ADB:hof-van-beroep-gent-20-01-2026
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Beroep Gent
📅 2026-01-20
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
Woonbeleid
Geciteerde wetgeving
Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; wet van 15 juni 1935
Samenvatting
Uitgifte Uitgereikt aan Uitgereikt aan Uitgereikt aan op € BUR op € BUR op € BUR Repertorium nummer 2026/ lry) Datum van uitspraak 20januarl2026 Rol nummer [t:Î Niet aan te bieden aan de ontvanger Hof van beroep Gent Arrest veertiende bis kamer Hof van beroep Gent - · p. 2 2025/AR/997 - In de zaa...
Volledige tekst
Uitgifte
Uitgereikt aan
Uitgereikt aan
Uitgereikt aan
op
€
BUR
op
€
BUR
op
€
BUR
Repertorium nummer
2026/
lry)
Datum van uitspraak
20januarl2026
Rol nummer
[t:Î Niet aan te bieden aan de
ontvanger
Hof van beroep
Gent
Arrest
veertiende bis kamer
Hof van beroep Gent -
· p. 2
2025/AR/997 - In de zaak van:
, RRN
wonende te
appellant,
hebbende als raadsman mr.
advocaat te
tegen
DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMSE GEWEST. bevoegd voor en handelend namens
het Vlaamse Gewest, met kantoor te 1000 Brussel, Herman Teerlinckgebouw, Havenlaan 88
bus 22, destijds woonstkeuze doende op het kantoor van diens raadsman,
geïntimeerde,
hebbende als
raadsman mr.
advocaat
te
Wijst het hof het volgend arrest:
Het hof nam kennis van de op 18.02.2025 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste
aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, verleende beschikking (Inzake A.R.nr
,,
die niet werd betekend en waartegen appellant, met zijn op 27.05.2025 neergelegd
verzoekschrift, tijdig en regelmatig hoger beroep heeft ingesteld.
De neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. De partijen werden gehoord. Zij
verklaarden dat alle conclusies en stukken in het debat mogen blijven.
Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in
acht genomen.
1.
VOORGAAN DEN
1.1. Appellant is sinds 21.04.2016 de volle eigenaar van een pand gelegen te
. Het betreft een verouderde rijwoning, tevens de
ouderlijke woning van appellant, die hij bij huurovereenkomst d.d.01.10.2016
voor
verhuurde aan
450,00 EUR/maand.
en
Hof van beroep Gent •
-p. 3
--- ----··- -----------------------
Bij een onderzoek door de Wooninspecteur op 11.01.2017 werden ernstige gebreken
vastgesteld aan het gebouw (18 st rafpunten) en aan de woning (79 strafpunten),
waardoor de woning ongeschikt en onbewoonbaar werd bevonden. Tevens werd
bewon ing vastgesteld door de huurster van appellant, wat geïntimeerde aanmerkte
als een strafbaar feit.
Op 08.05.2017 werd de woning opgenomen
Inventaris van
ongeschikte en onbewoonbare woningen. De wooninspecteur maakte zijn
herstelvordering over aan het Openbaar Ministerie te Kortrijk op 06.12.2017.
in de Vlaamse
1.2.
Appellant werd op 26.08.2019 op verzoek van het Openbaar Ministerie gedagvaard
voor de 16de correctionele kamer van de rechtbank van eerste aanleg West
Vlaanderen, afdeling Kortrijk wegens het te huur stellen van een woning die niet
voldoet aan de vereisten van artikel 5, §1 van de Vlaamse Wooncode van 11.08.2013.
Geïntimeerde en de huurster
stelden zich burgerlijke partij.
1.3.
Appellant werd bij tegensprekelijk vonnis van de 16de correctionele kamer van de
rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk d.d.06.01.2020
veroordeeld tot een geldboete van 4.000,00 EUR. Op vordering van geïntimeerde
werd bij het vonnis aan appellant het bevel gegeven om de woning te herstellen in de
zin van de Vlaamse Wooncode, binnen de termiin van 12 maanden vanaf het
definitief worden van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 150,00
EUR per dag, met machtiging aan geïntimeerde en
om (a) ambtshalve
tot het volledige herstel (d.w.z. er mag geen enkel strafpunt meer zijn) over te gaan
op kosten van de veroordeelde, en (b) de kosten van herhuisvesting op hem te
verhalen, dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad wat het herstel betreft.
