ADB:rechtbank-eerste-aanleg-gent-20-01-2026-0
Beslissingsdetails
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2026-01-20
🌐 NL
Vonnis
Rechtsgebied
Ruimtelijke Ordening
Geciteerde wetgeving
Koninklijk Besluit van 28 december 1950; Wet van 17 april 1878; Wet van 1 augustus 1985; Wet van 5 maart 1952; wet van 19 maart 2017; wet van 15 juni 1935
Samenvatting
p. 1 Vonnisnummer / Griffienummer / Repertoriumnummer / Europees Datum van uitspraak 20 januari 2026 Naam van de beklaagde Systeemnummer parket 23CO51971 Rolnummer Notitienummer parket GE66.97.000828/2023 rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Kamer G30DI Vonnis Aangeboden op ...
Volledige tekst
p. 1
Vonnisnummer / Griffienummer
/
Repertoriumnummer / Europees
Datum van uitspraak
20 januari 2026
Naam van de beklaagde
Systeemnummer parket
23CO51971
Rolnummer
Notitienummer parket
GE66.97.000828/2023
rechtbank van eerste aanleg
Oost-Vlaanderen, afdeling
Gent
Kamer G30DI
Vonnis
Aangeboden op
Niet te registreren
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 2
In de zaak van het openbaar ministerie
en de EISER TOT HERSTEL :
GEMEENTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN
met kantoor te
eiser tot herstel, vertegenwoordigd door
stedenbouwkundige inspecteur
, gemeentelijke
tegen de BEKLAAGDE:
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
RRN
beklaagde, vertegenwoordigd door meester
loco meester
, advocaat te
, advocaat te
TENLASTELEGGINGEN
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
zonder
A optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning met
verzwarende omstandigheden
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van
vergunning,
onderhoudswerken, hetzij
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende
vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de
termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
(art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
stedenbouwkundige
voorafgaande
met de omstandigheid dat het in artikel 6.2.1. lid 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
vermelde misdrijf gepleegd werd door een instrumenterende ambtenaar, vastgoedmakelaar
of een andere persoon die in de uitoefening van zijn beroep of activiteit onroerende goederen
koopt, verkavelt, te koop of te huur zet, verkoopt of verhuurt, bouwt of vaste of verplaatsbare
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 3
inrichtingen ontwerpt en/of opstelt of een persoon die bij die verrichtingen als tussenpersoon
optreedt, bij de uitoefening van zijn beroep.
(art. 6.2.1. lid 2 en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)
te
in de periode van 9 januari 2020 tot en met 4 juni 2022
namelijk door een aanlegsteiger te hebben hebben geplaatst zonder te hebben voldaan aan
namelijk door:
de bijzondere voorwaarden van de omgevingsvergunning O
• de opritverharding in de voortuin groter te hebben uitgevoerd dan vergund: ca. 276m2
uitgevoerd ipv ca. 94m2 vergund
in
• de parkeerplaats voor de boottrailer
waterdoorlatend grind te hebben aangelegd i.p.v. in grasdallen of polyethyleen grastegels
• geen groendak te hebben aangelegd op het plat dak van de woning
• geen aanplant van 4 bomen te hebben gedaan
op een perceel gelegen te
linker zijstrook naast de woning
, kadastraal gekend als afdeling
in de
) is voor de geheelheid volle eigenaar van het huis te
Aangekocht bij akte d.d. 25/06/2015, notaris
Verkopers:
— oppervlakte 19a 82ca).
te
B functioneel samenbrengen van materialen tot constructie zonder of in strijd met een
geldige vergunning met verzwarende omstandigheden
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het functioneel samenbrengen van materialen waardoor een
constructie ontstaat, met uitzondering van onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande
stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor
stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden,
hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval,
vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval
van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
(art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, b), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
met de omstandigheid dat het in artikel 6.2.1. lid 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
vermelde misdrijf gepleegd werd door een instrumenterende ambtenaar, vastgoedmakelaar
of een andere persoon die in de uitoefening van zijn beroep of activiteit onroerende goederen
koopt, verkavelt, te koop of te huur zet, verkoopt of verhuurt, bouwt of vaste of verplaatsbare
inrichtingen ontwerpt en/of opstelt of een persoon die bij die verrichtingen als tussenpersoon
optreedt, bij de uitoefening van zijn beroep.
