ADB:rechtbank-eerste-aanleg-antwerpen-02-03-2026-1
Beslissingsdetails
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Antwerpen
📅 2026-03-02
🌐 NL
Rechtsgebied
Ruimtelijke Ordening
Woonbeleid
Samenvatting
Vonnisnummer / Griffienummer / Repertoriumnummer / Europees Datum van uitspraak 2 maart 2026 Naam van de beklaagde(n) DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMSE GEWEST Systeemnummer parket 2SG1388 Rolnummer 2SA00S206 Notitienummer parket . ./ 0 rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen Kam...
Volledige tekst
Vonnisnummer / Griffienummer
/
Repertoriumnummer / Europees
Datum van uitspraak
2 maart 2026
Naam van de beklaagde(n)
DE WOONINSPECTEUR VAN HET
VLAAMSE GEWEST
Systeemnummer parket
2SG1388
Rolnummer
2SA00S206
Notitienummer parket
. ./ 0
rechtbank van eerste aanleg
Antwerpen, afdeling
Antwerpen
Kamer ACl
Vonnis
Aangeboden op
Niet te registreren
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
,-........,..~_ ..... _ . ________________________________ _
ACl kamer
/
p.2
Vonnisnr
In de zaak van de rechtstreeks dagende partij en het openbaar ministerie
\
ingeschreven in het register van de B.T.W. onder nr.
KBO NR
met vennootschapszetel te
rechtstreeks dagende, vertegenwoordigd door meester
Antwerpen loco meester
., advocaat te
., advocaat te
tegen:
DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMSE GEWEST
wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Havenlaan 88 /22 (Herman Teirlinckgebouw)
rechtstreeks gedaagde, vertegenwoordigd door meester
, advocaat te
en in aanwezigheid van het Openbaar Ministerie;
Gedaagd
gerechtsdeurwaarder var
bij exploot van
gerechtsdeurwaarder
plaatsvervangend
met standplaats te
dd. 19 september 2025
De rechtstreekse dagvaarding luidende als volgt
1.1 IN FEITE
Verzoekster werd voor Uw zetel gedagvaard door gedaagde en dit met oog op de verzoeksters te
veroordelen tot het uitvoeren van alle werken om de woninger
in het onroerend goed
gelegen te
volledig conform te maken in de zin van art. 1.3 §1, 8°
VCW en eventuele overbewoning te beëindigen. (procedure gekend onder rolnummer
(stuk 1)
Op 11 februari 2020 voerde de Vlaamse Wooninspectie samen met de lokale politie en de
stadsdiensten een grondige controle uit in voormelde pand. De drie woningen in de achterbouw
werden gecontroleerd en bleken ongeschikt en onbewoonbaar te zijn. Er werden gebreken vastgesteld
m.b.t. de veiligheid van Elektrische installatie en branddetectie. Tijdens het plaatsbezoek stelde de
Vlaamse Wooninspectie ook vast dat het pand ernstige gebreken bevat die de levensomstandigheden
van de bewoners negatief beïnvloeden maar die geen direct gevaar vormen voor hun veiligheid of
gezondheid, waardoor de woning niet in aanmerking zou komen voor bewoning. Hierdoor vallen de
appartementen in de achterbouw van het pand onder categorie Il en ongeschikt voor bewoning. Tot
slot was de woning links gelegen in de achterbouw ook onbewoonbaar wegens een Inbreuk op
lil, namelijk de afwezigheid van werkende verwarming of een aangepaste
categorie
energievoorziening voor een verwarmingstoestel en de bezettingsnorm werd overschreden.
Bij vonnis van 15 mei 2024 oordeelde Uw zetel dat de feiten bewezen waren, de feiten bovendien
correct werden gekwalificeerd door de Wooninspecteur van het Vlaamse gewest en dat de feiten
toerekenbaar waren aan verzoekster.
