ADB:hof-van-beroep-gent-24-02-2026
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Beroep Gent
📅 2026-02-24
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
Ruimtelijke Ordening
Woonbeleid
Geciteerde wetgeving
Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; wet van 15 juni 1935
Samenvatting
Uitgifte Uitgereikt aan Uitgereikt aan Uitgereikt aan op € BUR op ( BUR op € BUR Repertoriumnummer 2026/ -11 y.o Datum van uitspraak 24 februari 2026 Rolnummer l3:J Niet aan te bieden aan de ontvanger Hof van beroep Gent Arrest veertiende bis kamer Hof van beroep Gent - -p. 2 In de zaak van: ·, w...
Volledige tekst
Uitgifte
Uitgereikt aan
Uitgereikt aan
Uitgereikt aan
op
€
BUR
op
(
BUR
op
€
BUR
Repertoriumnummer
2026/
-11 y.o
Datum van uitspraak
24 februari 2026
Rolnummer
l3:J Niet aan te bieden aan de
ontvanger
Hof van beroep
Gent
Arrest
veertiende bis kamer
Hof van beroep Gent -
-p. 2
In de zaak van:
·,
wonende te
appellant,
hebbende als raadsman mr.
, advocaat
te
tegen:
WOONINSPECTEUR BIJ HET AGENTSCHAP WONEN NAMENS HET VLAAMS GEWEST, ON
0316.380.841, met kantoren te Koning Albert Il-laan 15 bus 253 - 1210 BRUSSEL,
woonstkeuze doende bij diens raadsman,
geïntimeerde,
hebbende als raadslieden: mr.
·, advocaat te
Wijst het hof het volgend arrest:
Het hof nam kennis van de op 24.06.2025 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste
aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, verleende beschikking (inzake A.R.nr
), die niet
werd betekend en waartegen appellant, met zijn op 08.08.2025 neergelegd verzoekschrift,
tijdig en regelmatig hoger beroep heeft ingesteld.
De neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. De partijen werden gehoord. Zij
verklaarden dat alle conclusies en stukken in het debat mogen blijven.
Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in
acht genomen.
1.
VOORGAAN DEN
1.1.
bij arrest van 06.11.2020 van het hof van
Appellant werd samen met de
1), bevestigd door het Hof van
beroep te Gent (lOde kamer, ARnr.
Cassatie, strafrechtelijk veroordeeld tot een geldboete/vervangende gevangenisstraf
en daarnaast - op vordering van geïntimeerde - tot het uitvoeren van het herstel van
een pand dat door hen ter beschikking werd gesteld zonder dat het pand voldeed aan
de minimale kwaliteitsvereisten. Het betreft een pand gelegen te
Hof van beroep Gent -
-p. 3
en kadastraal gekend als
eigendom van
Meer bepaald werden appellant en
veroordeeld tot:
"Herstel van het pand gelegen te
kadastraal gekend als
en dit binnen een termijn van 10 maanden nadat het arrest In kracht van
gewijsde is.
Het uitvoeren van renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden (dit is het herstel van
alle gebreken), waardoor het pand voldoet aan de minimale kwaliteitsvereisten van artikel 5
Vlaamse Wooncode, meer bepaald het wegwerken door middel van renovatie-, verbeterings- en
aanpassingswerken van de gebreken aan het gebouw en de daarin aangebrachte
woongelegenheden, zodat dit gebouw en de daarin aangebrachte woongelegenheden voldoen
aan de veifigheids-, gezondheids- en woonkwal/teitsvereisten zoals bedoeld in artikel 5 Vlaamse
Wooncode, opdat het aantal punten In het technisch verslag wordt teruggebracht op nul, en het
om te vormen tot een wettige bestemming overeenkomstig de Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening, dan wel over te gaan tot de sloop van het gebouw, tenzij deze verboden is.
Zegt dat op vordering van de wooninspecteur door elke beklaagde een dwangsom van 150 eur zal
worden verbeurd per dag vertraging in de nakoming van dit bevel te rekenen vanaf het verstrijken
van de termijn van tien maanden vanaf de dag waarop dit arrest In kracht van gewijsde zal zijn
getreden".
1.2. Het arrest trad in kracht van gewijsde op 11.05.2021, ingevolge de afwijzing van het
cassatieberoep van de veroordeelden, waarna geïntimeerde verschillende
opeenvolgende bevelen tot betaling liet betekenen op 28.07.2021, 05.09.2022,
06.12.2022 en vervolgens overging tot uitvoerend beslag op het onroerend goed op
09.01.2023, zonder dat appellant daartegen reageerde.
Bij beschikking d.d.21.03.2023 stelde de beslagrechter in de rechtbank van eerste
aanleg OostNlaanderen, afdeling Gent, op verzoek van geïntimeerde een notaris aan
met het oog op de verkoop van het beslagen onroerend goed, welke beschikking
werd betekend aan appellant op 04.04.2023.
stelden derdenverzet in tegen de aanstellingsbeschikking
Appellant er
op 21.04.2023 en ging daarnaast samen met
over tot dagvaarding van
geïntimeerde in opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom op grond
van artikel 1385quinquies op 15.05.2023 voor de 10de kamer van het hof van beroep
te Gent.
