ADB:hof-van-beroep-gent-30-01-2026-0
Beslissingsdetails
🏛️ Hof van Beroep Gent
📅 2026-01-30
🌐 NL
Arrest
Rechtsgebied
Dierenwelzijn
Geciteerde wetgeving
art. 29 van de wet van 1 augustus 1985; artikel 40 van de wet van 14 augustus 1986; decreet van 4 februari 2022; koninklijk besluit van 28 december 1950; wet van 1 augustus 1985; wet van 14 augustus 1986; wet van 24 maart 1987; wet van 24 maart 1987; wet van 15 juni 1935
Samenvatting
Arrestnummer é.:1 ,,// l-1, 3 /2026 Repertoriumnummer 2026/ J3J Datum van uitspraak 30 januari 2026 Notitienummer griffie Notitienummer parket-generaal 2025/PGG/1998 2025/VJU/870 Hof van beroep Gent Arrest tiende kamer correctionele zaken Hof van beroep Gent - tiende kamer - - p. 2 Not.nr. In de ...
Volledige tekst
Arrestnummer
é.:1 ,,// l-1, 3
/2026
Repertoriumnummer
2026/ J3J
Datum van uitspraak
30 januari 2026
Notitienummer griffie
Notitienummer parket-generaal
2025/PGG/1998
2025/VJU/870
Hof van beroep
Gent
Arrest
tiende kamer
correctionele zaken
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
- p. 2
Not.nr.
In de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE
tegen
, (RRN
met Belgische nationaliteit,
geboren
wonende te
- beklaagde -
verdacht van:
als dader of mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek;
A. nagelaten te hebben de nodige maat regelen te nemen om het dier dat hij hield,
verzorgde of te verzorgen had, een In overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en
ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling,
aanpassing of domesticatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen,
namelijk:
(art. 4, § 1 en 36, 3° wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der
dieren)
op 17 januari 2023
doordat verschillende runderen een veel te nat ligbed hadden waardoor hun vacht enorm
bevuild was met mest, doordat niet alle runderen drinkwater ter beschikking hadden,
doordat een mank rund niet apart werd gehuisvest en geen droog ligbed had, doordat het
sterftepercentage veel
tekort aan algemene en
diergeneeskundige zorgen;
te hoog was, wat wijst op een
A.2!,g_
op 24 mei 2023
doordat de runderen niet hygiënisch werden gehuisvest en daardoor een vuil haarkleed
hadden, doordat het voeder niet hygiënisch werd bewaard, doordat de pakken voeder
werden aangevreten door ongedierte;
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
-p. 3
A,3k
t op 14 november 2023
doordat de runderen niet hygiënisch werden gehuisvest in stallen die al geruime tijd niet
meer werden uitgemest waardoor de runderen geen droog ligbed hadden, doordat de
runderen vuil waren, zichtbaar honger hadden en geen toegang hadden tot drinkwater,
doordat de voederplaats van de aangebonden runderen werd bevuild door loslopende
kalveren, doordat er een rund aanwezig was met een afgebroken etterende hoorn alsook
een rund met een gezwollen linker achterbeen, doordat op de weide een dood rund lag dat
niet onmiddellijk werd verwijderd en doordat in een stal vier dode leghennen lagen die niet
onmiddellijk werden verwijderd;
A.4te
op 4 december 2023
doordat zowel de runderen als de kippen niet konden beschikken over een droog ligbed en
geen toegang hadden tot drinkwater, doordat het haarkleed van de runderen bevuild was
met mest, doordat de runderen maar eenmaal per dag werden gevoed, doordat sommige
kalveren daardoor niet waren uitgegroeid zoals het hoort, doordat een aanta l dieren te
mager stonden, doordat sommige runderen een doffe vacht, dikke buiken en een
opgetrokken rug hadden en doordat de dode kippen nog niet werden verwijderd;
A.5 te
op 5 februari 2024
doordat zowel de runderen als de kippen niet konden beschikken over een droog ligbed en
geen toegang hadden tot drinkwater, doordat het haarkleed van de runderen bevuil was
met mest, doordat de runderen maar eenmaal per dag werden gevoed, doordat sommige
kalveren daardoor niet waren uitgegroeid zoals het hoort en doordat de dode kippen nog
niet werden verwijderd;
A.6te
op 25 maart 2024
doordat de runderen niet konden beschikken over een droog ligbed, doordat het haarkleed
van de runderen bevuild was met mest en doordat het voeder rechtstreeks op de mest lag
waardoor het bevuild raakte;
