ADB:rechtbank-eerste-aanleg-gent-17-02-2026-0
Beslissingsdetails
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2026-02-17
🌐 NL
Vonnis
Rechtsgebied
Woonbeleid
Geciteerde wetgeving
Koninklijk Besluit van 28 december 1950; Wet van 17 april 1878; Wet van 1 augustus 1985; Wet van 5 maart 1952; wet van 19 maart 2017; wet van 15 juni 1935
Samenvatting
p. 1 rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Kamer G30DI Vonnis Vonnisnummer / Griffienummer / Repertoriumnummer / Europees Datum van uitspraak 17 februari 2026 Naam van de beklaagde Systeemnummer parket 24CO47718 Rolnummer Notitienummer parket GE66.WI.101300/2024 Aangeboden op...
Volledige tekst
p. 1
rechtbank van eerste aanleg
Oost-Vlaanderen, afdeling
Gent
Kamer G30DI
Vonnis
Vonnisnummer / Griffienummer
/
Repertoriumnummer / Europees
Datum van uitspraak
17 februari 2026
Naam van de beklaagde
Systeemnummer parket
24CO47718
Rolnummer
Notitienummer parket
GE66.WI.101300/2024
Aangeboden op
Niet te registreren
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 2
In de zaak van het openbaar ministerie tegen:
BEKLAAGDE:
geboren in
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
)
beklaagde, vertegenwoordigd door meester
advocaat te
TENLASTELEGGING
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
verhuren, te huur of ter beschikking stellen van een gebrekkig goed met het oog op
bewoning
als verhuurder, als eventuele onderverhuurder of als persoon die dat roerend of onroerend
goed ter beschikking stelt, een roerend of een onroerend goed dat niet hoofdzakelijk voor
wonen bestemd is, rechtstreeks of via een tussenpersoon te hebben verhuurd, te huur gesteld
of ter beschikking gesteld met het oog op bewoning terwijl dit goed gebreken vertoont die een
veiligheids- of gezondheidsrisico inhouden of terwijl in dit goed de basisnutsvoorzieningen
zoals elektriciteit, sanitair, kookgelegenheid en verwarmingsmogelijkheid ontbreken of niet
behoorlijk functioneren,
(art. 3.35. Vlaamse Codex Wonen van 2021)
te
) in de periode van 1 maart 2024 tot en met 17 juli 2025
meer bepaald een niet-conforme woning te hebben verhuurd, dan wel ter beschikking te
hebben gesteld, aan
,
in een pand gelegen te
als
geboren
, te
, in eigendom toebehorend aan
kadastraal gekend
,
wonende te
VERMOGENSVOORDEEL : Art. 42 en 43 Bis S.W.B.
Tevens gedagvaard teneinde zich overeenkomstig art. 42 en 43bis van het Strafwetboek, te
horen veroordelen tot de bijzondere verbeurdverklaring van 13.200,00 euro
zijnde
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 3
1. hetzij de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen,
2. hetzij goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld,
3. hetzij inkomsten uit belegde voordelen,
waarbij de rechter, indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de
beklaagde, de geldwaarde ervan dient te ramen (het equivalent bedrag).
Berekening:
-huuropbrengst gedurende de periode 01.03.2024 tot en met 17/07/2025 of 16,5 maanden
aan een maandelijkse basishuurprijs van 800 euro = 13.200,00 euro
Wettelijke herhaling
met de omstandigheid dat
het misdrijf heeft gepleegd na een eerdere
veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste een jaar bij een in kracht van gewijsde
gegane beslissing op het ogenblik van de nieuwe feiten, en voordat vijf jaren zijn verlopen
sinds de straf werd ondergaan of sinds de straf verjaard is, namelijk de beslissing van rechtbank
van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent van 21 maart 2023.
PROCEDURE
De dagvaarding werd op 15 december 2025 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid
Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp
te
is van de tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven door de
wetgeving inzake hypotheken.
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
Bij de behandeling van de zaak en in de processtukken werd gebruik gemaakt van de Nederlandse
taal, behalve wat het vertaald gedeelte betreft.
, teneinde de beklaagde bij te staan
De rechtbank heeft als tolk aangesteld
taal en vice versa en die
voor de vertaling van de gezegden van de Nederlandse taal in de
de door de wet voorziene eed heeft afgelegd. Gelet op de afwezigheid van deze beklaagde dient
deze niet te tolken.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 4
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
1. Overzicht van de feiten
1. Op 17 april 2024 begaf de wooninspectie zich naar het pand gelegen te
.
