ADB:rechtbank-eerste-aanleg-hasselt-27-01-2026-0
Beslissingsdetails
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Hasselt
📅 2026-01-27
🌐 NL
Vonnis
Rechtsgebied
Woonbeleid
Geciteerde wetgeving
wet van 15 juni 1935
Samenvatting
Vonnisnummer / Griffienummer 2026 / Repertoriumnummer / Europees Datum van uitspraak 27 januari 2026 Naam van de beklaagde(n) Systeemnummer parket 24CO5331 Rolnummer Notitienummer parket HA66.WI.102900/2023 rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel Kamer 13D Vonni...
Volledige tekst
Vonnisnummer / Griffienummer
2026 /
Repertoriumnummer / Europees
Datum van uitspraak
27 januari 2026
Naam van de beklaagde(n)
Systeemnummer parket
24CO5331
Rolnummer
Notitienummer parket
HA66.WI.102900/2023
rechtbank van eerste aanleg
Limburg, afdeling Hasselt
Sectie correctioneel
Kamer 13D
Vonnis
Aangeboden op
Niet te registreren
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel
p. 2
In de zaak van het openbaar ministerie en:
EISER IN HERSTEL:
AGENTSCHAP WONEN VLAANDEREN,
met maatschappelijke zetel te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50 bus 11 (K.B.O.
0316.380.841),
eiser in herstel, vertegenwoordigd door meester
, advocaat te
.
tegen:
BEKLAAGDEN:
1.
2.
met maatschappelijke zetel gevestigd te
KBO
;
,
eerste beklaagde, vertegenwoordigd door meester
advocaat te
.
met maatschappelijke zetel gevestigd te
, KBO
;
tweede beklaagde, vertegenwoordigd door meester
, advocaat te
, loco meester
, advocaat te
.
1. TENLASTELEGGINGEN
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek:
De kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp van het misdrijf is, zijnde:
ligging:
gekadastreerd als,
en de eigenaars ervan geïdentificeerd zijnde als
)
Als verhuurder, als eventuele onderverhuurder of als persoon die een woning ter
beschikking stelt, een niet-conforme of overbewoonde woning rechtstreeks of via
tussenpersoon te hebben verhuurd, te huur gesteld of ter beschikking gesteld met het oog
op bewoning. (art. 3.34. Vlaamse Codex Wonen van 2021)
Te
door
in de periode van 18 januari 2021 tot en met 21 juni 2024
,
en
van het
namelijk van 3 woningen en 3 kamerwoningen op
pand te
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel
p. 3
Tevens gedagvaard teneinde zich, overeenkomstig artikel 42, 3e en/of artikel 43bis van het
Strafwetboek, te horen veroordelen tot de bijzondere verbeurdverklaring van een bedrag van
18.700 euro, zijnde de op grond van de weerhouden feiten geraamde illegale vermogens-
voordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, de goederen en waarden die in de
plaats ervan zijn gesteld dan wel de inkomsten uit belegde voordelen.
Tevens gedagvaard om zich te horen veroordelen tot uitvoering van de herstelvordering van
de Gewestelijke Wooninspecteur, waarop het College van Burgemeester en Schepenen van
zich bij aansluit, binnen de 10 maanden, onder verbeurte van een dwangsom van
150 euro per dag in geval van niet-uitvoering (stuk 2 en 4 van het dossier), waarbij
overeenkomstig artikel 3.47., lid 1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, de Wooninspecteur
en/of het College van Burgemeester en Schepenen van
, op kosten van de overtreder,
ambtshalve in de uitvoering van de herstelmaatregel kunnen voorzien voor het geval dat deze
door beklaagde niet binnen de gestelde termijn wordt uitgevoerd.
Tevens, overeenkomstig artikel 3.48., lid 1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, dat de
Wooninspecteur en/of het College van Burgemeester en Schepenen van
gemachtigd
worden eventuele kosten van de herhuisvesting van de bewoner(s) van een niet-conforme
woning in het betreffende pand, terug te vorderen van beklaagde.
