ADB:rechtbank-eerste-aanleg-gent-20-01-2026-1
Beslissingsdetails
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2026-01-20
🌐 NL
Vonnis
Rechtsgebied
Ruimtelijke Ordening
Geciteerde wetgeving
Koninklijk Besluit van 28 december 1950; Wet van 17 april 1878; Wet van 1 augustus 1985; Wet van 29 juni 1964; Wet van 5 maart 1952; decreet van 5 februari 2016; wet van 19 maart 2017; wet van 15 juni 1935
Samenvatting
p. 1 Vonnisnummer / Griffienummer / Repertoriumnummer / Europees Datum van uitspraak 20 januari 2026 Naam van de beklaagde Systeemnummer parket 22CO42485 Rolnummer Notitienummer parket GE66.97.613/2022 rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Kamer G30DI Vonnis Aangeboden op Nie...
Volledige tekst
p. 1
Vonnisnummer / Griffienummer
/
Repertoriumnummer / Europees
Datum van uitspraak
20 januari 2026
Naam van de beklaagde
Systeemnummer parket
22CO42485
Rolnummer
Notitienummer parket
GE66.97.613/2022
rechtbank van eerste aanleg
Oost-Vlaanderen, afdeling
Gent
Kamer G30DI
Vonnis
Aangeboden op
Niet te registreren
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 2
In de zaak van het openbaar ministerie tegen:
BEKLAAGDE:
, RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
beklaagde, die persoonlijk verschijnt
TENLASTELEGGINGEN
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
A als eigenaar het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van grond voor plaatsen van
één of meer verplaatsbare constructies voor bewoning zonder of in strijd met een geldige
vergunning toestaan of aanvaarden
als eigenaar te hebben toegestaan of aanvaard dat, buiten de gevallen bedoeld in de artikelen
4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het gewoonlijk gebruiken,
aanleggen of inrichten van een grond voor het plaatsen van één of meer verplaatsbare
constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt, in het bijzonder woonwagens,
kampeerwagens, afgedankte voertuigen en tenten, met uitzondering van het kamperen op
een toeristisch logies dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4 van het decreet
van 5 februari 2016 betreffende het toeristische logies, hetzij zonder voorafgaande
stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor
stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden,
hetzij in strijd met de betreffende vergunning werd uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging
of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing
van de betreffende vergunning, verder werd uitgevoerd,
(art. 4.1.1., 3°, 4.2.1., 5°, c), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 7°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
namelijk een stacaravan bestemd voor bewoning,
op een perceel gelegen te
, in eigendom toebehorend aan
, wonende te
, kadastraal gekend als
,
.
in de periode van 3 februari 2021 tot en met 24 maart 2022
geboren
te
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 3
zonder
voorafgaande
B optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van
vergunning,
onderhoudswerken, hetzij
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende
vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de
termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
(art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
stedenbouwkundige
Namelijk een volière te hebben opgericht,
op een perceel gelegen te
, in eigendom toebehorend aan
, wonende te
kadastraal gekend als
,
.
in de periode van 24 maart 2022 tot en met 9 augustus 2022
geboren
te
PROCEDURE
De dagvaarding werd op 20 mei 2025 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid te
. Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van de
tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven door de wetgeving
inzake hypotheken.
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
1. Overzicht van de feiten
1. Naar aanleiding van een anonieme klacht over een woonwagen in een tuin, ging de verba-
-
lisant ruimtelijke ordening ter plaatse naar de woning in
op 9 augustus 2022.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 4
Er waren reeds twee geverbaliseerde bouwmisdrijven gekend op dit adres. Hieruit blijkt dat
beklaagde reeds in 2014 werd geverbaliseerd wegens het plaatsen van een trailer in de tuin-
zone.
Reeds op 24 maart 2022 werd vanop de straat gezien dat er een woonwagen in de tuinzone
stond. Omdat er niemand thuis was werd het terrein niet betreden. Op 28 maart 2022 werd
beklaagde aangetekend aangemaand om de woonwagen te verwijderen.
Op 9 augustus 2022 was er opnieuw niemand aanwezig maar de woonwagen was goed zicht-
baar. Er waren verschillende aanwijzingen van bewoning. (buis voor afvoer airco, aangesloten
gasflessen, lichtspot)
Tegen de westelijke perceelsgrens werd een volière opgericht bestaande uit witte plastic wan-
den afgewisseld met draadgaas onder een golfplaten dak. De constructie was ongeveer 2,5
meter breed, 7,5 meter lang en 2 meter hoog.
Op een luchtfoto van de winter van 2021 waren de woonwagen en volière nog niet te zien.