De woning was eigendom van
en werd op lijfrente gekocht door beklaagde
. De politie had bij een plaatsbezoek vastgesteld dat er vele personen aanwezig
waren, de muren vochtig waren en er verspreid over twee badkamers een tiental tandenbor-
stels lagen. In een slaapkamer lag een man te slapen. Beklaagde vertelde telefonisch dat er de
dag voordien een groot feest was geweest voor de geboorte van zijn kindje. Het was niet dui-
delijk waarom dit feest dan niet plaatsvond op zijn eigen inschrijvingsadres in
De politie had het vermoeden dat er meer mensen in de woning in
woonden dan de vier ingeschreven personen. Op zijn eigen adres
stonden 18 personen ingeschreven. Beklaagde was reeds gekend voor huisjesmelke-
rij.
Het pand te
drie slaapkamers en twee badkamers.
Op het moment van de vaststelling werd enkel 1 gezin aangetroffen en de bewoners beweer-
den daar alleen te wonen zonder derden. Het pand werd daarom gekwalificeerd als éénge-
zinswoning.
betrof een gesloten rijwoning met twee bouwlagen,
Het gebouw had 2 ernstige gebreken van categorie II, namelijk stopcontacten in de berging die
niet waren aangesloten op een beschermingsgeleider en een lichtpunt dat binnen het bescher-
mingsvolume van de douche werd geplaatst. De woning had ook niet op elke bouwlaag een
rookmelder.
De woning had 4 kleine gebreken van categorie I, 5 ernstige gebreken van categorie II en 1
gebrek van categorie II dat een direct gevaar opleverde voor de veiligheid of gezondheid of
mensonwaardige levensomstandigheden veroorzaakte.
Onder meer volgende gebreken werden vastgesteld: sporen van vocht langs buitenmuren met
verhoogde vochtwaarden in de inkomhal en in de drie slaapkamers, velux-ramen die niet vol-
ledig afsloten, zijdeur naar tuin sloot moeizaam, onafgewerkte deurkaders, ontbrekende deur-
klink, schade aan plinten, onvolledige leuning aan de trap, bekleding van treden lag los, borst-
wering aan trap onvoldoende stevig verankerd, treden bovenaan de trap te smal, ontbrekende
borstwering aan trap, ontbrekende terrastegels met valgevaar, lage ramen op eerste verdie-
ping met onvoldoende borstwering, geen bewijs van dakisolatie, geen EPC.
en ging in op 1 maart
Het huurcontract werd afgesloten tussen
2024. De huurprijs bedroeg 800 euro per maand.
verklaarde dat ze er woonde
met haar twee dochters. Ze is geen familie van beklaagde maar behoort wel tot dezelfde stam.
De huur was eerst 800 euro maar bedraagt nu 1.200 euro. Beklaagde ging haar een nieuw
contract brengen. Vroeger woonden er in het huis nog andere mensen, maar nu waren deze
weg.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 5
De man die de politie vorige keer had aangetroffen was de schoonbroer van beklaagde. Die
was nu weg. Er waren zaken niet in orde in de woning maar
was er mee bezig.
Op 19 mei 2024 meldde de politie aan de wooninspectie dat de bewoning in het pand opnieuw
werd gewijzigd. De vriend van de huurster zou er nu zijn ingetrokken. Op 18 mei 2024 werden
er nog vier andere personen aangetroffen waarvan er twee wegvluchtten via de tuin naar een
andere woning van beklaagde.
2. De wooninspecteur vorderde het herstel door het uitvoeren van werken binnen een termijn
van 10 maanden en onder verbeurte van een dwangsom van 150 euro per dag vertraging.
Na melding van herstel begaf de wooninspectie zich ter plaatse op 13 januari 2025. Er werden
nog verschillende gebreken vastgesteld. In de berging was er een onvakkundige elektrische
verbinding die niet in een takdoos was geplaatst. De inbouwkookplaat was aangesloten met
een zwarte elastomeren slang. De afdekplaat van het stopcontact aan het aanrecht was be-
schadigd. Aan de achtergevel was er bezetting aan het loskomen. Er was nog een verhoogde
vochtwaarde in verschillende muren. Op de tweede verdieping was er geen borstwering naast
de trapopening. Daarnaast waren er nog een aantal gebreken aan de afwerking. De woning
had in totaal drie kleine en drie ernstige gebreken.
De woning werd bewoond door zeven familieleden van beklaagde. Deze behoorden tot twee
gezinnen maar omdat het familie was werd de woning toch als eengezinswoning beschouwd.