Tevens veroordeelde het vonnis appellant tot de betaling van een schadevergoeding
, de overige burgerl ijke belangen werden
aan de burgerlijke partij
ambtshalve aangehouden.
het
door
Appellant werd veroordeeld om de woning aan de
te
of
herstellen
aanpassingswerkzaamheden (dit is het herstel van alle gebreken), waardoor het pand
voldoet aan de minimale kwaliteitsvereisten, dit alles onder verbeurte van een
dwangsom van 150,00 EUR per dag vertraging in de nakoming van het bevel ten
voordele van de wooninspecteur.
verbeterings-
renovatie-,
uitvoeren
van
1.4.
Appellant stelde op 04.02.2020 hoger beroep in tegen dit vonnis d.d.06.01.2020,
voor wat betreft de schuld en de straf en de aan de burgerlijke partij toegekende
schadevergoeding. Het Openbaar Ministerie stelde op zijn beurt hoger beroep in op
06.02.2020.
Hof van beroep Gent -
- p. 4
1.5.
1.6.
Appellant kon naar eigen zeggen de opgelegde werken niet voltooien binnen de
verleende termijn, ingevolge zij n erbarmelijke financiële sit uatie, de gemeentelijke
leegstandheffingen, de sanitaire crisis en de omvang van de vereiste werken. Bij
notariële akte d.d.24.08.2020 heeft hij de woning verkocht aan zijn dochter,
, voor de prijs van 75.000,00 EUR. Zij vroeg op
mevrouw
18.05.2021 een omgevingsvergunning aan bij
, die op 09.08.2021 werd
toegekend, waarop zij de renovatiewerken voortzette.
Bij arrest d.d.21.05.2021 oordeelde het hof van beroep te Gent dat enkel de kosten
van de strafprocedure en strafvordering in eerste aanleg moeten herbegroot worden
en oordeelde op burgerlijk vlak dat appellant de burgerlijke partij
een
intresten en een
schadevergoeding van 750,00 EUR meer gerechtelijke
rechtsplegingsvergoeding van 750,00 EUR dient te betalen.
Bij gebreke melding van herstel door appellant, zoa ls voorzien in artikel 3.46 Vlaamse
Codex Wonen 2021, liet geïntimeerde het vonnis d.d.06.01.2020 en het arrest van
21.05.2021 betekenen aan appellant op 17.08.2021 met bevel tot betaling en bevel
tot herstel, teneinde vanaf die datum de dwangsommen te laten verbeuren.
Geïntimeerde liet achtereenvolgens op 08.02.2022, 19.07.2022, 06.01.2023 en
20.06.2023, herhaalde bevelen betekenen aan appellant met bevel tot betaling van
de inmiddels reeds verbeurde dwangsommen meer kosten. De gevorderde bedragen
in deze opeenvolgende betalingsbevelen bedroegen respectievelijk 26.814,49 EUR,
51.231,89 EUR, 77.043,19 EUR en 102.228,42 EUR.
1.7.
Na melding van herstel door appellant ging de wooninspecteur op 04.12.2023
opnieuw ter plaatse om over te gaan tot de controle van het door appellant gemelde
herstel. De wooninspecteur stelde daarop in het proces-verbaal van 11.12.2023 vast
dat de veroordeling tot herstel werd uitgevoerd.
De woning werd met beperkte terugwerkende kracht, ingaand op 29.11.2023,
geschrapt uit de Vlaamse inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen.
1.8. Op 12.12.2023 liet geïntimeerde een herhaald bevel tot betaling van alle intussen
verbeurde dwangsommen
tot en met
03.12.2023), meer de kosten, betekenen aan appellant, ter invordering van een
totaa l bedrag van 126.813,65 EUR (waarvan 124.950,00 EUR aan verbeurde
dwangsommen).
(voor de periode vanaf 18.08.2021
Op 04.06.2024 liet geïntimeerde opnieuw een herhaald bevel betekenen aan
appellant voor een bedrag van 127.107,55 EUR (waarvan 124.950,00 EUR aan
verbeurde dwangsommen).
Hof van beroep Gent -
- p. 5
1.9.
Bij exploot van 06.11.2024 stelde appellant verzet in tegen het bevel tot betalen met
bevel tot herstel d.d.17.08.2021, evenals tegen de herhaalde achtereenvolgende
bevelen d.d. 08.02.2022, 19.07.2022, 06.01.2023, 20.06.2023, 12.12.2023 en
04.06.2024.