1.3. Op 12.09.2023 werd het onroerend goed in het kader van een gedwongen verkoop
op verzoek van geïntimeerde verkocht aar
Hof van beroep Gent -
-p. 4
In de verkoopakte, waarbij
en geïntimeerde zijn verschenen, staat vermeld
dat de nieuwe eigenaar zich ertoe verbindt om de opgelegde gerechtelijke
herstelmaatregelen uit te voeren.
Bij beschikking d.d.23.09.2023 van de beslagrechter werd het derdenverzet van
tegen de beschikking tot aanstelling van een notaris
appellant en van
afgewezen als ongegrond, terwijl hun vordering op grond van art.138Squinquies
Ger.W. door de 10de kamer van het hof van beroep te Gent bij arrest van 17.11.2023
(
werd afgewezen als onontvankelijk, omdat de
dagvaarding In toepassing van artikel 138Squinquies Ger.W. niet ook was betekend
aan het openbaar ministerie.
gingen vervolgens over tot een tweede dagvaarding in
Appellant en
toepassing van art.138Squinquies Ger.W. voor de !Ode kamer van het hof van beroep
te Gent dat bij arrest d.d.31.05.2024 ongegrond werd verklaard.
Het hof stelde vast dat appellant en
bij arrest van 06.11.2020 veroordeelde, nog niet hebben uitgevoerd.
het herstel waartoe het hof hen
Daarbij overwoog het hof hetgeen volgt:
"
Ze stellen in conclusies zelf dat ze de verschillende woonentiteiten hebben gesupprimeerd en het
pand hebben omgevormd tot een eengezinswoning, maar ook dat ze dat pand enkel "casco"
hebben afgewerkt. Een woning die casco Is afgewerkt Is wind- en waterdicht, maar verkeert
slechts in ruwbouwstaat, waarbij structurele en technische elementen, net als de volledige
aankleding, nog moeten worden uitgevoerd. Een woning In die toestand is helemaal niet
bewoonbaar. Ze voldoet in het geheel niet aan de woonkwallteltsvereisten zoals bedoeld in het
vroegere artikel 5 Vlaamse Wooncode en is evenmin conform, zoals nu voorgeschreven door
artikel 3.1 §1, Vlaamse Codex Wonen van 2021, van toepassing sinds 1 januari 2021.
Nochtans is de formulering van de herstelvordering in het arrest van 6 november 2020 duidelijk en
niet voor interpretatie vatbaar:
• moesten het pand een
wettige bestemming geven, overeenkomstig de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (don wel het
gebouw slopen) en de gebreke aan het gebouw en de daarin ondergebrachte woongelegenheden
wegwerken, zodat ze zouden voldoen aan de woonkwa/fteitsvereisten van de toenmalige Vlaamse
Wooncode. Ze kunnen daarom niet voorhouden te hebben gedwaald over de draagwijdte van die
veroordeling. Dit geldt des te meer nu de wooninspecteur hen er ook bij e-mail van 5 april 2022
uitdrukkelijk op heeft gewezen dat een casco-toestand niet als herstel kan aanvaard worden,
aangezien het pand in die toestand niet voldoet aan de toepasselijke woonkwalite /tsnormen. De
wooninspecteur voegde eraan toe dat het pand volledig moest zijn Ingericht en afgewerkt als
zelfstandige woning. Niettegenstaande de wooninspecteur hen hier al op 5 april 2022 op wees,
ondernamen ze ook daarna nog steeds niets om het pand verder af te werken en conform te
maken".
Het hof stelde vervolgens vast dat het pand intussen verkocht is, maar dit impliceert
om de
volgens het hof geen onmogelijkheid voor appellant en
Hof van beroep Gent -
-p. s
herstelvordering uit te voeren. Hun veroordeling bij arrest van 06.11.2020 vormt
precies de titel waarop ze zich voor de nieuwe eigenaar kunnen beroepen om hetzij
alsnog zelf het pand te herstellen, hetzij die nieuwe eigenaar ertoe aan te zetten dat
te doen.
1.4.
Een tweetal weken later, op 19.06.2024, schreef appellant via zijn raadsman de koper
aan per mail en op 21.06.2024 per aangetekend schrijven teneinde hem op
de hoogte te houden van de stand van zaken, nu hij had ontdekt dat er een
aanplakking aan de woning was waarop te lezen Is dat de nieuwe eigenaar een
omgevingsvergunning heeft bekomen op 22.11.2023.
De raadsman van appellant vroeg per kerende:
- de inhoud van de omgevingsaanvraag en de omgevingsvergunning te willen
meedelen;
- haar te willen berichten in hoever de werken in het desbetreffend pand zijn
gevorderd en in hoeverre de opgelegde herstelmaatregelen inmiddels uitgevoerd
en desgevallend wat de planning is van de nog uit te voeren werken.
De raadsman wees erop dat deze inlichtingen van uitermate groot belang zijn voor
haar cliënten aangezien er intussen dwangsommen tegen hen lopen en zijzelf
ingevolge de verkoop niet bij machte zijn om tussen de komen in de werken die
intussen aan de gang zijn.
1.5.
