ADB:rechtbank-eerste-aanleg-antwerpen-02-03-2026-0
Beslissingsdetails
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Antwerpen
📅 2026-03-02
🌐 NL
Rechtsgebied
Ruimtelijke Ordening
Samenvatting
Vonnlsnummer / Griffienummer / Repertorlumnummer / Europees Datum van uitspraak 2 maart 2026 Naam van de beklaagde(n) Systeemnummer parket 22(076435 Rolnummer Notitienummer parket ME66.L7.4494/2022 rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen Kamer ACl Vonnis Aangeboden op Niet te re...
Volledige tekst
Vonnlsnummer / Griffienummer
/
Repertorlumnummer / Europees
Datum van uitspraak
2 maart 2026
Naam van de beklaagde(n)
Systeemnummer parket
22(076435
Rolnummer
Notitienummer parket
ME66.L7.4494/2022
rechtbank van eerste aanleg
Antwerpen, afdeling
Antwerpen
Kamer ACl
Vonnis
Aangeboden op
Niet te registreren
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
ACl kamer
Vonnisnr
/
p. 2
In de zaak van het openbaar ministerie
tegen:
BEKLAAGDEN:
1.
2.
, RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
beklaagde, bijgestaan door Meester
, advocaat te
, RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
beklaagde, bijgestaan door M eester
, advocaat te
TENLASTELEGGING(EN)
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering recht streeks te hebben
meegewerkt;
door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp t e hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf
zonder zijn bijst and niet had kunnen worden gepleegd;
door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of
arglistigheden, de misdaad of het wanbedrijf rech tstreeks te hebben uitgelokt;
of, door het plegen van de feiten rechtstreeks te hebben uitgelokt door woorden in openbare
bijeenkomsten of plaatsen gesproken dan wel door enigerlei geschrift, drukwerk, prent of zinnebeeld
aangeplakt, rondgedeeld of verkocht, te koop geboden of openlijk t entoongesteld.
Op het perceel gelegen te
kadastraal gekend als
eigendom van
ingevolge akte verleden op 31 januari 2025 door notaris
A optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van onderhoudswerken,
verkavelingsvergunning,
hetzij
stedenbouwkundige
voorafgaande
vergunning,
zonder
Rolnummer
rechtbank van eerst e aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
ACl kamer
Vonnisnr
/
p.3
.... ,,.,,..,,,.,,,,,--.,,,,,.,,.....,~---- -- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het
verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na
verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van
schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
(art. 4.1.1., 3° en 9°1 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1 •, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
tussen 1 november 2022 en 30 april 2024, meermaals, op niet nader bepaalde
namelijk door het aanbrengen op het perceel nr.
achtereenvolgens een laag lavagruis, rubberen matten en een laag grond
van een laag dolomiet, met daarbovenop
door
B aanmerkelijk wijzigen van reliëf van bodem zonder of in strijd met een geldige vergunning
zonder
voorafgaande
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening, het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem, onder meer door de bodem aan te
vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt,
hetzij
verkavelingsvergunning,
omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het
verkavelen van gronden, hetzij In strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na
verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van
schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
(art. 4.2.1., 4°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1 •, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
art. 5, 1 •, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
stedenbouwkundige
vergunning,
tussen 1 november 2022 en 30 april 2024, meermaals, op niet nader bepaalde
namelijk door de opdeling van het grasland In verschillende paddocks door middel van het afgraven
van de toplaag van de grond en het vervolgens terug opvullen met 1) een laag dolomiet, 2) een laag
lavagruls, 3) rubberen matten en 4) een laag grond
door
EN INZAKE:
De Gemeentelijke stedenbouwkundig inspecteur van de gemeente Heist-op-den-berg
met maatschappelijke zetel te
eiser in herstel, vertegenwoordigd door meester
Meester
, advocaat te
, advocaat te
loco
PROCEDURE
Gezien het bewijs van overschrijving van de dagvaarding van beklaagde op het kantoor Rechtszekerheid
Rolnumme1
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
AC1 kamer
Vonnisnr
I
p. 4
dd. 18 september 2025 ref :
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige partijen .
beoordeling
op strafgebied
situering
a.
beklaagde, verder:
een perceel aan
graas land.