Het huurcontract stond op naam van
en de huurprijs bedroeg
800 euro.
Na melding van herstel begaf de wooninspectie zich ter plaatse op 17 juli 2025. Er waren ech-
ter nog steeds gebreken aanwezig. Er werd thans ook vastgesteld dat de open gasleiding in de
technische ruimte werd afgedicht met plakband. De leiding was niet voorzien van een metalen
schroefdop of stop alsook een goedgekeurde stopkraan. Er werden nog verhoogde vochtwaar-
den in de muren gemeten. Voor twee muren waar voorheen verhoogde vochtwaarden werden
gemeten werd er thans een voorzetwand geplaatst. In de keuken werden kakkerlakken aange-
troffen. In de berging hing onafgeschermde bedrading met blote geleiders onder spanning. De
woning werd nog steeds door zeven personen bewoond waardoor de bezettingsgraad van 5
personen werd overschreden. Er was wel geen overbewoning.
3. Beklaagde werd verhoord op 5 september 2024. Hij verklaarde dat hij de tweede eigenaar
was van het pand in
Hij heeft het huis op lijfrente ge-
kocht. Hij verklaarde dat er al veel aanpassingen gebeurd waren. Een architect had een stuk
bijgebouwd en beneden werd alles gerenoveerd. De vorige eigenaar had er gewoond tot er
huurcontracten werden afgesloten, vermoedelijk tot februari, maart of april 2024. Als hij een
huurcontract had gegeven, is de vorige eigenaar verhuisd. De woning werd verhuurd aan fa-
en be-
milieleden. Zijn ouders wonen er ook. De huur werd betaald door
droeg 800 euro. Er werd correct betaald. Hij ging hem een beetje minder laten betalen omdat
zijn ouders er nu ook wonen.
Hij dacht dat alles nu in orde was voor een hercontrole.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 6
4. Op 18 september 2025 werd opnieuw overgegaan tot een controle na melding van herstel.
De woning was conform. Er waren wel nog gebreken van categorie I aanwezig. De woning werd
nog steeds door dezelfde zeven personen bewoond.
2. Bespreking van de schuldvraag
1. Beklaagde moet zich voor de rechtbank verantwoorden wegens het verhuren van een niet
conforme woning in
in Gent in de periode van 1 maart 2024 tot en
met 17 juli 2025.
Beklaagde verzocht de rechtbank om hem vrij te spreken omdat hij enkel de blote eigenaar
zou zijn. Het pand zou verhuurd worden door
die ook de huurgelden zou ont-
vangen. Er werd een huurovereenkomst voorgelegd tussen
voor de periode van 1 mei 2024 tot en met 30 april 2025 alsook bewijzen van betalingen
van huurgelden voor de maanden juli 2025 tot en met september 2025.
Ondergeschikt werd aangevoerd dat de elektriciteit op 22 maart 2024 gunstig werd gekeurd
waardoor de gebreken aan de elektriciteit werden betwist. Ook werd opgemerkt dat de woon-
inspectie bij de hercontrole andere gebreken opmerkte dan bij de eerste controle zodat be-
klaagde niet kon weten wat hij allemaal in orde moest maken.
2. Artikel 3.34 Vlaamse Codex wonen 2021 bepaalt dat als een niet-conforme of overbe-
woonde woning rechtstreeks of via tussenpersoon wordt verhuurd, te huur gesteld of ter be-
schikking gesteld met het oog op bewoning, de verhuurder, de eventuele onderverhuurder of
diegene die de woning ter beschikking stelt gestraft wordt. De tenlastelegging slaat dus niet
enkel op verhuurders, maar ook op personen die een woning onderverhuren of een woning
(gratis) ter beschikking stellen. De Vlaamse Codex wonen hanteert aldus bewust een breed
daderbegrip en beperkt zich geenszins tot de persoon die de huurgelden ontvangt. Beklaagde
wordt bovendien vervolgd als dader of mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek.
De rechtbank kan uit de gegevens van het strafdossier wel degelijk afleiden dat beklaagde op-
trad als verhuurder van de woning. Zo bevindt er zich in het strafdossier een huurovereen-
komst getekend door beklaagde tussen hem en
voor de periode van 1 maart
verklaarde dat beklaagde de huisbaas was
2024 tot en met 28 augustus 2025.
en bezig was met herstellingen in de woning. Beklaagde heeft in zijn communicatie met de
wooninspectie ook nooit aangegeven dat hij niet verantwoordelijk zou zijn voor de verhuur.
Hij vermeldde integendeel dat hij bezig was met de herstellingen.
