Naar hoofdinhoud

ADB:rechtbank-eerste-aanleg-leuven-10-02-2026

Beslissingsdetails

🏛️ Rechtbank eerste aanleg Leuven 📅 2026-02-10 🌐 NL Vonnis

Rechtsgebied

Woonbeleid

Samenvatting

Uitgift e Uitgereikt aan Uitgereikt aan Uitgereikt aan Repertoriumnummer 2026/ i20 Datum van uitspraak dinsdag 10 februari 2026 op € Rolnummer op € op € D Niet aan te bieden aan de ontvanger Informatieblad HB Burrgerr~ ö]ke rrecthrtb)arnl~< van dJe Rechitbafnl k varrn eerrsfce aan~eg Leuven Kamer...

Volledige tekst

Uitgift e Uitgereikt aan Uitgereikt aan Uitgereikt aan Repertoriumnummer 2026/ i20 Datum van uitspraak dinsdag 10 februari 2026 op € Rolnummer op € op € D Niet aan te bieden aan de ontvanger Informatieblad HB Burrgerr~ ö]ke rrecthrtb)arnl~< van dJe Rechitbafnl k varrn eerrsfce aan~eg Leuven Kamer 186 Aangeboden op Op tegenspraak Niet te registreren Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven - B6 - - p. 2 - - ·--- - ------------------- In de zaak van: wonende te , (RRN : .), geborer. en eisende partij, ter zitting bijgestaan door loco , advocaat te goederen van met kantoor te in zijn hoedanigheid van voorlopige bewindvoerder over de eisende partij, ter zitting vertegenwoordigd door loco advocaat te tegen DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST, (KBO: 0316.380.841), met kantoren gevest igd te 1210 Brussel, Koning Albert Il-la an 19 bus 22, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door , advocaat te 1 Procedure De zaak werd op tegenspraak behandeld op de openbare zitting van 20 mei 2025 en 21 oktober 2025. De Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken van 15 juni 1935 werd toegepast. De beslagrechter nam kennis van: - de dagvaarding in verzet, op 2 april 2024 betekend aan DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST; de syntheseconclusie van hoeda nigheid van voorlopig bewindvoerder over de goederen va n neergelegd via e-deposit op 29 augustus 2024; de syntheseconclusie van DE WOON INSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST, neergelegd via e-deposit op 30 september 2024; , in zijn - - de stukkenbundels van partijen; - het tussenvonnis van de beslagrechter van 30 september 2025 tot heropening va n de debatten; - de stukkenbundels van partijen, neergelegd op de zitting van 21 oktober 2025; - de overige stukken in het dossier van rechtspleging. Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven - B6 - p. 3 De beslagrechter hoorde op de zitting: , bijgest aa n door zijn advocaat; - de advocaat van DE WOON INSPECTEU R VAN HET VLAAMS GEWEST. Na de behand eling va n de zaak en het sluiten van de debatten, nam de beslagrechter de zaak in beraad. 2 Feiten en vorderingen De beslagrechter verwijst voor een overzicht van de fe iten en de vorderingen van part ijen naar het tussenvonnis van 30 september 2025. 3 Beoordeling ...:.... ·.:-== 3.1 Het verbeuren van dwangsommen: algemeen De beslagrechter, die kennis neemt van de vord eringen betreffende middelen tot t enu itvoerlegging (art ikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek), is bevoegd voor het executiegeschil dat rijst wanneer de schuldeiser tot t en uitvoerlegging overgaat, maar de sch uldenaar de verbeurte van de dwangsom betwist . De regeling van de dwangsom gaat uit van een strikte taakverdeling tussen de rechter die de dwangsom heeft opgelegd (de bodemrechter of de dwangsomrechter) en de beslagrechter die enkel kan oordelen of de dwangsommen al dan niet verbeurd zijn . Een bod emvonnis strekt er in de eerst e plaatst toe het geschil te beslechten dat tussen de partijen bestaat. Wat in het bodemvo nnis wordt beslist, kan t ussen de partij en niet meer t er discussie worden gesteld voor de beslagrechter. Wel kunnen partijen het bod emvonn is aanvechten door het instellen van rechtsmiddelen. De taak van de beslagrechter bestaat er dus in te onderzoeken of de hoofdveroordeling werd nagekomen. In geval va n zwa righeden bij de t enuitvoerleggi