Om die reden veroordeelt de rechtbank verzoekster om, wat betreft de woningen
van het
voormelde pand, deze een andere bestemming te geven, te slopen of, mits een stedenbouwkundige
omgevingsvergunning, alle noodzakelijke werken uit te voeren om de conformiteit, zoals bedoeld in
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
AC1 kamer
Vonnisnr
I
p.3
artikel 1.3, §1. 80 van de Vlaamse Codex Wonen, te herstellen en de eventuele overbewoning te
beëindigen. Wat betreft de woning
veroordeelt de rechtbank verzoekster om alle noodzakelijke
werken uit te voeren om deze conformiteit te herstellen en de eventuele overbewoning te beëindigen.
Deze verplichtingen moeten binnen één maand na betekening van het vonnis zijn uitgevoerd. Bii niet
naleving verbeurt verzoekster een dwangsom van 150 euro voor elke dag vertraging. 1
Na het vonnis diende eerst een geschikte architect te worden aangesteld. Deze moest de plannen
opmaken en afstemmen op de technische vereisten en stedenbouwkundige regels. Pas daarna kon de
omgevingsvergunningsaanvraag worden voorbereid en ingediend. De gemiddelde doorlooptijd voor
dergelijke aanvragen bedraagt circa 134 dagen (Stuk 2), waarbij bovendien een verplichte
wachttermijn van 35 dagen geldt na aanplakking van de vergunning voordat met de uitvoering kan
worden gestart.
In casu ontving verzoekster pas op 22 november 2024 de omgevingsvergunning voor de verbouwing
van de achterbouw. (stuk 3) Op dat moment was reeds één jaar en zeven maanden verstreken sinds
de aanvang van de uitvoeringstermijn. Hierdoor restte een veel te korte periode om de omvangrijke
werken af te ronden.
Daarbovenop kwam een aanzienlijke stijging van de bouw- en arbeidskosten door de nasleep van de
COVID-19-pandemie en de economische gevolgen van de oorlog in Oekraïne. Deze prijsstijgingen
hebben het financiële plan van verzoeksters zwaar onder druk gezet en de feitelijke uitvoerbaarheid
van de werken in de gegeven termijn verder bemoeilijkt.
Verzoekster liet een voorlopige offerte opstellen voor de afbraak- en wederopbouwwerken, met een
voorziene startdatum in augustus-september 2025 (stuk 4). Hiermee toont verzoekster aan dat zij de
nodige stappen ondernam en dat de oorzaak van de vertraging buiten haar macht lag. De werken
omvatten onder meer de afbraak van buitenmuren, funderingswerken, de opbouw van nieuwe muren
en de realisatie van een dakconstructie. De totale kostprijs bedraagt circa €131.200, wat eens te meer
de financiële kost van de opgelegde maatregelen aantoont.
Op 7 augustus 2025 ontving verzoekster bovendien een offerte van ingenieursbureau
voor de stabiliteitsstudie, ten bedrage van €1.391,50
voorwaarde voor de uitvoering van de vergunde werken. (stuk S)
inclusief btw. Deze studie vormt een essentiële
Het is in deze context dat verzoekster zich geplaatst zien in een positie van tijdelijke volledige
onmogelijkheid om tijdig t e voldoen aan de hoofdveroordellng, zoals verder toegelicht in " 4.2.2 de
toepassing in casu".
1.2 IN RECHTE
1.2.1 PRINCIPES
Art. 138Squinquies Ger. W. bepaalt:
"De rechter die een dwangsom heeft opgelegd, kan op vordering van de veroordeelde de
dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn
of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke
onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen.
Voor zover de dwangsom verbeurd was voordat de onmogelijkheid intrad, kan de rechter haar
niet opheffen of verminderen.
1 Artikel 35 OVD (Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
.. .. •··-.. , ..... -... ,, ... __ ,._..,,.._._,_,____A'......,. ______________________________ _
ACl kamer
Vonnisnr
/
p.4
De partij op wier verzoek reeds een dwangsom werd opgelegd, kan aan de rechter vragen om
een bijkomende dwangsom op te leggen of om de opgelegde dwangsom te verhogen wanneer
de veroordeelde aanhoudend in gebreke blijft uitvoering te geven aan de hoofdveroordeling."