Hij vroeg te zeggen voor recht:
- dat het bevolen herstel zonder oorzaak is geworden,
- dat de dwangsommen lastens hem opgelegd bij het vonnis d.d.06.01.2020 niet zijn
verbeurd,
- dat het bevel tot betalen met bevel tot herstel d.d. 17.08.2021 en de voornoemde
herhaalde bevelen opgeheven moeten worden;
- ondergesch ikt, dat de verdere tenuitvoerlegging voorlopig moet worden opgeschort
en de dwangsommen moeten worden gematigd
- dat geïntimeerde gehouden is tot betaling van alle kosten van het geding, met
inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
Op 04.12.2024 liet geïntimeerde opnieuw een herhaald bevel tot betalen betekenen
aan appellant, met bevel tot betaling van 128.287,5 EUR (waarvan 124.950,00 EUR
aan dwangsommen).
1.10. Bij de thans best reden beschikking d.d.18.02.2025 werd de exceptie van nietigheid
van geïntimeerde afgewezen en het verzet van appellant tegen de akte van
betekening-bevel d.d.17.08.2021 verworpen als ongegrond.
Ook het verzet van appellant tegen de herhaalde bevelen werd verworpen als
ongegrond, omdat er volgens de eerste rechter geen sprake is van rechtsmisbruik en
omdat de veroordeling tot herstel van het pand niet onmiddellijk werd uitgevoerd.
Appellant werd veroordeeld tot de kosten van het geding, nader begroot.
ll.
VOORWERP VAN HET GEDING IN HOGER BEROEP
2.1.
Appellant vraagt zijn hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, de
bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw wijzende:
- te zeggen voor recht dat het bevel tot betaling en het bevel tot herstel
d.d.17.09.2021 en de herhaalde bevelen d.d.08.02.2022, 19.07.2022, 06.01.2023,
20.06.2023,
van
, in vervanging van gerechtsdeurwaarder
gerechtsdeurwaarder
04.06.2024,
12.12.2023,
04.12.2024
31.05.2025
en
- ondergeschikt, de dwangsommen te verminderen tot wat conform een normale
uitoefening van het recht is, door appellant begroot op 12.495,00 EUR;
of gerechtsdeurwaarder
, nietig zijn;
Hof van beroep Gent -
- p. 6
- ge°l"ntimeerde te veroordelen tot betaling van alle kosten van het geding, met
inbegrip van een geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding voor elke aanleg.
2.2. Geïntimeerde vraagt het hof zich onbevoegd te verklaren, zoniet het hoger beroep
onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te
bevestigen.
Zij vraagt ook de veroordeling van appellant tot de gerechtskosten in hoger beroep,
aan de zijde van geïntimeerde begroot op de te indexeren rechtsplegingsvergoeding
van 1.883, 72 EUR.
111.
BEOORDELING
3.1. Het hof dient de gegrondheid te onderzoeken van de vordering van appellant om de
opeenvolgende bevelen tot betaling van verbeurde dwangsommen te horen nietig
verklaren, minstens om het bedrag van de gevorderde dwangsommen
te
verminderen tot een bedrag van 12.495,00 EUR, zijnde 10% van het gevorderde
bedrag.
3.2.
Appellant stelt dat de exceptio obscuri /ibelli die geïntimeerde opwerpt tegen zijn
eerste grief niet kan worden ingewilligd. De vordering van appellant is heel duidelijk
en niet obscuur. Zijn vordering is gericht op het teniet doen van de betalingsbevelen,
minstens de vermindering van de dwangsom.
Verder werpt hij op dat hij al lang geen eigenaar meer was van het pand, toen
liet betekenen, nu zijn dochter bij
geïntimeerde het vonnis d.d.17.08.2021
onderhandse overeenkomst d.d.03.06.2020 en definitief bij authentieke akte van
24.08.2020 het pand heeft overgekocht van appellant. Zij liet inmiddels werken
uitvoeren voor meer dan 200.000,00 EUR.