ng van een vonnis dat een veroordeling inhoudt, moet de beslagrechter, op grond van artikel 1498 Gerechtelijk Wetboek bepalen of de voorwaarden waarbij de dwangsom is verschuldigd, al dan niet vervuld zijn.1 tot dwangsom De beslagrechter wa akt immers over de regelmat igheid en de rechtmatigheid va n de tenu itvoerlegging en het komt hem bijgevolg toe in het raam van een verzet tegen een bevel of een beslag met betrekking tot beweerdelijk verbeurde dwangsomm en t e oordelen of de dwangsommen waarvoor tot t en uitvoerlegging werd overgegaan, al dan niet verbeurd zijn. 2 l Cass. (lek.) AR 2 Cass. (lek.) AR , 22 november 2024 , 3 j anuari 2025 Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven - B6 - p. 4 3.2 Het rechtsmisbruik: het verbeuren van de dwangsommen en het ambtshalve herstel 3.2.1 voert aan dat DE WOONINSPECTEUR rechtsmisbruik pleegt door opnieuw een bevel tot betalen te laten betekenen op 1 maart 2024. Het gaat om een bevel tot betalen wegens vermeende verbeurde dwangsommen voor een hoofdsom van 272.850,00 euro, te vermeerderen met de tenuitvoerleggingskosten. Na twee eerdere betalingen zou er nog een openstaand saldo zijn van 103.235,69 euro. De wijze waarop DE WOONINSPECTEUR haar recht op de verbeurte en invordering van de dwangsommen uitvoert, zou duidelijk op een onrechtmatige manier gebeuren. Die handelswijze zou DE WOON INSPECTEUR immers disproportioneel meer voordeel opleveren in verhouding tot de daarmee aan hem berokkende schade. Hij stelt dat de mogelijkheid tot ambtsha lve uitvoering van de opgelegde herstelmaatregelen door DE WOONINSPECTEUR zelf voorzien was in de uitvoerbare titel, en het verhalen van de kosten nadien op hem veel minder schadelijk zou zijn geweest voor hem. 3.2.2 DE WOOINSPECTEUR meent dat er van rechtsmisbruik geen sprake is. Zij wijst erop dat de verplichting tot herstel enkel op rustte en het loutere gegeven dat de mogelijkheid tot ambtshalve uitvoering werd bevolen, geen verplichting inhoudt voor de herstelvorderende overheid om effectief over te gaan tot herstel. 3.2.3.1 Vooreerst brengt de beslagrechter in herinnering dat het beslagrecht, en bij uitbreiding het executierecht, een bevoegdheid is die aan de schu ldeiser wordt toegekend ter voldoening van zijn materieelrechte lijke aanspraken. Het beslagrecht, en bij uitbreiding het executierecht, is aan geen ander doel verbonden, dan de bevrediging van de eigen belangen van de schuldeiser. Het bezit van een uitvoerbare titel in uitvoerbare vorm impliceert de bevoegdheid tot executie. De rechterlijke toetsing van de wijze waarop die bevoegdheid wordt uitgeoefend is bijgevolg beperkt tot een marginale toetsi ng. De beslagrechter moet bij deze toetsing de grootste terughoudendheid aan de dag leggen. In geen geva l mag de beslagrechter oordelen over de opportuniteit van de gedwongen t enuitvoerlegging. Er mag enkel door de rechter worden opgetreden wanneer de gekozen rechtsuitoefening zo manifest onredelijk of onbillijk is, dat geen enkele redel ijke persoon, in dezelfde omstandigheden geplaatst die uitoefeningswijze zou kiezen (kennelijk onredelijk). 3.2.3.2 De beslagrechter volgt op dit punt het standpunt van DE WOON INSPECTEUR. DE WOONINSPECTEUR had op grond van het vonnis van de correctionele rechtbank van Leuven van 16 juni 2017 inderdaad de keuze tussen: (1) ofwel het herstel in de oorspronkelijke staat te laten bewerkstell igen onder verbeurte van dwangsom, (2) ofwel Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven - 86 - - p. 5 over te gaan tot ambtshalve herste l op kosten van De beslagrechter is van oordeel dat DE WOONINSPECTEUR zich bij de uitoefening van het recht om dwangsommen t e innen, niet heeft gedragen op een wijze die de normale uitoefening van dat recht door een zorgvuldig persoon kennelijk t e buiten gaat. De beslagrechter stelt vast dat 16 juni 2017, op geen enkel ogenblik uitvoering heeft gegeven aan het vonnis. , sinds de betekening van het vonnis van