Een partij tegen wie een dwangsom werd opgelegd kan aldus de dwangsomrechter op grond van
voormeld artikel verzoeken om een opgelegde dwangsom te milderen (opheffen, opschorten of
verminderen) wanneer zich een blijvende of tijdelijke gehele onmogelijkheid stelt die de veroordeelde
verhindert om aan de hoofdveroordeling te voldoen.
Wanneer de dwangsom verbeurd wordt op grond van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde
beslissing van de eerste rechter, is deze rechter als enige bevoegd om kennis te nemen van een
vordering in de zin van art. 1385quinquies Ger.W. Alleen de rechter die de dwangsom heeft
uitgesproken, is bevoegd om deze te herzien in geval van onmogelijkheid de hoofdveroordeling uit te
voeren.2
De dwangsomrechter kan de dwangsom opheffen, verminderen of schorsen vanaf de dag dat de
onmogelijkheid intrad, ook al werd later gedagvaard. 3
Art. 1385quinquies Ger. W. vindt zijn grondslag in de billijkheid en is een toepassing van het beginsel
"nemo ad impossibile tenetur potest'. De onmogelijkheid om een bepaalde prestatie te verrichten,
betekent dat het onredelijk zou zijn om van die persoon de uitvoering van die prestatie te verlangen.4
Het Hof van Cassatie oordeelde reeds meermaals dat de "onmogelijkheid" in de zin van artikel
1385quinquies Ger.W. zich voordoet in geval van "een situatie waarin de dwangsom als dwangmiddel
zijn zin verliest". Dit is het geval wanneer het onredelijk zou zijn om meer inspanning en zorgvuldigheid
te vergen dan de veroordeelde heeft betracht maar ook wanneer de dwangsom als geldelijke prikkel
om de nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren, haar zin verliest.5
De omstandigheid dat de onmogelijkheid voortvloeit uit een element dat reeds ter kennis was
gebracht van de dwangsomrechter ten tijde van de dwangsomveroordeling, en de veroordeelde
tegen een
schuldenaar dit element als zodanig niet heeft aangevoerd als verweer
dwangsomveroordeling, sluit de toepassing van art. 1385quinquies Ger. W. daarenboven niet uit. Bij
de toepassing van art. 1385quinquies Ger. W. dient de dwangsomrechter bijgevolg rekening te houden
met het bestaan van een onmogelijkheid tot uitvoeren van de hoofdveroordeling, ongeacht of deze
onmogelijkheid al dan niet reeds bestond voor de hoofdveroordeling.6
De door art. 1385quinquies, l s t
• lid Ger. W. bedoelde onmogelijkheid Is geen absolute, maar wel een
relatieve onmogelijkheid die moet worden afgemeten volgens de maatstaf van wat redelijkerwijze
onmogelijk is. 7
Zowel de rechtspraak als de rechtsleer aanvaarden dat de onmogelijkheid in de zin van artikel
2 Luik (20ste k) 22 maart 2018, JLMB 2018, afl. 21, 993; Rb. Waals-Brabant {KG) 14 december 2021, JLMB 2022,
afl. 2, 89.
3 P. VANSANT, Zakboekje Handhaving Ruimtelijke Ordening, Mechelen, Wolters Kluwer, 2023, 501-502; G.L.
BALLON, Dwangsom In APR, Story-Scientia, 1980, 76.
4 Brussel 2 mei 1989, JLMB 1990, 377, noot P. KILESTE; G.L. BALLON, "problemen i.v.m. het verbeuren en
verhalen van opgelegde dwangsommen" (noot onder Antwerpen 9 februari 1998), AJT 1998-99, 379.
5 Cass. 30 mei 2002,
Cass. 5 mei 2023,
; Cass. 12 juni 2018,
; Cass. 12 mei 2015,
6 Cass. 21 maart 2011,
7 Cass. 5 mei 2023.
Rolnumme,
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
ACl kamer
Vonnis nr
/
p.S
1385quinquies Ger.W. van velerlei aard kan zijn. Er kan sprake zijn van een mat eriële onmogelijkheid,
een juridische onmogelijkheid, of uitzonderlijk zelfs van een morele onmogelijkheid.8
1.2.2 TOEPASSING IN CASU
In casu is sprake van een tijdelijke volledige onmogelij kheid om binnen de door het vonnis opgelegde
termijn van twee jaar de opgelegde werken uit te voeren. De2e onmogelijkheid vindt haar oorsprong
in een samenloop van omstandigheden die buiten de wil en macht van verzoekster ligt.