De vennootschap
ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, d.d.18.06.2024.
werd
failliet verklaard bij vonnis van de
Intussen had geïntimeerde vanaf 28.07.2021 opeenvolgende verjaringstuitende
bevelen betekend aan appellant en
, laatst op 18.02.2025 om betaling te
bekomen van de verbeurde dwangsommen meer kosten (op dat moment opgelopen
tot een totaa l bedrag van 264.660,88 EUR), aangezien appellant - niettegenstaande
de op 12.09.2023 tussengekomen verkoop van het onroerend goed - zelf gehouden
was en na de verkoop nog steeds bleef tot de herstelmaatregel waartoe hij bij het
arrest van 06.11.2020 was veroordeeld.
1.6.
Op 02.09.2024 ontdekte appellant dat de nieuwe eigenaar
de woning op
haar beurt online te koop aanbood, waaruit hij afleidde dat de woning ondertussen
effectief in overeenstemming was gebracht met de bepalingen van het arrest van het
hof van beroep te Gent d.d.06.11.2020, wat hij diezelfde dag meldde aan
geïntimeerde, met verzoek om tot hercontrole over te gaan.
Op 04.09.2024 liet geïntimeerde weten dat zij de herstelmelding in goede orde had
ontvangen en dat een hercontrole werd ingepland aangezien ook de nieuwe eigenaar
eveneens een verzoek tot hercontrole had gedaan. Daar voegde zij aan toe
Hof van beroep Gent -
- p. 6
• ~-~------ --------------------
dat - indien bij deze hercontrole zou blijken dat de veroordeling tot herstel intussen
werd uitgevoerd - er een afrekening zou worden aangeboden aan appellant,
"waarbij de dwangsom is opgenomen tot op de datum van melding van het herstel".
1.7. Op 17.12.2024 ontving appellant van geïntimeerde, via
tussenkomst van de
gerechtsdeurwaarder, een afrekening voor een bedrag van 150.114,41 EUR, waarin
wordt vastgesteld dat de dwangsom verbeurd was tot 07.11.2024 (datum van de
hercontrole).
Appellant ging hiermee niet akkoord, gelet op zijn eerdere melding d.d.02.09.2024 en
vroeg bij schrijven van 09.01.2025 aan de gerechtsdeurwaarder om deze vergissing
recht te zetten. Daarbij wees hij ook nog op enkele andere vergissingen in de
afrekening, meer bepaald:
-
-
-
onduidelijkheid m.b.t. de exacte kostprijs van het verjaringsstuitende bevel
van 20.08.2024;
onduidelijkheid m.b.t. de exacte berekening van het invorderingsereloon;
onduidelijkheid m.b.t. de eventuele splitsing van de kosten tussen appellant
en
die samen met appellant gehouden was tot herstel en
betaling van de verbeurde dwangsommen.
Hierop paste de gerechtsdeurwaarder het door appellant verschuldigde bedrag aan
naar 148.087,88 EUR. Op het bezwaar van appellant m.b.t. de verkeerde berekening
van de dwangsommen tot en met 07.11.2024 (i.p.v. tot en met 02.09.2024), wat
neerkwam op een verschil van 9.750,00 EUR
in het nadeel van appellant,
geïntimeerde niet in.
1.8. Geïntimeerde meldde via e-mail van de gerechtsdeurwaarder d.d.14.02.2025 dat er
op het ogenblik van de hercontrole nog niet voldaan was aan de herstelvordering,
maar pas op 08.11.2024 aangezien op het ogenblik van de hercontrole
d.d.07.11.2024 werd vastgesteld dat de herstelvordering nog niet werd uitgevoerd
omdat er niet werd voldaan aan de rookmeldersverplichting. Op 08.11.2024 mocht
geïntimeerde een mail ontvangen van de nieuwe eigenaar met een foto van de
rookmelder, zodat het herstel volgens geïntimeerde pas werd uitgevoerd op
08.11.2024 en de dwangsommen tot en met 07.11.2024 werden verbeurd.
Appellant vroeg daarop onmiddellijk via
raadsman bijkomende en
ondersteunende stukken, waarop de gerechtsdeurwaarder per e-mail het technisch
verslag overmaakte van de hercontrole d.d.07.11.2024.
zijn
Op 28.02.2025 liet appellant aan geïntimeerde weten dat hij niet akkoord ging met
het standpunt van geïntimeerde en dat hij verwachtte dat de dwangsom slechts
verbeurd zou zijn tot op datum van kennisgeving van het herstel, zijnde 02.09.2024.
Hof van beroep Gent ·
-p. 7
1.9.
Bij dagvaarding d.d.19.03.2025 stelde appellant op grond van artikel 1498 Ger.W.
verzet in tegen het verjaringsstuitend bevel en bevel tot betalen dat hem op
18.02.2025 werd betekend.
Hij vroeg te zeggen voor recht dat de dwangsommen opgehouden zijn met verbeuren
op 02.09.2024 en voor zover geïntimeerde nog uitvoerende handelingen zou hebben
gesteld, volgende op dit ten onrechte betekende betalingsbevel d.d.18.02.205, deze
op te heffen.
Appellant vorderde ook de veroordeling van geïntimeerde tot de gedingkosten, met
inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 1.412, 79 EUR.
Appellant voerde aan dat het betrokken onroerend goed werd verkocht aan
die ook de verbintenis op zich heeft genomen om de opge legde herstelmaatregel uit
te voeren bij de verkoopakte d.d.12.09.2023.