In het vonnis d.d.06.01.2020 staat dat alle gebreken moeten hersteld worden, maar
tegelijk dat het pand moet voldoen aan de minima le kwaliteitsvereisten, wat
impliceert dat slechts bepaalde gebreken moeten hersteld worden
Appellant beroept zich ook op overmacht. De werken aan het pand konden niet
plaats vinden door de coronacrisis enerzijds en de erbarmelijke financiële situatie van
appellant anderzijds, die het gevolg was van de slechte papieren waarin zijn
dierenfokkerij zat en zit. Hij betaalt al jaren allerlei schulden af en ook zijn partner
ondervindt financiële moeilijkheden.
De dochter van appellant liet intussen voor meer dan 200.000,00 EUR werken
uitvoeren.
Hof van beroep Gent ·
- p. 7
Een uitvoeringstermijn van twaalf maanden is absoluut geen realistische termijn voor
de ingrijpende werken. Het was voor appellant absoluut onmogelijk om aan de
hoofdveroordeling te voldoen, in de zin dat alle gebreken zouden moeten worden
opgelost binnen de twaalf maanden, zeker gelet op het feit dat tijdens het
toegekende jaar de coronacrisis nog woedde.
Ten slotte beroept appellant zich op rechtsmisbruik vanwege geïntimeerde die de
volledige dwangsom vordert. Dit rechtsmisbruik kan worden gesanctioneerd door het
herleiden van het misbruikte recht van geïntimeerde om de dwangsommen te
vorderen . Geïntimeerde weet zeer goed dat de vereiste verbouwingen moeilij k
realiseerbaar waren voor appellant in een termijn van twaalf maanden, zelfs zonder
tegenslagen.
Geïntimeerde had bovendien zelf de mogelijkheid om het herstel op zich te nemen,
maar legde de verantwoordelijkheid bij appellant omdat de overheidsmiddelen
beperkt zijn . Zij probeert door het opeisen van de volledige dwangsom veel geld te
verdienen die haar eigen kosten vele malen overschrijdt.
Appellant vraagt ondergeschikt de vermindering van de dwangsommen tot wat
redelijk, billijk en een normale uitoefening van het recht is, gelet op de financiële
omstandigheden van appellant en de admin istratieve lijdensweg die hij de voorbije
jaren heeft moeten ondergaan. Hij vraagt een vermindering van de dwangsommen
tot 12.495,00 EUR, hetzij 10% van de gevorderde verbeurde dwangsommen.
3.3. Geïntimeerde werpt vooreerst de "exceptio obscuri libelli" op tegen de eerste grief
van appellant, waarin hij verwijst naar vaststaande feiten, met name dat er
uiteindelijk herstel is vastgesteld en dat het pand als gevolg daarvan uit de Vlaamse
Inventaris voor Ongeschikte en/of Onbewoonbare woningen (VIVOO) geschrapt is.
Vervolgens stelt geïntimeerde dat appellant definitief is veroordeeld tot het herstel
omdat minstens een deel van de gebreken van het gebouw en de woning structureel
zij n en aan hem te wijten. De uitweidingen en verwijten van appellant over zijn
huurster zijn terzake niet relevant. Het opgelegde herstel bleef ook na het arrest in
hoger beroep, dat geen betrekking had op de herstelvordering, onverminderd van
kracht.
Wat appellant aanvoert als redenen voor de niet-tijdige uitvoering is niet pertinent,
evenmin dat hij het pand inmiddels aan zijn dochter verkocht.
Geïntimeerde heeft herhaalde bevelen tot herstel en betaling laten betekenen om de
verjaring te stuiten en dit gebeurde rechtmatig.
Hof van beroep Gent -
- p. 8
3.4.
Het hof is van oordeel dat het hoger beroep van appellant ontvankelij k is en verwerpt
de "exceptio obscuri libelli" die geïntimeerde opwerpt.
Uit de beroepsakte en -conclusies van appellant blijkt duidelijk op welke gronden hij
zich verzet tegen de invordering van de verbeurde dwangsommen. Dat appellant
verwijst naar het herstel, dat uiteindelijk werd vastgesteld op 04.12.2023, impliceert
inderdaad niet dat de gevorderde dwangsommen retroactief niet meer verschuldigd
zouden zijn .
Het hof dient na te gaan of appellant inderdaad de gevorderde dwangsommen heeft
verbeurd, wat noopt tot een onderzoek van de opgelegde herstelmaatregelen, de
uitvoeringstermijn die daarvoor werd gegeven en de vaststelling dat appellant deze
maatregelen heeft uitgevoerd, alsook wanneer dit is gebeurd.