Ten eerste is er de financiële onmogelijkheid. De opgelegde werken vereisen aanzienlijke
investe ringen . Reeds voor aanvang van de werken werd Verzoekster geconfronteerd met financiële
druk, mede door de door het vonnis opgelegde boete en bijkomende kost en. De COVID-19-crisis en de
oorlog in Oekraïne hebben daarenboven geleid tot uitzonderlijke prijsstijgingen voor bouwmaterialen
en aannemersdienst en, waardoor de voorziene budgetten ontoereikend bleken en herfinanciering
noodzakelijk werd .
Ten tweede is de door de rechtbank opgelegde uitvoeringstermijn van twee jaar objectief te kort,
gelet op de wettelijk verplichte en opeenvolgende stappen die doorlopen moesten worden voor
effectieve uitvoering. Allereerst diende een architect te worden aangesteld die de noodzakelijke
plannen kon opmaken. Vervolgens was het Indienen van een omgevingsvergunningsaanvraag vereist,
met een gemiddelde doorlooptijd van circa 134 dagen, zijnde reeds één vijfde van de totale
uitvoeringstermijn. Daarna gold de wettelijke wachttermijn van 35 dagen na aanplakking vooraleer de
vergunning definitief uitvoerbaar werd . Deze administratieve en procedurele verplichtingen maakten
dat reeds meer dan een jaar verstreek voordat met de feitelijke uitvoering kon worden gestart.
In concreto werd de omgevingsvergunning voor de verbouwing van de achterbouw pas op 22
november 2024 verleend, zijnde één jaar en zeven maanden na de Indiening van de aanvraag. De
resterende termijn tot het einde van de door het vonnis opgelegde periode was hierdoor volstrekt
onvoldoende voor het aanvatten én voltooien van de ingrijpende werken.
Gelet op het voorgaande is het voor verzoekster redelijkerwijze onmogelijk geweest om aan de
hoofdveroordel lng te voldoen binnen de opgelegde termijn. De opgelegde dwangsom verliest in deze
omstandigheden haar functie als aanzet tot naleving en verwordt tot een loutere bestraffing, hetgeen
in strijd is met het billijkheidsbeginsel waarop artikel 1385quinquies Ger.W. berust.
TEN EINDE:
De vordering van ve rzoeksters ontvankelijk en gegrond te verklaren .
Onderhavig verzoek conform art. 735, §1 Ger. W. te behandelen op de inleidende zitting.
In hoofdorde
De dwangsom, zoals bij vonnis van 6 maart 2023 opgelegd door de Voorzitter van de ACl kamer
rechtbank eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, procedure gekend onder het rolnummer
22A003368, ten bedrage van 150 euro per dag, te rekenen vanaf het verstrijken van het in kracht van
gewijsde getreden vonnis, in zoverre het werd betekend, zonder dwangsomtermijn, op te heffen gelet
op de tijdelijke volle dige materiële onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen .
8 Benelux Hof 25 mei 1999, zaak A 97 /2; K. WAGNER, " Commentaar bij art. 138Squinqules Ger.W."OGR
1999, afl. 44,176-180; Arbh. Luik 12 februari 2008, ECLl :BE:CTLIE :2008 :,
Arbrb. Henegouwen (afd. Bergen) 24 juli 2019, lus & Actores 2020, afl. 2-3, 599.
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
ACl kamer
Vonnisnr
·····.·- -· -
·---··~· ---- ------------------------------
/
p. 6
In ondergeschikte orde
Voornoemde dwangsom minstens op te schorten met minstens 1 jaar om verzoekster de tijd te bieden
een aannemer aan te stellen en de werken te laten voltooien.
In uiterst ondergeschikte orde
Voornoemde dwangsom minstens te verminderen tot 25 euro per dag, met een maximum van 5.000,00
euro.
