Naar hoofdinhoud

ADB:raad-van-state-brussel-20-01-2026-0

Beslissingsdetails

🏛️ Raad van State Brussel 📅 2026-01-20 🌐 NL Arrest

Rechtsgebied

Dierenwelzijn

Geciteerde wetgeving

koninklijk besluit van 19 november 2024; koninklijk besluit van 21 juli 2023; wet van 29 juli 1991

Samenvatting

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK In zake: VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER A R R E S T nr. in de zaak van 20 januari 2026 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocate...

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK In zake: VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER A R R E S T nr. in de zaak van 20 januari 2026 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 5 november 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestemmingsbeslissing van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid, afdeling Dierenwelzijn van 1 oktober 2025 waarbij twee katten in volle eigendom worden gegeven aan een erkend dierenasiel. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 19 november 2025 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Eerste auditeur heeft een verslag opgesteld. Staatsraad heeft verslag uitgebracht. Advocaat , die loco advocaat verschijnt voor verzoekster, en advocaat , die loco advocaten verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 30 juni 2025 doen een inspecteur-dierenarts en een controleur van de afdeling Dierenwelzijn samen met de lokale politie – naar aanleiding van een melding – vaststellingen inzake overtredingen op het dierenwelzijn met betrekking tot twaalf katten van verzoekster, zowel op het adres van haar woonst als op het adres van haar praktijk. 3.2. Op 30 juni 2025 worden de twaalf katten van verzoekster bestuurlijk in beslag genomen, acht in de woonst van verzoekster en vier in de praktijk van verzoekster. Na het administratief beslag is een kat bevallen van zeven kittens en een andere kat van vier kittens waarvan één doodgeboren. 3.3. Op 20 augustus 2025 wordt verzoekster strafrechtelijk verhoord. Zij verklaart afstand te doen van de vier katten die werden aangetroffen in haar praktijk. De acht katten aangetroffen in haar woonst wenst zij te houden. 3.4. Op 20 augustus 2025 wordt, in het kader van hercontrole in navolging van de feiten hiervoor weergegeven, nog een kat administratief in beslag genomen in de woonst van verzoekster. Dit is de eerste van de twee katten, voorwerp van de bestreden beslissing. 3.5. Op 25 augustus 2025 beslist het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid om in toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn de twaalf katten en tien kittens vermeld sub 3.2 in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar de dieren op dat ogenblik verblijven. Deze beslissing vormt het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing gekend onder zaaknr. . De vordering tot schorsing in die zaak werd verworpen bij arrest nr. van 1 december 2025 ( 3.6. Op 27 augustus 2025 wordt nog een kat administratief in beslag genomen in de praktijk van verzoekster. Dit is de tweede kat, voorwerp van de bestreden beslissing. 3.7. Op 1 oktober 2025 beslist het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid om in toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn de twee katten hiervoor vermeld onder nrs. 3.4 en 3.6 in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar de dieren op dat ogenblik verblijven. Dit is de bestreden beslissing. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep 4. Onder de rubriek “grondvoorwaarden voor de schorsing” preciseert verzoekster dat de vordering tot schorsing enkel betrekking heeft op de “katten” die in beslag zijn genomen in de woonst van verzoekster, zonder de kittens die inmiddels zijn geboren. Het voorwerp van het beroep is aldus beperkt tot de kat vermeld sub 3.4, in tegenstelling tot wat de omschrijving van het voorwerp van het beroep doet uitschijnen. V. Schorsingsvoorwaarden 5. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. VI. Ernst van het enig middel Uiteenzetting van het middel 6. Verzoekster voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 66 en 72, §§ 1 tot 6, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), artikel 16 van de Grondwet samengelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Parijs op 20 maart 1952 (hierna: Eerste Aanvullend Protocol), het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. 