2. Op 13 september 2022 werd beklaagde verhoord. Ze verklaarde eigenaar te zijn van de wo-
ning. Haar zoon had de woonwagen in de tuin geplaatst omdat hij nood had aan privacy. Ze
had het aangetekend schrijven ontvangen maar gezien de situatie met haar zoon was er geen
oplossing. Hij had een depressie en stond onder medische begeleiding. Volgens haar zoon zou
de woonwagen begin 2023 weg zijn.
De volière stond er al meer dan 7 jaar. Vroeger zaten er eekhoorns. De volière werd onlangs
haar gevraagd wat de constructie was
gehalveerd in grootte. In het verleden had
en toen was er geen probleem.
Ze begreep niet waarom de aanhangwagen niet op haar terrein mocht staan.
3. Op 4 mei 2023 bleek de woonwagen en de volière nog steeds aanwezig te zijn. Beklaagde
verklaarde bij verhoor op 13 juni 2023 dat haar zoon de woonwagen te koop had gezet. De
volière zou ze proberen te regulariseren.
4. Omdat de woonwagen op 5 december 2023 nog steeds ter plaatse stond, werd er een her-
stelvordering opgemaakt die werd ingeleid bij brief van 20 juni 2024.
De gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur vorderde het herstel in de vorige toestand, na-
melijk:
1. Het stopzetten van de bewoning van de stacaravan.
2. Het verwijderen van de stacaravan van het terrein, alsook de voorzieningen hiervoor
(afvoeren afvalwater, elektriciteitsvoorzieningen, verhardingen) en het nadien herstel-
len van het maaiveld.
3. Het verwijderen van de constructie volière tegen de perceelsgrens gemeenschappelijk
met het openbaar domein Herlegemhof en het verwijderen van bijhorende verharding
van het terrein en het nadien herstellen van het maaiveld.
De GSI stelde een uitvoeringstermijn van zes maanden voor en vorderde een dwangsom van
150 euro per dag vertraging.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 5
De herstelvordering verkreeg een positief advies van de Hoge Raad voor de
Handhavingsuitvoering. De constructies zijn in strijd met het verkavelingsvoorschrift ‘verdere
bebouwing kan op de percelen niet worden toegelaten’. Omdat dit voorschrift meer dan 15
jaar oud is zou hiervan kunnen worden afgeweken. De Hoge Raad oordeelde echter dat het
ruimtegebruik en de bouwdichtheid niet inpasbaar zijn binnen de onmiddellijke omgeving en
visueel-vormelijk hinderlijk. Tevens bevinden de constructies zich tegen de perceelsgrenzen en
zijn ze opgericht in heterogene en niet-duurzame materialen wat visueel storend is.
Het betreffen recente overtredingen. Wat de volière met verhardingen betrof stelde de Hoge
Raad dat deze eerder werden aangebracht, vervolgens verwijderd (niet aanwezig bij
dd. 19 juni 2020-
plaatsbezoek op 24 maart 2022 – zie ook supra 3D-beeld
stuk 55 strafdossier) en erna deels teruggeplaatst.
5. Op 17 december 2024 werd vastgesteld dat de woonwagen werd verwijderd. De volière was
nog aanwezig.
Beklaagde werd gedagvaard voor de rechtbank voor de zitting van 27 mei 2025.
6. Op de zitting van 27 mei 2025 stelde beklaagde bereid te zijn om de volière af te breken
maar ze vroeg hiervoor tijd zodat ze een oplossing voor de dieren kon zoeken.
De rechtbank stelde de zaak in voortzetting om beklaagde de tijd te geven de toestand te
regulariseren.
Op 26 november 2025 ging de verbalisant ruimtelijke ordening ter plaatse. Er werd vastgesteld
dat de volière niet meer tegen de perceelsgrens stond maar verplaatst werd naar centraal in
de achtertuin. Deze nieuwe plaats voldeed aan de vereisten van de vrijstellingsbesluit. Het
herstel werd vastgesteld.
2. Bespreking van de schuldvraag
1. Beklaagde moet zich voor de rechtbank verantwoorden wegens het als eigenaar toestaan
dat een perceel gewoonlijk gebruikt wordt voor het plaatsen van een stacaravan en het op-
richten van een volière zonder vergunning.
Beklaagde verklaarde ter zitting dat zij er niet van op de hoogte was geweest dat deze con-
structies niet in haar tuin mochten staan.
2. Beklaagde liet toe dat haar zoon een bijzonder grote stacaravan plaatste in haar tuin om in
te wonen. Deze woonwagen paste niet in het straatbeeld, was in strijd met de bestemming,
was visueel storend en storend voor het rustig gebruik van de tuinzones in de naastgelegen
percelen. Ook de volière in visueel storende materialen kon niet onvergund tegen de perceels-
grens geplaatst worden.