3.5. De dwangsom kan enkel verbeuren wanneer de gewraakte handelwijze van appellant
klaarblijkelijk, d.w.z. zonder redelijke discussie, een inbreuk oplevert op de opgelegde
verplichting. Enkel in dat geval is er sprake van een inbreuk en wordt de dwangsom
verbeurd.
De veroordeling kan slechts ten uitvoer worden gelegd indien de titel de verbintenis
en haar uitvoeringsmodaliteiten nauwkeurig omschrijft. Iedere onduidelijkheid moet
worden uitgelegd ten gunste van de veroordeelde debiteur. De opeisbaarheid van de
dwangsom veronderstelt immers de niet-uitvoering van een hoofdveroordeling,
waarvan het essentieel is dat zij op volledige en precieze wijze wordt omschreven.
De veroordeling tot betaling van een dwangsom moet dus restrictief worden
geïnterpreteerd en de dwangsom kan enkel verbeuren, wanneer over de inbreuk op
de rechterlijke veroordeling geen enkele redelijke twijfel kan bestaan.
Als maatstaf van de toetsing van de ter uitvoering van het vonnis verrichte
handelingen, dient het hof het doel en de strekking van de veroordeling als
richtsnoer te nemen, met dien verstande dat de veroordeling geacht wordt niet
verder te strekken dan tot het bereiken van het beoogde doel.
3.6.
Het hof is van oordeel dat omtrent de precieze draagwijdte van het vonnis
dd.06.01.2020 geen discussie mogelijk is.
Bij dit vonnis werd aan appellant het bevel gegeven om de woning te herstellen in de
zin van de Vlaamse Wooncode, binnen de termijn van 12 maanden vanaf het
definitief worden van het vonnis. onder verbeurte van een dwangsom van 150,00
EUR per dag, met machtiging aan geïntimeerde en de stad Brugge om (a) ambtshalve
tot het volledige herstel (d.w.z. er mag geen enkel strafpunt meer zijn) over te gaan
op kosten van de veroordeelde, en (b) de kosten van herhuisvesting op hem te
verhalen.
Hof van beroep Gent·
- p. 9
Het vonnis is in kracht van gewijsde getreden op 05.02.2020. het herstel diende
bijgevolg te gebeuren tegen 05.02.2021, terwijl de dwangsommen konden verbeuren
na deze datum, doch pas na de voorafgaande betekening van het vonnis, die
plaatsvond op 17.08.2021.
(dit
Appellant diende over te gaan tot het uitvoeren van renovatie-, verbeterings- of
aanpassingswerkzaamheden
is het herstel van alle door geïntimeerde
vastgestelde gebreken die aan appellant werden medegedeeld), waardoor het pand
zou voldoen aan de minimale kwaliteitsvereisten van de Vlaamse Wooncode (thans
Vlaamse Codex Wonen), dit alles onde r verbeurte van een dwangsom van 150,00
EUR per dag vertraging in de nakoming van het bevel ten voordele van de
wooninspecteur.
Appellant wist bijgevolg zeer goed wat hij diende te doen. Hij werd veroordeeld t ot
het uitvoeren van herstelwerken opdat het pand conform, zijnde geschikt en
bewoonbaar zou zij n, in de zin van de Vlaamse Wooncode (thans Vlaamse Codex
Wonen 2021), die de woningkwaliteitsnormen bepaalt en handhaaft. Het vonnis is
geenszins dubbelzinnig of ambigu, zoals appellant ten onrechte voorhoudt.
Deze veroordeling moest uitgevoerd worden, onafhankelij k van het voortduren van
het eigendomsrecht van appellant m.b.t. de woning. Dat de woning inmiddels
onderhands werd overgedragen aan zijn dochter, is niet tegenwerpelijk aan
geïntimeerde en doet geen afbreuk aan de herstelplicht die appellant heeft op basis
van het veroordelende vonnis van 06.01.2020. Appellant blijft als veroordeelde
overtreder van de Vlaamse codex Wonen gehouden tot de uitvoering van het
opgelegde herstel.
Bij het opleggen van de dwangsom overwoog de correctionele recht bank dat het
bestuur er belang bij heeft dat de veroordeelden zélf de veroordeling tot het herstel
nakomen, gelet op de beperkte overheidsmiddelen, de zware procedure van
aanbesteding en de lange tijd nodig voor een ambtsha lve uitvoering. Ook de
gemeenschap heeft er baat bij dat dit ten spoedigste gebeurt en een dwangsom is
daartoe het meest efficiënte middel.