Intussen bleven evenwel de
dwangsommen enkel verder verbeuren ten aanzien van appellant en niet t .a.v. de
koper
Appellant stelde dat hij eerder op 02.09.2024 had gemeld dat de dwangsom slechts
tot en met die datum zou lopen, zodat er twee maanden teveel aan verbeurde
dwangsommen werd aangerekend voor een bedrag van 9.750,00 EUR.
Hij wees erop dat bij de hercontrole op 07.11.2024 niet werd gesproken over enige
afkeuring van de woning wegens het niet voorhanden zijn van een rookmelder. Er
werd enkel een opmerking opgenomen in het technisch verslag van de hercontrole
waaruit blijkt dat daags nadien een foto werd overgemaakt van de bewuste
reeds op 02.09.2024 voldaan aan de
rookmelder door de koper. Er was
herstelveroordeling zodat de dwangsom vanaf dat moment niet verder verbeurde.
De dwangsom liep volgens appellant slechts tot de datum van herstelmelding op
02.09.2024. Er werd tussen partijen overeengekomen dat de dwangsom zou
ophouden te lopen vanaf die datum wanneer navolgend blijkt dat de woning conform
was. Het conformiteitsattest werd niet geweigerd na hercontrole, wat betekent dat
de woning voldeed aan de bepalingen van het arrest van 06.11.2020 en dit reeds
vanaf 02.09.2024. De dwangsom voor de 65 dagen tussen 02.09.204 en 07.11.2024
ten belope van 9.750,00 EUR is niet verbeurd.
1.10. Bij de thans voor dit hof bestreden beschikking d.d.24.06.2025 heeft de eerste
rechter het verzet van appellant ontvankelijk verklaard, doch ongegrond. Appellant
werd veroordeeld tot de kosten van het geding aan de zijde van geïntimeerde.
De eerste rechter overwoog dat er na melding van het herstel door de nieuwe
eigenaar op 27.08.2024 en door appellant op 02.09.2024 door geïntimeerde aan
Hof van beroep Gent •
-p. 8
appellant werd medegedeeld dat er maar dwangsommen zouden worden
aangerekend tot de melding van herstel (02.09) indien effectief vastgesteld kon
worden dat er (volledig) herstel zou zijn. Bij de controle op 20.09.2024 op verzoek
van de nieuwe eigenaar werd echter vast gesteld dat er nog diverse gebreken zijn en
dat er dus nog geen herstel was, welk herstel pas op 08.11.2024 werd vastgesteld na
nieuwe contro le en voorlegging van een bewijs van rookmelder.
Volgens de eerste rechter bestond er in hoofde van de diensten van geïntimeerde
geen enkele verplichting om appellant (en/of zijn advocaat) op de hoogte te brengen
van de result aten van de controle die in september en in november 2024 werden
uitgevoerd. Appellant deed zelf een melding van herstel op 02.09.2024, nadat de
nieuwe eigenaar dit ook had gedaan op 27.08.2024 en geïntimeerde antwoordde
hierop op 04.09.2024.
De eerste rechter oordeelde dat appellant geen enkele hindernis in de weg st ond om
zich vervolgens, desnoods meerdere keren, te bevragen bij de ambtenaren van
geïntimeerde omtrent de resultaten van de cont role(s) die zij zouden uitvoeren ter
plaatse. Het akkoord van geïntimeerde in het schrijven d.d.04.09.2024 om de
dwangsommen na de melding van herstel op 02.09.2024 niet langer te laten
verbeuren was uitdrukkelijk verbonden aan de voorwaarde dat het herste l volledig
zou zijn uitgevoerd.
Appellant had er alle belang bij op te volgen dat het herstel volledig was uitgevoerd,
maar heeft dit niet gedaan en geïntimeerde is niet verantwoordelijk voor deze
nalatigheid.
Er is volgens de eerste rechter ook geen sprake van rechtsmisbruik.
11.
VOORWERP VAN HET GEDING IN HOGER BEROEP
2.1.
Appellant vraagt zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de
bestreden beschikking te vernietigen en dienvolgens:
• eerste middel: te zeggen voor recht dat het verjaringsstuitend bevel van
18.02.2025 onvoldoende precies is en te zeggen voor recht dat een bedrag
van 9.750,00 EUR niet verbeurd is;
tweede middel: te zeggen voor recht dat de dwangsommen opgehouden zijn
te verbeuren op 02.09.2024;
•
• derde middel: te zeggen voor recht dat er sprake is van manifeste schend ing
van beginselen van behoorlijk bestuur/minstens van manifest rechtsmisbruik
door geïntimeerde cfr.art.1.10 BW en het recht van geïntimeerde te matigen
tot haar normale
in uiterst ondergeschikte orde
geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van
rechtsuitoefening,
Hof van beroep Gent -
-p. 9
9.750,00 EUR, die gecompenseerd dient te worden met de nog openstaande
dwangsommen;
• geïntimeerde
te veroordelen
dagvaardingskosten
rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg ad 1.883,72 EUR
rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep ad 1.883,72 EUR.
tot alle gedingkosten, waaronder de
de
en de
rolrechten,
417,29
EUR,
van
de
2.2. Geïntimeerde vraagt de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond en de
bevestiging van de bestreden beschikking, met veroordeling van appellante tot de
kosten vaan het geding, waaronder de rechtspleglngsvergoeding in graad van beroep
ten belope van 1.883, 72 EUR.