[…]
2. PROCEDURE
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
3. VOORGAANDEN
1. Beklaagden werden gedagvaard om te verschijnen op 6 mei 2025 bij rechtstreekse
dagvaarding betekend:
- op 3 april 2025 aan de zetel (art. 35, 1ste lid Ger.W.) van eerste beklaagde
;
- op 8 april 2025 aan de zetel (art. 35, 1ste lid Ger.W.) van tweede beklaagde
.
De rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van de strafvordering lastens beklaagden.
Deze dagvaarding werd overeenkomstig artikel 3.49, § 1, 1ste lid Vlaamse Codex Wonen
overgeschreven op het
op 4 april 2025, zodat de
strafvordering ontvankelijk is.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel
p. 4
2. Ter terechtzitting van 6 mei 2025 verklaarde eiser in herstel AGENTSCHAP WONEN
VLAANDEREN zich te stellen als herstelvorderende overheid, waarvan haar akte werd verleend.
Zij legde tevens een navolgend proces-verbaal neer van de wooninspecteur en deelde mede
dat de herstelvordering op grond hiervan zonder voorwerp is.
Voor het overige werden overeenkomstig artikel 152 Sv. conclusietermijnen bepaald voor:
- beklaagden uiterlijk op 17 juni 2025;
- eiser in herstel AGENTSCHAP WONEN VLAANDEREN en eventueel het openbaar
ministerie uiterlijk op 29 juli 2025;
- beklaagden uiterlijk op 19 augustus 2025.
3. Ter griffie werd neergelegd:
- op 17 juni 2025, een conclusie door eerste beklaagde
- op 13 juni 2025, een conclusie en stukken door tweede beklaagde
;
Het openbaar ministerie en eiser in herstel AGENTSCHAP WONEN VLAANDEREN legden geen
conclusies neer. Eerste beklaagde
en tweede beklaagde
maakten geen gebruik van hun laatste conclusietermijn.
4. Ter terechtzitting van 2 september 2025 werd de zaak in een andere samenstelling omwille
van organisatorische redenen uitgesteld.
5. De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting op 6
januari 2026, waar de zaak voor zoveel als nodig werd hernomen voor de anders
samengestelde zetel en waar werden gehoord:
- eiser in herstel AGENTSCHAP WONEN VLAANDEREN, die verklaarde dat haar vordering
zonder voorwerp is;
- het openbaar ministerie, in haar vordering;
- eerste beklaagde
verwoord door mr.
, die stukken neerlegde;
, in haar middelen van verdediging
-
tweede beklaagde
laatste woord kreeg, in haar middelen van verdediging verwoord door mr.
, die tevens het
.
De namens eerste beklaagde
.
neergelegde conclusies en stukken en de namens
eiser in herstel AGENTSCHAP WONEN VLAANDEREN neergelegde stukken werden in het
beraad betrokken.
, tweede beklaagde
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel
p. 5
4. BEOORDELING OP STRAFGEBIED
4.1. Beoordeling van de schuld
1. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging bewezen is op basis van de resultaten
van het vooronderzoek en van het onderzoek tijdens de zitting.
Het pand vermeld onder de tenlastelegging (stuk 207):
- bestond uit onder meer uit 6 wooneenheden, waarvan 3 zelfstandige
en
) en 3 niet-zelfstandige, ontstaan door de onvergunde opsplitsing van
) (stuk 89-91);
in 3 afzonderlijke kamers (
wooneenheid
-
is sedert de akte van 15 april 1983 eigendom van tweede beklaagde
(stuk 197);
- wordt door tweede beklaagde
volgens de verklaringen kosteloos ter beschikking gesteld van eerste beklaagde
die:
o de wooneenheden verhuurde, hetgeen blijkt uit de verklaringen en
huurovereenkomst gevoegd aan het strafdossier (stuk 18);
o huurgelden inde om te gebruiken in het kader van haar niet-economische
doelstelling.
2. Naar aanleiding van een “flex-actie arbeidsmigranten” werd het pand, dat in het verleden
reeds het voorwerp uitmaakte van een eerdere “flex-actie”, gecontroleerd (stuk 99 en 118-119).