3.7.
Krachtens de specifiek in deze materie geldende wettelijke bepalingen - de Vlaamse
Wooncode, thans de Vlaamse Codex Wonen van 2021 - rust de bewijslast dat
uit voering is gegeven aan de opgelegde herstelmaatregelen (en dus dat de
dwangsommen niet zijn verbeurd) op appellant, in afwij king van het principe dat de
schuldeiser het bewijs moet leveren van de niet-nakoming van de hoofdveroordeling.
Overeenkomstig artikel 3.46 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 was appellant
als veroordeelde verplicht onmiddellijk, bij aangetekende brief of bij afgifte tegen
Hof van beroep Gent -
- p. 10
ontvangstbewijs, de wooninspecteur én het college van burgemeester en schepenen
op de hoogte te brengen, indien hij de opgelegde werken vrijwillig heeft uitgevoerd,
waarna de wooninspecteur, na controle ter plaatse, een proces-verbaal van
vaststelling zal opmaken. Behoudens bewijs van het tegendeel, geldt enkel het
proces-verbaa l van vaststelling als bewijs van herstel en van de datum ervan.
Appellant werd uitdrukkelijk op deze meldingsplicht conform artikel 3.46 van de
Vlaamse Codex Wonen gewezen in het exploot van beteken ing van het vonnis
d.d.17.08.2021, waa rbij hij er tegelijk attent op werd gemaakt dat hij - zodra hij de
opgelegde werken heeft uitgevoerd - de wooninspecteur (Vlaamse Woonlnspectie,
1000 Brussel, Havenlaan 88 bus 22) daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte dient
te stel len per aangetekend schrijven, waarna de effectieve uitvoering zal worden
gecontroleerd. Alleen zo zou hij overbodige kosten kunnen vermijden.
Uit de voorgelegde stukken blijkt dat het herstel pas werd vastgesteld op 04.12.2023.
3.8.
Appellant kan zich voor dit hof niet beroepen op een onmogel ij kheid om de
herstelwerken uit te voeren ingevolge de coronacrisis en zware financiële problemen.
Enkel de bevoegde rechter ten gronde, die de dwangsom heeft opgelegd, is bevoegd
om op grond van artikel 1385quinquies Ger.W. te oordelen of er sprake was van
gehele of gedeeltelijke, tijdelijke of definitieve onmogelijkheid om uitvoering te
geven aan de hoofdveroordeling.
De financieel moeilij ke toestand van appellant wordt niet bewezen en de heffingen
die appellant verschuldigd is wegens het uitblijven van herstel vormen geen
overmacht, want deze zijn te wijten aan zijn eigen nalatigheid, omdat hij een
ongeschi kt/ onbewoonbaar pand toch verhuurde en naliet dit te herstellen conform
de vereisten van de Vlaamse Wooncode, reden waarom hij veroordeeld werd .
Appellant werpt ook volstrekt ten onrechte op dat de termijn voor herstel te kort
was, nu blijkt dat hij hiervoor 12 maanden kreeg die zijn ingegaan op 05.02.2020 en
dat hij op 17.08.2021, toen het vonnis hem werd betekend, nog geen aanvang had
genomen met de herstelwerken en het herstel pas op 04.12.2023 werd vastgesteld.
Op grond van het voorgaande besluit het hof dat de bevelen tot betaling, rechtmatig
werden betekend om betaling te bekomen van dwangsommen die verbeurd werden
krachtens het vonnis van 06.01.2020. Pas na hercontrole op 04.12.2023 werd
vaststelling gedaan van het opgelegde herstel.
3.9.
Rest de vraag of er in deze sprake is van rechtsmisbru ik in hoofde van geïntimeerde.
In recente rechtspraak, ook deze van het Hof van Cassatie, wordt af en toe de
mogelijkheid aanvaard voor de beslagrecht er om te oordelen dat er sprake is van
rechtsmisbruik en na te gaan of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen
Hof van beroep Gent ·
-p. 11
.,, •• ·-~-- - ------ - -----------------
dwangsommen zijn verbeurd.
Doet zich het geval voor, dat verbeurte van dwangsommen niet de toets der
redelijkheid en billijkheid kan doorstaan, dan kan de veroordeelde zich op deze grond
bij de beslagrechter tegen de executie verzetten om te horen zeggen voor recht dat
de dwangsommen niet, of slechts ten belope van een verminderd bedrag, verbeurd
zijn.