111.
BEOORDELING
3.1.
Aanleiding tot het geschil is het bevel tot betalen dat geïntimeerde op 18.02 .2025 liet
betekenen aan appellant en aan de curator van de fa illiete
om betaling
te bekomen van de dwangsommen die zouden verbeurd zijn door appellant in de
periode van 13.03.2022 tot 07.11.2024 en door de failliete vennootschap in de
periode van 13.03.2022 tot 17.06.2024 (datum faillietverklaring) wegens niet
nakoming van de herstelmaatregel waartoe zij werden veroordeeld bij het arrest van
06.11.2020 van het hof van beroep te Gent (10de kamer).
Centraal staat de vraag of voldaan was aan de gerechtelijk opgelegde
herstelmaatregel op het t ijdstip van de herstelmelding en vraag om hercontrole door
appellant op 02.09 .2024 (= standpunt appellant), dan we l op datum van 08.11. 2024,
hetzij daags na de hercontrole d.d .07.11.2024 en na toezending van het bewijs van
aanwezigheid van een rookmelder.
Volgens appellant werd hierdoor een bedrag van 9.750,00 EUR
dwangsommen) aangerekend.
teveel (aan
3.2.
Als eerste middel werpt appellant op dat het betalingsbevel d.d.18.02.2025
onvoldoende precies is en dat een bedrag van 9.750,00 EUR niet verbeurd is. Het
bevel
tot betalen moet die elementen bevatten waaruit blijkt waarom de
dwangsomschuldeiser tot uitvoering overgaat en dus niet alleen de berekening van
de dwangsommen, maar ook de reden voor de verbeuring van de dwangsommen.
Het dwangsombevel moet beantwoorden aan de inhoudelijke voorschriften van een
ingebrekestelling, zijnde de eenzijdige rechtshandeling waarbij de schulde iser
duidelijk en ondubbelzinnig kennis geeft aan de schuldenaar van zijn wil om de
nakoming van diens verbintenis te eisen (art.5.231 lid 1 BW). De akte moet toelaten
de schuldenaar In staat stellen te vernemen wat hem wordt verweten en de
Hof van beroep Gent
,-.;.·-~,.,......, _________________________ _
-p.10
inbreuken die hij de schuldenaar verwijt zo precies mogelijk in het bevel vermelden
en becijferen, zodat hij vrijwillig kan uitvoeren.
Het dwangsombevel d.d.18.02.2025 voldeed niet aan deze vereiste en was niet
voldoende duidelijk: er werd enkel een opsomming gegeven van de verschillende
rechterlijke beslissingen, van de verschillende bevelen en beslagen en een
berekening van de verschuldigde bedragen, zonder dat melding wordt gemaakt van
de concrete inbreuken die aan appellant worden verweten.
Appellant wijst erop dat in het technisch verslag na de hercontrole die plaatsvond op
07.11.2024 nergens wordt gesproken over enige afkeuring van de woning wegens het
niet voorhanden zijn van één rookmelder. Louter en alleen werd er een opmerking
opgenomen in het verslag waaruit blijkt dat daags nadien een foto werd overgemaakt
van de bewuste rookmelder door de koper
Als tweede middel voert appellant aan dat er ee·n akkoord was tussen partijen over
de datum tot dewelke de dwangsom verbeurd zou zijn en het werd appellant
onmogelijk gemaakt het verder verbeuren van de dwangsommen te laten stoppen
voorbij 02.09.2024 (datum melding herstel) wegens het manifest tekortschieten door
geïntimeerde aan haar informatieplicht .
Appellant werd immers van het volledige verloop van de keuring door geïntimeerde
niet op de hoogte gebracht nu dit na de verkoop van de won ing werd afgehandeld
t ussen de nieuwe eigenaar en geïntimeerde. Het argument van de eerste rechter dat
er appellant niets in de weg stond om zich te bevragen bij de ambtenaren van de
geïntimeerde omtrent de resultaten van de controle die zij zou uitvoeren ter plaatse
wordt door appellant verworpen.
Als derde middel werpt appellant op dat er sprake is van een manifeste schending
van de beginselen van behoorlijk bestuur, minstens van manifest rechtsmisbruik door
geïntimeerde. Appellant werd door geïntimeerde nooit ingelicht over de controles
die zouden plaatsvinden, hoewel geïntimeerde de schijn had gewekt dat hij de
appellant verder zou informeren, zodat geïntimeerde niet heeft gehandeld als een
normale, voorzichtige en zorgvuldige administratie.
Geïntimeerde miskende aldus de beginselen van behoorlijk bestuur, door appellant
niet te informeren van de geplande en in het vooruitzicht gestelde controlebezoeken
die van belang waren voor de vaststelling of de dwangsommen verder waren
verbeurd .
Appellant vraagt daarom te zeggen voor recht dat de dwangsommen niet zijn
verbeurd in de periode tussen 02.09.2024 en 07.11.2024 zodat het betalingsbevel
moet worden verminderd met een bedrag van 9.750,00 EUR.