7. Artikel 2, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemene procedureregeling) is op grond van artikel 4, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ van toepassing op een vordering tot schorsing waarin, zoals te dezen, het verzoekschrift tot nietigverklaring nog niet eerder is ingediend. De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens het voornoemde artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet- ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, Ed. 2, 62.630). Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van het middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl verzoekster wel aan de hand van omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat, volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure, de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan. 8. In essentie voert verzoekster aan dat de grondvoorwaarde opdat kan worden overgegaan tot de bestuurlijke maatregel tot overdracht van de volle eigendom van de dieren op basis van artikel 72, § 3, 3°, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, niet is voldaan, daar er geen bewijs voorligt dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan dierenmishandeling. Volgens verzoekster kan een dergelijke bestuurlijke maatregel slechts worden getroffen wanneer er een strafrechtelijk gesanctioneerd misdrijf voorligt, zoals bedoeld in artikel 66 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn. Een misdrijf veronderstelt een materieel, een moreel en een wederrechtelijk element en volgens verzoekster is er te dezen geen sprake van een moreel element. Zij verwijst daartoe naar vijf “dossierelementen”. Voorts voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd, minstens het resultaat is van een onzorgvuldig onderzoek, alsook kennelijk onredelijk is, daar niet wordt stilgestaan bij de omstandigheden die hebben geleid tot de gedane vaststellingen noch bij de inspanningen van verzoekster om de vastgestelde toestand van haar woning en praktijk te verhelpen, en omdat niet wordt gemotiveerd waarom een minder verregaande bestuurlijke maatregel niet zou volstaan. Het kennelijk onredelijk karakter van de bestreden beslissing blijkt volgens verzoekster ook uit het gegeven dat geen voldoende rekening werd gehouden met de vaststellingen gedaan door de gerechtsdeurwaarder op 19 september 2025, alsook uit het gegeven dat wordt uitgegaan van een “toekomstige situatie”, met name de assumptie dat verzoekster ook in de toekomst onvoldoende zal zorgen voor haar dieren, terwijl uit de formele motivering van de bestreden beslissing daarvoor geen actuele verantwoording blijkt die de vaststellingen gedaan door de gerechtsdeurwaarder weerleggen. Artikel 16 van de Grondwet samengelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol zijn volgens verzoekster geschonden “[g]elet op het feit dat de bestreden beslissing onwettig is”, zodat zij ten onrechte uit haar eigendomsrecht werd ontzet. Beoordeling Eerste grief: schending van de artikelen 66 en 72, §§ 1 tot 6, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn 9. Verzoekster voert vooreerst aan dat een bestuurlijke maatregel in de zin van artikel 72, § 3, 3°, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn slechts kan worden getroffen wanneer er een strafrechtelijk gesanctioneerd misdrijf voorligt, zoals bedoeld in artikel 66 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn. 10. De door verzoekster geschonden geachte bepalingen van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn behoren tot het hoofdstuk “Controle, handhaving en bestraffing”. Artikel 66 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn luidt: “De persoon die handelt in strijd met de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 52 euro tot 100.000 euro, of met een van die straffen alleen.” Artikel 72, §§ 1 tot 6, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn luidt: “§ 1. Als de personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, een overtreding van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake vaststellen en die overtreding over levende dieren