(art. 6.2.1. lid 2 en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)
te
in de periode van 9 januari 2020 tot en met 4 juni 2022
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 4
namelijk door 182m2 onvergunde verharding
op een perceel gelegen te
in de voortuin te hebben aangelegd
, kadastraal gekend als
5) is voor de geheelheid volle eigenaar van het huis te
Aangekocht bij akte d.d. 25/06/2015, notaris
Verkopers:
— oppervlakte 19a 82ca).
te
PROCEDURE
De dagvaarding werd op 16 juni 2025 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid te
. Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van de
tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven door de wetgeving
inzake hypotheken.
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
VOORAFGAANDELIJK
De rechtbank verbetert de dagvaarding zoals in het beschikkend gedeelte vermeld.
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
1. Overzicht van de feiten
1. Op 31 december 2015 werd bij
bouwen van een ééngezinswoning in
werd op 21 maart 2016 verleend onder voorwaarden.
een vergunningsaanvraag ingediend voor het
. Deze vergunning
Op 10 november 2017 werden wederrechtelijke handelingen vastgesteld, namelijk een
reliëfwijziging, het plaatsen van oeverversteviging en het plaatsen van twee staketsels voor de
aanleg van steigers. Op 8 mei 2019 werd vastgesteld dat er aanpassingswerken in uitvoering
waren. Het terrein werd grotendeels hersteld in zijn originele staat. De steiger werd nog niet
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 5
volledig verwijderd. De bouw van een nieuwe steiger werd aangevat.
Op 9 januari 2020 stelde de verbalisant ruimtelijke ordening vast dat de gevraagde
aanpassingen aan het reliëf werden uitgevoerd. De eerste steiger werd verwijderd maar er
werd zonder vergunning een nieuwe aanlegsteiger langs de
aangelegd. Beklaagde stelde
dat deze werd aangelegd met akkoord van
.
Beklaagde werd op 29
omgevingsvergunning aan te vragen voor de nieuwe steiger.
januari 2020 aangemaand om binnen de 60 dagen een
Op 7 april 2021 werd een vergunning aangevraagd voor een deels verzonken aanlegsteiger
met zitelementen en een tafel. Deze vergunning werd onder voorwaarden verleend op 17 juni
2021.
Op 3 juni 2022 stelde de verbalisant ruimtelijke ordening vast dat de steiger en zitbanken
werden aangelegd conform de vergunning. Er moesten wel nog vier bomen worden
aangeplant. De verharding in de voortuin was echter niet conform de vergunning. Beklaagde
werd aangemaand om de verharding aan te passen.
Op 8 september 2023 stelde de verbalisant ruimtelijke ordening vast dat er wederrechtelijke
handelingen werden uitgevoerd. De voorwaarden van de vergunningen van 21 maart 2016 en
van 17 juni 2021 werden niet nageleefd:
- De opritverharding in de voortuin was met een grotere oppervlakte uitgevoerd dan
vergund: ca. 276 m2 ipv 94 m2.
- De parkeerplaats voor de boot in de linker zijstrook naast de woning is in
waterdoorlatend grind aangelegd in plaats van in grasdallen of polyethyleen grastegels.
- Er werd geen groendak aangelegd op het plat dak van de woning.
- Er was geen aanplanting gebeurd van vier bomen.
Bij een plaatsbezoek op 8 september 2023 verklaarde beklaagde de verharding niet te zullen
reduceren en de vier bomen niet te zullen aanplanten. Op het plat dak zou hij zonnepanelen
leggen en dan later een deel van een groendak voorzien.
De gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur leidde met brief van 10 april 2024 een
herstelvordering in bij het parket. De GSI vordert:
- Wat de verharding betreft: het verwijderen van de verharding in de voortuinzone die
niet vergund werd op 21 maart 2016. De vrijgekomen ruimte aanleggen als onverharde
groenzone en deze niet gewoonlijk gebruiken om op te parkeren.
- Wat de parkeerplaats voor een boot in de linker zijtuin betreft: betalen van een
meerwaarde van 780 euro.
- Wat het groendak betreft: het inrichten van de platte daken als extensief groendak
zoals voorzien in de vergunning van 21 maart 2016.
Met betrekking tot de niet aangeplante bomen werd geen herstel gevorderd omdat dit
vorderingsrecht zou verjaard zijn.
De herstelvordering bekwam een positief advies van de Hoge Raad voor de
Handhavingsuitvoering.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 6
Beklaagde werd met brief van 23 januari 2024 uitgenodigd voor verhoor door de politie. Er
werd telefonisch afgesproken dat beklaagde later contact zou opnemen om een nieuwe datum
voor verhoor vast te leggen. Beklaagde nam geen contact op.