(eerste beklaagde, verder:
(tweede
) waren in de periode van november 2022 tot april 2024 de eigenaars van
en
(verder: percee
). Dit perceel is gelegen in agrarisch gebied, geregistreerd als
:, kadastraal gekend als
waren in de aangehaalde periode ook de dagelijkse bestuurders van
(verder:
), een manege en paardenfokkerij aan
maakte reeds langer gebruik van het perceel
. De stallen en de piste van
waren echter onmiddellijk ten westen van perceel
gelegen, binnen een gemeentelijk
ruimtelijk uitvoeringsplan als zone voor spel- en sportterreinen.
feiten
b.
In de periode van november 2022 tot april 2024 werden werken uitgevoerd aan de grond van het
, waar zogenaamde paddocks voor paarden waren en bijkomend werden ingericht. De
perceel
grond werd
tot een diepte van ongeveer 25 centimeter uitgegraven en vervolgens werd
achtereenvolgens een laag dolomiet (gebroken porfiergranulaat; circa 10 centimeter), een laag
lavagruis, een geperforeerde rubberen mat en een laag grond aangebracht. Deze werken werden
uitgevoerd om de top laag van de bodem beter waterdoorlatend te maken en het terrein beter
bruikbaar te maken om er paarden op te laten staan.
Deze handelingen betreffen het plaatsen van een constructie, namelijk een verharding, en het
aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem.
beschikten
hiervoor echter niet over een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen.
procedureel verweer: stakingsprocedure en gezag van gewijsde
C.
Op 22 november 2022 werden vaststellingen verricht door de lokale politie en de gemeentelijke
stedenbouwkundige inspecteur van
;, die enerzijds aanleiding gaven tot het opstellen
van een proces-verbaal, maar anderzijds ook tot een stakingsbevel (bericht van stopzetting der we rken;
staking strijdig gebruik) . De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur bekrachtigde het stakingsbevel
Rolnumme1
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
ACl kame r
Vonnisnr
/
p. s
op 8 december 2022.
vatten de stakingsrechter op basis van artikel 6.4.4 § 4 VCRO. Op
24 april 2023 oordeelde de stakingsrechter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling
Mechelen, onder meer dat het bevel tot staking onwettig en onregelmatig was, en dat het
stakingsbevel werd opgeheven. De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur stelde hoger beroep In
tegen het vonnis van 24 april 2023 en in een arrest van 29 april 2024 oordeelde het Hof van Beroep in
essentie dat de initieel gestaakte werken inmiddels uitgevoerd waren, zodat het bestreden
stakingsbevel geen preventief karakter meer vertoonde.
d.
Ten onrechte stellen beklaagden dat de gerechtelijke uitspraken van 24 april 2023 en 29 april 2024 ten
aanzien van de grond van de strafzaak - de beoordeling van de strafvordering - gezag van gewijsde
zouden hebben.
De stakingsrechter beslist dan wel ten gronde, maar slechts binnen de grenzen van de toegewezen
bevoegdheid en met betrekking tot het voorwerp van de ingeleide vordering, namelijk de opheffing
van het bekrachtigd stakingsbevel. De beslissing van de stakingsrechter heeft dan ook louter en alleen
betrekking op het bestuurlijk traject; de beslissing van de stakingsrechter heeft geen gezag van
gewijsde ten aanzien van de strafrechter met betrekking tot het al dan niet bestaan van een misdrijf.
bewijs, kwalificatie en toerekening
algemeen
e.
De feiten werden op 22 november 2022 vastgesteld door de gemeentelijke stedenbouwkundige
inspecteur en de lokale politie. Bijkomend voegden beklaagden vaststellingen van een door hen gelaste
gerechtsdeurwaarder en met betrekking tot de precieze uitgevoerde werken voegen beklaagden ook
, een door hen aangestelde MER-deskundige .
een verslag van
Met betrekking tot de feitelijke handelingen ls er geen discussie ,
f.
benadrukken ook dat de geviseerde handelingen de bodem 'beter' hebben
gemaakt, minstens functioneel beter om er paarden op te stallen en om waterinfiltratie te bevorderen.
