ADB:raad-van-state-brussel-23-01-2026
Beslissingsdetails
🏛️ Raad van State Brussel
📅 2026-01-23
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
Ruimtelijke Ordening
Woonbeleid
Geciteerde wetgeving
wet van 29 juli 1991
Samenvatting
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER A R R E S T nr. in de zaak van 23 januari 2026 In zake : . . rechtsgeding hervat door: 1. 2. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat kantoor houdend te bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : vertegenwoordigd door: de GEMEENTE 1. het col...
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
A R R E S T
nr.
in de zaak
van 23 januari 2026
In zake :
.
.
rechtsgeding hervat door:
1.
2.
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
vertegenwoordigd door:
de GEMEENTE
1. het college van burgemeester en schepenen
2. de burgemeester
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat
kantoor houdend te
bij wie woonplaats wordt gekozen
--------------------------------------------------------------------------------------------------
I. Voorwerp van het beroep
1.
Het beroep, ingesteld op 18 maart 2024, strekt tot de
nietigverklaring van “het besluit dd. 18 september 2023 tot afwijzing van het
verzoek tot opheffing van het besluit dd. 13 juni 2019 van de burgemeester van de
tot ongeschiktheid van de vakantiewoning gelegen te
II. Verloop van de rechtspleging
2.
Uit het attest van erfopvolging blijkt dat verzoekster op
is overleden.
Het verzoek tot gedinghervatting werd op 5 augustus 2024
ingesteld door
. en
.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend
en de gedinghervattende partijen hebben een memorie van wederantwoord
ingediend.
Eerste auditeur
heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De gedinghervattende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 5 december 2025.
Staatsraad
heeft verslag uitgebracht.
Advocaat
, die loco advocaat
verschijnt voor de gedinghervattende partijen, en advocaat
die loco
advocaat
verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur
heeft een met dit arrest
eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1.
Verzoekster is eigenaar van een pand gelegen aan
.
3.2.
Op 13 juni 2019 wordt deze woning door de burgemeester van
ongeschikt verklaard.
Het bestuurlijk beroep
tegen die beslissing werd op
6 december 2019 verworpen door de Vlaamse minister bevoegd voor Wonen.
3.3.
Op 5 september 2023 dient de advocaat van verzoekster een
verzoek tot opheffing van de ongeschiktverklaring in:
“Op moment van de ongeschiktheidsverklaring was het goed verhuurd als
tweede verblijf. Dit was duidelijk gestipuleerd in de overeenkomst.
De huurder kon zijn hoofdverblijfplaats niet wijzigen naar het adres van het
goed en het goed niet permanent bewonen, maar enkel gebruiken als tweede
verblijf […].
Dat het gaat om een vakantiewoning waar geen permanent verblijf kon
worden toegestaan, blijkt ook uit een brief van de dienst ruimtelijke
ordening van uw gemeente dd. 21 december 2018 waarin werd gesteld dat
het goed niet kan worden gebruikt voor permanente bewoning omdat het
stedenbouwkundig een niet-vergund vakantieverblijf betreft gelegen in
natuurgebied […]
Uw gemeente benadrukte hierbij dat het pand een vakantieverblijf is en
geen woning zodat het permanent bewonen een stedenbouwkundige
overtreding betreft.
Niettegenstaande deze brief en de huurovereenkomst is de huurder van mijn
cliënt er toch in geslaagd om zich te domiciliëren in de vakantiewoning van
mijn cliënt.
Ingevolge die domiciliëring, beschouwde Wonen-Vlaanderen het goed,
onterecht, als een zelfstandige woning en ging zij op 21 februari 2019 over
tot inspectie van het pand.
Mijn cliënte legde dan ook meteen een verzoekschrift neer bij het
vredegerecht teneinde de huurder, die het goed manifest in strijd met de
huurovereenkomst en
regelgeving permanent
stedenbouwkundige
bewoonde, uit huis te zetten.
Bij vonnis dd. 19 november 2019 heeft de vrederechter bevestigd dat de
huurder het goed zonder toestemming van de verhuurder heeft veranderd
naar een hoofdverblijfplaats door er zich in te schrijven in de
bevolkingsregisters, dat het gaat om een huurovereenkomst voor een
tweede verblijf waardoor de woninghuurwet niet van toepassing is en heeft
zij de huurovereenkomst ontbonden verklaard ten laste van de huurder
vanaf 30 augustus 2019 […].
[…] De vrederechter heeft concreet onderzocht of het pand een woning,
dan wel een buitenverblijf betrof en kwam tot het besluit dat het wel
degelijk een tweede verblijf betrof.
Cliënte heeft het vonnis ten uitvoer laten leggen waardoor de huurder uit
huis werd gezet. Bij een eerste poging lukte dit niet omwille van de
stedenbouwkundige
coronaproblematiek die heerste in 2020, bij een tweede poging werd de
huurder uit huis gezet en werd het goed ontruimd.