B. bij inbreuk op de artikelen 22, 60, 62 en 74 koninklijk beslu it betreffende de identificatie
en registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels van 20 mei
2022, strafbaar gesteld door de artikelen 17, 18 en 23 §1, 2°, b) van de
dierengezondheldswet van 24 maart 1987, als exploitant nagelaten te hebben om de
runderen te identificeren en te registreren conform de wettelijke voorschriften zoals
bepaald in bijlage IV, punt 4, namelijk:
B.1 te
op 17 januari 2023
Hof van beroep Gent - ti ende kamer -
- p. 4
door het aantreffen van zes niet-geïdentificeerde runderen, ouder dan zeven dagen,
waarvan de geboorte niet binnen de termijn werd gemeld en door het aantreffen van twee
runderen die niet op de inventaris stonden;
B,2k
op 24 mei 2023
door het aantreffen van een rund, ouder dan zeven dagen, zonder identificatie en door het
aantreffen van een run d dat in Sanitel als 'dood' geregistreerd stond;
B.3 te
op 14 november 2023
door het aantreffen van vijf kalveren die niet geïdentificeerd werden binnen de zeven dagen,
doordat de runderen niet tijdig aan en af werden gemeld in Sanitel en doordat het register
niet correct werd bijgehouden;
B.4te
op 5 februari 2024
door het aantreffen van een rund dat niet op de inventaris stond en doordat een rund die op
de inventaris stond niet aanwezig was;
C. bij inbreuk op artikel 70 koninklij k besluit betreffende de identificatie en registratie van
bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijnen en bepaalde vogels van 20 mei 2022, strafbaar
gesteld door de artikelen 17, 18 en 23 §1, 2°, b) van de dierengezondheidswet van 24 maart
1987, als exploitant nagelaten te hebben om een nieuw erkend identificatiemiddel voor
hermerking te bestellen binnen de zeven dagen, namelijk:
C.1 te
op 17 januari 2023
door het aantreffen van drie runderen met maar één oo rmerk, waarvoor nog geen actie
werd ondernomen;
C.2 te
op 24 mei 2023
door het aantreffen van een rund met maar één oormerk, waarvoor nog geen actie werd
ondernomen.
Met de omsta ndigheid dat gedaagde zich voor telastlegging A in staat van bijzondere
herhaling bevindt in de zin van artikel 39 van de wet van 14 august us 1986 betreffende de
bescherming en het welzijn der dieren, doordat de nieuwe feiten gepleegd werden binnen
drie ja ar na een veroordeling wegens een overtreding van deze wet of van de besluiten
genomen t er uitvoering ervan, uitgesproken bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg
West-Vlaanderen, afdeling leper van 22 maart 2021, dat kracht van gewijsde had op het
ogenblik van de nieuwe feiten .
Hof van beroep Gent - tîende kamer -
• - p. 5
Gedaagde, bij toepassing van artikel 40 van voormelde wet van 14 augustus 1986
betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, definitief het recht te ontzeggen om
runderen te houden.
* * * *
1.1 De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling leper, kamer 1.15, besliste bij
vonnis van 19 juni 2025 op tegenspraak als volgt:
110P STRAFGEBIED
Verklaart de tenlasteleggingen Al, A2, A3, A4, AS, A6, B1, B2, B3, B4, Cl en C2 In hoofde van
, BEWEZEN.
Veroordeelt
, voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde
tenlasteleggingen samen, tot een GELDBOETE van 300,00 euro, verhoogd met 70 opdecimes
en gebracht op 2.400,00 euro, of een vervangende gevangenisstraf van 21 dagen.
Ontzegt
met toepassing van artikel 40 van de wet van 14 augustus 1986
DEFINITIEF het recht tot het houden van dieren van alle soorten, met uitzondering van één
huisdier type hond of kat.
Bijdragen en kosten
Veroordeelt
, tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 euro, zijnde de som van 1 maal 25 euro verhoogd met
70 opdecimes, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders;
een bijdrage van 26,00 euro aan het Begrotingsfonds voor Juridische tweedelijnsbijstand;
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01
euro;
de kosten van het geding, tot heden begroot op 35,38 euro."
1.2 Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld door het afleggen van een verklaring op
de griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling leper, op:
16 juli 2025 door de beklaagde
17 juli 2025 door het openbaar ministerie.
