ADB:raad-van-state-brussel-16-01-2026-0
Beslissingsdetails
🏛️ Raad van State Brussel
📅 2026-01-16
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
Woonbeleid
Samenvatting
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK In zake : Xe KAMER A R R E S T nr. in de zaak van 16 januari 2026 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaat...
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
In zake :
Xe KAMER
A R R E S T
nr.
in de zaak
van 16 januari 2026
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1.
Het beroep,
ingesteld op 11
juli 2024, strekt
tot de
nietigverklaring van artikel 2, § 2, van het besluit van de burgemeester van
van 23 mei 2024 ‘tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring op basis van
artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet van een woongelegenheid gelegen
.
II. Verloop van de rechtspleging
2.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend
en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur
heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 14 november 2025.
Staatsraad
heeft verslag uitgebracht.
Advocaat
, die loco advocaat
verschijnt
voor verzoeker, en advocaat
, die verschijnt voor de verwerende
partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur
heeft een met dit arrest
andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1.
Verzoeker is eigenaar van een woning gelegen aan
te
3.2.
Op 23 mei 2024 neemt de burgemeester van
het
volgende besluit:
“Aanleiding en context
Op 16/05/2024 werd door de wooninspecteur een onderzoek uitgevoerd in
het pand met adres
Tijdens dit onderzoek werd vastgesteld dat er in het pand zodanige
gebreken zijn dat dit mogelijks een ernstig gevaar voor de openbare
veiligheid en/of gezondheid oplevert. Er werden ernstige gebreken
vastgesteld bij dit onderzoek.
De Politie is op donderdag 16 mei 2024 ook ter plaatse geweest. Op hun
advies hebben de bewoners van
de woning moeten verlaten.
.
De nodige diensten van het stad en Sociaal Huis werden verwittigd om
opvang te voorzien voor de bewoners.
Door het Sociaal Huis werden de 6 bewoners geherhuisvest naar een
tijdelijke opvang.
Juridische grond
Dit besluit is gebaseerd op of sluit aan bij de volgende regelgeving:
• Artikel 133 en 135 §2 van de Nieuwe Gemeentewet
• De Vlaamse Codex Wonen van 2021, in het bijzonder Boek 3,
Deel 5 en Boek 5, Deel 6, zoals laatst gewijzigd;
• Het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, in het bijzonder
Boek 3, Deel 6 en Boek 5, Deel 2, zoals laatst gewijzigd;
• Het Ministerieel Besluit van 7 december 2020 tot vaststelling van
de modellen van conformiteitsattesten voor zelfstandige woningen,
kamerwoningen, en kamerwoningen bestemd voor de huisvesting
van seizoenarbeiders en tot het bepalen van de wijze waarop het
agentschap Wonen in Vlaanderen kennis krijgt van de afgifte van
een conformiteitsattest of het nemen van een besluit
ongeschiktheid, onbewoonbaarheid of overbewoning.
Argumentatie
Uit het verslag van de Wooninspectie blijkt dat het pand,
volgende gebreken vertoont die een acuut gevaar met zich meebrengen:
• Er is stabiliteitsgevaar aan de draagvloer van de zolder boven de
ruimte met de verwarmingsketel type B. De draagbalken zijn ernstig
aangetast door vocht.
• Er is geen verwarming op de kamers, de verwarmingsketel type B
werkt niet op het moment van het onderzoek waardoor de radiatoren
niet werken.
• Er zijn klasse I toestellen die aangesloten worden op stopcontacten
zonder aarding. Soms ook door middel van in serie geplaatste
stekkerblokken. Er is hierdoor een verhoogd risico op brandgevaar.
en in de leefruimte zijn slecht
aangesloten en zonder rechtstreekse en permanente toevoer van
verse verbrandingslucht. Er is een verhoogd risico op CO-
vergiftiging.
• De kachels type B in kamer
• Het regent op verschillende plaatsen binnen in de woning wat op
diverse plaatsen zorgt voor ernstig tot zeer ernstige vochtschade en
condenserend vocht met schimmelvorming.
• Er is een verhoogd risico voor de gezondheid van de bewoners.
• De kelder staat +-20 cm onder water. Hier is er een verhoogd risico
op elektrocutie.
• Er is een verwarmingsketel type B zonder rechtstreekse en
permanente toevoer van verse verbrandingslucht en de schouw is
ernstig aangetast door vocht. Hierdoor is er een verhoogd risico op
CO-vergiftiging.
• Er zijn 3 open zekeringskasten in de ruimte met verwarmingsketel
type B in samenhang met een vloer dat vol lag met water en mazout.
Er is een verhoogd risico op elektrocutie en brandgevaar.