gaat, kunnen ze die dieren administratief in beslag nemen en als dat nodig is onderbrengen in een geschikte opvangplaats. De personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen ook dieren in beslag nemen als die gehouden worden terwijl er een verbod of een beperking van toepassing is die is opgelegd met toepassing van artikel 68, 2° en 3°. Als de dieren die in beslag worden genomen met toepassing van deze paragraaf, worden opgevangen in een erkend dierenasiel, bezorgt het erkende dierenasiel aan het departement een overzicht van de dieren die zijn opgevangen en de tijdsduur waarin ze zijn opgevangen. Er wordt een vergoeding betaald aan het erkende dierenasiel voor de opvang en voor de kosten die verbonden zijn aan de opvang. Als de dieren niet worden opgevangen in een erkend dierenasiel, wordt die vergoeding betaald aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon in kwestie die instond voor de opvang. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de vergoeding, vermeld in het vierde lid, en de nadere regels van de procedure, vermeld in het derde en vierde lid. § 2. In de gevallen, vermeld in paragraaf 1, wordt een kopie van het proces-verbaal bezorgd aan het departement. § 3. Het departement bepaalt de bestemming van het levende dier dat conform paragraaf 1 in beslag is genomen. De volgende bestemmingen kunnen conform het eerste lid worden bepaald: 1° het dier al dan niet onder voorwaarden teruggeven aan de verantwoordelijke van het in beslag genomen dier; 2° het dier verkopen; 3° het dier in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon; 4° het dier slachten of het doden. § 4. Het beslag, vermeld in paragraaf 1, wordt van rechtswege opgeheven door de beslissing, vermeld in paragraaf 3, of, bij het uitblijven van de voormelde beslissing, na zestig dagen vanaf de datum van de inbeslagname. § 5. De personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen de kadavers, het vlees of de voorwerpen die het voorwerp vormen van de overtreding of die gediend hebben om een overtreding te plegen of die bestemd waren om een overtreding te begaan, administratief in beslag nemen en eventueel vernietigen of laten vernietigen. § 6. De verantwoordelijke van het dier is een vergoeding verschuldigd voor de kosten die verbonden zijn aan de maatregelen die worden genomen met toepassing van paragraaf 1, 3 en 5. De Vlaamse Regering stelt de tarieven van de vergoedingen, vermeld in het eerste lid, vast. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels van de procedure, vermeld in het eerste en tweede lid, vast.” 11. Uit deze bepalingen blijkt prima facie dat de strafrechtelijke veroordeling bedoeld in artikel 66 en de bestuurlijke maatregelen bedoeld in artikel 72 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn onafhankelijk van elkaar bestaan en kunnen worden opgelegd. In tegenstelling tot wat verzoekster aanneemt, blijkt uit deze bepalingen prima facie niet dat het opleggen van een bestuurlijke maatregel op grond van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn ondergeschikt zou zijn aan een strafrechtelijke vervolging en veroordeling noch dat een dergelijke maatregel slechts kan worden opgelegd, nadat een strafrechtelijk gesanctioneerd misdrijf werd vastgesteld. In de mate dat het middel uitgaat van het tegendeel, is het derhalve niet ernstig. Bijgevolg dienen de “dossierelementen” waaruit verzoekster de afwezigheid van een moreel element afleidt, niet te worden onderzocht. Tweede grief: schending van de formelemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel 12. In wat als een tweede grief kan worden beschouwd, voert verzoekster vooreerst aan dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd, minstens het resultaat is van een onzorgvuldig onderzoek, alsook kennelijk onredelijk is, daar niet wordt stilgestaan bij de omstandigheden die hebben geleid tot de gedane vaststellingen noch bij de inspanningen van verzoekster om de vastgestelde toestand van haar woning en praktijk te verhelpen, en omdat niet wordt gemotiveerd waarom een minder verregaande bestuurlijke maatregel niet zou volstaan. 13. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten het bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. 14. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig tewerk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoekster toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoekster van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 15. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is) als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het evenredigheidsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent. 16. De schending van het redelijkheidsbeginsel is enkel aan de orde als vaststaat dat de bestreden beslissing steunt op deugdelijke (materiële) gronden, zodat het past de ernst van het middel eerst te onderzoeken in de mate dat de schending van de formelemotiveringsplicht wordt aangevoerd. 17. De Raad van State stelt prima facie vast dat de formele motivering van de bestreden beslissing drie pagina’s beslaat. Die formele motivering verwijst uitgebreid naar de vaststellingen gedaan naar aanleiding van de hercontrole op 20 augustus 2025, zoals ze blijken uit het opgestelde proces- verbaal en de daarbij gevoegde foto’s, naar het dierenartsverslag van het asiel, naar de e-mails ontvangen van de raadsman van verzoekster op 1 en 19 september 2025, alsook naar het proces-verbaal van vaststelling van 19 september 2025 van een gerechtsdeurwaarder. Op basis van al die gegevens besluit de bestreden beslissing: “Uit bovenstaande blijkt dat: ➢ de katten niet werden gehouden volgens hun fysiologische en ethologische behoeften, waardoor hun welzijn ernstig werd geschaad: in onhygiënische omstandigheden, wat o de katten werden gehouden gezondheidsrisico’s kan inhouden. o er was een onaangename ammoniakgeur aanwezig in de omgeving van de katten, wat een irriterend effect kan hebben op de slijmvliezen en de luchtwegen. o de katten beschikten niet over een propere kattenbak. o één kat beschikte niet over drinkwater, wat een primaire levensbehoefte is. ➢ betrokkene, ondanks dat zij als dierenarts over de nodige medische kennis beschikt, nagelaten heeft haar katten de nodige (en urgente) basis- en medische zorgen te bieden waardoor de katten gedurende een ruime periode fysiek geleden hebben o de katten hadden een vuile vacht. o de katten hadden vlooien, waarvoor geen effectieve behandeling werd opgestart. ➢ bij de eerdere controle er reeds overtredingen werden vastgesteld die dermate ernstig waren dat een inbeslagname noodzakelijk was. ➢ dezelfde overtredingen terugkeren en betrokkene niet geleerd heeft uit de vorige inbeslagname. ➢ één kat niet geïdentificeerd was; de andere kat niet geregistreerd was. ➢ de katten (erg) angstig en moeilijk hanteerbaar waren, wat erop wijst dat betrokkene de katten onvoldoende gesocialiseerd heeft, wat kan zorgen voor psychisch lijden. Bovendien is het niet duidelijk hoe betrokkene de katten kan verzorgen indien deze niet hanteerbaar zijn. ➢ betrokkene niet inging op de uitnodiging tot schriftelijk verweer. Hierdoor kan niet worden nagegaan welk inzicht zij toont in de overtredingen, noch welke intenties zij heeft om het welzijn van de dieren in de toekomst te verbeteren. ➢ betrokkene de woning grondig heeft laten reinigen en een inspanning geleverd heeft om de leefomstandigheden van de katten te verbeteren, maar het niet duidelijk is hoe de katten medisch opgevolgd zullen worden. Gelet op het belang van zowel aangepaste huisvesting als aangepaste verzorging om het welzijn van katten te garanderen, is dit niet voldoende. Hieruit blijken onvoldoende garanties dat het welzijn van de katten gewaarborgd kan worden, waardoor een teruggave onverantwoord zou zijn.” 18. De Raad van State stelt voorts prima facie vast dat verzoekster deze omstandige formele motivering in het geheel niet betrekt bij de uiteenzetting van haar grief dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd. Om de schending van de formelemotiveringsplicht aannemelijk te maken, kan verzoekster niet volstaan louter te verwijzen naar niet nader gepreciseerde en niet-gestaafde “omstandigheden” die tot de gedane vaststellingen zouden hebben geleid. In de mate dat verzoekster aanvoert dat de verwerende partij rekening moest houden met de inspanningen van verzoekster om de vastgestelde toestand in haar praktijk en woning te verhelpen, mist het middel feitelijke grondslag nu uit de bestreden beslissing blijkt dat die inspanningen wel degelijk in de