Op het adres waren 6 personen ingeschreven (stuk 92-97) en bij de controle op 16 november
2023 waren 5 personen aanwezig in het pand, waarvan er twee verbleven in wooneenheid
en
één in
was op het ogenblik van de controle niemand aanwezig (stuk 117). De wooneenheden
hebben hun eigen voorzieningen en zijn te beschouwen als “zelfstandige
gemeenschappelijke
met nrs.
woningen”, terwijl de wooneenheden
voorzieningen hebben en zijn te beschouwen als “kamers” / “niet-zelfstandige woningen”.
(stuk 118). In wooneenheden
en één in 0
, één in
en
3. Aangezien er aan:
- het gebouw (stuk 59, 66, 80, 87):
o 2 gebreken categorie II;
o 2 gebreken categorie III;
-
zelfstandige woning:
o
o
(stuk 85):
4 gebreken categorie II;
1 gebrek categorie III
(stuk 78), 5 gebreken categorie II;
- niet-zelfstandige woning:
o gemeenschappelijke functies:
5 gebreken categorie II;
3 gebreken categorie III;
Rolnummer 25H000659
rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel
p. 6
o kamer:
(stuk 64), 4 gebreken categorie II (deze kamer werd tevens te
klein bevonden voor bewoning);
(stuk 57), 5 gebreken categorie II;
werden vastgesteld, waren de wooneenheden ongeschikt (art. 1.1, § 1, 35°; art. 3.1, § 1, 3de
lid, 2° Vlaamse Codex Wonen en art. 3.2, § 1 en bijlage 4 Besl. Vl. Reg. 11 september 2020 tot
uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen).
Bovendien werden er gebreken categorie III vastgesteld en waren de wooneenheden aldus
tevens onbewoonbaar (art. 1.1, § 1, 33°; art. 3.1, § 1, 3de lid, 3° Vlaamse Codex Wonen en art.
3.2, § 1 en bijlage 4 Besl. Vl. Reg. 11 september 2020 tot uitvoering van de Vlaamse Codex
Wonen). Het gevaar bestond voornamelijk in de elektrische installatie, waarbij er delen onder
spanning aangeraakt konden worden. Tevens was de gas-installatie onveilig en bestond er een
risico op brand of ontploffing. Voor wat betreft de niet-zelfstandige wooneenheden
en
voldeden de sanitaire voorzieningen niet aan de elementaire vereisten.
en
Hoewel de wooneenheden
het gebouw als de gemeenschappelijke voorzieningen voor wat betreft kamer
eveneens gebreken categorie III vertoonden, tevens dat ook deze wooneenheden sowieso
ongeschikt en onbewoonbaar waren, ongeacht eventuele bijkomende gebreken die zouden
zijn vastgesteld indien deze wel toeganlijke waren.
niet toegankelijk waren, volgt uit het feit dat zowel
4. Uit de aard van de gebreken categorie II en III blijkt dat het ging om structurele gebreken
omwille van verouderde installaties, hetgeen niet toe te schrijven is aan de huurders.
, bestuurder van eerste beklaagde
verklaarde dat de huidige
toestand al minstens 10 jaar ongewijzigd was (stuk 175).
5. Omwille van voornoemde gebreken categorie II en III werden alle wooneenheden
ongeschikt en onbewoonbaar verklaard (
en
(stuk 158, 163 en 172) en
(stuk 152);
(stuk 167).
(stuk 148),
6. Voornoemde elementen worden door eerste beklaagde
en tweede
niet betwist, enkel wordt door
beklaagde
tweede beklaagde
gesteld dat zij louter het
pand (met daarin de wooneenheden) kosteloos ter beschikking stelde van tweede beklaagde
en aldus niet strafrechtelijk aansprakelijk zou
zijn voor de tenlastelegging / dat de tenlastelegging haar niet toerekenbaar zou zijn.
