoger vermelde voorwaarden. De kosten voor opvang en verzorging blijven oplopen.” 11. Zoals hiervoor werd uiteengezet, is een overheidsbeslissing, zoals de bestreden beslissing, bekleed met het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag verzoekster derhalve niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Zij moet daarentegen aanwijzingen verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. De Raad van State stelt vast dat verzoekster faalt in die bewijslast. Zij beperkt zich immers tot het louter poneren van een aantal feitelijke kritieken op de motivering of het zonder meer tegenspreken van bepaalde aspecten van de motivering, zonder dat zij die kritiek en tegenspraak aannemelijk maakt. De verwerende partij wijst overigens terecht op artikel 64, § 4, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn dat aan de processen-verbaal opgesteld door, te dezen, de lokale politie bewijswaarde verleent tot het bewijs van het tegendeel. Met het afdoen van de vaststellingen door de verbalisanten als feitelijk en subjectief, weerlegt verzoekster de bewijswaarde van het opgestelde proces-verbaal niet. Met het argument dat de dieren gezond en in een goede conditie waren, gaat verzoekster voorbij aan het gegeven dat uit de bestreden beslissing blijkt dat zij niet zozeer steunt op het gegeven dat de dieren ongezond waren, maar wel op de vaststellingen dat de dieren niet werden gehouden volgens hun fysiologische en ethologische behoeften, waardoor hun welzijn ernstig werd geschaad, alsook dat verzoekster heeft nagelaten de dieren de nodige en urgente medische zorgen te bieden waardoor de dieren gedurende een ruime periode fysiek hebben geleden, nog daargelaten of verzoeksters bewering dat de dieren gezond waren en in een goede conditie verkeerden wel voor alle dieren opgaat, gelet op de vaststellingen gedaan door de dierenartsen. In de mate dat verzoekster kritiek uit op de dierenasielen en het vermeende gebrek aan controle daarop door de verwerende partij, zet verzoekster niet uiteen hoe die kritiek de wettigheid van de bestreden beslissing zou kunnen aantasten. In de mate dat verzoekster wijst op haar eigendomsrecht over de dieren voorafgaand aan de bestemmingsbeslissing – dat overigens niet wordt betwist – zet verzoekster evenmin uiteen hoe dat eigendomsrecht de wettigheid van de bestreden beslissing zou aantasten. De essentie van de bestreden bestemmingsbeslissing is immers net dat de volle eigendom over de dieren wordt overgedragen. 12. In de mate dat het middel de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert, is het ongegrond. Tweede grief: schending van het zorgvuldigheidsbeginsel 13. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig tewerk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoekster toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoekster van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 14. Te dezen steunt verzoekster de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel louter op het standpunt dat de bestreden beslissing is gebaseerd op het opzettelijk negeren van het door verzoekster aangebrachte verweer, zonder dat zij deze grief verder toelicht, laat staan aannemelijk maakt. Het volstaat dan ook vast te stellen dat uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt dat het omstandige verweer van verzoekster wel degelijk in overweging werd genomen (zie supra, nr. 10). Het louter poneren van het voormelde standpunt door verzoekster volstaat derhalve niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 15. In de mate dat het middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert, is het ongegrond. Derde grief: schending van het proportionaliteits- en het redelijkheidsbeginsel 16. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is) als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het proportionaliteitsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de proportionaliteit van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoekster de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoekster in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoekster doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of het proportionaliteitsbeginsel miskent. 17. Te dezen steunt verzoekster de aangevoerde schending van het redelijkheids- of het proportionaliteitsbeginsel louter op het standpunt dat er sprake is van bewezen opzettelijk onzorgvuldig handelen, waarmee zij verwijst naar de door haar aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hiervoor werd vastgesteld dat verzoekster geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aantoont (zie supra, nrs. 13-15), zodat het standpunt van verzoekster – door het wegvallen van de premisse ervan – faalt. In de mate dat verzoekster de schending van het redelijkheids- of het proportionaliteitsbeginsel steunt op het gegeven dat de bestreden beslissing zes hengsten onder bepaalde voorwaarden teruggeeft aan verzoekster, waarvan twee met een body condition score van 2/5, terwijl merries worden “achtergehouden” die een body condition score van 3/5 hebben, stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dit ook verklaart. Zo wijst de bestreden beslissing erop dat de voorziene huisvesting voor sommige dieren ondermaats is, waardoor bij een volledige teruggave niet alle dieren op een correcte manier kunnen worden gehuisvest, maar dat door het verzetten van de schuilstallen er voor zes pony’s een gepaste huisvesting kan worden voorzien. Ook wordt erop gewezen dat bij de honden en pony’s geen ernstige gezondheidsproblemen werden vastgesteld, alsook dat verzoekster door het aantal dieren dat ze had, niet de optimale zorg en huisvesting kon bieden, wat de verwerende partij bij een beperkter aantal dieren wél haalbaar lijkt. De bestreden beslissing besluit dat het welzijn van een beperkt aantal dieren in de toekomst kan worden gegarandeerd als verzoekster dagelijkse inspanningen levert en als wordt voldaan aan de in de bestreden beslissing geformuleerde voorwaarden. De bestreden beslissing geeft aldus blijk van een weloverwogen beoordeling, waarvan verzoekster niet aantoont dat de verwerende partij niet in redelijkheid tot die beslissing is kunnen komen. Ook met de loutere bewering dat “niet valt uit [te] sluiten” dat het erkende asiel waar een deel van de dieren is ondergebracht na het beslag geen “geschikt paardenasiel” is – een bewering die de verwerende partij formeel tegenspreekt –, toont verzoekster niet aan dat de verwerende partij de grenzen der redelijkheid heeft overschreden. 18. In de mate dat het middel de schending van het proportionaliteits- en het redelijkheidsbeginsel aanvoert, is het ongegrond. Conclusie 19. Uit wat voorafgaat, volgt dat het enig middel ongegrond is. De verwerping van het beroep tot nietigverklaring heeft tot gevolg dat de door verzoekster ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. 3. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door , griffier. De griffier De voorzitter