beoordeling werden betrokken, daar uitdrukkelijk wordt verwezen naar recente stukken betreffende deze inspanningen, met name de vaststellingen gedaan tijdens de hercontrole op 20 augustus 2025, het proces-verbaal van vaststelling van de gerechtsdeurwaarder van 19 september 2025, alsook de e-mails van de raadsman van verzoekster. De verwerende partij besloot evenwel dat “betrokkene de woning grondig heeft laten reinigen en een inspanning geleverd heeft om de leefomstandigheden van de katten te verbeteren, maar het niet duidelijk is hoe de katten medisch opgevolgd zullen worden. Gelet op het belang van zowel aangepaste huisvesting als aangepaste verzorging om het welzijn van katten te garanderen, is dit niet voldoende. Hieruit blijken onvoldoende garanties dat het welzijn van de katten gewaarborgd kan worden, waardoor een teruggave onverantwoord zou zijn.” Verzoekster kan derhalve in de formele motivering lezen dat wel degelijk rekening is gehouden met de verbeteringen aangebracht op het vlak van de fysieke huisvesting van de katten, maar evenzeer waarom dat niet volstaat. 19. In de mate dat verzoekster de formele motivering van de bestreden beslissing bekritiseert, omdat er niet uit zou blijken waarom een minder verregaande bestuurlijke maatregel niet mogelijk was, stelt de Raad van State prima facie vast dat verzoekster aan de formelemotiveringsplicht een draagwijdte geeft die er niet in vervat is. De formelemotiveringsplicht reikt te dezen niet zover dat ze de verwerende partij ertoe zou verplichten uitdrukkelijk te motiveren waarom geen andere bestuurlijke maatregel wordt opgelegd. Een positieve formele motivering volstaat, hetgeen inhoudt dat verzoekster in de tuchtbeslissing zelf de motieven moet kunnen terugvinden op grond waarvan een bepaalde bestuurlijke maatregel werd opgelegd, wat te dezen prima facie het geval is. In de mate dat verzoekster uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het middel prima facie in rechte. 20. Verzoekster voert ook de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aan, doch beperkt tot het standpunt dat er minstens sprake is van een “verregaand onzorgvuldig onderzoek”. Met dergelijke algemene bewering blijft verzoekster prima facie in gebreke om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. In de mate dat verzoekster de beweerde onzorgvuldigheid steunt op het niet in rekening brengen van de “omstandigheden” die tot de vaststellingen hebben geleid en van de door verzoekster gedane inspanningen, verwijst de Raad van State naar wat hiervoor in dat verband prima facie werd vastgesteld (zie supra, nr. 18). Alzo maakt verzoekster prima facie evenmin aannemelijk dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 21. In de mate dat verzoekster verwijst naar dezelfde “omstandigheden” die tot de vaststellingen hebben geleid en de door haar gedane inspanningen, om daaruit de onredelijkheid van de bestreden beslissing af te leiden, verwijst de Raad van State eveneens naar wat hiervoor in dat verband prima facie werd vastgesteld (zie supra, nr. 18). Ook met de verwijzing naar het gegeven dat verzoekster niet gekend zou zijn “voor enige retroacten gekaderd in de problematiek van dierenmishandeling” en er desbetreffend evenmin deontologische maatregelen zijn getroffen door de Orde van Dierenartsen, en met de kritiek op de bestreden beslissing dat niet blijkt waarom geen minder verregaande bestuurlijke maatregel mogelijk zou zijn, toont verzoekster prima facie geen schending van het redelijkheidsbeginsel aan. Zij toont daarmee prima facie immers niet aan dat de bestreden beslissing inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen de motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. Het loutere gegeven dat ook andere bestuurlijke maatregelen mogelijk zijn, maakt de bestreden beslissing niet onredelijk. Het is eigen aan de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid zoals te dezen, dat uiteenlopende beslissingen denkbaar zijn, die nochtans alle de toets aan het redelijkheidsbeginsel doorstaan. 