Ook blijkt duidelijk dat beklaagde besliste aan wie de woning werd verhuurd gelet op het feit
dat het zijn familie/stam was. Ook besliste beklaagde hoeveel er moest betaald worden. Zo
blijkt uit zijn verhoor dat
minder moest betalen omdat zijn eigen ouders
ook in de woning woonden. Dit blijkt ook effectief zo te zijn uit de ter zitting neergelegde be-
talingsbewijzen waaruit blijkt dat
maandelijks 450 euro en éénmaal 530
euro betaalde in plaats van de huurprijs van 800 euro.
blijkt bovendien dat de ver-
Uit de verkoopovereenkomst tussen beklaagde en
koper de woning niet mocht verhuren, de koper levenslang kosteloos op de bovenste verdie-
ping mocht wonen en dat de koper zou instaan voor de herstellingswerken en het onderhoud
van de ganse woning.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 7
In die omstandigheden is het voor de rechtbank duidelijk dat beklaagde de strafrechtelijk ver-
antwoordelijke was voor de verhuur van de niet-conforme woning in
in de periode van 1 maart 2024 tot en met 17 juli 2025.
Gelet op de duidelijke en talrijke gebreken die werden vastgesteld op 17 april 2024, 13 januari
2025 en 17 juli 2025 en gelet op het feit dat de huurovereenkomst startte op 1 maart 2024,
staat het voor de rechtbank vast dat de woning niet conform was in de periode van 1 maart
2024 tot en met 17 juli 2025. Het voorgelegde keuringsattest doet geen afbreuk aan de
duidelijke vaststellingen van de wooninspectie met betrekking tot de elektriciteit. De
vaststellingen van de wooninspectie hebben een bijzondere bewijswaarde. Mogelijks werd bij
de keuring een minder omvangrijk onderzoek gevoerd.
De wooninspectie stelde bij de verschillende controles soms dezelfde maar ook soms nieuwe
gebreken vast. De rechtbank kan niet altijd nagaan of die nieuwe gebreken er voordien reeds
waren en mogelijks niet werden opgemerkt of deze nieuwe gebreken het gevolg zijn van
onoordeelkundige herstellingswerken. In elk geval is de verhuurder zelf verantwoordelijk voor
de conformiteit van de verhuurde woningen en mag er niet gewacht worden om gebreken te
herstellen tot de wooninspectie deze zou vaststellen. Het is aan beklaagde om geen misdrijven
te plegen, ongeacht een controle. Beklaagde verhuurt tal van panden zodat het aan hem is om
de woonkwaliteitsnormen strikt op te volgen en toe te passen.
De schuld van beklaagde aan de enige tenlastelegging is voor de rechtbank bewezen.
3. Straftoemeting
1. De rechtbank stelt vast dat de feiten onder de enige tenlastelegging zijn gepleegd met een-
zelfde strafbaar opzet in de vervolgde periode, zodat de rechtbank overeenkomstig artikel 65
lid 1 van het Strafwetboek, slechts één straf zal opleggen.
Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de aard en de objectieve ernst van de
bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden, de eventuele strafverzwarende
factoren, de doelen van de straf zoals bepaald in artikel 7, §2 Strafwetboek en de
persoonlijkheid van beklaagde zoals die blijkt uit het strafrechtelijk verleden, gezinstoestand
en arbeidssituatie, voor zover de rechtbank die kent.
De straf heeft niet alleen een vergeldende functie, ze moet ook preventief werken: ze moet
beklaagde ertoe aanzetten in de toekomst geen misdrijven meer te plegen.
2. Gelet op de economische aard van het misdrijf, is een geldboete en de verbeurdverklaring
van de vermogensvoordelen, zoals hierna besproken, de meest passende straf. De straf moet
beklaagde doen afzien van economische afwegingen inzake pakkans, bestraffing en econo-
misch voordeel en hem ertoe aanzetten voortaan bij verhuring en terbeschikkingstelling van
woningen alle veiligheids- en kwaliteitsnormen in het belang van de bewoners in acht te ne-
men. Gelet op het financieel oogmerk bij de gepleegde feiten en zijn eerdere veroordeling
voor dergelijke feiten, gaat de rechtbank niet in op zijn vraag om een werkstraf op te leggen.
Bovendien is het uitvoeren van een werkstraf praktisch quasi onuitvoerbaar voor personen die
de taal niet machtig zijn.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 8
3. Beklaagde is 35 jaar oud, werkt als zelfstandige en werd reeds éénmaal veroordeeld bij
vonnis van 21 maart 2023 tot een gevangenisstraf van 1 jaar met uitstel en een geldboete van
1.000 euro, de helft met uitstel, wegens huisjesmelkerij, de verhuur van onbewoonbare en
ongeschikte woningen, het opsplitsen van woningen zonder vergunning en zegelverbreking.