In zijn conclusie wijst hij op het feit dat hij zich in een precaire toestand bevond en bevindt, en niet capabel was om de herstelmaatregelen uit te voeren, noch fysiek, noch mentaal, noch financieel. Reeds geruime tijd voor hij onder bewind kwam te staan, zou hij mentale en fysieke problemen gehad hebben. Eén en ander zou blijken uit het arrest van het arbeidshof van 19 januari 2023. De beslagrechter merkt evenwel op dat, indien er een onmogelijkheid zou bestaa n (hebben ) voor om de hoofdveroordeling na te komen (zoals voorzien in artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek), hij zich hiervoor dient (diende) te wenden tot de rechter die de dwangsom heeft opgelegd. In dit geval is dat de correctionele rechtbank van Le uven. Uit het feitenrelaas blij kt ook dat zich inderdaad heeft gewend tot de dwangsomrechter op grond van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek. De beslagrechter heeft evenwel geen zicht op de uitkomst van deze procedure. opnieuw op dat hij financieel niet in Ook in onderhavige procedure werpt staat was om de herstelmaatregelen uit t e voeren. In essentie komt dit er (opnieuw) op neer dat hij ook in deze procedure aanvoert dat hij niet in de financiële mogelijkheid was om de hoofdveroordel ing na te komen. Gelet op de strikte bevoegdheidsverdeling tussen de dwangsomrechter en de beslagrechter, ka n de beslagrechter zich in deze procedure niet uitspreke n over deze beweerde financiële onmogelijkheid . Dat hij fysiek en mentaal niet in staat zou zijn (geweest) om zijn vermogen te beheren (los van de onmogelijkheid op grond van deze factoren), levert sinds de aa nste lling van een bewindvoerder geen argument meer op. Wat betreft de periode daarvóór, moet de beslagrechter vaststellen dat de bewindvoerder bij zijn aantreden een bedrag van 177.052,41 euro heeft betaald aan verbeurd e dwangsommen aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder, zonder enig voorbehoud te formuleren. Op die betaling kan nu niet meer eenvoudigweg worden teruggekomen. Dat er volgen~ dus reeds een 'astronom isch' bedrag van 177.052,41 euro werd betaald aan dwangsommen, volstaat evenmin om rechtsm isb ruik te weerhouden waar DE WOONINSPECTEUR, na ontvangst van dit bed rag, besluit de dwangsom men nog loutere wanverhouding tussen de waarde van de verder te laten verbeuren. De hoofdveroordeling en de levert op zichzelf geen recht smisbruik. (reeds verbeurd e en betaalde) dwangsommen Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven - B6 - p. 6 Er zijn volgens de beslagrechter geen aanwIJ2mgen dat DE WOOINSPECTEUR de veroordeling van tot betaling van dwangsommen, ook na de eerdere betaling van 177.052,41 euro, heeft aangewend voor andere doelen dan het verkrijgen van het herstel, zoals dat bevolen werd in het vonnis van 16 juni 2017. DE WOONINSPECTEUR had dus steeds, van i n den beginne maar ook na de betaling van 177.052,41 euro, een actueel belang bij de nakoming van de hoofdveroordeling. De herstelwerken waren immers nog steeds niet uitgevoerd, zodat het goed nog steeds niet aan de minimaal vereiste woonnormen voldeed. Dit belang was niet gering te noemen en woog bijgevolg nog op tegen de verbeurde en te verbeuren dwangsommen. niet de eigenaar van het desbetreffende pand was, maar wel de Het feit dat vennootschap in vereffening, doet daarnaast geen afbreuk aan het feit dat in het vonnis van 16 juni 2017 wel degelijk zelf werd veroordeeld tot het herstel van de gebreken en DE WOOINSPECTEUR dus op die manier over een uitvoerbare titel beschikt ten aanzien van . De herstelmaatregel heeft een in-rem-karakter en kleeft aan het goed. De veroordeling blijft, gelet op het in-personam-karakter van de vordering, evenwel ten laste van de veroordeelde. Uit geen enkel element blijkt voorts dat DE WOONINSPECTEUR de herstelwerken in kwestie makkelijk of met deze lfd e moeite zelf kon realiseren. stelt in dat verband dat er geen sprake was van structurele