De politie sprak een voicemail in en stuurde nog vruchteloos een nieuwe uitnodiging voor
verhoor.
2. Bespreking van de schuldvraag
1. Beklaagde moet zich voor de rechtbank verantwoorden wegens het plaatsen van een aan-
legsteiger in strijd met de vergunning
in de periode van 9 januari 2020 tot
en met 4 juni 2022 en wegens het aanleggen van 182 m2 verharding in de voortuin zonder
vergunning eveneens in de periode van 9 januari 2020 tot en met 4 juni 2022.
Beklaagde moet zich bovendien verantwoorden voor de verzwarende omstandigheid dat hij
handelde als professional in vastgoed.
Ter zitting verzocht de rechtbank beklaagde om zich te verdedigen op een overwogen
verbetering van de tenlastelegging A. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging A niet
correct omschreven is omdat een aantal opgesomde geschonden voorwaarden opgenomen
zijn in de vergunning
van 21 maart 2016 voor het bouwen van een
eengezinswoning en niet in de vergunning
Uit het strafdossier, samengenomen met de herstelvordering en de formulering van de
tenlastelegging A in de dagvaarding blijkt voor de rechtbank duidelijk dat de door de rechtbank
overwogen verbetering van de tenlastelegging A een rechtzetting van een materiële vergissing
betreft en de rechtbank wel degelijk gevat is ook voor de vastgestelde handelingen in strijd
met de vergunning van 21 maart 2016. Beklaagde heeft zich ter zitting op deze overwogen
verbetering kunnen verdedigen.
De rechtbank zal de tenlastelegging A verbeteren zoals in het beschikkend gedeelte
opgenomen.
van 17 juni 2021.
2. Beklaagde betwistte
inhoudelijk niet dat de verschillende voorwaarden van de
vergunningen van 21 maart 2016 en 17 juni 2021 niet werden nageleefd en er verhardingen
werden aangelegd zonder vergunning.
Uit de vaststellingen ter plaatse blijkt dat beklaagde de opritverharding in de voortuin veel
groter uitvoerde dan vergund, een parkeerplaats voor een boot aanlegde in waterdoorlatend
grind in plaat van in grasdallen of polyethyleen grastegels, er geen groendak werd aangelegd
op het plat dak van de woning en er geen aanplanting gebeurde van vier bomen ondanks de
duidelijke voorwaarden in de verkregen vergunningen.
De schuld van beklaagde aan de tenlasteleggingen A (zoals verbeterd) en B staat vast.
Beklaagde betwist dat de verzwarende omstandigheid op hem van toepassing zou zijn. Hij zou
slechts bediende zijn. In het strafdossier bevindt er zich enkel een kopie van een pagina op
LinkedIn waaruit blijkt dat beklaagde
. Hoewel het
feit dat beklaagde slechts bediende zou zijn, niet uitsluit dat hij bij de uitoefening van zijn
beroep onroerende goederen zou kopen, verkopen, te koop of te huur zetten of dat hij vaste
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 7
of verplaatsbare inrichten zou ontwerpen of opstellen, heeft de rechtbank onvoldoende
informatie over het beroep van beklaagde om met zekerheid vast te stellen dat de
verzwarende omstandigheid op hem van toepassing is.
3. Straftoemeting
1. De rechtbank legt voor beklaagde overeenkomstig artikel 65, eerste lid Strafwetboek één
straf op voor de feiten van de tenlasteleggingen A (zoals verbeterd) en B samen.
Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de aard en de objectieve ernst van de
bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden, de eventuele strafverzwarende
factoren, de doelen van de straf zoals bepaald in artikel 7, §2 Strafwetboek en de
persoonlijkheid van beklaagde zoals die blijkt uit het strafrechtelijk verleden, gezinstoestand
en arbeidssituatie, voor zover de rechtbank die kent.
De straf heeft niet alleen een vergeldende functie, ze moet ook preventief werken: ze moet
beklaagde ertoe aanzetten in de toekomst geen misdrijven meer te plegen.
2. Beklaagde trok zich niets aan van de duidelijke vergunningen met voorwaarden die hij kreeg
en legde zijn perceel aan enkel rekening houdend met zijn eigen gemakken. Er werden op heel
wat momenten nieuwe wederrechtelijke handelingen vastgesteld, namelijk op 10 november
2017, 9 januari 2020, 3 juni 2022 en 8 september 2023. Beklaagde liet zich duidelijk niet
intimideren door opgestelde processen-verbaal of aanmaningen. Op heden kon nog steeds het
tijd genoeg gehad om een
herstel niet worden vastgesteld. Beklaagde heeft
regularisatieaanvraag te doen of zich te conformeren.