Hof van beroep Gent -
-p. 11
3.3. Geïntimeerde werpt op dat de bewijslast dat uitvoering werd gegeven aan de
herstelveroordeling ingevolge de toepasselijke bepali ngen bij appellant ligt en dat er
bij een controle d.d.20.09.2024 en bij hercontrole d.d.07.11.2024 telkens werd
vastgesteld dat het herstel nog niet volledig uitgevoerd was.
In het proces-verbaal van de controle die plaatsvond op 20.09.2024 werd vastgesteld
dat er nog diverse gebreken waren en dat het herstel nog niet werd uitgevoerd en
afgewerkt. Op 21.10.2024 meldde de nieuwe eigenaar
dat een nieuwe
hercontrole mogelijk was vanaf 04.11.2024, waarop deze plaatsvond op 07.11.2023
en daarbij bleek dat alles in orde was behalve één rookmelder wat op 08.11.2024 in
orde werd gebracht waarop geïntimeerde op 12.11.2024 een proces-verbaal van
uitvoering opstelde (met ingang van 08.11.2024).
Geïntimeerde wijst erop dat de facto de rechtmatigheid en regelmatigheid van het
betalingsbevel niet wordt betwist, maar wel de datum van uitvoering van het herstel
en dus de mogelijke correctie die op het bevel zou moeten worden gegeven.
Er is geen akkoord over de datum van uitvoering van het herstel.
Geïntimeerde meent dat het hof niet bevoegd is om hem te veroordelen tot betaling
van een schadevergoed ing van 9.750,00 EUR, vermits dit een vordering ten gronde is
en bijgevolg niet ontvankelijk en bovendien is het merkwaardig dat het gevorderde
bedrag precies overeenstemt met het bedrag van de dwangsommen die appellant
niet verbeurd wenst te zien.
Ten slotte is er ook geen sprake van enige schending van de beginselen van
behoorlijk bestuur, noch van rechtsmisbruik in hoofde van geïntimeerde, die het
recht had om over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen lastens
appellant.
3.4.
De dwangsom kan enkel verbeuren wanneer de gewraakte handelwijze van appellant
klaarblijkelij k, d.w.z. zonder redelijke discussie, een inbreuk oplevert op de opgelegde
verplichting. Enkel in dat geval is er sprake van een inbreuk en wordt de dwangsom
verbeurd.
De veroordeling kan slechts ten uitvoer worden gelegd indien de titel de verbintenis
en haar uitvoeringsmodaliteiten nauwkeurig omschrijft. Iedere onduidelijkheid moet
worden uitgelegd ten gunste van de veroordeelde debiteur. De opeisbaarheid van de
dwangsom veronderstelt immers de niet-uitvoering van een hoofdveroordeling,
waarvan het essentiee l is dat zij op volledige en precieze wijze wordt omschreven.
Hof van beroep Gent -
-p.12
De veroordeling tot betaling van een dwangsom moet dus restrictief worden
geïnterpreteerd en de dwangsom kan enkel verbeuren, wanneer over de inbreuk op
de rechterlijke veroordeling geen enkele redelijke twijfel kan bestaan. Als maatstaf
van de toetsing van de ter uitvoering van het vonnis verrichte handelingen, dient het
hof het doel en de strekking van de veroordeling als richtsnoer te nemen, met dien
verstande dat de veroordeling geacht wordt niet verder te strekken dan tot het
bereiken van het beoogde doel.
3.5.
Het hof is van oordeel dat het arrest d.d.06.11.2020 duidelijk aangeeft waartoe
appellant gehouden was. Appellant werd veroordeeld tot:
"Herstel van het pand gelegen te
, kadastraal gekend als
en dit binnen een termijn van 10 maanden nadat het arrest in
kracht van gewijsde is.
Het uitvoeren van renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerkzaamheden (dit is het
herstel van alle gebreken), waardoor het pand voldoet aan de minimale kwaliteitsvereisten
van artikel 5 Vlaamse Wooncode, meer bepaald het wegwerken door middel van renovatie-,
verbeterings- en' aanpassingswerken van de gebreken aan het gebouw en de daarin
aangebrachte woongelegenheden, zodat dit gebouw en de daarin aangebrachte
woongelegenheden voldoen aan de veiligheids-, gezondheids- en woonkwallteitsvereisten
zoals bedoeld in artikel 5 Vlaamse Wooncode, opdat het aantal punten in het technisch
verslag wordt teruggebracht op nul, en het om te vormen tot een wettige bestemming
overeenkomstig de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dan wel over te gaan tot de sloop
van het gebouw, tenzij deze verboden ls. 11
Na het verstrijken van de uitvoeringstermijn zou 150,00 EUR dwangsom verbeuren
per dag vertraging in de nakoming van dit bevel, te rekenen vanaf het verstrijken van
de termijn van tien maanden vanaf de dag waarop het arrest in kracht van gewijsde
zal zijn getreden.
3.6.
Ten onrechte stelt appellant dat het dwangbevel ter invordering van verbeurde
dwangsommen inhoudelijk zou moeten beantwoorden aan de vereisten voor een
ingebrekestelling en dus niet alleen de berekening van de dwangsommen, maar ook
in detail de redenen voor de verbeuring van de dwangsommen zou moeten bevatten.