Sindsdien werd het goed nooit meer permanent bewoond maar enkel nog
aangewend conform haar bestemming, zijnde voor recreatief gebruik.
Mijn cliënte heeft het goed dus nooit aangewend als een woning, zij heeft
het goed immers nooit verhuurd als een zelfstandige woning, noch heeft zij
het goed zelf permanent bewoond. Wanneer zij vaststelde dat het goed door
haar huurder manifest wederrechtelijk werd bewoond, trad zij hiertegen op
middels de enige daarvoor geëigende manier, een uithuiszettingsprocedure
bij de vrederechter.
Zoals u weet strekt de bevoegdheid van de wooninspectie zich enkel uit tot
woningen in de zin van artikel 1.3, 66° van de Vlaamse Codex Wonen.
Alle vormen van occasioneel verblijf zoals hotels, vakantieverblijven of
tweede verblijven zijn van die bevoegdheid uitgesloten en vallen niet onder
het toepassingsgebied van de Vlaamse Codex Wonen.
Het goed in casu valt dan ook niet onder het toepassingsgebied van de
Vlaamse Codex Wonen. In de mate dat het goed tijdens de controle van
februari 2019 door de wooninspectie beschouwd werd als een woning,
werd die bestemming middels de procedure tot uithuiszetting ongedaan
gemaakt. In elk geval dient dan ook te worden vastgesteld dat het goed geen
woning is maar een vakantiewoning.
Hoewel er voor het betrokken goed momenteel geen afgeleverde
[of
bouwvergunning,
omgevingsvergunning voorligt], werd het in vergunningsaanvragen altijd
als een vakantiewoning beschouwd. Ook in het kadaster staat het goed
gekend als een vakantiewoning. Tevens werd het goed door uw gemeente
belast conform het belastingreglement op tweede verblijven […] en
oordeelde de dienst ruimtelijke ordening in hogervermelde brief dat het
goed een niet-vergund vakantieverblijf betreft in natuurgebied.
Ondanks het feit dat geen officiële vergunning voor het goed voorligt, staat
de bestemming als vakantieverblijf vast. Conform artikel 1.1.2, 5° VCRO
wordt functie, synoniem voor bestemming (van een onroerend goed),
immers gedefinieerd als het feitelijk gebruik van een onroerend goed of een
gedeelte ervan. Het goed wordt sedert jaren enkel en alleen aangewend als
een tweede verblijf voor privégebruik en geenszins als woning.
Artikel 3.8, tweede lid van de Vlaamse Codex Wonen bepaalt dat wanneer
het verzoek tot opheffing van het besluit houdende ongeschikt- of
onbewoonbaarheidsverklaring betrekking heeft op een woning die na de
ongeschikt- of onbewoonbaarheidsverklaring een andere bestemming heeft
gekregen of gesloopt is, de burgemeester het besluit opheft zonder afgifte
van een conformiteitsattest.
Hoewel mijn cliënte het goed nooit aangewend heeft als woning staat vast
dat het goed […] deze bestemming nooit heeft gehad op het kort
wederrechtelijk gebruik ervan na, en dit gebruik na de beëindiging van het
wederrechtelijk gebruik ervan in geen enkel geval meer heeft. Het is
immers niet voor betwisting vatbaar dat het goed alleszins sinds de
uithuiszetting van de huurder van mijn cliënte de bestemming van
vakantiehuisje opnieuw verkregen heeft. Gelet hierop dient het besluit dd.
vergunning
13 juni 2019 dan ook conform artikel 3.8, tweede lid VCW opgeheven te
worden.
Op basis van voorgaande motivering verzoek ik U dan ook namens mijn
cliënt het besluit dd. 13 juni 2019 houdende de ongeschiktheid van het
te
verkeerdelijk als woning beschouwde vakantiehuis gelegen
[H. straat 3A], 3050 Oud-Heverlee op te heffen.”
3.4.
Op 18 september 2023 richt de burgemeester van de
gemeente Oud-Heverlee volgend schrijven aan verzoekster:
“Op 5 september 2023 heeft de wooninspecteur van
die voor d
werkt, uw vraag ontvangen tot opheffing besluit
.
ongeschiktheid
[…]
Het pand betreft […] een niet vergund vakantieverblijf. Zelf[s] indien men
van oordeel zou zijn dat het toch om een vakantieverblijf zou gaan (wat hier
niet het geval is), dan nog dient het conform te zijn aan de minimale
kwaliteitsnormen van Vlaamse Codex Wonen (VCW) 2021.
[…]
Dit wordt bevestigd door het arrest Grondwettelijk Hof nr.
waarin
bepaald wordt dat de Vlaamse Codex Wonen (VCW) van toepassing is op
alle vormen van huisvesting (tijdelijk, occasioneel, recreatief en
duurzaam), behoudens wanneer een ander beleidsdomein bevoegd is.