Ook dit gegeven staat niet ter discussie. Het is logisch dat de geviseerde handelingen bedoeld zijn om
minstens functioneel beter te maken, met inbegrip van de
de bodem van het perceel
waterhuishouding. Dit is voor de strafrechtelijke kwalificatie echter niet van belang, de strafrechtelijk
gesanctioneerde vergunningsplicht geldt
logischerwijze niet enkel voor stedenbouwkundige
handelingen met een objectieve of functionele negatieve impact voor de gebruiker of w1e de
handelingen stelt of laat uitvoeren.
g.
stellen verder dat het voorwerp van de strafvordering onduidelijk zou zijn omdat
eenzelfde strafbare gedraging onder twee kwalificaties vervolgd wordt. Dit is op geen enkele wijze
onduidelijk, maar een vervolgingshypothese volgens dewelke er een eendaadse samenloop is en
dezelfde feitelljke gedraging twee misdrijven oplevert.
In zoverre bijkomend wordt gesteld dat eenzelfde gedraging niet tegelijk de geviseerde misdrijven
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
ACl kamer
Vonnisnr
/
p.6
onder de tenlasteleggingen A en B zou kunnen opleveren, betreft dit een verweer ten gronde, zonder
uitstaans met de vermeende onduidelijkheid (aangeduid als zogenaamde exceptio obscuri libel/i). Het
verweer ten gronde faalt bovendien; er is geen reden waarom één gedraging niet tegelijk als verharding
(constructie) en als aanmerkelijke wijziging van het reliëf van de bodem zou kunnen worden
beschouwd en de niet-naleving van beide vergunningsvereisten strafbaar zou zijn.
tenlastelegging A: constructie/verharding
h.
De kwalificatie van de feiten onder tenlastelegging A houdt verband met de vaststellingen van een
vergunningsplichtige handeling met betrekking tot een constructie, namelijk een verharding.
Wat een verharding uitmaakt, dient enerzijds beoordeeld te worden in de context van artikel 4.1.1, 3·
VCRO en artikel 4.2.1, 1", a) en b) VCRO. Hierbij wordt het concept van een verharding vooropgesteld
als een mogelijke verbijzondering van de ruimere categorie van constructies, waarbij het creëren van
een constructie een voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen
vereist. Een constructie ontstaat onder meer door het functioneel samenbrengen van materialen (zie
voor een toepassing dienaangaande betreffende een verharding: RvVb 3 augustus 2023, nr.
Krachtens artikel 4.1.1, 3• VCRO - de decretale omschrijving van het begrip constructie - kan een
constructie bovendien ook in de grond ingebouwd zijn of volledig ondergronds zijn . Een constructie
betreft verder ofwel een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, of een verharding.
i.
De vaststelling dat een verharding niet precies omschreven wordt in de VCRO leidde tot een
parlementaire vraag, die de (toenmalige) bevoegde minister aangreep om te preciseren dat bij werken
aan de bodem het gebruik van al dan niet waterdoorlatend materiaal niet doorslaggevend is, maar wel
het feit dat men een natuurlijke bodem met kunstmatige materialen afdekt. Bijkomend gaf de minister
als illustratie dat het omvormen van een weide tot paardenpiste door te voorzien in drainage,
stabilisatie van de ondergrond, een foliedoek en een zandbed een verharding betreft (Vr. en Antw.,
VI.pari. 30 november 2021, nr. 645) .
j.
Anderzijds moet rekening worden gehouden met de feitelijke context. Perceel 198 is gelegen in
agrarisch gebied en valt niet onder het aangehaalde GRUP. Het werd tot 2022 aangegeven en gebruikt
door
werd mee opgenomen in de bedrijfsvoering van de
manege, wat onder meer blijkt uit de stedenbouwkundige vergunningen van 21 juni 2011 .
als graasland. Perceel
geven verder aan dat de bodem/toplaag van perceel 198 voorafgaand aan de
door de strafvordering geviseerde feiten verstoord was door het intensief gebruik door de paarden,
waardoor water moeilijk Infiltreerde en het terrein in de winter modderig was. Dit wordt gestaafd met
foto's en ook het verslag van de door beklaagden aangestelde deskundige bevestigt dit. De door de
strafvordering geviseerde werken hadden tot doel perceel 198 terug bruikbaar of beter bruikbaar te
maken om paarden op te stallen (in paddocks), waarvoor de structuur van de toplaag diende hersteld
en aangepast te worden, onder meer met het oog op een betere waterinfiltratie.
k.