Gelet op deze veroordeling bevindt beklaagde zich in staat van wettelijke herhaling en komt
hij niet langer in aanmerking voor de gunst van het gewoon uitstel.
Uit de kadastrale informatie in het strafdossier blijkt dat beklaagde op 12 augustus 2025
(mede)eigenaar was van 13 onroerende goederen. In het voordeel van beklaagde houdt de
rechtbank rekening met het herstel dat inmiddels werd bereikt alsook de context waarin de
feiten werden gepleegd.
Een geldboete van 500 euro is om alle voorgaande redenen passend en evenwichtig.
4. Verbeurdverklaring
1. Het bewezen misdrijf heeft voor beklaagde vermogensvoordelen opgeleverd die zonder het
misdrijf niet mogelijk waren geweest. De woning mocht in deze toestand immers niet worden
verhuurd of ter beschikking gesteld. Het openbaar ministerie vordert schriftelijk de bijzondere
verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen in de zin van artikel 42, 3° Strafwetboek en
voldoet zo aan de vereiste gesteld door artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek, dat de rechtbank
de mogelijkheid biedt deze straf op te leggen. Het is maatschappelijk onaanvaardbaar dat be-
klaagde in het bezit zou blijven van de vruchten van het bewezen misdrijf. Daartoe is niet ver-
eist dat er sprake zou zijn van een abnormale, buitensporige, bovenmatige of overdreven
winst.
De wederrechtelijk bekomen vermogensvoordelen werden door het openbaar ministerie be-
paald op 13.200 euro, namelijk de huuropbrengsten van de woning gedurende de incrimina-
tieperiode (800 euro X 16,5 maanden).
De berekening van de ontvangen huurinkomsten is correct en werd op zich niet betwist. Be-
en niet aan
klaagde stelt echter dat al deze huurgelden betaald werden aan
hem. Beklaagde verzocht om lastens hem geen huurgelden te verbeuren.
2. Beklaagde maakt het voor de rechtbank niet aannemelijk dat hij nooit huurgelden ontving.
Tijdens zijn verhoor verklaarde hij dat de huur steeds correct werd betaald maar dat er wel
wat minder werd betaald (eerder 400 of 500 euro) omdat zijn ouders er ook woonden. Hier-
door kan de rechtbank aannemen dat beklaagde geen 13.200 euro ontving maar wel minstens
6.600 euro (400 X 16,5).
De rechtbank is van oordeel dat de verbeurdverklaring van 6.600 euro als wederrechtelijk be-
komen vermogensvoordeel geen onredelijk zware straf uitmaakt voor beklaagde en zal dit be-
drag verbeuren.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 9
HERSTEL
Gelet op het inmiddels op 17 juli 2025 vastgestelde herstel is de herstelvordering zonder voor-
werp.
BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED
Omdat het door beklaagde gepleegde misdrijf mogelijk schade heeft veroorzaakt, houdt de
rechtbank de burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomstig artikel 4 van de Vooraf-
gaande Titel wetboek van Strafvordering.
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35 en 41 van de wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 - Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 194, 195 Wetboek van Strafvordering;
art. 1, 2, 3, 7, 38, 40, 41, 56, 65, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen
aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven;
art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952;
art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
DE RECHTBANK:
op tegenspraak ten aanzien van
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van
Verklaart de feiten van de enige tenlastelegging bewezen.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 10
Veroordeelt
tenlastelegging:
, zich bevindende in staat van wettelijke herhaling, voor de enige
tot een geldboete van 4.000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 3 maanden.
Veroordeelt
tot betaling van:
− een bijdrage van 1 maal 250,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 90 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
− een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor
juridische
tweedelijnsbijstand
− een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
62,37 EUR
– de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 472,24 EUR
VERBEURDVERKLARING
Beveelt de bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig de artikelen 42 en 43bis Strafwet-
boek van een bedrag van 6.600,00 EUR, zijnde het equivalent van de vermogensvoordelen die
rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen.
HERSTEL
De rechtbank stelt vast dat de herstelvordering zonder voorwerp is.
OP BURGERLIJK GEBIED
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
Dertigste kamer
Vonnisnr /
p. 11
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 17 februari 2026 door de
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30DI:
-
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting, met bijstand van griffier
, rechter
.