problemen, maar eerder van onvolkomenheden. Hij schat dat de werken die moesten worden uitgevoerd, ook maar maximum 75.000,00 euro zouden bedragen hebben. Vooreerst stelt de beslagrechter vast dat uit geen enkel element blijkt dat de herstellingswerken in kwestie daadwerkelijk ongeveer 75.000,00 euro zou den gekost hebben. Indien de werken zich inderdaad in die grootteorde bevonden, stelt de beslagrechter zich, samen met DE WOON INSPECTEUR, de vraag waarom de bewindvoerder niet overging tot het opgelegde herstel om het verbeuren van de van dwangsommen te laten stoppen, maar wel integraal overging tot de betaling van het veel hogere bedrag van 177.052,41 euro. De beslagrechter volgt ook DE WOONINSPECTEUR, waar zij erop wijst dat zij er steeds een groter belang bij heeft dat de veroordeelde zelf de veroorde ling tot herstel nakomt. De ambtshalve uitvoering vereist immers logischerwijze een (uitgebreide) procedure van aanbestedingen, vereist overheidsmiddelen die evenwel beperkt zijn, en vergt om die redenen bovendien een langere tijd tot daadwerkelijk herstel dan het herstel door de veroordee lde zelf. Waar DE WOONINSPECTEUR er voor opteerde om de dwangsommen te laten verbeuren en niet ambtshalve overging tot het herstel van de gebreken, is de beslagrechter aldus van oordeel dat er geen spra ke is van rechtsmisbruik door DE WOON IN SPECTEUR. 3.2.3.3 Het middel is ongegrond . Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven - B6 - - p. 7 Vermits er geen sprake is van rechtsm isbru ik op dit punt, is er ook geen aanleiding tot vergoeding van de geleden schade of tot het herstel in natura op dit punt. in hoofdorde om DE WOON INSPECTEUR te veroordelen De vorderingen var tot terugbetaling van alle ten onrechte geïnde sommen boven de werkelijke kosten van de herstelmaatregel, in ondergeschikte orde tot aanstelling van een deskundige om de werkelijk geraamde kost van de herstelmaatregel te begroten, en in meer ondergeschikte orde om DE WOONINSPECTEUR te veroordelen tot het terugbetalen van alle ten onrecht geïnde dwangsommen, zijn dan ook ongegrond. 3.3 Het rechtsmisbruik: de wiize van tenuitvoerlegging 3.3.1 voert evenwel ook aan dat de beslagrechter de uitvoering mag schorsen wanneer blijkt dat de beslagbare goederen niet eens de kosten zullen dekken, en ook wanneer het inkomen van de beslagene geen afkortingen toelaat. Hij stelt dat de huidige tenuitvoerleggingswijze hem disproportioneel veel schade toebrengt, gelet op zijn huidige preca ire persoonlijke en financiële toestand. 3.3.2 en is van oordeel dat de huidige De beslagrechter volgt op dit punt wel tenuitvoerlegging in de vorm van een bevel tot betalen voorafgaand aan een beslag op roerende goederen, rechtsmisbruik uitmaakt. Een dergelijke abusieve uitoefening van het beslagrecht ligt immers voor wanneer het beslag onmogelijk kan strekken tot voldoening van de schuldeiser. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het beslag gelegd werd op goederen waarvan de verkoopwaarde te gering is om zelfs maar de uitvoeringskosten te delgen.3 Op grond van het stuk 6 van , het jaarverslag van de bewindvoerder voor de periode van 1 april 2022 tot 31 maart 2023, is de beslagrechter immers van oordeel dat zijn financiële (en persoonlijke) precaire situatie voldoende is aangetoond. Uit dit stuk blijken enkel een aantal zicht- en spaarrekeningen op zijn naam met een gezamenlijk totaal van slechts ongeveer 1.000,00 euro. Uit dit stuk blijkt eveneens dat de inkomsten niet volstaan om de uitgaven t e dekken, reden waarom de rekeningsaldi op deze rekeninge n in de genoemde periode overigens ernstig gedaald zijn. Daarnaast beschikt hij volgens het verslag niet over onroerende goederen, noch over belangrijke roerende activa (zoals bijvoorbeeld een wagen). Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de financiële situatie van overigens hoogbejaard is, sindsdien (significant) verbeterd is. , die De beslagrechter is ervan overtuigd dat DE WOONINSPECTEUR, die wist of behoorde te hoogbejaard is, reeds een aanzienlijke som had betaald aan weten dat Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven - B6 • - p. 8 dwangsommen, onder bewind stond en een verzoek had ingediend op grond van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek wegens (onder andere) de financiële onmogelijkheid om aan de hoofdveroord eling te voldoen, op de hoogte was (of behoorde te zijn) van de precair geworden leefsituatie var De beslagrechter brengt in herinnering dat het bevel tot betalen betekend werd voor nog een openstaand saldo van 103.235,69 euro. De kost van dit bevel tot betalen (van 1 maart 2024) bedroeg op zichzelf al 393,53 euro. Onder die omstandigheden neemt de beslagrechter aan dat de huidige t enuitvoerlegging, door de beteken ing van het bevel tot betalen, onmogelijk kan strekken tot voldoening van de schuldeiser, DE WOON INSPECTEUR. In die zin is er wel sprake van rechtsmisbruik in hoofde van DE WOON INSPECTEUR. 3.3.3 Het middel is gegrond. Er is aldus aanleiding tot vergoeding van de geleden schade of tot het herstel in natura op dit punt. Herstel in natura verdient de voorkeur en biedt in dit geval een volledig herstel van het gep leegde rechtsmisbruik. De beslagrechter zegt voor recht dat het bevel tot betalen, betekend bij exploot van 1 maart 2024 door , plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in vervanging 1, gerechtsdeurwaarder met standplaats t e Leuven, niet de basis van van een verdere gedwongen tenuitvoerlegging ka n vormen. De beslagrechter zegt voor recht dat de gemaakte kost en van te nuitvoerlegging, verbonden aan dit exploot va n 1 maart 2024, t en laste blijven van DE WOON INSPECTEUR. 3.4 Besluit Het verzet van is deels gegrond. 4 Gerechtskosten DE WOONINSPECTEUR is in het ongelijk gesteld en moet de kosten van het geding dragen. Deze omvatten de dagva ardingskosten va n 359,42 euro. Ook dient DE WOONI NSPECTEUR de rechtsp legingsvergoed ing ten laste t e nemen voor de in het gelijk gestelde partij, , die is bijgestaan door een advocaat. Het verzet t egen een bewarend beslag is een geschil dat niet in geld waardeerbaa r is. Voor de niet in geld waardeerbare vordering bedra agt de basisrechtsplegingsvergoeding op het ogenblik van de uitspraak 1.883,72 euro. Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven - 86 p. 9 De beslagrechter veroordeelt DE WOON INSPECTEUR tot betaling van de rolrechten aan d e Be lgische staat ten bedrage van 165,00 euro. 5 Uitvoerbaa rheid bij voorraad De besch ikkingen van de beslagrechter zijn in de rege l va n rechtswege uitvoerbaar bij voorraad (artikelen 1395, tweede lid en 1039, eerste lid van het Gerechte lijk Wetboek), zodat de uitvoe rbaarheid niet moet worden gevraagd, noch uitdrukkelijk moet worden uit gesproken. 6 Beslissing De beslagrechter : bes list op tegenspraak, in eerste aanleg en in openbare zitting; verklaart het verzet en de vorderi ngen van als volgt; zegt voor recht dat het beve l tot beta len, beteken d bij exploot van 1 maart 2024 , plaatsvervange nd gerecht sdeurwaarder in vervanging van door 1, gerechtsdeurwaarder met standplaats te Leuven, niet de basis ontvankelijk en gegrond van een verdere gedwongen tenuitvoerlegging kan vormen; zegt voor recht dat de gemaakte kosten van tenu itvoerlegging ten laste blijven van DE WOON INSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST; wijst het ande rs en/of meer gevorderd e af; veroordeelt DE WOON INSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST tot betaling aan van de dagvaardingskosten voor een bedrag van 359,42 euro; veroordeelt DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST tot de betaling van de rol rechten aan de Belgische Staat voor een bedrag van 165,00 euro. Deze beschikking werd uitgesproke n in de openbare zitting van kamer B6 van de rechtbank van eerste aa nleg Leuven op dinsdag 10 februari 2026. Waar zitting namen: , rechter , griffier