22. In de mate dat verzoekster aanvoert dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is, daar ze geen rekening houdt met de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder op 19 september 2025, wordt verwezen naar de formele motivering van de bestreden beslissing waaruit prima facie blijkt dat die vaststellingen wel degelijk bij de beoordeling werden betrokken, alsook waarom dit volgens de verwerende partij niet volstond (zie supra, nrs. 17-18). Verzoekster betrekt deze formele motivering niet bij haar uiteenzetting en toont derhalve prima facie niet aan dat de verwerende partij niet in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. 23. In de mate dat verzoekster de onredelijkheid van de bestreden beslissing aanvoert wegens de erin vervatte assumptie dat zij ook in de toekomst onvoldoende zal zorgen voor de dieren, omdat daarvoor geen actuele verantwoording voorligt die de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder op 19 september 2025 weerlegt, stelt de Raad van State prima facie vast dat verzoekster hiermee evenmin de onredelijkheid van de bestreden beslissing aantoont. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt immers op grond van welke gegevens de verwerende partij tot deze assumptie is gekomen, zoals onder meer het nalaten door verzoekster om haar katten de nodige (en urgente) basis- en medische zorgen te bieden waardoor de katten gedurende een ruime periode fysiek geleden hebben, alsook dat de katten (erg) angstig en moeilijk hanteerbaar waren, zodat het niet duidelijk is hoe betrokkene de katten kan verzorgen. Waarom de vaststellingen gedaan door de gerechtsdeurwaarder niet volstonden, blijkt evenzeer uit de formele motivering van de bestreden beslissing die aangeeft dat verzoekster de woning weliswaar grondig heeft laten reinigen en een inspanning heeft geleverd om de leefomstandigheden van de katten te verbeteren, maar het niet duidelijk is hoe de katten medisch zullen worden opgevolgd, alsook dat gelet op het belang van zowel aangepaste huisvesting als aangepaste verzorging om het welzijn van katten te garanderen, dit niet voldoende is. Verzoekster brengt niets in tegen deze formele motivering en toont derhalve prima facie niet aan dat de verwerende partij niet in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Derde grief: schending van artikel 16 van de Grondwet samengelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol 24. In wat als een derde grief kan worden beschouwd, voert verzoekster aan dat artikel 16 van de Grondwet samengelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol geschonden zijn “[g]elet op het feit dat de bestreden beslissing onwettig is”. 25. Een middel kan slechts ernstig worden bevonden indien het de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. Dat brengt mee dat het middel, om als ernstig te kunnen worden aangemerkt, dermate duidelijk dient te zijn dat het bij eerste lezing meteen aannemelijk is dat daarop een nietigverklaring kan worden gesteund, zonder dat een doorgedreven onderzoek van het middel noodzakelijk is. Het respect voor het recht van verdediging in de procedure van het administratief kortgeding, waar die rechten door de procedure al beperkt zijn, en de summaria cognitio waarmee de Raad van State van vorderingen tot schorsing kennis neemt, gebieden dan ook dat een verzoekende partij, op straffe van haar middelen als niet ernstig verworpen te zien, zeer nauwkeurig moet aanvoeren welke precieze rechtsregel of welk rechtsprincipe zij geschonden acht en al even nauwkeurig moet vermelden waarin de schending precies bestaat. 26. Te dezen stelt de Raad van State prima facie vast dat verzoekster nalaat in concreto aan te geven waarom de bestreden beslissing de vermelde rechtsnormen zou schenden. Verzoekster beperkt zich tot de loutere stelling dat de bestreden beslissing onwettig is. Verzoekster schiet hiermee prima facie tekort in haar stelplicht. In de mate dat verzoekster met de vermeende onwettigheid zou verwijzen naar de aangevoerde schending van de overige, in het enig middel vermelde, rechtsregels en beginselen van behoorlijk bestuur, daar zij erop wijst dat zij ten onrechte uit haar eigendomsrecht werd gezet, volgt uit wat voorafgaat, prima facie dat het middel feitelijke grondslag mist. Conclusie 27. Het enig middel is niet ernstig. VII. Conclusie 28. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig januari tweeduizend zesentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door , griffier. De griffier De voorzitter