Uit het voorgaande volgt dat doelbewust materialen werden samengebracht in de toplaag van de
bodem, meer bepaald door over een diepte van ongeveer 25 centimeter vier lagen aan te brengen:
dolomiet, lavagruis, geperforeerde rubberen matten en grond/zand. Dit werd gedaan met het oog op
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
AC1 kamer
Vonnisnr
/
p. 7
het verbeteren van de stabiliteit en de waterhuishouding en door de ondergrond af te dichten met
niet-natuurlijk materialen. Hiervoor is in het bijzonder het gebruik van de rubberen matten belangrijk,
naast het gebruik van de andere (steen)lagen. Bovendien werd de toplaag van de bodem bewerkt om
een meer intensief gebruik van het percee
te kunnen maken, van een weide die begraasd werd
naar een perceel met paddocks.
Een dergelijk kunstmatig afdekken van de ondergrond van wat voorheen een natuurlijk grasland of
graasland was, betreft een verharding en een constructie in de zin van artikel 4.1.1, 3° VCRO en artikel
4.2.1, 1 • VCRO.
Bijgevolg waren de geviseerde werken vergunningsplichtig. Beklaagden noch
echter over een omgevingsvergunning hiervoor.
beschikten
tenlastelegging 8: aanmerkelijke wijziging van het reliëf van de bodem
1.
Onder tenlastelegging 8 kwalificeert het openbaar ministerie de handelingen op perceel
al s het
reliëf van de bodem aanmerkelijk wijzigen, wat overeenkomstig artikel 4.2.1, 4° VCRO
betwisten dat er een aanmerkelijke wijziging van het reliëf
vergunningsplichtig is.
van de bodem is.
Wat de concrete feiten betreft, wordt verwezen naar wat hiervoor reeds werd weergegeven, namelijk
het afgraven van grond en het aanbrengen van een aangepaste toplaag bestaande uit dolomiet,
lavagruis, geperforeerde rubberen matten en grond/zand.
m.
Terecht stellen beklaagden dat niet een eventuele hoogte- of dieptewijziging van het terrein
determinerend is, maar wel de invloed van de interventie op de bestemming, het feitelijk gebruik of
het uitzicht van het terrein. Het aanpassen van de waterhuishouding van een terrein betreft een
mogelijke dergelijke invloed (zie in die zin: Cass. 13 januari 2026,
zonder dat het terrein
in vergelijking met de eerdere toestand verhoogd of verlaagd dient te zijn (zie Antwerpen 10 december
2025, gevoegd door de gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur van de gemeente
verder: GSI).
In deze blijkt uit de elementen van het strafdossier en het onderzoek ter zitting dat het perceel 198
voorafgaand aan de werken drassig en modderig was door het intensief gebruik door paarden en dat
met de door de strafvordering geviseerde handelingen een betere waterinfiltratie werd beoogd en
bekomen. Het is de vergelijking tussen de feitelijke situaties ter plaatse (onmiddellijk) voor en na de
werken die determinerend is om na te gaan of er een aanmerkelijke wijziging van het reliëf van de
bodem was.
Namens beklaagden werd de noodzaak van de werken en de verbeterde toestand van de weide
meermaals benadrukt. Net het verschil tussen deze twee situaties brengt met zich dat er een
vergunningsplichtige aanmerkelijke wijziging van het reliëf van de bodem was. Noch het gegeven dat
de situatie in concreto verbeterd werd (in functie van hun behoeften), noch de vaststelling dat perceel
198 voor en na de feiten gebruikt werd voor paardenpaddocks, doet enige afbreuk aan de beoordeling
dat de door tenlastelegging 8 geviseerde feiten een aanmerkelijke wijziging van het reliëf van de bodem
opleveren.
n.