De voorgehouden onwetendheid over de vergunningsplicht leidt niet tot vrijspraak. Onwe-
tendheid of goede trouw, die overigens niet wordt aangetoond en ook niet te controleren valt,
ontsloeg beklaagde niet van naleving van de vergunningsplicht. De ten laste gelegde misdrij-
ven vereisten enkel algemeen opzet als moreel element. Dit algemeen opzet is het wetens en
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 6
willens aannemen van een strafbare gedraging. De rechter kan het bestaan van dit opzet aflei-
den uit het door de dader gepleegde materiële feit en de vaststelling dat dit feit hem kan wor-
den toegerekend, met dien verstande dat de dader vrijuit gaat wanneer hij rechtvaardiging,
schuldontheffing of niet-toerekeningsvatbaarheid enigszins aannemelijk maakt. Uit de eerdere
geverbaliseerde misdrijven met betrekking tot het plaatsen van een trailer in 2014 en het vel-
len van bomen zonder toelating in 2018 blijkt dat beklaagde er wel degelijk van op de hoogte
was dat zij niet vrij over het gebruik van haar tuin kon beschikken en zich voorafgaand diende
te informeren over de vergunningsplicht. Zelfs na de aanmaning op 28 maart 2022 liet zij lange
tijd na om zich te conformeren. Beklaagde pleegde de feiten wetens en willens en maakt recht-
vaardiging, schuldontheffing en niet-toerekeningsvatbaarheid niet enigszins aannemelijk.
3. Straftoemeting
1. De rechtbank legt voor beklaagde overeenkomstig artikel 65, eerste lid Strafwetboek één
straf op voor de feiten van de tenlasteleggingen A en B samen.
Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de aard en de objectieve ernst van de
bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden, de eventuele strafverzwarende
factoren en de persoonlijkheid van beklaagde zoals die blijkt uit het strafrechtelijk verleden,
gezinstoestand en arbeidssituatie, voor zover de rechtbank die kent.
De straf heeft niet alleen een vergeldende functie, ze moet ook preventief werken: ze moet
beklaagde ertoe aanzetten in de toekomst geen misdrijven meer te plegen.
2. Beklaagde trok zich niets aan van de vergunningplicht en de geldende stedenbouwkundige
voorschriften en plaatste een storende volière in haar tuin en liet toe dat haar zoon een grote
stacaravan in haar tuin plaatste om in te wonen. Beklaagde stelde haar eigen belang boven het
belang dat de gemeenschap heeft bij een goede ruimtelijke ordening. Beklaagde hield koppig
vast aan haar eigen gelijk waardoor zij uiteindelijk gedagvaard werd en het herstel zeer lang
op zich liet wachten.
jaar oud en werd reeds tweemaal veroordeeld, eenmaal voor een
3. Beklaagde is
verkeersinbreuk en eenmaal wegens het achterlaten van afvalstoffen en een inbreuk op de
milieuvergunning. Gelet op haar eerdere veroordelingen en de lange tijd die verstreek alvorens
het herstel kon worden vastgesteld, is een geldboete zoals hierna bepaald passend om
beklaagde de ernst van de feiten te doen inzien en recidive te voorkomen. Nu het herstel
inmiddels werd bereikt, zal de rechtbank een deel van de geldboete opleggen met de gunst
van het gewoon uitstel. Beklaagde komt hier nog voor in aanmerking. Zij moet beseffen dat
het uitstel nog kan worden herroepen indien zij nieuwe misdrijven zou plegen gedurende de
proeftermijn die de rechtbank bepaalt op drie jaar.
HERSTEL
Nu er op 4 mei 2023 werd vastgesteld dat de caravan weg was en er op 26 november 2025
werd vastgesteld dat de volière werd verplaatst zodat deze conform het vrijstellingsbesluit is,
is de herstelvordering thans zonder voorwerp.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 7
BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED
Omdat de door beklaagde gepleegde misdrijven mogelijk schade hebben veroorzaakt, houdt
de rechtbank de burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomstig artikel 4 van de Voor-
afgaande Titel wetboek van Strafvordering.
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35 en 41 van de wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 - Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 194, 195 Wetboek van Strafvordering;
art. 1, 2, 3, 7, 38, 40, 41, 65, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen
aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven;
art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952;
art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
art. 1 (§1, 2° en §2), 8, 14 §1 Wet van 29 juni 1964;
DE RECHTBANK:
op tegenspraak ten aanzien van
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van
,
Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen A en B bewezen.
Veroordeelt
voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A en B:
tot een geldboete van 4.000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 8
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 3 maanden.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van
3 jaar, doch slechts voor een gedeelte van 2.000,00 EUR, zijnde 250,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen.
Veroordeelt
asschyn tot betaling van:
− een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
− een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor
juridische
tweedelijnsbijstand
− een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
– de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 350,14 EUR
HERSTEL
De rechtbank stelt vast dat de herstelvordering zonder voorwerp is.
OP BURGERLIJK GEBIED
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 20 januari 2026 door de
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30DI:
-
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting, met bijstand van griffier
, rechter
.