De straf moet van aard zijn dat zij ontmoedigt nog langer de wet te overtreden of aanzet tot
een afweging van pakkans en voordeel aan (tijdelijk) comfort.
Bovendien moet ook rekening worden gehouden met de maatschappelijke kost die door
beklaagde veroorzaakt wordt in de vorm van de noodzakelijke inzet van mensen en middelen
voor de handhaving. De inzet van inspectiediensten, politie en justitie betekent voor de
gemeenschap een grote kost.
3. Beklaagde is
jaar oud en werd reeds driemaal veroordeeld voor verkeersinbreuken en
werd éénmaal correctioneel veroordeeld voor opzettelijke slagen. De hierna bepaalde
geldboete is passend en noodzakelijk. Opdat beklaagde de ernst van de gepleegde misdrijven
zou vatten, moet de geldboete in beginsel effectief zijn en gelast de rechtbank geen uitstel van
de tenuitvoerlegging ervan.
HERSTEL
De rechtbank stelt vast dat er geen aanwijzing is dat het herstel reeds is bereikt waardoor de
herstelvordering nog actueel is. Beklaagde legt weliswaar foto’s neer van de aanleg van een
groendak, maar dit is voor de rechtbank niet voldoende als bewijs van herstel nu de rechtbank
niet kan nagaan of dit correct werd uitgevoerd en of alle platte daken als groendak werden
ingericht.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 8
De rechtbank is van oordeel dat de herstelvordering niet gesteund is op motieven die vreemd
zijn aan de goede ruimtelijke ordening of die uitgaan van een opvatting over de goede ruimte-
lijke ordening die kennelijk onredelijk is.
Voor wat betreft de bootparking blijkt dat het betalen van een meerwaarde volstaat als her-
stelmaatregel nu het misdrijf kennelijk verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening. De
meerwaarde werd correct bepaald op 806,40 euro. Beklaagde verklaarde zich ongeschikt ak-
koord met deze meerwaarde.
Beklaagde kan zich wel op een geldige wijze kwijten van de betaling van de voormelde meer-
waardesom door de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen (art. 6.3.1, §5, derde
lid VCRO).
Voor het overige kan de schade die door het bouwmisdrijf is berokkend aan de goede ruimte-
lijke ordening, slechts worden opgeheven door het uitvoeren van aanpassingswerken.
Nu beklaagde in het verleden talmde om tot het herstel over te gaan of een regularisatie aan
te vragen, wordt terecht de verbeurte van een dwangsom gevorderd bij niet naleving van het
bevel tot herstel. De hierna uitgesproken modaliteiten vormen een gepaste en noodzakelijke
aansporing van beklaagde om tot herstel over te gaan indien regularisatie niet mogelijk is.
Rekening houdend met de omvang van de uit te voeren herstelwerken, voorziet de rechtbank
in een hersteltermijn van 6 maanden.
De lange tijd sedert dewelke beklaagde al kon overgaan tot het herstel van de plaats in de
oorspronkelijke toestand en de ruime termijn welke hem hiertoe nog wordt verleend, brengt
mee dat er geen reden is om bij toepassing van artikel 1385bis, laatste alinea, Gerechtelijk
Wetboek nog een zekere termijn te bepalen.
De rechtbank machtigt de stedenbouwkundig inspecteur en de burgemeester om ambtshalve
in de uitvoering van het herstel te voorzien wanneer beklaagde dit niet zelf binnen de gestelde
termijn zouden doen (art. 6.3.4, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).
BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED
Omdat de door beklaagde gepleegde misdrijven mogelijk schade hebben veroorzaakt, houdt
de rechtbank de burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomstig artikel 4 van de Voor-
afgaande Titel wetboek van Strafvordering.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 9
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35 en 41 van de wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 - Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 194, 195 Wetboek van Strafvordering;
art. 1, 2, 3, 7, 38, 40, 41, 65, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen
aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven;
art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952;
art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
DE RECHTBANK:
op tegenspraak ten aanzien van
VOORAFGAANDELIJK
- De rechtbank verbetert de tenlastelegging A aan als volgt:
zonder
A optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning met
verzwarende omstandigheden
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van
onderhoudswerken, hetzij
vergunning,
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende
vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de
termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
(art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
stedenbouwkundige
voorafgaande
met de omstandigheid dat het in artikel 6.2.1. lid 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
vermelde misdrijf gepleegd werd door een instrumenterende ambtenaar, vastgoedmakelaar
of een andere persoon die in de uitoefening van zijn beroep of activiteit onroerende goederen
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 10
koopt, verkavelt, te koop of te huur zet, verkoopt of verhuurt, bouwt of vaste of verplaatsbare
inrichtingen ontwerpt en/of opstelt of een persoon die bij die verrichtingen als tussenpersoon
optreedt, bij de uitoefening van zijn beroep.