Zodra er een herstelvordering rust op het pand, dient een controle steeds te
worden uitgevoerd door [de] Wooninspectie. De gemeente en de
woningcontroleurs van de gemeente hebben geen bevoegdheid om zich uit
te spreken over de uitvoering van de herstelvordering.
[…]
Hopende u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.”
Dit is het bestreden besluit.
3.5.
Op 11 maart 2019 werd door de Wooninspectie een
herstelvordering ingediend, die op 14 januari 2022 werd geactualiseerd.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Samenvatting van het middel
4.1.
Het eerste middel voert onder meer de schending aan van de
artikelen 1.3, § 1, 66°, 3.1 en 3.8 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, van de
artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke
motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet), van
het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur alsook
een “gebrek aan [de] rechtens vereiste feitelijke grondslag”.
4.2.
Volgens verzoekster is het betrokken goed bestemd als
vakantiewoning, en wordt daaraan geen afbreuk gedaan door het feit dat het goed
niet vergund is.
Verzoekster benadrukt dat zij de vakantiewoning nooit feitelijk
heeft gebruikt of heeft laten gebruiken als een woning bestemd voor huisvesting,
doch enkel als vakantiewoning waar geen permanent verblijf kon worden
toegestaan. Verzoekster licht toe dat zij, wanneer zij vernam dat het goed door de
huurder manifest wederrechtelijk toch werd bewoond, daar middels de geëigende
procedure van uithuiszetting bij de vrederechter een einde aan heeft gemaakt. Er
kan volgens verzoekster niet worden betwist dat het goed alleszins sinds de
uithuiszetting van de huurder in 2020 niet meer wordt gebruikt als een woning
maar enkel als een tweede verblijf voor recreatief privégebruik.
Het
standpunt van de verwerende partij dat ook
vakantieverblijven onder de toepassing van de Vlaamse Codex Wonen van 2021
vallen, miskent het toepassingsgebied van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 dat
enkel betrekking heeft op woningen die gericht zijn op huisvesting, en niet op
vormen van occasioneel verblijf zoals hotels, vakantieverblijven of
tweede verblijven. Het arrest van het Grondwettelijk Hof nr.
van
21 oktober 2021 laat geen andere conclusie toe.
Beoordeling
5.
Het bestreden besluit gaat ervan uit dat, ook wanneer het gaat
om een vakantieverblijf, nog steeds voldaan moet zijn aan de minimale
kwaliteitsnormen van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
6.
Artikel 1.3, § 1, 66°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021
definieert het begrip ‘woning’ als volgt: “elk onroerend goed of het deel ervan dat
hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande”.
Artikel 1.3, § 1, 19°, definieert het begrip ‘gezin’ als “meerdere
personen die op duurzame wijze in dezelfde woning samenwonen en daar hun
hoofdverblijfplaats hebben”.
Artikel 1.3, § 1, 21°, definieert ‘hoofdverblijfplaats’ als “de
woning waar een gezin of een alleenstaande effectief en gewoonlijk verblijft”.
Zoals in ’s Raads arrest nr.
van 30 juni 2016 op basis
van gelijkluidende bepalingen reeds werd aangenomen, is de betrokken Vlaamse
regelgeving inzake wonen toepasselijk “op woningen als een afzonderlijke
categorie van huisvesting” en is voor de kwalificatie tot woning “het effectief en
het gewoonlijk verblijf van een gezin of alleenstaande in het onroerend goed of een
deel ervan” bepalend.
7.
Anders dan in het bestreden besluit wordt gesteld, blijkt uit
arrest nr.
van het Grondwettelijk Hof van 21 oktober 2021 niet dat
“de Vlaamse Codex Wonen (VCW) van toepassing is op alle vormen van
huisvesting (tijdelijk, occasioneel, recreatief en duurzaam), behoudens wanneer
een ander beleidsdomein bevoegd is”. Uit dit arrest blijkt immers duidelijk dat het
onderzoek van het Grondwettelijk Hof beperkt is tot de situatie van “een onroerend
goed waar arbeiders uit de bouwsector verblijven voor de duur van hun opdracht”
(overweging B.1.2)
8.
In de mate dat de bestreden beslissing ervan uitgaat dat de in de
Vlaamse Codex Wonen opgenomen kwaliteitsnormen ook gelden voor een – al dan
niet vergund – vakantieverblijf, miskent deze dan ook de bovenvermelde
voorschriften die de toepasselijkheid van de Vlaamse Codex Wonen bepalen.
9.
De bestreden beslissing doet er voorts niet van blijken om welke
redenen het standpunt van verzoekster dat het te dezen gaat om een
vakantieverblijf, en niet om een woonbestemming, wordt afgewezen.