Tot slot gedaagden
dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding conform art. 1022 Ger. W.
te veroordelen
tot de kosten van het geding, met inbegrip van de
Het te vellen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zelfs
van verzet, zonder borg en niettegenstaande elk aanbod tot consignatie met bijzondere besteding en
met uitsluiting van de kantonnering.
Onder om het even welk voorbehoud en zonder enige nadelige erkenning, en onder meer onder
voorbehoud van vermeerdering of vermindering staande het geding.
Eis gesteund op de hierboven aangehaalde redenen, de wetten ter zake en op alle andere op tijd en
stond te doen gelden redenen.
En opdat de hiervoor gedaagde partij(en) niet onwetend zou(den) zijn, heb Ik hem/ haar/ zij, zijnde
en sprekende zoals hiervoor gezegd, afschrift gelaten van huidig exploot, desnoods onder gesloten
omslag conform de wet
PROCEDURE
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige partijen,.
beoorde ling
a.
(eisende partij, verder :
) werd op 6 maart 2023 door deze kamer veroordeeld
voor feiten betreffende het verhuren of ter beschikking stellen van niet-conforme woningen in een
pand aan
samen met een medeveroordeelde de alternatieve herstelmaatregel opgelegd, namelijk een
veroordeling:
Als herstelmaatregel werd aan
1, eigendom van
veroordeelt beklaagder
van het pand ge~egen
tot het geven van een andere bestemming aan de woningen
te
volgens de bepalingen van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, hetzij de woning te slopen, tenzij de sloop verboden is op grond van
wettelijke, decretale of reglementai re bepalingen;
en
o
tenzij, en enkel indien een geldige vergunning betreffende het opdelen van de
achterbouw van voormeld pand en het gebruik van de woningen
voor
bewoning voorhanden is: tot het uitvoeren van alle werken om de conformiteit in de
' en
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
AC1 kamer
Vonnisnr
J
p. 7
zin van artikel 1.3 § 1, 8° Codex Wonen, te herstellen en de eventuele overbewoning
,,
te beëindigen wat de woningen
van het pand gelegen te
en
betreft;
tot het uitvoeren van alle werken om de conformiteit in de zin van artikel 1.3 § 1, 8° Vlaamse
Codex Wonen, te herstellen en de eventuele overbewoning te beëindigen wat de woning
van het pand gelegen te
betreft;
Aan de veroordeling tot het uitvoeren van de herstelmaatregel werd een uitvoeringstermijn van twee
jaar gekoppeld, dit is de maximale termijn die de Codex Wonen toelaat (artikel 3.43, tweede lid).
Verder werd een dwangsom opgelegd van 150 euro per dag vertraging na het verstrijken van de
hersteltermijn.
b.
op tegen de uitvoering van voormelde beslissing betreffende de
In de huidige procedure komt
dwangsom, met verzoek de dwangsom op te heffen (in hoofdorde), dan wel de dwangsom op te
schorten met minstens een jaar (in ondergeschikte orde) of de dwangsom te verminderen tot 25 euro
per dag, met een maximum van 5.000 euro (in meer ondergeschikte orde).
steunt hiervoor op
artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek, waarvan het eerste lid luidt:
De rechter die een dwangsom heeft opgelegd, kan op vordering van de veroordeelde de
dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn
of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke
onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen.
c.
In de eerste plaats houdt
Zo zou
het door de herstelvordering geviseerde pand, geen verder herstel nodig zou zijn.
voor te hebben gedwaald over de toedracht van de herstelmaatregel.