Artikel 3.34. Vlaamse Codex Wonen stelt het “ter beschikking stellen” van een woning voor
verhuur strafbaar. De Vlaamse Codex Wonen betreft een reglementerend decreet, zodat
onachtzaamheid als moreel element volstaat voor de toerekenbaarheid. De Vlaamse Codex
Wonen vereist niet dat de eigenaar inkomsten dient te verwerven om strafbaar te zijn, zolang
zij maar op de hoogte was of had moeten zijn van het feit dat het pand ook zou worden
gebruikt voor woningverhuur.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel
p. 7
6.1. Volgens de eigendomsgegevens
is tweede beklaagde
sedert 15 april 1983 (stuk 197) eigenaar van het gebouw met
daarin de wooneenheden. De verbouwingen tot de huidige toestand vonden plaats omstreeks
1986, zijnde weliswaar ná de verwerving door tweede beklaagde
zodat zij alleszins op de hoogte was van 4 wooneenheden. Nadien
werd wooneenheid 0005 wel nog onvergund opgesplitst in kamers
doch ook dit is volgens de bestuurder van eerste beklaagde
dan 10 jaar geleden (stuk 175).
al meer
Volgens haar bestuurder
(stuk 107 en 134-135):
- worden de gebouwen door lokale verenigingen aangekocht, maar in eigendom
;
geschonken aan tweede beklaagde
- beheert tweede beklaagde
zo alle
de moskeegebouwen in België die haar eigendom zijn, in totaal een 72-tal;
-
kunnen zij niet alle gebouwen controleren en gebeurt het beheer door de lokale
verenigingen, die verantwoordelijk zijn voor alles daarrond (in casu eerste beklaagde
- worden de woningen en kamers verhuurd door eerste beklaagde
);
- wist hij niet meer wanneer het pand in kwestie de laatste keer werd bezichtigd;
- gingen zij de “druk opvoeren” naar eerste beklaagde
om de
gebouwen conform te krijgen.
Men was bij tweede beklaagde
hoogte van het feit dat men een pand ter beschikking stelde aan eerste beklaagde
dus op de
met daarin afzonderlijke wooneenheden en de lokale vereniging, zijnde
eerste beklaagde
, mocht hieruit klaarblijkelijk inkomsten verwerven
voor haar werking, dus ook door het verhuren van de wooneenheden. Dit gebeurde trouwens
ook bij andere lokale verenigingen, zo blijkt uit het vonnis van de correctionele rechtbank
van 2 maart 2022 gevoegd aan het strafdossier.
Onafgezien van de opsplitsing van wooneenheid 0005 in 3 kamers, wist zij immers sedert de
verwerving van het pand door haar in 1983 dat er (ook) bewoning was, doch ook van de
opsplitsing had zij op de hoogte kunnen en moeten zijn, gezien alle verbouwingen reeds
plaatsvonden meer dan 10 jaar vóór de feiten onder de tenlastelegging.
Het feit dat zij de gebouwen, zelfs kosteloos ter beschikking stelt en laat beheren, door lokale
verenigingen, zoals ten deze eerste beklaagde
, verandert hier
strafrechtelijk niets aan en betekent voor tweede beklaagde
trouwens financieel een kostenbesparing qua beheers- en
onderhoudskosten van het gebouw, kosten die bijdragen tot een waardevast beheer in het
. Dit maakt
voordeel van tweede beklaagde
ook een vermogensvoordeel uit in haren hoofde.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel
p. 8
6.2. Daarnaast kan eerste beklaagde
in principe zonder
toestemming van eerste beklaagde
geen structurele werken
uitvoeren. Het zou mogelijks kunnen dat er geen toestemming was voor de opsplitsing van
wooneenheid 0005, doch dit was al minstens 10 jaar geleden, zodat tweede beklaagde
hiervan op de hoogte had moeten zijn en stappen
had dienen te ondernemen om dit ongedaan te maken.
Bovendien blijkt volgens de verklaring van haar bestuurder dat tweede beklaagde
quasi nooit enige controles uitvoert op de gebouwen en
hun conformiteit of het gevoerd beheer. Dit mag nochtans van een normaal zorgvuldige eigenaar
van dergelijk pand verwacht worden, trouwens niet enkel wat de bewoning betreft, maar ook wat
de veiligheid van alle bezoekers van het gebouw betreft, gebouw waarin allerhande activiteiten
worden georganiseerd. Er was aldus bij tweede beklaagde
sprake van onachtzaamheid bij het ter beschikking stellen van het pand voor verhuring.