• De muren in de ruimte met verwarmingsketel type B is door en door
nat doordat het in de ruimte binnen regent en contact komt met een
open stopcontact op 1 van de muren. Er is een verhoogd risico op
elektrocutie en kortsluiting/brandgevaar
Gelet op het acute gevaar en de hoogdringendheid is er geen mogelijkheid
om de eigenaar en bewoners van het pand schriftelijk uit [t]e nodigen voor
een hoorzitting en de hoorzitting te organiseren.
De 6 bewoners werden dezelfde dag nog door de Politie geadviseerd om
het pand te verlaten.
Het Sociaal Huis heeft de bewoners begeleid[…] bij de herhuisvesting.
Regelgeving: bevoegdheid (bijzonder)
Vlaamse Codex Wonen, Boek 3 Woningkwaliteitsbewaking, artikel 3.1
t.e.m. 3.55
Uitvoeringsbesluit
Woningkwaliteitsbewaking, artikel 3.1 t.e.m. 3.47
Besluit
Artikel 1
De burgemeester beslist dat de woongelegenheid gelegen
ongeschikt en onbewoonbaar wordt verklaard.
Artikel 2
§1 De bewoning moet onmiddellijk stopgezet worden.
§2 De volgende herhuisvestingskosten worden verhaald op de eigenaar:
Codex Wonen,
Vlaamse
Boek
3
1. de kosten om de woning te ontruimen;
2. de kosten voor het vervoer en de opslag van het meubilair en de
goederen van de bewoners
3. de installatiekosten met betrekking tot de nieuw te betrekken
woning;
4. het verschil tussen de kosten per maand van de woning, vermeld in
punt 3, of van het verblijf in een daartoe uitgeruste voorziening, en
20% van het maandelijks beschikbare inkomen van de bewoner.
Artikel 3
[…]”
Het beroep tot nietigverklaring is (enkel) gericht tegen het
voormelde besluit, voor zover daarbij
in artikel 2, § 2, bepaalde
herhuisvestingskosten op de eigenaar worden verhaald.
3.3.
Op 5 juni 2024 wordt het bestreden besluit per aangetekende
brief aan verzoeker overgemaakt.
3.4.
van
Een afzonderlijk besluit ‘herhuisvesting’ van de burgemeester
, eveneens van 23 mei 2024, bepaalt:
“Artikel 1
De burgemeester beslist dat de zes bewoners van de woning gelegen te
[…] moeten worden geherhuisvest.
Artikel 2
De herhuisvestingsmaatregelen worden genomen in opdracht van de
burgemeester, in samenwerking met het Sociaal Huis.
Artikel 3
De volgende kosten van herhuisvesting kunnen worden verhaald op de
zakelijk gerechtigde die de woning ter beschikking heeft gesteld:
– De kosten om de woning te ontruimen;
– De kosten voor het vervoer en de opslag van het meubilair en de goederen
van de bewoners;
– De installatiekosten met betrekking tot de nieuw te betrekken woning;
– Het verschil tussen de kosten per maand van de woning, vermeld in het
vorige punt, of van het verblijf in een daartoe uitgeruste voorziening, en
20% van het maandelijks beschikbaar inkomen van de bewoner. Dit
verschil kan verhaald worden voor een periode van maximaal een jaar.
Alle kosten die niet via artikel 17 bis van de Vlaamse Wooncode [thans de
artikelen 3.32 en 3.33] kunnen worden teruggevorderd van de eigenaar of
houder van het zakelijk recht, worden via artikel 1382 van het burgerlijk
wetboek gerecupereerd.”
Tegen dit besluit wordt geen annulatieberoep ingediend.
IV. Onderzoek van het middel
Samenvatting van het middel
4.
middel:
Het auditoraatsverslag bevat de volgende samenvatting van het
“Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij
bevoegdheidsoverschrijding aanvoert, alsook meent dat de bestreden
beslissing het recht op een eerlijk proces en het recht op tegenspraak
schendt, evenals artikel 135, §2, van de Nieuwe Gemeentewet en artikel
3.33 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Zoals de verwerende partij aangeeft, kunnen in de uiteenzetting van het
middel drie middelonderdelen worden onderscheiden.
Een eerste middelonderdeel houdt verband met de aangevoerde
bevoegdheidsoverschrijding. Artikel 135, §2, Nieuwe Gemeentewet kent
aan de verwerende partij niet de bevoegdheid toe om aan verzoeker, louter
omwille van [diens] hoedanigheid van eigenaar, éénzijdig kosten ten laste
te leggen die verband houden met de tenuitvoerlegging van een beslissing
tot ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring.
Daarenboven voorziet artikel 3.33 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021
enkel in de mogelijkheid om herhuisvestingskosten te verhalen na
rechterlijk debat en na een machtiging daartoe.
In een tweede middelonderdeel wordt aangevoerd dat minstens had moeten
worden bepaald dat de herhuisvestingskosten hoogstens kunnen worden
teruggevorderd gedurende een periode van maximaal een jaar.