in de overtuiging geweest zijn dat door geen bewoning meer te voorzien of toe te laten in
zich al vergist zou hebben, betreft dit allerminst een vergissing die
In zoverre
niet
toerekenbaar zou zijn en die op enigerlei wijze de verplichting teniet zou hebben gedaan, laat staan dat
het een onmogelijkheid in de zin van artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek zou opleveren. Het is
hierbij van belang op te merken dat:
een vennootschap betreft die zich professioneel inlaat met het beheer van onroerende
goederen;
reeds in de procedure die leidde tot het vonnis van 6 maart 2023 waarin de
herstelmaatregel met dwangsom werd opgelegd werd bijgestaan door een advocaat;
in voornoemde procedure reeds gewag werd gemaakt van een problematiek rond de
vergunningsstatus van het pand en een lopende procedure dienaangaande;
in voornoemde procedure een betwisting werd gevoerd met betrekking tot de concrete
uitvoering van het herstel (waarop de rechtbank trouwens de maximale termijn voor
uitvoering voorzag);
de herstelvordering die in hoofdorde werd opgelegd een letterlijke overname betreft van de
alternatieve herstelmaatregel zoals voorgeschreven in artikel 3.43, eerste lid, tweede volzin
Codex Wonen;
wordt niet aangetoond en heeft geen impact op de
De vermeende dwaling in hoofde van
verplichting de herstelmaatregel binnen de vooropgestelde termijn uit te voeren, noch op de
gehoudenheid tot het betalen van een dwangsom.
d.
In de tweede plaats stelt
dat het onmogelijk zou zijn geweest om de herstelmaatregel uit te voeren
Rolnumme1
rechtban k van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
ACl kamer
Vonnisnr
/
p. 8
omwille van een moeilijke financiële situatie, die onder meer tot een vennootschapsrechtelijke
alarmbelprocedure aanleiding gaf.
Evenwel blijkt niet da1
al het mogelijke gedaan heeft om zich tijdig van de verplichtingen opgelegd
in het vonnis van 6 maart 2023 te kwijten, door bijvoorbeeld externe financiering te zoeken of een deel
van de activa te verkopen. Bovendien werd na het vonnis van 6 maart 2023 en een opname i,n het
vergunningsregister op 8 september 2023 pas op 24 september 2024 - ruim anderhalf jaar na het
vonnis - een vergunningsaanvraag ingediend voor het slopen van (een deel van) de geviseerde
constructie. Deze vergunning werd op 22 november 2024 verleend.
De rechtbank voorzag de maximale uitvoeringstermijn, maar het grootste deel van deze t ermijn liet
GECA verstrijken vooraleer in actie te komen, zonder een onmogelijkheid in de zin van artikel
1385quinquies Gerechtelijk Wetboek aan te tonen.
e.
rechtbank stipt hierbij aan dat de aangehaalde
toelaat een
De
opportunlteitstoetslng door te voeren met betrekking tot de verplichting betreffende de dwangsom,
maar enkel uitzonderingen of afwijkingen voorziet in het geval van een onmogelijkheid om de
hoofdveroordeling uit te voeren.
rechtsgrond haar niet
f.
Bijkomend wijst de rechtbank er met betrekking tot het tijdsverloop op dat de strafrechtelijk bewezen
feiten dateren van een periode van augustus 2017 tot en met augustus 2020, en dat de vaststellingen
die leidden tot de strafvervolging dateren van 11 februari 2020. De veroordeling tot uitvoering van de
herstelmaatregel en de daaraan gekoppelde dwangsomveroordeling van 6 maart 2023 volgde
bovendien op een tegensprekelijke correctionele procedure waarir
ten volle de mogelijkheid had
standpunt In te nemen. Ook in het licht daarvan is een uitvoeringstermijn voor de hoofdveroordeling
van twee jaar redelijk, wat ook de financiële situatie van de veroordeelde is.
g.
De vordering van
rechtsplegingsvergoeding is verschuldigd.
wordt afgewezen, zodat
de In het ongelijk gestelde partij 1s. De basis-
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven en de
strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 1, 2, 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 37, 41 wet van 15 juni 1935;
art. 1, 2, 3, 6 strafwetboek;
art. 4 V.T.Sv;
art. 162bis, 185 Sv.
De rechtbank:
op tegenspraak ten aanzien van de WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMSE GEWEST,
Verklaart de vordering ontvankelijk;
wijst de vordering var
af als ongegrond;
Rolnummer
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen
AC1kamer
Vonnisnr
/
p. 9
veroordeelt
WOONINSPECTEUR van het Vlaamse Gewest.
tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 1.883,72 euro aan de
****
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 2 maart 2026 door de rechtbank van
eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, kamer ACl:
,, rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld In het proces-verbaal van de
terechtzitting, met bijstand van griffier