Waar namens
gewag wordt gemaakt van een 'herstel' van de bodem, lijkt te
Rolnumme,
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
AC1 kamer
Vonnisnr
I
p.8
•1---,.,;<1<:i'l\' ___
_ •
- - - - - - - -- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
worden verwezen naar een eerdere situatie waar perceel
een onaangetast grasland was. Dit is
echter niet de situatie die met de werken werd aangepakt, het vergelijkingspunt ex ante. Bij de
beoordeling of er een aanmerkelijke wijziging van het reliëf van de bodem aan de orde Is, moet de
situatie voor de ingreep vergeleken worden met deze na de ingreep. Een nog vroegere feitelijke situatie
betreft niet het correcte vergelijkingspunt (zie In die zin: Gent 21 april 2000, TMR 2001, 21).
De relevante vergelijking betreft in deze de vergelijking tussen de drassige weide en de gecreëerde
toestand. Hierbij houdt de rechtbank er rekening mee dat perceel
volgens beklaagden ter zitting
(met enige overdrijving) 'sinds mensenheugenis' gebruikt wordt als paardenweide en minstens reeds
in de vergunningsaanvraag die leidde tot de stedenbouwkundige vergunning van 21 juni 2011 werd
opgenomen als een weide van de manege/paardenhouderij.
o.
De geviseerde handelingen houden een vergunningsplichtige aanmerkelijke wijziging van het reliëf van
de bodem In.
strafrechtelijke toerekening
p.
geviseerde werken. Ze leggen trouwens een door
voor betreffende de werken.
voeren ook een gelijklopend verweer.
betwisten niet feitelij k verantwoord elijk te zijn voor de door de strafvordering
ondertekende offerte
namens
q.
Niettemin betwisten ze dat de feiten hun strafrecht elijk toe te rekenen zijn, omwille van een
verm eende (rechts)dwaling.
houden voor dat ze zich vergist hebben met betrekking tot het bestaan van een
vergunningsplicht in deze en dit op een verschoonbare wijze, zodat dit een onoverkomelijke dwaling
met zich zou brengen.
r.
Anders dan namens
voorgehouden, blijkt uit geen enkel element dat ze zich
voorafgaand aan de feiten vergewist zouden hebben van de noodzaak een omgevingsvergunning aan
te vragen. Uit de dossierelementen blijkt anderzijds wel dat de beheerders van de
manege/paardenhouderij zich bewust waren van de noodzaak vergunningen aan te vragen bij het
actief beheer van de terreinen. Zo werden op 21 juni 2011 stedenbouwkundige vergunningen
verkregen met betrekking tot het plaatsen van een afsluiting en het uitvoeren van nivelleringswerken
op de weides (zie stuk 3 en 4 GSi).
in de periode van november 2022 tot april 2024 werd geen
Voor de ingrijpende werken op perceel
omgevingsvergunning gevraagd, hoewe
professioneel actief waren bij het
beheer van een manege/paardenhouderij op meerdere percelen. Verder blijkt uit niets dat ze hierbij
verkeerd geadviseerd werden en de ingrijpende aard van de werkzaamheden noopte minstens tot het
inwinnen van advies.
maken een onoverkomelijke dwaling niet aannemelijk. De feiten van de
tenlasteleggingen A en B worden hun toegerekend onder de kwalificatie opgenomen in de
rechtstreekse dagvaarding.
Rolnumme,
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
ACl kamer
Vonnisnr
/
p.9
straf en strafmaat
s.
Het opleggen van een straf benadrukt het belang van de overtreden norm en vervult een signaalfunctie
van maatschappelijke afkeuring, zowel naar de veroordeelde toe als naar de maatschappij in haar
geheel. De bestraffing beoogt het herstel van de door het misdrijf aangebrachte maatschappelijke
schade. De bestraffing dient ook om de maatschappij
te beschermen. Tegelijk wordt de
maatschappelijke reactie ten aanzien van de veroordeelde naar aanleiding van het misdrijf met de
bestraffing afgerond en indien mogelijk wordt de veroordeelde ertoe gebracht herhaling te vermijden
door middel van rehabilitatie en re-integratie .