Dat “[u]it de chronologie van deze feiten, zijnde verschillende
maanden en gedurende meerdere jaren gebruik als hoofdverblijfplaats, […] niet
zonder meer
[kan] worden aangenomen dat het beëindigen van een
huurovereenkomst ondubbelzinnig blijk geeft van het louter opnieuw aanwenden
van de woning als vakantiewoning” en dat “[d]e verzoekende partij […] dit geheel
niet aan[toont] in haar verzoek dat aanleiding gaf tot het nemen van de bestreden
beslissing”, zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet, is
een motief dat niet te lezen is in het bestreden besluit.
De bestreden beslissing miskent de formelemotiveringsplicht
door zonder nadere motivering aan te nemen dat het betrokken goed niet
beschouwd kan worden als een vakantieverblijf.
10.
Vermits niet blijkt dat de argumentatie van verzoekster door de
verwerende partij naar behoren werd onderzocht, is de bestreden beslissing ook
genomen met miskenning van het zorgvuldigheidsbeginsel.
11.
Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond.
B. Tweede middel
Samenvatting van het middel
12.1
Het tweede middel voert onder meer de schending aan van
artikel 3.8 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
12.2
Het middel is specifiek gericht tegen het deel in de bestreden
beslissing dat verwijst naar de herstelvordering, meer bepaald de vermelding dat,
zodra er een herstelvordering rust op het pand, steeds een controle dient te worden
uitgevoerd door de wooninspectie en de gemeente en de woningcontroleurs geen
bevoegdheid hebben om zich uit te spreken over de uitvoering van de
herstelvordering.
Verzoekster beklemtoont dat zij geenszins heeft verzocht om
uitspraak te doen over de uitvoering van de herstelvordering, doch enkel om de
opheffing van het besluit van de burgemeester van 13 juni 2019.
Noch uit artikel 3.46 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021
noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat, wanneer een
herstelvordering hangende is, de burgemeester geen uitspraak meer zou kunnen
doen
over
de
opheffing
van
zijn
besluit
op
grond
van
artikel 3.8, tweede lid, tweede zin, Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Beoordeling
13.
Artikel 3.8, tweede lid, in fine, van de Vlaamse Codex Wonen
van 2021 bepaalt dat wanneer het verzoek tot opheffing van het besluit houdende
een ongeschikt- of onbewoonbaarheidsverklaring betrekking heeft op een gebouw
dat een andere bestemming gekregen heeft (of gesloopt is), de burgemeester het
besluit opheft zonder afgifte van een conformiteitsattest. Een dergelijk verzoek tot
opheffing dient bijgevolg niet behandeld te worden als een verzoek tot aanvraag
van een conformiteitsattest.
14.
Artikel 3.46 Vlaamse Codex Wonen van 2021 regelt de
specifieke situatie dat voor de rechtbank een herstelmaatregel is gevorderd om
werken uit te voeren om de woning conform te maken. In dat geval kan de
burgemeester, met het oog op de opheffing van het besluit, geen conformiteitsattest
afleveren, en dient de procedure die in artikel 3.46 Vlaamse Codex Wonen van
2021 is voorzien, te worden gevolgd.
15.
Met verzoekster dient vastgesteld te worden dat zij een verzoek
heeft ingediend tot opheffing van het besluit waarbij de woning ongeschikt
verklaard is om reden van de bestemming als vakantieverblijf. Zij heeft aan de
gemeente niet gevraagd om zich uit te spreken over de uitvoering van de
gevorderde herstelmaatregel.
De door artikel 3.46 Vlaamse Codex Wonen van 2021 beoogde
situatie
betreft
niet
de
situatie waarbij
de
opheffing
van
een
ongeschiktverklaringsbesluit wordt gevraagd om reden van wijziging van de
bestemming.
De verwijzing in het bestreden besluit naar artikel 3.46 van de
Vlaamse Codex Wonen van 2021 is te dezen dan ook niet pertinent voor de
beoordeling van de in de voorliggende zaak gevraagde opheffing van het besluit
waarbij de woning ongeschikt is verklaard.
16.
De verwijzing naar de herstelvordering en het bepaalde in
artikel 3.46 Vlaamse Codex Wonen van 2021 kan de afwijzing van het verzoek tot
opheffing van het besluit waarbij de woning ongeschikt verklaard is, bijgevolg
evenmin verantwoorden.
17.
Het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het besluit van de burgemeester van de
van 18 september 2023 houdende afwijzing van het
verzoek tot opheffing van diens besluit van 13 juni 2019 tot ongeschiktheid
van het gebouw gelegen te
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot
nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van
24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan
de nalatenschap van
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig januari tweeduizend
zesentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
,
kamervoorzitter,
,
,
,
staatsraad,
staatsraad,
griffier.
bijgestaan door
De griffier
De voorzitter