Anders oordelen zou erop neerkomen dat men al te makkelijk zijn eigen verantwoordelijkheid en
vooral nalatigheid zou kunnen afwenden op anderen.
Tweede beklaagde
werd met betrekking tot
een ander gebouw daarenboven reeds veroordeeld voor gelijkaardige feiten bij vonnis van de
correctionele rechtbank Leuven van 2 maart 2022, waarvan er zich een voor eensluidend
verklaard afschrift in het dossier bevindt. Ook in dat vonnis ging het om een gelijkaardige
werkwijze met een lokale vereniging / beheerder en tweede beklaagde
als eigenaar. Een deel van de feiten in onderhavig dossier dateert
van ná deze veroordeling. Blijkbaar veranderde er sedert deze veroordeling niets aan de
gehanteerde werkwijze.
6.3. In hoofde van tweede beklaagde
waren
de feiten onder de tenlastelegging het gevolg van de genomen beslissing om het beheer van
de gebouwen over te laten aan eerste beklaagde
als lokale
vereniging en dit bovendien zonder enige controle op het beheer.
Deze beslissing staat in causaal verband met de feiten onder de tenlastelegging, die kaderden in
de activiteiten van tweede beklaagde
als
eigenaar van het gebouw met de bedoeling te zorgen voor een waardevast beheer door anderen
om zo mede beheers- en onderhoudskosten te besparen. Deze beslissing / manier van werken
heeft aldus een intrinsiek verband hadden met de verwezenlijking van haar doel, de waarneming
en
van de belangen van tweede beklaagde
deze feiten werden voor haar rekening gepleegd. De feiten onder de tenlastelegging zijn ook
haar dus toerekenbaar.
6.4. Voor wat betreft eerste beklaagde
wordt omtrent dit aspect
geen discussie gevoerd en blijkt duidelijk uit het strafdossier en de huurovereenkomst op haar
naam dat zij de wooneenheden verhuurde en de huurgelden inde, terwijl zij minstens had
moeten weten dat deze niet-conform waren in de zin van artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen.
De huurgelden werden vervolgens gebruikt voor de menslievende doeleinden van eerste
beklaagde
.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel
p. 9
7. Deze elementen in samenhang beschouwd, is dan ook bewezen dat tweede beklaagde
een pand ter beschikking stelde aan eerste beklaagde
, wetende dat dit mede voor woninghuur was, terwijl dit pand niet-
conform de Vlaamse Codex Wonen was in de zin van artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen.
Gelet op voornoemde elementen hebben eerste beklaagde
tweede beklaagde
tenlastelegging uitgevoerd als daders, minstens heeft tweede beklaagde
en
het misdrijf onder de
noodzakelijke hulp verleend zonder dewelke het misdrijf niet kon
gepleegd worden in de zin van artikel 66 Sw. en worden zij schuldig bevonden aan de
tenlastelegging, zoals hierboven omschreven.
4.2. Straftoemeting
1. De hierna vermelde straffen en strafmaten zijn, in hoofde van elke beklaagde telkens
geïndividualiseerd, gepast, rekening houdend met:
- de feiten, in het bijzonder:
o de aard, de ernst en de maatschappelijke laakbaarheid ervan;
o het aandeel van elke beklaagde hierin;
o de omstandigheden waarin ze plaatsvonden;
o de veroorzaakte overlast;
o de (mogelijke) gevolgen ervan voor de veiligheid en de gezondheid van be
bewoners;
- beklaagden en hun respectievelijke:
o rechtspersoonlijkheid, zoals die blijkt uit het strafdossier en elk hun strafrechtelijk
verleden;
financiële situatie.
o
De bewezen verklaarde feiten zijn ernstig. Eerste beklaagde
verhuurde woningen en kamers, zonder zich al te veel aan te trekken van de toestand en
zonder na te gaan of er nog steeds voldaan was aan alle decretale vereisten. Bovendien werd
er ook nog eens een onvergunde splitsing van één wooneenheid uitgevoerd in 3 kamer-
woningen, waarbij één niet de vereiste minimale oppervlakte voor bewoning had. Het feit dat
dit lang geleden gebeurde, doet geen afbreuk aan de ernst van de feiten, gezien deze
inde louter
handeling extra bewoning beoogde. Eerste beklaagde
en alleen de huurgelden, zonder zich verder iets aan te trekken van de staat van de woningen.