Het Belgische Hof van Cassatie heeft de voorbije jaren in enkele arresten aanvaard
dat de beslagrechter een verbeurde dwangsom op grond van redelijkheid en
billijkheid kan verminderen, of zelfs niet invorderbaar verklaren (zie: Cass.19 oktober
2018, www.juportal.be ; Cass.19 december 2019,
. en
door de beslagrechter van rechtsmisbruik bij de invordering van dwangsommen';
; Cass. 7 september 2020,
Cass.22 januari 2021,
; Meirlaen M., 'Dwangsommen herleiden op grond van
rechtsmisbruik?" T/BR 2020, Afl.2, 1-13.).
De verhouding
tussen schuldeiser en schuldenaar wordt beheerst door de
redelijkheid en billijkheid en dit beginsel, dat fundamenteel is in ons recht, kan niet
door de Eenvormige Wet aan de kant worden geschoven (zie:
noot onder Beneluxhof 9 maart 1987,
Het hof is van oordeel dat de invordering van dwangsommen door geïntimeerde in
het licht van de concrete omstand igheden van de zaak geen rechtsmisbruik uitmaakt.
Geïntimeerde heeft haar recht om herstel te vorderen van appellant niet uitgeoefend
op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van dat recht
door een voorzichtig en bedachtzaam persoon. Appellant is reeds veroordeeld bij
vonnis van 06.01.2020, kreeg tijd tot begin februari 2021 om de vastgestelde
gebreken in de woning te herstellen maar op 17.08.2021 - toen het vonnis hem werd
betekend met bevel tot herstel - moest worden vastgesteld dat hij nog geen aanvang
had genomen met het opgelegde herstel.
Bovendien liet hij daarna nog ettelijke maanden verstrijken alvorens hij aan
geïntimeerde meldde dat het herstel was uitgevoerd, wat uiteindelijk pas kon worden
vastgesteld op 04.12.2021.
Dat geïntimeerde gemachtigd werd om eventueel de werken zelf uit te voeren houdt
geen verplichting in voor geïntimeerde om over te gaan tot ambtshalve herstel.
Geïntimeerde is dan ook op rechtmatige wijze overgegaan tot invordering van de
dwangsommen die appellant verbeurde en die zijn opgelopen tot een zeer hoog
Hof van beroep Gent •
-p.12
bedrag, wat uitsluitend te wijten is aan de eigen nalatigheid van appellant om zich
t ijdig te conformeren aan het opgelegde herstel.
De dwangsommen zijn volledig verbeurd zolang het herstel niet integraal was
uitgevoerd. Appellant kan zich niet beroepen op zijn eigen tekortkomingen om
vervolgens te vorderen dat slechts een klein deel van de dwangsommen rechtmatig
zou kunnen gevorderd worden.
Terecht stelt geïntimeerde dat appellant ten onrechte tracht de rollen om te keren,
te negeren, beginnende bij een ongeschikte en
door zijn verplichtingen
onbewoonbare woning die hij op strafbare wijze toch ter beschikking stelde en nu aan
geïntimeerde te verwijten dat zij niet is overgegaan tot ambtshalve herstel.
Op grond van het voorgaande besluit het hof tot de ongegrondheid van het hoger
beroep.
IV.
KOSTEN
Aangezien appellant in het ongelijk wordt gesteld, dient hij in te staan voor de kosten van het
geding, hierna nader begroot aan de zijde van geïntimeerde.
OM DEZE REDENEN
HET HOF
Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, maar wijst het af als ongegrond;
Bevestigt de bestreden beschikking in al haar onderdelen;
Veroordeelt appellant tot de kosten van het geding, aan de zijde van geïntimeerde begroot
op 1.883,72 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep;
Zegt voor recht dat appellant gehouden is tot betaling van het rolrecht In hoger beroep ten
belope van 400,00 EUR aan de inningsgemachtigde overheid van de Belgische Staat;
Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale
schuldvorderingen, van het verschuldigd zijn van het rolrecht in kennis te stellen conform
artikel 3 van het KB d.d. 28.01.2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der
registratie-, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffie van de
hoven en rechtbanken;
Hof van beroep Gent·
-p. 13
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent,
VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 20 januari 2026
Aanwezig:
:, kamervoorzitter
, griffier