Deze partijen dienden op diezelfde data ook een verzoekschrift in op die griffie, zoa ls
voorgeschreven door artikel 204 Wetboek van Strafvordering.
1.3 Het hof hoorde op de openbare rechtszitting van 18 december 2025 in het Nederlands:
Hof van beroep Gent • tiende kamer
·-p. 6
' ~----·· --------------------------
de beklaagde
met kantoor te
, vertegenwoordigd door meester
, advocaat
het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door
, advocaat-generaal.
2.1 De beide verklaringen van hoger beroep tegen het vonnis van 19 juni 2025 zijn t ijdig en
regelmatig naar de vorm. Dat is ook zo voor de grievenformulieren.
2.2 De advocaat van de beklaagde kruiste in het grievenformulier de rubriek "Straf en/of
maatregel" aan en verduidelijkte dat hij een mildere geldboete vordert, desgevallend voor
een deel met uitstel. Daarnaast betwist hij de beslissing van de eerste rechter om de
beklaagde definitief te ontzeggen va n het recht tot het houden van dieren.
Het openbaar ministerie duidde enkel een grief aan over de straf, met als reden dat het de
wenselijkheid van een eventueel strengere straf wil laten beoordelen door het hof.
Elk van deze grieven is nauwkeurig.
2.3 De hoger beroepen van de beklaagde
ontvankelijk (art. 203 en 204 Wetboek van Strafvordering).
en van het openbaar ministerie zijn
Het hof beslist in dit arrest binnen de perken van de hoger beroepen en vervolgens van de
grieven zoals bedoeld in artikel 210 Wetboek van Strafvordering. Er zijn volgens het hof geen
redenen om ambtshalve een grief in de zin van deze bepaling op te werpen.
De devolutieve werking van de beperkte hoger beroepen en vervolgens de grieven brengt
mee dat de saisine van het hof beperkt is tot de straf, de bijdrage aan het Slachtofferfonds
en het verbod tot het houden van dieren. Alle overige beslissingen van de eerste rechter zijn
definitief.
3. Op verschillende tijdstippen in 2023 en 2024 voerden de Inspectie Dierenwelzijn en het
FAVV controles uit bij het rundveebedrijf van de beklaagde
Die
controles kwamen er nadat al in 2019 maatregelen waren opgelegd in verband met de
hygiëne van de stallen en de drinkwatervoorzieningen voor de runderen.
in
Bij die controles in 2023 en 2024 stelden de Inspectie Dierenwelzijn en het FAVV
herhaaldelijk vast dat de hygiëne van de stallen, de dieren en de voederopslagplaats
ondermaats was. Zo was de vacht van de runderen bevui ld, had een deel van de runderen
een te vuil en te nat ligbed en hadden niet alle aangebonden runderen drinkwater ter
beschikking. Op 24 mei 2023 bleken verschillende pakken voedervoorraad aangetast te zijn
door ongedierte. Op 14 november 2023 lag er een dood rund in een weide. Het lag er al
minstens sinds 9 november 2023. In de sta l achter het woonhuis lagen vier dode leghennen.
Bij de controle op 4 december 2023 bleek dat sommige runderen erg mage r waren en een
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
-p. 7
doffe vacht hadden. De beklaagde bleek de runderen maar één keer per dag te voederen,
wat niet goed is voor een ideale penswerking. Sommige kalveren waren niet uitgegroeid
zoals het hoorde. In het rechter gedeelte van de stal tegenover het woonhuis lag een hele
grote hoop mest in de mestgoot die bij sommige dieren tot net onder de hak rei kte. In de
stal links van de woning hadden de kippen geen drinkwater.
Nazicht bij Rendac leerde dat het sterftepercentage voor het rundveebeslag van de
beklaagde erg hoog was.
Bij verhoor op 4 december 2023 verklaarde de beklaagde een beroep t e hebben gedaan op
"Boeren op een kruispunt'', maar die vereniging had volgens hem niets nuttigs aangebracht.
Hij wilde zijn rundveebedrijf afbouwen en wilde geen "zotte kosten" meer maken. Op het
ogenblik van zijn verhoor had hij nog dertig runderen, acht hennen en één kat. Hij gaf toe
dat hij eigenlijk altijd al veel te veel dieren heeft gehad. Hij was niet alleen rundveehouder,
maar werkte ook als vrachtwagenchauffeur.