Tweede beklaagde
stelde haar eigendom ter
beschikking, wetende dat er wooneenheden in waren en voerde verder geen enkele controle
uit op het beheer of het onderhoud van haar eigendom en meent dan dat haar geen enkele
verantwoordelijkheid zou treffen, terwijl zij wel wist dat haar eigendom voor het overige
kosteloos waardevast zou beheerd en onderhouden worden. Zij werd al eerder veroordeeld
voor gelijkaardige feiten met betrekking tot een ander gebouw.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel
p. 10
Het feit dat beklaagden grotendeels werken met vrijwilligers, neemt niet weg dat ook zij gehouden
zijn om bij hun winstgevende activiteiten ten behoeve van hun menslievende doelen de ter zake
geldende regels na te leven, waarvan algemeen geweten is dat woningen die verhuurd worden
moeten voldoen aan bepaalde minimale gezondheids- en veiligheidsvereisten.
De geldboete ingevolge artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen, artikel 41bis, § 1, 2de lid en 100
Sw. bedraagt voor een rechtspersoon minimaal 3.000,00 euro en maximaal 72.000,00 euro.
Een geldboete zoals hieronder per beklaagde nader bepaald en geïndividualiseerd, is telkens
gepast.
2. Gezien eerste beklaagde
en tweede beklaagde
nog in de wettelijke voorwaarden verkeren om van
het voordeel van uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf te kunnen genieten, past het,
rekening houdende met de concrete omstandigheden om aan eerste beklaagde
en tweede beklaagde
voor het gedeelte van de geldboete, zoals hierna voor elk van hen bepaald, uitstel van
tenuitvoerlegging te verlenen.
De duur van de aan eerste beklaagde
en tweede beklaagde
opgelegde proefperiode is aangepast aan de aard en
en
de ernst van de feiten. Dit voordeel zal voor eerste beklaagde
tweede beklaagde
een aansporing zijn om in
de toekomst de wet stipt na te leven, nu bij een toekomstige veroordeling het thans verleende
uitstel kan verloren gaan en de met uitstel opgelegde gedeelte van de geldboete in dat geval
effectief wordt ten aanzien van degene die opnieuw wordt veroordeeld.
Het verlenen van een ruimer uitstel van tenuitvoerlegging voor de respectievelijk aan eerste
beklaagde
en tweede beklaagde
opgelegde geldboete zou geen van hen voldoende bewust maken
van de ernst en de maatschappelijke laakbaarheid van de respectievelijk door hen gepleegde
feiten, mede rekening houdend met ieders rechtspersoonlijkheid, financiële situatie en
strafrechtelijk verleden.
3. Het Openbaar Ministerie vorderde schriftelijk de verbeurdverklaring van 18.700,00 euro als
illegaal vermogensvoordeel, initieel enkel lastens tweede beklaagde
. Zoals op het zittingsblad schriftelijk geakteerd, verbeterde het
openbaar ministerie haar vordering in die zin dat zij de verbeurdverklaring enkel en alleen
vorderde lastens eerste beklaagde
en dus niet langer lastens
tweede beklaagde
Rekening houdend met de aard en de gevolgen van de bewezen verklaarde feiten, is de
rechtbank van oordeel dat het illegaal vermogensvoordeel inderdaad moet worden verbeurd
verklaard. Het is onaanvaardbaar dat eerste beklaagde
in het bezit
zou blijven van de opbrengsten van illegale activiteiten.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel
p. 11
3.1. De omvang van de huurgelden, alsook de berekening van de in totaliteit gegenereerde
huurinkomsten worden door eerste beklaagde
niet betwist, zij stelt
enkel dat zij, door uitvoering van de herstelvordering, uiteindelijk weinig tot niets zou hebben
verdiend aan het misdrijf en dat de gevorderde verbeurdverklaring aldus een onredelijke straf
zou uitmaken.