In een derde middelonderdeel wordt betoogd dat met het bestreden besluit
aan verzoeker eenzijdig herhuisvestingskosten worden opgelegd zonder
recht op verzet, zonder mogelijkheid van proces of hoorrecht, en zonder
een beroep te kunnen doen op een rechter om het één en ander te kunnen
aftoetsen.
De ontstentenis van het hoorrecht wordt verantwoord door de aanwezigheid
van ‘urgentie’, maar die is volgens de verzoekende partij niet aanwezig
voor wat de verhaalbaarheid van herhuisvestingskosten betreft.”
Beoordeling
5.
De artikelen 3.32 en 3.33 van de Vlaamse Codex Wonen van
2021 luiden als volgt:
“Artikel 3.32
Als de bewoners van een onbewoonbare of overbewoonde woning […],
is wegens
geherhuisvest moeten worden omdat dit noodzakelijk
mensonwaardige
levensomstandigheden ernstige risico’s voor hun
veiligheid en gezondheid en de bepalingen van artikel 3.30, § 2, niet
toegepast kunnen worden, neemt de burgemeester de nodige maatregelen
voor de bewoners die voldoen aan de voorwaarden die de Vlaamse
Regering vaststelt. Hij kan daarbij onder meer de gemeentelijke
huisvestingsmogelijkheden benutten of een beroep doen op de
medewerking van het OCMW of van de sociale woonorganisaties, waarvan
het werkingsgebied zich uitstrekt tot het grondgebied van de gemeente.
[…]
Artikel 3.33
Als de burgemeester overgaat tot herhuisvesting van de bewoners van een
onbewoonbare of overbewoonde woning […], kan de gemeente onder meer
de volgende kosten terugvorderen van de verhuurder […]:
1° de kosten om de woning te ontruimen;
2° de kosten voor het vervoer en de opslag van het meubilair en de goederen
van de bewoners;
3° de installatiekosten met betrekking tot de nieuw te betrekken woning;
4° het verschil tussen de kosten per maand van de woning, vermeld in
punt 3°, of van het verblijf in een daartoe uitgeruste voorziening, en 20%
van het maandelijkse beschikbare inkomen van de bewoner.
Het verschil, vermeld in het eerste lid, 4°, kan teruggevorderd worden voor
een periode van maximaal een jaar.
[…]”
6.
De
bestreden
beslissing
om
de
nader
bepaalde
herhuisvestingkosten te verhalen op de eigenaar (artikel 2, § 2) maakt gebruik van
de mogelijkheid, vervat in het voormelde artikel 3.33, om bepaalde kosten die met
de beslissing tot herhuisvesting gepaard gaan, terug te vorderen van de verhuurder.
In de mate dat het middel voorhoudt dat de verwerende partij
niet de bevoegdheid heeft om te beslissen om de nader bepaalde kosten van
herhuisvesting bij verzoeker terug te vorderen, kan het niet worden aangenomen.
Een dergelijke beslissing belet bovendien geenszins dat het
verzoeker vrij staat om, naar aanleiding van de terugvordering, bij de bevoegde
rechter de gegrondheid van die terugvordering te betwisten en ter zake al zijn
middelen te laten gelden.
7.
Verzoeker betwist niet dat de vastgestelde gebreken blijk gaven
van een acuut gevaar en een dringende interventie konden verantwoorden. Voorts
belet de bestreden beslissing niet om in het kader van de procedure tot
terugvordering verweer te voeren. Verzoeker overtuigt er gezien het voorgaande
niet van dat de hoorplicht te dezen werd miskend.
8.
Artikel 3.33, eerste lid, 4°, van de Vlaamse Codex Wonen
bepaalt uitdrukkelijk dat het nader bepaalde verschil in de kosten per maand van
het nieuwe verblijf slechts “kan teruggevorderd worden voor een periode van
maximaal een jaar”.
Het gaat om een beperking die rechtstreeks uit het decreet
voortvloeit, ongeacht of zulks uitdrukkelijk wordt vermeld in de beslissing om tot
terugvordering over te gaan. Een beslissing is dan ook niet onwettig om de enkele
reden dat die beperking niet uitdrukkelijk in de beslissing is opgenomen. Overigens
blijkt uit de in randnummer 3.4 vermelde beslissing dat de verwerende partij zich
er wel degelijk bewust van was dat het kostenverschil slechts kan worden verhaald
voor een periode van maximaal een jaar.
9.
Het besluit is dat het middel ongegrond is.
10.
Daar het enige middel niet kan worden aangenomen, dient het
beroep hoe dan ook te worden verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring,
begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een
rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende
partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien januari tweeduizend zesentwintig,
door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
,
kamervoorzitter,
,
,
,
staatsraad,
staatsraad,
griffier.
bijgestaan door
De griffier
De voorzitter