Op 5 februari 2024 bleken de runderen nog steeds niet in goede conditie te zijn. Er was een
rund dat er uitzag als een kalf van enkele weken, terwijl het al meer dan zes maanden oud
was. De bij een vorige controle aangetroffen dode kippen waren nog niet verwijderd. De
beklaagde vertelde de inspecteur Dierenwelzijn dat hij graag nog enkele runderen wilde
houden voor na zijn pensioen. Hij wilde daarom niet alle dieren verkopen.
Bij de hercontrole op 25 maart 2024 waren nog slechts tien runderen op het beslag
aanwezig, een daarvan was die ochtend overleden. De overige runderen liepen vrij rond in
de sta l. De stal was niet uitgemest waardoor de dieren vuil waren. Ze hadden wel toegang
tot water. Het voeder van de runderen lag rechtstreeks op de mest. In de stal gelegen
tegenover de runderstal lagen nog steeds de kadavers van de gestorven leghennen, zoals al
vastgesteld op 14 november 2023.
Het FAVV stelde bij verschillende van de opgesomde controles eveneens meermaals vast dat
de beklaagde naliet om zijn runderen correct te identificeren en te registreren, of te
hermerken, zoals wettelijk voorgeschreven.
4. Sinds 1 januari 2025 zijn de feiten van de telastlegging A omschreven in artikel 6 en 10, §
1, Vlaamse Codex Dierenwelzijn, strafbaar gesteld door artikel 66 van diezelfde codex. De
straffen zij n dezelfde gebleven.
5. De beklaagde pleegde de feiten van de telastleggingen A.1 tot en met A.6, B.1 tot en met
B.4, C.1 en C.2 met eenzelfde misdadig opzet, zodat het hof voor ze samen slechts één straf
toepast, de zwaarste (art. 65, eerste lid, Strafwetboek).
Artikel 7 Strafwetboek schrijft de strafdoelstellingen voor die de rechter in overweging moet
nemen bij de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat. Deze strafdoelstell ingen
Hof van beroep Gent - tiende kamer·
-p. 8
• --·- - -. ·- - · -------------------------
bestaan in het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de
overtreding van de strafwet, de bescherming van de maatschappij, het bevorderen van het
herstel van het maatschappelijk evenwicht, het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte
schade en het bevorderen van de maatschappelijke rehabil itatie en re-integratie van de
dader. De rechter moet zoeken naar een rechtvaardige proportionaliteit tussen het misdrijf
en de straf.
De beklaagde is
jaar oud. Zijn strafregister is niet meer gunstig. Hij werd vijf keer
veroordeeld door de politierechtbank en twee keer door de correctionele rechtbank. Een
van die laatste veroordelingen, meer bepaald het vonnis van 22 maart 2021 van de
rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling leper, heeft eveneens betrekking op
inbreuken op de dierenbeschermingswetgeving. Een afschrift daarvan ligt voor, voorzien van
een attest van niet-verhaa l. Als gevolg van die veroordeling bevindt de beklaagde zich in
staat van bijzondere herhaling. De gevolgen van de staat van bijzondere herhaling zijn
bepaald in artikel 39 Dierenbeschermingswet, sinds 1 januari 2025 is dit artikel 67 Vlaamse
Codex Dierenwelzijn.
De geldboete die de eerste rechter oplegde, beantwoordt het best aan de hoger
aangehaalde strafdoelstellingen, is proportioneel met de ernst van de misdrijven en houdt
rekening met het strafrechtelijk verleden van de beklaagde. Het hof bevestigt deze straf.
Omwille van het herhaald karakter van de vastgestelde inbreuken is deze straf zeker niet
buitensporig hoog. De beklaagde de gunst van het uitstel verlenen, zou het ontradend
karakter van de straf volledig teniet doen. De beklaagde beweert wel financieel zeer
kwetsbaar te zijn, maar legt daar geen stukken van voor.
Het hof bevestigt ook de vervangende gevangenisstraf die de eerste rechter voorzag, en die
de beklaagde voldoende aanspoort de geldboete te betalen.
De eerste rechter verhoogde de geldboete met de juiste deciemen.
6. De eerste rechter besliste definitief over de kosten van de strafvordering in eerste aanleg,
net als over de vaste vergoeding en de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische
tweedelijnsbijstand. Daarnaast
is de beklaagde gehouden tot de kosten van de
strafvordering in hoger beroep, voor het openbaar ministerie begroot zoals hierna bepa ald.
Met toepassing van artikel 91 koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende het
algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken verhoogt het hof de kosten in hoger
beroep met 10 %.