3.2. Eerste beklaagde
stelt met andere woorden dat door het
uitvoeren van de herstelvordering het vermogensvoordeel “ongedaan” werd gemaakt en
beschouwt dit als fundamenteel anders als de beoordeling van de lokale vereniging in het
vonnis van de correctionele rechtbank Leuven van 2 maart 2022.
Dit is niet correct, gezien het pand nooit verhuurd had mogen worden in de niet-conforme
toestand. Een normale verhuurder moet met andere woorden ook eerst kosten maken en mag
vervolgens pas huurinkomsten genereren. Bovendien mag een misdrijf op geen enkele wijze
lonen, het feit dat het uiteindelijk door de herstelvordering een “nuloperatie” wordt, zou
betekenen dat men uiteindelijk weinig financieel risico zou lopen bij het plegen van het misdrijf
en ofwel onrechtmatig inkomsten vergaart, waarbij men hoogstens het risico loopt dat men
deze inkomsten zou verliezen, maar ook niet meer dan dat.
De redenering van eerste beklaagde
zou er zelfs toe leiden dat men
op onrechtmatige wijze een vorm van krediet bekomt om, indien men uiteindelijk toch betrapt
wordt, de wederrechtelijk bekomen gelden vervolgens volledig in haar eigen voordeel te
investeren om niet alleen de onrechtmatigheid te doen ophouden, maar tegelijkertijd de
mogelijkheid te scheppen om in de toekomst wel op rechtmatige wijze inkomsten te vergaren.
Anders oordelen betekent dan ook dat het misdrijf nog steeds zou lonen. De grens bij de
verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen ligt ingevolge artikel 43bis, 7de Sw. dan ook
zo dat de verbeurdverklaring geen “onredelijke straf” mag uitmaken, hetgeen niet betekent dat
eventuele kosten om het onrechtmatig karakter te doen ophouden, per definitie (volledig) in
mindering dienen te worden gebracht van hetgeen men verdiende aan het misdrijf.
3.3. Het illegaal vermogensvoordeel dat door eerste beklaagde
werd gerealiseerd, wordt op basis van voornoemde elementen en de geïnde huurgelden
gedurende de incriminatieperiode geraamd op 15.000,00 euro. Dit bedrag wordt verbeurd
verklaard bij equivalent met toepassing van artikel 43bis Sw., hetgeen geenszins een
onredelijke bestraffing uitmaakt, gelet op voorgaande elementen.
4. Deze bestraffingen per beklaagde geïndividualiseerd beantwoorden in hoofde van elke
beklaagde telkens het best aan de preventieve en repressieve doeleinden van de straf.
4.3. Herstelvordering
1. De herstelvordering in de zin van de artikelen 3.43 t.e.m. 3.48 Vlaamse Codex Wonen is
geënt op de feiten die het voorwerp uitmaken van een bewezen verklaarde tenlastelegging.
De rechtbank is aldus bevoegd om hiervan kennis te nemen.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel
p. 12
Middels zijn herstelvordering van 19 januari 2024 (stuk 132), waarbij het college van
burgemeester en schepenen van
zich aansloot bij beslissing van
15 februari 2024 (stuk 187) vorderde de Vlaamse Wooninspecteur dat:
- eerste beklaagde
en tweede beklaagde
zouden worden veroordeeld tot:
o het uitvoeren van de nodige herstellingen, dewelke maximaal 10 maanden in
beslag nemen;
o en dit onder verbeurte van een dwangsom van 150,00 euro per dag vertraging;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard.
Uit het proces-verbaal van de Vlaamse Wooninspectie van 4 april 2025 van vaststelling van
uitvoering van een herstelvordering (stuk 2 bundel tweede beklaagde
), blijkt dat er toen reeds aan de herstelvordering werd voldaan en
dat deze derhalve zonder voorwerp is geworden. Dit werd ter terechtzitting beaamd door eiser
in herstel AGENTSCHAP WONEN VLAANDEREN.
De herstelvordering is dan ook zonder voorwerp.