Geïntimeerde is overgegaan tot invordering van de dwangsommen krachtens het
arrest van 06.11.2020, zijnde het arrest van het hof van beroep te Gent, lOde kamer,
waarbij appellant en
werden veroordeeld tot een duidelijk
omschreven herstelmaatregel, waarvan de draagwijdte door hem goed gekend was
na betekening van het arrest met de toevoeging dat bij niet nakoming van deze
veroordeling bin nen de daartoe verleende termijn, dwangsommen zouden verbeuren
van 150 EUR.
Hof van beroep Gent -
- p. 13
•• ,.__ --- ----- ---------------- ------
Appel lant wist bijgevolg zeer goed dat - mocht de veroordeling niet zijn nagekomen
binnen de verleende termijn - er dwangsommen zouden verbeuren.
Een verjarlngstuitend bevel tot betaling van de verbeurde dwangsommen dient aan
te duiden op welke uitvoerbare titel de invordering steunt (het arrest van
06.11.2020) en voor welke periode dwangsommen worden gevorderd.
Het volstaat dat de grondslag van de invordering duidelijk wordt aangegeven en de
periode waarop de gevorderde dwangsommen betrekking hebben. Appellant wist
wat van hem werd verwacht en diende door de melding van de uitvoering van de
herstelmaatregel geïntimeerde uit te nodigen om het herstel te komen vaststellen en
desgevallend de verbeurte van de dwangsommen te zien ophouden. Dat appellant de
·, niet meer
won ing, die op 12.09.2023 in casco-toestand werd verkocht aan
kon betreden, werd door de dwangsomrechter zelf niet beschouwd als een
onmogelijkheid voor zijn verpl ichting om de hoofdveroordeling uit te voeren.
3.7.
Appellant diende over te gaan tot het uitvoeren van renovat ie-, verbeterings- of
aanpassingswerkzaamheden
Is het herstel van alle door geïntimeerde
vastgestelde gebreken), waardoor het pand zou voldoen aan de minimale
kwa liteitsvereisten van de Vlaamse Wooncode (thans Vlaamse Codex Wonen), dit
al les onder verbeurte van een dwangsom va n 150,00 EUR per dag vertraging in de
nakoming van het bevel ten voordele van de woonlnspecteur.
(dit
Appellant wist bijgevolg zeer goed wat hij diende te doen. Hij werd veroordeeld tot
het uitvoeren van herstelwerken opdat het pand conform, zij nde geschikt en
bewoonbaar zou zijn, in de zin van de Vlaamse Wooncode (thans Vlaamse Codex
Wonen 2021), die de woningkwa liteitsnormen bepaalt en handhaaft.
Deze veroordeling moest uitgevoerd worden, onafhankelijk van het voortduren van
het eigendomsrecht van appellant m.b.t . de woning. Dat de woning inmiddels werd
verkocht aan
doet geen afbreuk aan de herstelplicht die appellant heeft
op basis van het veroordelende arrest van 06.11.2020.
Appellant bleef als veroordeelde overtreder van de Vlaamse codex Wonen gehouden
tot de uitvoering van het opgelegde herstel. De dwangsommen bleven verder lopen
ten aanzien van appellant zolang er geen volled ige uitvoering was gegeven aan de
hoofdveroordeling.
3.8. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de nieuwe eigenaar van het gebouw op
27.08.2024 meldlng deed van herstel en dat op 02.09.2024 ook appellant een
dergelijke melding heeft gedaan, wat werd bevestigd door geïntimeerde op
04.09.2024 met de mededeling dat er maar dwangsommen zouden worden
Hof van beroep Gent ·
-p.14
aangerekend tot de melding van herstel (02.09.2024} indien effectief kan vastgesteld
worden dat er (volledig) herstel zou zijn.
Bij een eerste controle op 20.09.2024 door de ambtenaren van geïntimeerde in
aanwezigheid van de nieuwe eigenaar werd vastgesteld dat er nog diverse gebreken
zijn en dat het opgelegde herstel niet uitgevoerd en afgewerkt is.
Op 21.10.2024 meldde de nieuwe eigenaar dat opnieuw een hercontrole mogelijk is
na 04.11.2024 en deze vond plaats op 07.11.2024 waarbij werd vastgesteld dat alles
in orde was behalve een rookmelder, wat op 08.11.2024 in orde werd gebracht.
Op 12.11.2024 werd een proces-verbaal van uitvoering opgesteld.
Uit dit alles blijkt dat geïntimeerde betaling kon vorderen van dwangsommen
verbeurd tot en met 07.11.2024, aangezien pas vanaf 08.11.2024 volledige uitvoering
werd gegeven aan de herstelveroordeling.
Het herstel vond niet plaats op 02.09.2024, zoals appellant beweert, vermits er na
controle op 20.09.2024 een proces-verbaa l van niet herstel werd opgesteld en
vervolgens pas na een volgende controle op 07.11.2024 bij proces-verbaal
d.d.12.11.2024 werd vastgesteld dat de veroordeling volledig werd uitgevoerd op
08.11.2024.