Veroordeeld tot een correctionele hoofdstraf moet de beklaagde de bijdrage betalen van 25
euro tot financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke
gewelddaden en aan de occasionele redders {art. 29 van de wet van 1 augustus 1985
houdende fiscale en andere bepalingen). Deze bijdrage, die een eigen aard heeft en geen
Hof van beroep Gent - tiende kamer -
1- p. 9
straf inhoudt, wordt vermeerderd met 70 deciemen tot 200 euro, en dit ongeacht de datum
van de bewezen verklaarde feiten.
7. Het openbaar ministerie vorderde om de beklaagde levenslang te verbieden dieren te
houden.
Sinds 1 januari 2025 is het verbod om dieren te houden als veiligheidsmaatregel opgenomen
in artikel 68, 3° Vlaamse Codex Dierenwelzijn. De duur ervan is nog steeds dezelfde als deze
voorzien door het vroegere artikel 40 van de Dierenwelzijnswet, zoals gewijzigd bij decreet
van 4 februari 2022.
De feiten die aan de basis liggen van huidig dossier, net als zijn vroegere veroordeling, wijzen
er op dat de beklaagde niet in staat is om op een adequate manier in te staan voor de zorg
voor dieren. Anderzijds legt de beklaagde een brief voor van 5 december 2025 van
dierenart~
, waaruit blijkt dat hij nu minder dan tien runderen houdt die
allemaal correct geïdentificeerd zijn. De dieren bevinden zich volgens de dierenarts in een
goede gezondheidstoestand en besch ikken over een droog schuilhok en voldoende
kwaliteitsvolle voeding (stuk 1 van de beklaagde). Dierengezondheidszorg Vlaanderen
bezocht het bedrijf van de beklaagde op 29 augustus 2025 en op 5 december 2025 (stu kken
2 en 3 van de beklaagde). Het deed een volledig stalnazicht. Alles bleek in orde te zijn.
Rendac attesteerde dat het voor het laatst een dood dier bij de beklaagde ophaalde op 17
april 2024 (stuk 4 van de beklaagde).
Het hof willigt daarom de vordering tot het opleggen van een verbod tot het houden va n
dieren weliswaar in, maar voorziet een uitzondering voor het houden van maximum tien
runderen, een hond en een kat. Het hof kan aan dit verbod geen dwangsom verbinden, nu
de eerste rechter dit niet deed en het openbaar ministerie hierover geen grief formuleerde.
Dit beperkte verbod tot het houden van dieren zal geen financiële implicaties hebben voor
de beklaagde, nu dit neerkomt op een bevestiging van de huidige toestand en het moeilijk
aan te nemen valt dat het huidige rundveebeslag nog steeds de hoofdbron van inkomsten
van de beklaagde vormt.
Toegepaste wetsartikelen:
Het hof maakt toepassing van de hiervoor aangehaalde artikelen en van de artikelen:
211 Wetboek van Strafvordering,
24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Perken van het hoger beroep:
Hof van beroep Gent - tiende kamer-
1-p. lO
De saisine van het hof is beperkt tot de straf, de bijdrage aan het Slachtofferfonds en het
verbod tot het houden van dieren. Alle overige beslissingen van de eerste rechter zijn
definitief.
Beslissing van het hof:
Het hof,
rechtsprekend op tegenspraak,
verklaart de beroepen ontvankelijk en beslist over de grond ervan als volgt:
op strafgebied:
bevestigt het beroepen vonnis voor zover bestreden in al zijn beslissingen, met uitzondering
van het verbod tot het houden van dieren;
legt de beklaagde
uitzondering van tien runderen. een hond en een kat;
levenslang het verbod op tot het houden van dieren, met
veroordeelt de beklaagde
voor het openbaar ministerie begroot op 101,54 euro.
tot de kosten van de strafvordering in hoger beroep,
Hof van beroep Gent • tiende kamer -
- p. 11
Kosten beroep:
Afsch rift vonnis :
Afschriften akten HB:
Opstelrecht ber. bekl.:
Dagv. bekl.:
+ 10%:
€ 18,00
€ 6,00
€ 35,00
€ 33,31
€ 92,31
€ 9,23
Totaa l :
€ 101,54
Dit arrest is gewezen te Gent door het hof van beroep, t iende correctionele kamer,
samengesteld uit kamervoorzitter
:, raadsheren
en in openbare rechtszitting van 30 januari 2026 uitgesproken door
, advocaat-generaal, met
, in aanwezigheid van
kamervoorzitter
bijstand van griffier