(art. 6.2.1. lid 2 en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)
te
in de periode van 9 januari 2020 tot en met 4 juni 2022
Namelijk door een eengezinswoning te bouwen in strijd met de vergunning
21 maart 2016, namelijk door:
van
- de opritverharding in de voortuin groter te hebben uitgevoerd dan vergund: ca
276m2 ipv ca. 94m2 vergund.
- geen groendak te hebben aangelegd op het plat dak van de woning.
en een aanlegsteiger te hebben geplaatst zonder te hebben voldaan aan de bijzondere voor-
waarden van de omgevingsvergunning
namelijk door:
- geen aanplant van 4 bomen te hebben gedaan.
op een perceel gelegen te
, kadastraal gekend als
) is voor de geheelheid volle eigenaar van het huis te
— oppervlakte 19a 82ca).
Aangekocht bij akte d.d. 25/06/2015, notaris
Verkopers:
te
.
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van
Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen A (zoals verbeterd) met uitzondering van de
verzwarende omstandigheid en B met uitzondering van de verzwarende omstandigheid
bewezen.
voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A (zoals
Veroordeelt
verbeterd) met uitzondering van de verzwarende omstandigheid en B met uitzondering van
de verzwarende omstandigheid:
tot een geldboete van 16.000,00 EUR, zijnde 2.000,00 EUR verhoogd met 70
opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 3 maanden.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 11
Veroordeelt
tot betaling van:
− een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
− een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor
juridische
tweedelijnsbijstand
− een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
– de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 350,14 EUR
HERSTEL
Beveelt aan
het herstel van het perceel gelegen te
als
, meer concreet:
op vordering van de gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur
, kadastraal gekend
- Het beperken van de verharding in de voortuinzone tot de verharding zoals aangeduid
op het plan dat integraal deel uitmaakt van de stedenbouwkundige vergunning van 21
maart 2016
;
- Het integraal verwijderen van de overige verharding in de voortuin, d.w.z. de verhar-
ding die werd aangelegd in strijd met de stedenbouwkundige vergunning van 21 maart
2016 (
, en vervolgens de vrijgekomen ruimte aanleggen als onverharde
groenzone die niet gewoonlijk mag gebruikt worden voor het parkeren van voertuigen,
wagens of aanhangwagens;
- Het aanleggen van de platte daken van de woning als extensief groendak met een buf-
fervolume van minimaal 35 liter/m2 conform de vergunning van 21 maart 2016.
Beveelt dat het herstel zoals hierboven bevolen gebeurt binnen een termijn van zes maanden
na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 100
euro per dag vertraging in geval van niet-uitvoering van dit vonnis binnen de gestelde termijn.
De rechtbank machtigt de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester
om ambtshalve in de uitvoering van het herstel te voorzien wanneer
van
beklaagde dit niet zelf binnen de gestelde termijn zou doen (art. 6.3.4, §1, Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening).
Verklaart de herstelvordering strekkende tot het betalen van een geldsom gelijk aan de
meerwaarde die het goed
, door het
bewezenverklaarde misdrijf met betrekking tot de bootparking in waterdoorlatend grind heeft
gekregen, gegrond.
in
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 12
op vordering van de gemeentelijke stedenbouwkundige
Veroordeelt beklaagde
inspecteur van de stad Gent tot het betalen van een meerwaardesom van 806,40 euro, op
rekening van
binnen een termijn van zes
maanden nadat dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, meer de wettelijk
verwijlinteresten vanaf het verstrijken van deze termijn van zes maanden.
Zegt voor recht dat beklaagde zich op een geldige wijze van deze meerwaardesom kan kwijten
door binnen zes maanden nadat dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, de plaats
(bootparking) te herstellen in de oorspronkelijke toestand.
OP BURGERLIJK GEBIED
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 20 januari 2026 door de
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30DI:
-
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting, met bijstand van griffier
, rechter
.