Appellant kan niet voorhouden dat de 'datum van het te koop aanbieden' van de
woning het moment van (melding van) herstel zou moeten zijn, vermits nadien is
gebleken dat er pas op 08.11.2024 volledige uitvoering werd gegeven aan de
hoofdveroordeling.
Het gebrek aan conformiteit tot 08.11.2024 Is te wijten aan appellant zelf die
vertrouwde op de snelheid van de koper om over te gaan tot herstel.
3.9. Het hof sluit zich aa n bij het oordeel van de eerste rechter dat er in hoofde van de
diensten van geïntimeerde geen verplichting bestond om appellant (en/of zijn
raadsman} op de hoogte te brengen van de resultaten van de controle die werd
uitgevoerd in september en in november. Appellant kon zich bevragen bij de
diensten van geïntimeerde en bij de nieuwe eigenaar omtrent de resultaten van de
controle(s} die zij ter plaatse bij de nieuwe eigenaar zou uitvoeren.
Appellant werd door geïntimeerde onmiddellijk na zijn herstelmelding d.d.02.09.2024
op 04.09.2024 verwittigd dat deze melding goed was ontvangen en dat er op dat
ogenblik zelfs al een hercontrole was ingep land omdat de koper inmiddels ook reeds
een verzoek tot hercontrole had gedaan. Geïntimeerde liet reeds op 24.06.2024 aan
Hof van beroep Gent-
-p. 15
appellant weten dat hij de nieuwe eigenaar zou aanschrijven met verzoek om hem op
de hoogte te brengen van de stand van zaken betreffende de renovatie van het pand.
Gelet op de voorwaarde die geïntimeerde had verbonden aan zijn akkoord om
dwangsommen niet verder te laten verbeuren na de melding van herstel - te weten
dat het herstel volledig zou zijn uitgevoerd - had appellant er alle belang bij om dit
nauwkeurig op te volgen na 04.09.2024, wat hij niet heeft gedaan.
Appellant wist trouwens ook dat hij - ondanks de verkoop van het pand in september
2023- ingevolge de herstelveroordeling bij arrest d.d.06.11.2020 gehouden bleef tot
nakoming van deze veroordeling zodat hij zich diende te informeren bij de nieuwe
eigenaar naar de stand van zaken en naar het tijdstip van de hercontrole.
Niets belette appellant om zich bij de nieuwe eigenaar
bevragen omtrent de resultaten van de controle die werd uitgevoerd.
en bij geïntimeerde te
Dat hij dit niet deed en dat bij de eerste hercontrole d.d.20.09.2024 duidelijk werd
dat de herstelveroordeling nog helemaal niet volledig was uitgevoerd en er nog
verschillende gebreken waren, had voor gevolg dat de dwangsommen lastens
appellant verder verbeurden en dit tot wanneer - uiteindelijk na een tweede
controle op 07.11.2024 en de melding met bewijs van de aanwezigheid van een
rookmelder op 08.11.2024- de uitvoering van de veroordeling kon worden
vastgesteld.
Er was derhalve niet voldaan aan de veroordeling tot en met 07.11.2024 zodat
geïntimeerde op
invordering van de
dwangsommen die tot deze datum verbeurd waren.
rechtmatige wijze kon overgaan
tot
3.10. Er is geen sprake van een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, noch
van rechtsmisbruik door geïntimeerde. het kwam appellant als veroordeelde toe,
conform de bepalingen van de Vlaamse Codex Wonen, om melding te doen van het
eventueel herstel en om zich te informeren bij de nieuwe eigenaar en deze
informatie eventueel van deze laatste af te dwingen.
Voor zover appellant meent dat de dwangsommen het gevolg zouden zijn van
traagheid in deze procedure, kan hij dit niet verwijten aan gel'ntimeerde die enkel
laat uitvoeren wegens niet nakoming van de
een dwangsomveroordeling
hoofdveroordellng. Appellant liet de tenuitvoerlegging van de herstelveroordeling
volledig over aan de koper/nieuwe eigenaar en toen bij deze op 20.09.2024 werd
vastgesteld dat er nog verschillende gebreken waren, kon na herstel van deze pas op
08.11.2024 de uitvoering van de veroordeling worden vastgesteld en hield pas dan de
verbeurte van de dwangsommen op .
Hof van beroep Gent -
-p.16
IV.
KOSTEN
Aangezien appellant in het ongelijk wordt gesteld dient hij in te staan voor de kosten van het
geding, aan de zijde van geïntimeerde begroot.
OM DEZE REDENEN
HET HOF
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, maar wijst het af als ongegrond;
Bevestigt de bestreden beschikking in al haar onderdelen;
Verwijst appellant in de kosten van het geding, aan de zijde van geïntimeerde begroot op
1.883,72 EUR rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep;
Zegt voor recht dat appellant gehouden is tot betaling van het rolrecht in hoger beroep ten
belope van 400,00 EUR aan de inningsgemachtigde overheid van de Belgische Staat;
Gelast de griffier om de bevoegde ontvanger van de administratie van de Federale
Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale
schuldvorderingen, van het verschuldigd zijn van het rolrecht in kennis te stellen conform
artikel 3 van het KB d.d. 28.01.2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der
registratie-, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffie van de
hoven en rechtban ken;
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent,
VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 24 februari 2026
Aanwezig:
, kamervoorzitter
, griffier