4.4. Kosten, vergoeding en bijdragen
1. Beklaagden zijn als veroordeelde personen hoofdelijk gehouden tot de gerechtskosten
gezien zij door huidig vonnis allen veroordeeld worden ingevolge artikel 50 Sw. en dienen
daarin verwezen te worden krachtens artikel 162, 1ste lid Sv.
2. Gezien beklaagden elk worden veroordeeld tot een correctionele straf, worden zij
overeenkomstig artikel 29, 2de lid Wet 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere
bepalingen tevens verplicht bij te dragen aan het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers
van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.
3. Er dient aan hen als veroordeelden tevens een vergoeding te worden opgelegd conform
artikel 91, 2de lid K.B. 28.12.1950, houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in
strafzaken.
4. Het is niet aangetoond dat beklaagden genieten van juridische tweedelijnsbijstand of
rechtsbijstand, of zich op het vlak van bestaansmiddelen in een situatie bevinden waarbij zij
beroep zouden kunnen doen op juridische tweedelijnsbijstand of op rechtsbijstand. Derhalve
wordt elk van hen overeenkomstig artikel 4, § 3, 1ste lid Wet 19 maart 2017 tot oprichting van
een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand veroordeeld tot een bijdrage aan
het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
5. De verschuldigde bedragen voor de kosten, vergoeding en bijdragen worden hierna begroot.
5. BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED
De rechtbank houdt de beslissing over de burgerlijke belangen ambtshalve aan conform
artikel 4, 2de lid V.T.Sv.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel
p. 13
6. TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 1, 2, 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 37 en 41 wet van 15 juni 1935;
art. 1, 2, 3, 5, 7, 7bis, 25, 38, 39, 40, 41, 44, 45, 50, 66 en 84 strafwetboek;
art. 4 V.T.Sv.;
alsook de wetsbepalingen aangehaald in de inleidende akte en in het vonnis
De rechtbank:
op tegenspraak ten aanzien van
Op strafgebied
Ten aanzien van
eerste beklaagde
Verklaart eerste beklaagde
tenlastelegging.
,
schuldig aan de feiten van de
Veroordeelt eerste beklaagde
geldboete van 24.000,00 euro, zijnde 3.000,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen.
voor de enige tenlastelegging tot een
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van 3 jaar,
doch slechts voor een gedeelte van 20.000,00 euro, zijnde 2.500,00 euro verhoogd met
70 opdeciemen.
Veroordeelt eerste beklaagde
tot betaling van:
- een bijdrage van 1 maal 200,00 euro, zijnde de som van 1 maal 25,00 euro verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders;
- een bijdrage van 26,00 euro aan het Begrotingsfonds voor
juridische
tweedelijnsbijstand;
- een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
62,37 euro;
-
solidair met medeveroordeelden
de kosten van de strafvordering, op heden begroot op 699,11 euro.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel
Ten aanzien van
tweede beklaagde
Verklaart tweede beklaagde
feiten van de tenlastelegging.
Veroordeelt
p. 14
,
schuldig aan de
de Belgique voor de enige tenlastelegging tot een geldboete van 24.000,00 euro,
zijnde 3.000,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van 3 jaar,
doch slechts voor een gedeelte van 12.000,00 euro, zijnde 1.500,00 euro verhoogd met
70 opdeciemen.
Veroordeelt
de Belgique tot betaling van:
- een bijdrage van 1 maal 200,00 euro, zijnde de som van 1 maal 25,00 euro verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders;
- een bijdrage van 26,00 euro aan het Begrotingsfonds voor
juridische
tweedelijnsbijstand;
- een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
62,37 euro;
-
solidair met medeveroordeelden
en
Hulp Vereniging tot de kosten van de strafvordering, op heden begroot op 699,11 euro.
Herstelvordering:
Verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van de herstelvordering lastens eerste beklaagde
en tweede beklaagde
Stelt vast dat de herstelvordering zonder voorwerp is geworden.
Op burgerlijk gebied
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 27 januari 2026 door de
rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt Sectie correctioneel, kamer 13D:
, rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting, met bijstand van griffier
.