. Slj het bepalen van de concrete straffen wordt rekening gehouden met de aard en de ernst van de
,feiten, de concrete feitelijke omstandigheden en persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.
t.
De bewezen feiten werden met eenzelfde strafbaar opzet gepleegd, zodat aan iedere beklaagde één
hoofdstraf wordt opgelegd.
u.
De regelgeving inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw heeft tot doel tot een maatschappelijk
gestroomlijnde ruimtelijke ordening te komen, waarbij het kader van regelgeving en vergunningen
ertoe dient het maatschappelijk belang en het individueel belang te verzoenen. Door ingrijpende
werken uit te voeren aan een terrein in agrarisch gebied zonder een omgevingsvergunning aan te
vragen, stelden beklaagden hun persoonlijk belang boven het maatschappelijk belang en verhinderden
ze de noodzakelijke afstemming met de bevoegde diensten.
v.
Dat de verhardingen en de aanmerkelijke reliëfwijziging van de bodem functioneel een positieve
impact hebben op de waterinfiltratie en het welzijn van de paarden, heeft voor de straftoemeting
slechts een beperkt belang. Wat gesanctioneerd wordt, is het uitvoeren van vergunningsplichtige
handelingen zonder vergunning, het handelen zonder naleving van het regelgevend kader; los van de
maatschappelijk meer- of minwaarde van de handelingen op zich.
W.
Niettemin stelt de rechtbank wel vast dat de vraag betreffende de vergunningsplicht in deze in
belangrijke mate een principiële kwestie is, die geen strenge bestraffing vereist. Een effectieve
correctionele veroordeling is noodzakelijk, maar als bestraffing volstaat een geldboete met uitstel van
• tenuitvoerlegging, mede gelet op het blanco strafrechtelijk verleden van
herstel
X.
De GSI vordert met betrekking tot perceel 198 het herstel in de oorspronkelijke toestand, meer
bepaald:
het verwijderen van alle onvergunde verharding, inclusief de rubberen matten en eventuele
andere afvalstoffen;
het opvullen van eventueel gecreëerde putten met zuivere grond;
het opnieuw inzaaien van het perceel als grasland;
Rolnumme,
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
ACl kamer
Vonnisnr
... ·.·•.·-··•-·~ •-···- -~·~----------------------------
/
p.10
De GSI vorderde tevens een dwangsom van 125 euro per dag vertraging, na het verstrijken van een
uitvoeringstermijn van zes maanden.
y.
vroegen een bemiddeling bij de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering met
betrekking tot de herstelmaatregel. De GSI staat hier niet voor open, wat met zich brengt dat de
meerwaarde van een dergelijke bemiddeling beperkt is. Rekening houdende met het tijdsverloop sinds
de vaststellingen en het opstellen van de herstelvordering, acht de rechtbank het voor een goede
rechtsbedeling noodzakelijk de herstelvordering ten gronde te behandelen.
z.
Bij de behandeling ten gronde preciseerde de GSI, op een uitdrukkelijke vraag van de rechtbank, dat
de herstelvordering louter gebaseerd is op de feiten die het voorwerp van de strafvordering uitmaken.
Evenwel blijkt dat zowel de GSI als de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering in het advies van 3
j uli 2025 niet' enkel verwijzen naar de aanpassing van de toplaag van de bodem, maar dat zij ook de
inname van gronden bestemd tot agrarisch gebied voor recreatieve manegeactiviteiten viseren en
bekritiseren. Een vermeend zonevreemd gebruik van het perceel
maakt echter niet het voorwerp
uit van de huidige procedure en wordt niet rechtsgeldig aangetoond, zodat de rechtbank daar
abstractie van maakt.
aa.
De concrete gevolgen van de bewezen misdrijven betreffen de aanwezigheid van niet-natuurlijke
stoffen in de toplaag van de bodem en, functioneel, een betere waterinfiltratie en een grotere
bruikbaarheid van perceel
om paarden te houden, waarbij wordt aangestipt dat ook reeds voor de
bewezen feiten structureel paarden werden gehouden op het terrein.
In deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de concrete gevolgen kennelijk verenigbaar zijn
met een goede ruimtelijke ordening. De gecreëerde situatie is niet visueel storend, wijzigt de
functionele inpasbaarheid van het terrein niet en heeft geen mobiliteitsimpact of weerslag op het
ruimtegebruik.
Krachtens artikel 6.3.1, § 1 VCRO is een meerwaarde bijgevolg de gepaste herstelmaatregel.
bb.
De meerwaarde wordt bepaald op basis van hoofdstuk 8 van het Handhavingsbesluit Ruimtelijke
ordening van 9 februari 2018.
•
is gelegen in agrarisch gebied en heeft een oppervlakte van 1 hectare, 13 are en 26
Perceel
centiare, aldus 11.326 vierkante meter. Rekening houdend met het economisch voordeel door de
mogelijkheid om het perceel
als gevolg van de feiten meer intensief te gebruiken voor
paardenpaddocks, wordt een bedrag van 7,5 euro per vierkante meter (na indexatie) gehanteerd. Dit
bedrag ligt binnen de vork van de reguliere en de maximale vergoeding voor een reliëfwijziging in
agrarisch gebied en merkelijk lager dan de bedragen voorzien voor een grondverharding in agrarisch
gebied.
De te betalen meerwaarde bedraagt bijgevolg 84.945 euro.
cc.
Aan de veroordeling tot betaling van een meerwaarde kan geen dwangsom worden gekoppeld, zodat
deze bijkomende vordering wordt afgewezen. Evenmin is het verlenen van de machtiging voorzien in
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
AC1 kamer
Vonnisnr
/
p.11
artikel 6.3.4 VCRO aan de orde.
op burgerlijk gebied
dd.
vragen GSI te veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding.
GSI is in deze niet de in het ongelijk gestelde partij en zelfs indien dat het geval zou zijn, is er geen
rechtsgrond om de herstelvorderende overheid tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding te
veroordelen.
De vordering van
wordt afgewezen.
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven en de
strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 1, 2, 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 37, 41 wet van 15 juni 1935;
art. 1, 2, 3, 6, 7, 38, 39, 40, 41, 65, 66 strafwetboek;
art. 4 V.T.Sv;
art. 185 Sv;
alsook de wetsbepalingen aangehaald in de inleidende akte en in het vonnis.
De rechtbank:
op tegenspraak ten aanzien van
Inspecteur van
Op strafgebied
Gemeentelijke stedenbouwkundig
Ten aanzien van
, eerste beklaagde
Veroordeelt
voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A en B:
tot een geldboete van 4000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 90 dagen.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de geldboete voor een termijn van 3 jaar.
Veroordeel1
tot betaling van:
-
een bijdrage van 1 maal 250,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 90
opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke
gewelddaden en de occasionele redders;
een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand;
Rolnumme1
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
ACl kamer
Vonnisnr
/
p.12
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 62,37 EUR;
-
de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/2 x 383,72== 191,86 EUR.
Ten aanzien van
, tweede beklaagde
Veroordeelt
voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A en B:
tot een geldboete van 4000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 90 dagen.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de geldboete voor een termijn van 3 Jaar.
Veroordeelt
tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 250,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 90
opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke
gewelddaden en de occasionele redders;
een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand;
een vaste vergoeding voor beheerskosten in straf2aken. Deze vergoeding bedraagt 62,37 EUR;
de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/2 x 383,72= 191,86 EUR.
-
-
-
-
Herstel
Verklaart de vordering tot herstel van de gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur van
met betrekking tot het perceel aan
:, kadastraal
gekend als
ontvankelijk en deels gegrond:
veroordeelt beklaagden
begroot op 84.945 euro.
hoofdelijk tot betaling van een meerwaarde,
Op burgerlijk gebied
Wijst de vordering van
betaling van een rechtsplegingsvergoeding af.
om de herstelvorderende overheid te veroordelen tot
****
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
AC1 kamer
Vonnisnr
/
p.13
•":l:•;• :-:,'.:~..,,'>'#<"U<':.o<I_
.. ______________________________ _
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 2 maart 2026 door de rechtbank van
eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, kamer ACl:
1, rechter
în aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting, met bijstand van griffier